Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:4126

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-08-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
19/2469
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOZ-zaak. De heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat de door hem vastgestelde waarde niet te hoog is. Eiser wordt, net als in de procedures over de aanslagen OZB/WOZ-beschikkingen 2005-2006, 2009, 2012, 2013, 2015, 2016, 2017 en 2018, niet gevolgd in zijn stelling dat de WOZ-waarde (beduidend) lager moet worden vastgesteld op grond van een in 2002 tussen eiser en de gemeente gesloten overeenkomst. Beroep ongegrond. De rechtbank oordeelt ambtshalve dat eiser kennelijk onredelijk gebruikmaakt van het procesrecht door beroep in te stellen tegen de in bezwaar gehandhaafde aanslag OZB/WOZ-beschikking 2019 en wederom een lagere WOZ-waarde te bepleiten met verwijzing naar de overeenkomst uit 2002. De rechtbank veroordeelt eiser nog niet in de proceskosten van de heffingsambtenaar, omdat die daar niet om heeft verzocht en omdat eiser – die niet wordt bijgestaan door een professioneel rechtsbijstandverlener – niet eerder op deze consequentie van zijn kennelijk onredelijk procesgedrag is gewezen. De rechtbank volstaat met een waarschuwing aan eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-09-2020
V-N Vandaag 2020/2325
FutD 2020-2864
Belastingblad 2020/440 met annotatie van J.C. Scherff
V-N 2020/62.2.5
NLF 2020/2163 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/2469

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de Samenwerking A2-gemeenten, verweerder

(M. Looymans).

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2019, vervat in een op die datum gedagtekend aanslagbiljet, heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [de woning] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2018, naar de toestand per 1 januari 2018, voor het kalenderjaar 2019, vastgesteld op € 349.000. In dit geschrift is tevens de aanslag onroerende-zaakbelastingen (OZB) voor het kalenderjaar 2019 bekend gemaakt.

Bij uitspraak op bezwaar van 20 augustus 2019 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de waarde van de woning gehandhaafd.

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2020. Partijen zijn met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is eigenaar van de onroerende zaak, een vrijstaande woning met bouwjaar 1977. De woning heeft een aangebouwde garage van 60 m³. De inhoud van de woning is 593 m³. Het perceel bedraagt 1.875 m². De woning is gelegen nabij de snelweg A2.

Verzoeken van eiser

2. Partijen zijn bij aangetekende brief van 15 juli 2020 uitgenodigd voor de zitting. Verweerder heeft bij brief van 30 juli 2020 aangegeven niet te zullen verschijnen. Eiser heeft bij brief van 9 augustus 2020, door de rechtbank ontvangen op 13 augustus 2020, verzocht om uitstel van de zitting, omdat het vanwege de corona-epidemie niet veilig zou zijn zittingen in de rechtbank te houden. De rechtbank heeft eiser bij aangetekende brief van 13 augustus 2020 laten weten dat het verzoek om uitstel is afgewezen. Tevens is eiser de mogelijkheid geboden om de zitting via Skype of een telefoonverbinding doorgang te laten vinden als hij daarvoor op uiterlijk 18 augustus 2020 een verzoek bij de rechtbank zou indienen. Eiser heeft bij brief van 15 augustus 2020, door de rechtbank ontvangen op 19 augustus 2020, wederom verzocht om uitstel van de zitting en gesteld niet in staat te zijn om deel te nemen aan de zitting via Skype of een telefoonverbinding.

3. Eiser volstaat slechts met het herhalen van zijn eerdere uitstelverzoek. Ook dit verzoek wijst de rechtbank af. Voor de motivering wordt verwezen naar genoemde aangetekende brief van 13 augustus 2020. De rechtbank wijst ook het verzoek van eiser af om verweerder op te roepen verplicht ter zitting te verschijnen, reeds omdat dit verzoek niet is gemotiveerd.

Bevoegdheid tot het opleggen van de aanslag

4. Deze rechtbank heeft recent geoordeeld dat de bevoegdheid tot heffen van de ook in deze procedure aan de orde zijnde belasting en tot het aanwijzen van een heffingsambtenaar zijn overgedragen door de daartoe toegetreden gemeenten aan de bedrijfsvoeringsorganisatie Samenwerking A2-gemeenten.1 Dit oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen neemt de rechtbank in deze zaak over. Gelet daarop, en gelet op het feit dat de gemeente Cranendonck is toegetreden tot de genoemde gemeenschappelijke regeling,2 merkt de rechtbank in deze procedure de heffingsambtenaar van de Samenwerking A2-gemeenten aan als verweerder. Uit het door verweerder overgelegde aanwijzingsbesluit heffingsambtenaar blijkt verder dat het bevoegd gezag binnen de bedrijfsvoeringsorganisatie Samenwerking A2-gemeenten (onder andere) mevrouw Looymans als (waarnemend) heffingsambtenaar heeft aangewezen.

5. De aanslag is naar het oordeel van de rechtbank bevoegd opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van het (inhoudelijke) geschil tussen partijen.

Geschil en beoordeling

6. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2018, naar de toestand op 1 januari 2018. Verweerder verwijst ter onderbouwing van de vastgestelde waarde (€ 349.000) naar de getaxeerde waarde (€ 349.000), zoals opgenomen in de bij de uitspraak op bezwaar gevoegde waardematrix.

7. Op verweerder rust de last te bewijzen dat de door hem in beroep verdedigde waarde niet te hoog is. De beantwoording van de vraag of verweerder aan deze bewijslast heeft voldaan, hangt mede af van wat door eiser is aangevoerd.

7.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de onderbouwing van de waarde terecht als uitgangspunt heeft genomen dat de gehanteerde vergelijkingsobjecten niet identiek aan de woning behoeven te zijn om te kunnen dienen als referentie voor het waardeniveau van die woning. Op zichzelf is voldoende dat de vergelijkingsobjecten met betrekking tot de waarderelevante onderdelen vergelijkbaar zijn met de woning. Verweerder dient zich daarbij wel rekenschap te geven van de onderlinge verschillen. Verweerder heeft de waarde onderbouwd met drie vergelijkingsobjecten, namelijk [object 1] , [object 2] en [object 3] , alle gelegen te Maarheze.

7.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende inzichtelijk gemotiveerd en onderbouwd dat met verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten in inhoud, perceelgrootte, bijgebouwen, kwaliteit, onderhoud, voorzieningen en ligging rekening is gehouden. De rechtbank volgt eiser derhalve niet in zijn overigens slechts uit algemeenheden bestaande betoog dat de vergelijkingsobjecten niet als referentie kunnen dienen en dat de grondwaarde in verband met negatieve liggingsaspecten en beweerdelijke vervuiling op nihil moet worden gesteld.

8. Eiser heeft – kort samengevat – aangevoerd dat verweerder op grond van een op 23 mei 2002 gesloten overeenkomst tussen hem en de gemeente Cranendonck gehouden is de WOZ-waarde vast te stellen op € 90.756,–.

8.1.

In de genoemde overeenkomst is bij wijze van compromis overeengekomen dat de WOZ-waarde van de woning over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 wordt vastgesteld op € 90.756,– (ƒ 200.000,–). Ook is in deze overeenkomst bepaald dat voor de jaren vanaf 1 januari 2005 “voor de grondslag van de eventuele waardeaanpassing [zal] worden aangehaakt aan de huidige “state of the art”. Mochten er tegen die tijd verbeteringen zijn doorgevoerd dan zal dit bij de taxatie alsdan worden bekeken, waarna de consequenties hiervan in onderling overleg worden vastgesteld.”

8.2.

Eiser heeft rechtsmiddelen aangewend tegen diverse aan hem vanaf 1 januari 2005 jaarlijks opgelegde OZB-aanslagen/WOZ-beschikkingen waarin hij telkens met een beroep op de overeenkomst een WOZ-waarde van de woning van € 90.756,– bepleit. Verwezen kan worden naar de procedures over onder meer de tijdvakken/kalenderjaren 2005-2006,3 2009,4 2012,5 2013,6 2015,7 20168, 20179 en 2018.10 In deze procedures is zonder uitzondering geoordeeld dat aan de overeenkomst niet de door eiser gewenste betekenis toekomt voor het bepalen van de WOZ-waarde in de jaren vanaf 1 januari 2005. In wat eiser in deze procedure aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding tot een ander oordeel te komen.

8.3.

Ten aanzien van het onder 8.1. genoemde “onderling overleg” heeft het gerechtshof

’s-Hertogenbosch eerder al geoordeeld dat dit heeft plaatsgevonden en dat daarmee recht is gedaan aan wat daarover in de overeenkomst is vastgelegd.11 Dat dit overleg niet tot de door eiser gewenste uitkomst heeft geleid, kan daaraan niet afdoen.

8.4.

Eiser heeft zijn standpunt dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld niet onderbouwd, behoudens de verwijzing naar de overeenkomst van 23 mei 2002, zodat de rechtbank tot de conclusie komt dat eiser zijn waarde niet aannemelijk heeft gemaakt.

9. Voorgaande overwegingen leiden de rechtbank tot de conclusie dat verweerder met de door hem overgelegde matrix in de op hem rustende bewijslast is geslaagd. De rechtbank is om die reden van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem voor de woning per waardepeildatum 1 januari 2018, naar de toestand per 1 januari 2018, vastgestelde waarde van € 349.000 niet te hoog is.

10. Het beroep is ongegrond.

11. De rechtbank overweegt ambtshalve het volgende.

11.1.

Het staat eiser in beginsel vrij te procederen tegen de aan hem opgelegde OZB-aanslagen/WOZ-beschikkingen, ook als hij dat jaarlijks wenst te doen. Op zich staat het eiser ook vrij om met enige vasthoudendheid eenzelfde standpunt in een nieuwe procedure nogmaals aan de orde te stellen in de hoop op een gunstiger rechterlijk oordeel. Van eiser mag in dat geval wel worden verwacht dat hij deugdelijk onderbouwt waarom anders moet worden geoordeeld dan in de eerdere procedure(s) is gedaan. Ook mag van eiser worden verwacht dat hij zijn (overige) stellingen concretiseert en daar waar nodig bewijs van die stellingen levert. Voorkomen moet worden dat er rechterlijke procedures worden gevoerd waarvan objectief gezien kan worden gezegd dat die (inmiddels) geen redelijk doel (meer) dienen, zoals procedures waarin in de kern sprake is van een herhaling van overbekende zetten. Door dergelijke procedures te voorkomen wordt de maatschappij, die het leeuwendeel van de kosten van rechterlijke procedures draagt, niet nodeloos op kosten gejaagd.

11.2.

Wat eiser in deze en de onder 8.2. genoemde procedures doet, is telkens hetzelfde onder 8. genoemde punt bepleiten, al dan niet aangevuld met zeer algemeen geformuleerde en niet onderbouwde beweringen dat verweerder de door hem vastgestelde waarde niet heeft onderbouwd. Van enige objectieve rechtvaardiging voor het jarenlang op deze wijze gebruikmaken van het procesrecht door eiser is niet gebleken. Uit de inmiddels talrijke verwerpingen van het onder 8. genoemde punt door diverse rechterlijke colleges in de voorbije jaren, moet het ook eiser duidelijk zijn geworden dat dit punt geen hout snijdt. Dat slechts in de subjectieve belevingswereld van eiser door verweerder “de wet en het recht, de rechtszekerheid en de rechtsbescherming van de burger (…) op grove wijze [is] geschonden” en dat de rechtspraak op vergelijkbare wijze als in Polen en Hongarije functioneert, kan niet tot een andere uitkomst leiden.

11.3.

Het op genoemde wijze en onder genoemde omstandigheden blijven doorprocederen over in de kern hetzelfde punt, dient geen redelijk doel. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser kennelijk onredelijk gebruikmaakt van het procesrecht zoals bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet daarop kan eiser in de proceskosten van verweerder worden veroordeeld. De rechtbank zal daar in dit geval nog niet toe overgaan om de volgende twee redenen. Er ligt geen verzoek van verweerder om eiser te veroordelen in de proceskosten van verweerder en eiser – die niet wordt bijgestaan door een professioneel rechtsbijstandverlener – is er nog niet eerder op gewezen dat deze consequentie kan worden verbonden aan zijn kennelijk onredelijk gebruikmaken van het procesrecht. Wat dat laatste betreft dient eiser zich vanaf heden als een gewaarschuwd mens te beschouwen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.C. Meulemans, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 28 augustus 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Rb Oost-Brabant 6 augustus 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:3801.

2 Stcrt. 2016, 53300.

3 Rb ’s-Hertogenbosch 21 december 2010, AWB 09/5788.

4 Rb ’s-Hertogenbosch 21 december 2010, AWB 09/2393, Hof ’s-Hertogenbosch 2 december 2011, 11/00053, en HR 13 juli 2012, 11/05663 (ECLI:NL:HR:2012:BX1400).

5 Rb Oost-Brabant 11 maart 2013, AWB 12/2381, en Hof ’s-Hertogenbosch 19 december 2014, 13/00511.

6 Rb Oost-Brabant 23 mei 2014, SHE 13/5105, Hof ’s-Hertogenbosch 11 december 2015, 14/00659, en HR 13 mei 2016, 16/00246 (ECLI:NL:HR:2016:842).

7 Rb Oost-Brabant 22 januari 2016, SHE 15/1814, en Hof ’s-Hertogenbosch 23 januari 2017, 16/00105.

8 Rb Oost-Brabant 3 augustus 2017, SHE 16/3462, Hof ’s-Hertogenbosch 1 juni 2018, 17/00650 (ECLI:NL:GHSHE:2018:2329), en HR 16 november 2018, 18/02942 (ECLI:NL:HR:2018:2129).

9 Rb Oost-Brabant 19 april 2018, SHE 17/2724, Hof ’s-Hertogenbosch 7 juni 2019, 18/00302, en HR 15 mei 2020, 19/03128 (ECLI:NL:HR:2020:854).

10 Rb Oost-Brabant 25 augustus 2020, SHE 18/2976.

11 Hof ’s-Hertogenbosch 2 december 2011, 11/00053, overweging 4.1.