Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:4070

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
24-08-2020
Zaaknummer
C/01/359960 / KG ZA 20-365
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Overgang van onderneming? Uitvoeren schoonmaakactiviteiten in eigen beheer na beëindiging schoonmaakdiensten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1022
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/359960 / KG ZA 20-365

Vonnis in kort geding van 20 augustus 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CSU B.V.,

gevestigd te Uden,

eiseres,

advocaat mr. R. van der Jagt te Breda,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOTEL MAATSCHAPPIJ OUD-AMSTERDAM B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

YC AMSTERDAM B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. A. Haan te Utrecht.

Partijen zullen hierna CSU en Hotel Maatschappij Oud-Amsterdam B.V. c.s. genoemd worden. Hotel Maatschappij Oud-Amsterdam c.s. zullen afzonderlijk Pulitzer en Kimpton De Witt worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 juli 2020 met 21 producties;

  • -

    de door CSU nagezonden producties (genummerd 22 en 23);

  • -

    de op voorhand door Hotel Maatschappij Oud-Amsterdam c.s. toegezonden producties (genummerd 1 tot en met 9);

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van CSU;

  • -

    de pleitnota van Hotel Maatschappij Oud-Amsterdam B.V. c.s.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft in verband met de Covid-19 maatregelen op 6 augustus 2020 plaatsgevonden door middel van een verbinding via Skype. CSU is daarbij verschenen in de persoon van mevrouw [naam] (Branche Executive Hotels & Leisure) en de heer [naam] (Businessunit Directeur), bijgestaan door haar advocaat. Hotel Maatschappij Oud-Amsterdam c.s. is verschenen in de persoon van de heer [naam] en de heer [naam] (Director of Finance Lore Group), bijgestaan door hun advocaat. Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht en zijn over en weer in de gelegenheid gesteld op elkaars stellingen te reageren. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier aantekening gehouden.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

CSU houdt zich bezig met het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden in en aan panden en terreinen in opdracht van derden.

2.2.

Hotel Maatschappij Oud-Amsterdam c.s. exploiteren een tweetal hotels in Amsterdam en maken allebei deel uit van de zogenaamde Lore Group. De Lore Group maakt haar onderneming van het op internationaal exploiteren van haar merk. Onder het merk Lore Group wordt het hotel Pulitzer Amsterdam geëxploiteerd door gedaagde sub 1 en het hotel Kimpton De Witt Amsterdam door gedaagde sub 2.

2.3.

In het kader van de uitoefening van haar ondernemingsactiviteiten is CSU met Kimpton De Witt een overeenkomst aangegaan op grond waarvan zij schoonmaakdiensten voor Kimpton De Witt is gaan uitvoeren. Deze overeenkomst (productie 3 bij dagvaarding) is per 1 mei 2017 voor de duur van drie jaar ingegaan. Partijen hebben deze overeenkomst niet ondertekend.

2.4.

CSU is met Pulitzer eveneens een overeenkomst aangegaan op grond waarvan zij schoonmaakdiensten voor haar is gaan uitvoeren. Deze overeenkomst (productie 2 bij dagvaarding) is per 1 april 2018 voor de duur van drie jaar aangegaan. Deze overeenkomst is wel door partijen ondertekend.

2.5.

In artikel 7 van de tussen CSU en Pulitzer gesloten overeenkomst is bepaald dat de algemene voorwaarden van CSU op de overeenkomst van toepassing zijn. Deze algemene voorwaarden zijn aan de overeenkomst gehecht en door partijen voor akkoord geparafeerd. Deze algemene voorwaarden zijn vastgesteld door de Ondernemersorganisatie Schoonmaak- en bedrijfsdiensten (OSB).

2.6.

Artikel 15 van de OSB-voorwaarden luidt, voor zover hier van belang als volgt:

Artikel 15 Contractswisseling en werkgelegenheid (…)

b. de aannemer verbindt zich jegens de opdrachtgever zich te gedragen conform het bepaalde omtrent werkgelegenheid bij contractswisseling in de Collectieve Arbeidsovereenkomst in het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf (CAO). De aannemer zal derhalve zowel bij het aangaan van de overeenkomst met de opdrachtgever, alsook bij beëindiging ervan – voor zover hierbij sprake zal zijn van contractswisseling – in overleg treden met de andere in het geding zijnde aannemer, teneinde zoveel mogelijk werkgelegenheid te behouden, èn om uitvoering te geven aan , conform CAO, mogelijk op één van beide aannemers rustende verplichting tot het aanbieden van een arbeidsovereenkomst aan het schoonmaakpersoneel.

c. Voorzover de opdrachtgever, na beëindiging van de overeenkomst met de aannemer, de werkzaamheden zoals genoemd in artikel 1 lid a niet uitbesteedt aan een ander doch inbesteedt, zijn de artikelen BW 7:662 e.v. inzake overgang van onderneming van toepassing”.

2.7.

Bij brief van 22 oktober 2019 (productie 5 bij dagvaarding) heeft Kimpton De Witt de overeenkomst met CSU opgezegd tegen 1 mei 2020.

2.8.

Bij brief van 25 oktober 2019 (productie 6 bij dagvaarding) heeft CSU de overeenkomst met Pullizer willen opzeggen tegen 1 april 2020. Hoewel Pulitzer nog diezelfde dag bij brief (productie 7 bij dagvaarding) aan CSU heeft geprotesteerd tegen de (eenzijdige) opzegging, heeft zij (eerst) bij brieven van respectievelijk 30 april 2020 en 7 mei 2020 (producties 11 en 13 bij dagvaarding) het standpunt ingenomen dat de overeenkomst met CSU is beëindigd en wel per 1 april 2020. Pulitzer heeft daarbij benadrukt dat haar protest in een eerder stadium niet in de weg staat aan een rechtsgeldige opzegging door CSU.

2.9.

Bij brief van 11 juni 2020 (productie 16 bij dagvaarding) heeft CSU vervolgens bij monde van haar advocaat het standpunt ingenomen dat de overeenkomst tussen partijen niet op 1 april 2020 is geëindigd. CSU heeft daarbij haar vermoeden uitgesproken dat de recentelijke omslag van zienswijze van Pulitzer te maken heeft met de recente Covid-19 gebeurtenissen en de invloed daarvan op de bedrijfsvoering van Pulitzer. Verder heeft CSU geschreven dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een beëindigingdatum anders dan de contractuele einddatum van 1 april 2021. Desalniettemin heeft CSU de overeenkomst met Pulitzer met onmiddellijke ingang opgezegd, omdat Pulitzer – in de visie van CSU – tekort is geschoten in de nakoming van de uit die overeenkomst voortvloeiende (betalings)verplichtingen. Verder heeft CSU nog gewezen op het feit dat de opzegging van de overeenkomsten gevolgen heeft voor het personeel van CSU dat op de respectieve objecten werkzaam is. In dat verband heeft zij, voor zover hier van belang, het volgende geschreven:

(…) In eerste instantie heeft u aangegeven dat beide hotels hebben besloten om de schoonmaakwerkzaamheden na afloop van de overeenkomst met CSU zelf te gaan uitvoeren. CSU constateert echter dat u inmiddels CSU in het ongewisse laat over de wijze waarop de schoonmaakwerkzaamheden zullen worden uitgevoerd (in- of uitbesteding) (…)

Situatie bij inbesteding

Nadat beide hotels aanvankelijk besloten om de schoonmaakwerkzaamheden zelf te verrichten na het einde van de overeenkomsten met CSU, is er een discussie tussen partijen ontstaan of er sprake is van overgang van onderneming in de zin van de wet. Cliënte handhaaft haar standpunt in deze discussie dat daar sprake van is.

Nog los van het antwoord op de vraag of er sprake is van overgang van onderneming in de

zin van de wet, heeft in elk geval te gelden dat partijen zijn overeengekomen dat bij inbesteding er sprake is van overgang van onderneming, althans dat in een dergelijk geval de contractuele verplichting op het hotel rust om de werknemers over te nemen met behoud van hun arbeidsvoorwaarden. Partijen zijn dus overeengekomen dat zij bij inbesteding zullen handelen met de contractuele vaststelling dat tussen hen heeft te gelden dat sprake is van overgang van onderneming (ongeacht of daar al dan niet ook op grond van de wettelijke vereisten sprake van is).

Dit volgt uit artikel 15.c van de toepasselijke (…) OSB voorwaarden (…)

Aangezien artikel 38 van de cao voor het Schoonmaak en Glazenwassersbedrijf in de regel

niet van toepassing is op de bedrijven waar wordt schoongemaakt, is er dus een vergelijkbare afspraak in de OSB voorwaarden opgenomen zoals die van toepassing zijn op de overeenkomst. Dit heeft tot gevolg dat beide hotels verplicht zijn om de personeelsleden over te nemen met behoud van hun arbeidsvoorwaarden. Dit geldt ook indien sprake is van een inbesteding van tijdelijke en/of overbruggende aard. Mocht u vervolgens tot heruitbesteding overgaan, dan zult u overigens ook gebonden zijn aan artikel 38 van voormelde cao.

Situatie bij (directe) heraanbesteding

Indien u besluit om een ander bedrijf de schoonmaakwerkzaamheden te laten verrichten, dan dient de procedure van artikel 38 van de cao voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf onverminderd te worden gevolgd. Zoals blijkt uit de toelichting bij artikel 38 van de cao is sprake van een heraanbesteding als dit het gevolg is van een beëindiging van de overeenkomst door zowel opdrachtgever als opdrachtnemer. Dit betekent dat het nieuwe schoonmaakbedrijf verplicht is om de personeelsleden van CSU

die thans schoonmaken bij Hotel Pulitzer en Hotel Kimpton De Witt een arbeidsovereenkomst aan te bieden waarbij rekening dient te worden gehouden met de vereisten die de cao stelt aan dit aanbod (…)”.

2.10.

Ondanks herhaald verzoek daartoe hebben Hotel Maatschappij Oud-Amsterdam c.s. – in de visie van CSU – nagelaten openheid van zaken te geven ten aanzien van de wijze waarop en door wie de schoonmaakwerkzaamheden in hun hotels thans zullen gaan plaatsvinden.

3 Het geschil

3.1.

CSU vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

1. Kimpton De Witt veroordeelt tot het binnen 3 dagen na het in deze te wijzen vonnis geven van antwoord op de vraag of zij de schoonmaakwerkzaamheden in haar hotel vanaf 1 mei 2020 zelf ter hand neemt, dan wel aan wie zij die schoonmaakwerkzaamheden extern uitbesteedt;

2. Pulitzer veroordeelt tot het binnen 3 dagen na het in deze te wijzen vonnis geven van antwoord op de vraag of zij de schoonmaakwerkzaamheden in haar hotel vanaf 1 mei 2020 zelf ter hand neemt, dan wel aan wie zij die schoonmaakwerkzaamheden extern uitbesteedt;

3. Kimpton De Witt en/of Pulitzer bij heraanbesteding van de schoonmaakwerkzaamheden veroordeelt om CSU binnen 3 dagen na het in deze te wijzen vonnis, althans 3 dagen na heraanbesteding , in de gelegenheid te stellen om met een opvolgend externe schoonmaakpartij(en) in overleg te treden ter voldoening aan het in artikel 15 sub b van de OSB-voorwaarden 2007 en artikel 38 Cao bepaalde;

4. Kimpton De Witt veroordeelt om binnen 3 dagen na het in deze te wijzen vonnis in het geval van inbesteding van de schoonmaakwerkzaamheden aan het schoonmaakpersoneel van CSU dat bij Kimpton De Witt op locatie werkzaam was een aanbod te doen conform het daarover bepaalde omtrent overgang van onderneming, uit welk aanbod in elk geval moet volgen dat het schoonmaakpersoneel de huidige rechten behoudt;

5. Pulitzer veroordeelt om binnen 3 dagen na het in deze te wijzen vonnis in het geval van inbesteding van de schoonmaakwerkzaamheden aan het schoonmaakpersoneel van CSU dat bij Pulitzer op locatie werkzaam was een aanbod te doen conform het daarover bepaalde omtrent overgang van onderneming, uit welk aanbod in elk geval moet volgen dat het schoonmaakpersoneel de huidige rechten behoudt;

Subsidiair

6. bepaalt dat Kimpton De Witt moet gehengen en gedogen dat het schoonmaakpersoneel van CSU dat bij Kimpton De Witt op locatie werkzaam was en dat aangeeft aldaar werkzaam te willen blijven, hun werkzaamheden aldaar zullen continueren, zulks tot het moment waarop in een bodemprocedure onherroepelijk is bepaald wat rechtens is;

7. bepaalt dat Pulitzer moet gehengen en gedogen dat het schoonmaakpersoneel van CSU dat bij Pulitzer op locatie werkzaam was en dat aangeeft aldaar werkzaam te willen blijven, hun werkzaamheden aldaar zullen continueren, zulks tot het moment waarop in een bodemprocedure onherroepelijk is bepaald wat rechtens is;

8. Kimpton De Witt en/of Pulitzer CSU dienen te compenseren voor een gelijk bedrag aan personeelskosten die CSU moet maken in verband met het onder sub 6) en 7) gevorderde;

Zowel primair als subsidiair

9. Kimpton De Witt te veroordelen tot betaling van een dwangsom voor een bedrag van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat zij niet voldoet aan het onder sub 1) en/of 3) en/of 4) en/of 6) gevorderde;

10. Pulitzer te veroordelen tot betaling van een dwangsom voor een bedrag van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat zij niet voldoet aan het onder sub 2) en/of 3) en/of 5) en/of 7) gevorderde;

11. Kimpton De Witt en Pulitzer hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

CSU legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag.

In het kader van de uitoefening van haar ondernemingsactiviteiten is CSU met Kimpton De Witt en Pulitzer overeenkomsten aangegaan op grond waarvan CSU schoonmaakdiensten voor hen heeft verricht. Aangezien de CAO voor het Schoonmaak en Glazenwassersbedrijf (hierna: de CAO) in de regel niet van toepassing is op de bedrijven waar wordt schoongemaakt, zijn partijen in de respectieve overeenkomsten met elkaar de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden voor schoonmaakwerkzaamheden, zoals die zijn vastgesteld door de brancheorganisatie Ondernemersorganisatie Schoonmaak- en Bedrijfsdiensten (OSB), overeengekomen. Deze voorwaarden zijn volledig in lijn met de CAO en partijen hebben daarmee de in de wet vastgelegde bescherming van het schoonmaakpersoneel omtrent overgang van onderneming uitgebreid en geïncorporeerd in hun onderlinge verhouding.

Zo volgt uit artikel 15 sub b van de zogenaamde OSB-voorwaarden 2007 hoe CSU moet handelen indien zij haar schoonmaakwerkzaamheden bij Kimpton De Witt en/of Pulitzer beëindigt en een opvolgend externe schoonmaakpartij de schoonmaakwerkzaamheden verwerft. Artikel 15 sub c van de OSB-voorwaarden bepaalt vervolgens dat, in geval van inbesteding door de opdrachtgever, partijen zullen handelen alsof sprake is van een overgang van onderneming als bedoeld in artikel 7:662 BW e.v., althans partijen hebben met deze bepaling afgesproken dat de rechtsgevolgen van de wettelijke regeling van toepassing zijn, indien de hotels besluiten om de werkzaamheden zelf te verrichten. Dit brengt met zich mee dat de inbesteder de werknemers dient over te nemen onder de voorwaarden zoals dat ook gebeurt bij overgang van onderneming en op die grond dus ook gehouden is om het schoonmaakpersoneel dat op het schoonmaakobject werkzaam is een arbeidsovereenkomst aan te bieden met behoud van alle rechten. CSU kan deze verplichtingen echter niet naleven zonder medewerking van Kimpton De Witt en Pulitzer, indien zij niet mededelen wie de opvolgend (externe) schoonmaakpartij is. Omdat de overeenkomsten met Kimpton De Witt en Pulitzer inmiddels zijn beëindigd en laatstgenoemden weigeren openheid van zaken te geven ten aanzien van de wijze waarop en door wie de schoonmaakwerkzaamheden in hun hotels zullen gaan plaatsvinden, vordert CSU nakoming van de op Hotel Maatschappij Oud-Amsterdam c.s. rustende plichten die voortvloeien uit de onderscheidende overeenkomsten.

3.3.

Ten aanzien van het spoedeisend belang heeft CSU het standpunt ingenomen dat de aard van het door haar gevorderde niet toestaat dat de uitkomst van een bodemprocedure wordt afgewacht. Een voorlopig antwoord op de vraag of Hotel Maatschappij Oud-Amsterdam c.s. gehouden zijn om aan het gevorderde te voldoen is nodig om de schade van CSU te beperken en om die te voorkomen. De uitkomst van een bodemprocedure zal immers dusdanig lang duren dat het schoonmaakpersoneel van CSU op het moment van de uitkomst daarvan geen plek meer zal hebben om aan de slag te gaan bij Hotel Maatschappij Oud-Amsterdam c.s. en/of een opvolgend schoonmaakbedrijf bij heraanbesteding. In dat geval rest CSU slechts nog een schadevordering en CSU heeft er belang bij om deze schade te beperken en te voorkomen. Dit laat zich niet anders effectueren dan het op korte termijn verkrijgen van een voorlopige voorziening, aldus CSU.

3.4.

Hotel Maatschappij Oud-Amsterdam B.V. c.s. voeren verweer en concluderen tot niet ontvankelijkheid dan wel tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van CSU in de kosten van de procedure.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

CSU meent dat de werknemers die voor de beëindiging van de overeenkomsten met Hotel Maatschappij Oud-Amsterdam B.V. c.s. in de door Hotel Maatschappij Oud-Amsterdam B.V. c.s. geëxploiteerde hotels werkzaam waren, inmiddels in dienst zijn van Hotel Maatschappij Oud-Amsterdam B.V. c.s. althans bij hen in dienst zouden moeten kunnen treden en in de hotels zouden moeten kunnen blijven werken. Omdat Hotel Maatschappij Oud-Amsterdam B.V. c.s. betwisten dat de genoemde werknemers in de hotels moeten kunnen blijven werken, heeft CSU spoedeisend belang bij haar vorderingen.

4.2.

In deze procedure, strekkende tot het treffen van een voorlopige voorziening, kunnen de vorderingen worden toegewezen indien met een redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat overeenkomstige vorderingen in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. Daarover wordt het volgende overwogen.

4.3.

Met Hotel Maatschappij Oud-Amsterdam c.s. is de voorzieningenrechter van oordeel dat de primaire vorderingen 1 tot en met 3 zoals geformuleerd in het petitum van de dagvaarding moeten worden afgewezen bij gebrek aan belang. Uit het door Hotel Maatschappij Oud-Amsterdam c.s. als productie 1 overgelegde e-mailbericht van 7 juli 2020 blijkt immers dat de hotels inmiddels aan CSU hebben meegedeeld dat bij heropening van de hotels de schoonmaakwerkzaamheden door de hotels zelf ter hand zullen worden genomen. Hiermee is dus een antwoord gekomen op de door CSU in deze procedure gestelde vraag. Bovendien is hiermee ook vast komen te staan dat van een heraanbesteding van de schoonmaakwerkzaamheden in de hotels geen sprake is.

4.4.

Voor wat betreft het primair gevorderde in sub 4 baseert CSU haar vordering jegens Kimpton de Witt op artikel 15 sub c van de zogenaamde OSB-voorwaarden. Volgens Hotel Maatschappij Oud-Amsterdam c.s. zijn deze algemene voorwaarden echter niet van toepassing op de rechtsverhouding tussen CSU en Kimpton De Witt. De overeenkomst waarop CSU zich op beroept, is immers niet door partijen ondertekend.

4.5.

De toepasselijkheid van de algemene voorwaarden kan worden aangenomen indien zij door CSU is voorgesteld en door Kimpton De Witt is aanvaard (artikel 6:217 BW). Hoewel de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden uitdrukkelijk is vermeld in de als productie 3 bij dagvaarding overgelegde overeenkomst, is vast komen te staan dat deze overeenkomst niet is ondertekend door partijen. Onder deze omstandigheden kan niet geconcludeerd worden dat Kimpton De Witt de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden heeft aanvaard, laat staan dat partijen de toepasselijkheid van deze voorwaarden met elkaar zijn overeengekomen. De omstandigheid, zoals CSU tijdens de mondelinge behandeling nog heeft aangevoerd, dat de zogenaamde OSB-voorwaarden breed zijn aanvaard, ook in de hotelbranche en dat deze code bovendien tot stand is gekomen in samenspraak met de brancheorganisatie, doet hier niet aan af.

Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter dan ook met Hotel Maatschappij Oud-Amsterdam c.s. van oordeel dat dit onderdeel van de vordering moet worden afgewezen.

4.6.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of voorshands kan worden aangenomen dat op Pulitzer de verplichting rust om het schoonmaakpersoneel van CSU dat op haar locatie werkzaam was een aanbod te doen conform het daarover bepaalde omtrent overgang van onderneming. In dit verband wordt vooropgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat tussen hen wel een getekende overeenkomst bestaat, waarop de zogenaamde OSB-voorwaarden van toepassing zijn verklaard. CSU beroept zich in dit verband (eveneens) op het bepaalde in artikel 15 van de voorwaarden, waarvan de inhoud – voor zover hier van belang – hiervoor onder 2.6. is weergegeven.

4.7.

Tussen partijen staat niet (meer) ter discussie dat van heraanbesteding in dit geval geen sprake is, zodat voor de verdere beoordeling van het geschil het bepaalde in artikel 15 sub c van de voorwaarden het uitgangspunt is.

CSU stelt kort gezegd dat partijen met deze bepaling hebben afgesproken dat de rechtsgevolgen van de wettelijke regeling inzake overgang van onderneming van toepassing zijn indien het hotel besluit om de werkzaamheden zelf te gaan verrichten. Volgens CSU is hiervoor bewust gekozen om niet eerst te moeten vaststellen of aan de voorwaarden van overgang van onderneming is voldaan. Pulitzer heeft deze algemene voorwaarden geaccepteerd, dus zijn partijen dat zo overeengekomen.

Pulitzer heeft in dit verband als verweer aangevoerd dat tussen partijen nimmer aan de orde is geweest dat zij verplicht zou zijn om werknemers van CSU in dienst te nemen als gevolg van de beëindiging van de samenwerking. CSU heeft Pulitzer niet gewezen op de door haar gegeven lezing aan het bepaalde in artikel 15 sub c van haar voorwaarden. Zij heeft ook nimmer begrepen dat zij zich met ondertekening van het contract op voorhand zou hebben verplicht om alle werknemers van CSU die bij Pulitzer werkzaam zijn geweest automatisch in dienst te krijgen dan wel deze een aanbod te moeten doen om bij haar in dienst te treden. De lezing en uitleg die CSU aan haar algemene voorwaarden geeft is dermate verstrekkend dat zij Pulitzer daar voorafgaand bij het aangaan van de samenwerking en derhalve tijdig, redelijkerwijs op had behoren te wijzen. Wat daar verder ook van zij, Pulitzer leest artikel 15 sub c van de voorwaarden aldus dat met deze bepaling wordt bedoeld dat de regeling inzake overgang van onderneming alleen van toepassing is als voldaan is aan de wettelijke voorwaarden, oftewel pas als voldaan is aan de wettelijke vereisten voor overgang van onderneming, de inbesteder de werknemers moet overnemen. Hiervan is volgens Pulitzer in het licht van de rechtspraak behorend bij artikel 7:662 BW geen sprake.

4.8.

Nu partijen verdeeld zijn over de uitleg van artikel 15 sub c, dient te worden onderzocht wat partijen met elkaar hebben afgesproken. Hierbij wordt vooropgesteld dat Pulitzer in dit verband terecht heeft aangevoerd dat eenzijdig opgestelde documenten dienen te worden uitgelegd aan de hand van de zogenaamde CAO-norm. Volgens vaste rechtspraak zijn voor die uitleg in beginsel de bewoordingen daarvan en van de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, van doorslaggevende betekenis. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de tekst is opgesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de overeenkomst gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.

4.9.

Nu de overeenkomst is opgesteld door CSU en zij als een professionele partij met oog voor haar eigen belangen kan worden aangemerkt, terwijl ook haar wederpartij een professionele partij is, komt in de onderhavige situatie aan de gekozen bewoordingen groot belang toe.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat een taalkundige uitleg van artikel 15 sub c van de voorwaarden met zich meebrengt dat partijen met elkaar zijn overeengekomen dat als een opdrachtgever de schoonmaakwerkzaamheden zelf gaat verrichten, de inbesteder in dat geval verplicht is om de werknemers over te nemen met behoud van hun arbeidsvoorwaarden en dat deze verplichting geldt ongeacht het antwoord op de vraag of er sprake is van een overgang van onderneming in de zin van de wet. In artikel 15 sub c staat immers woordelijk, zonder enige beperking of clausulering, dat de artikelen 7:662 BW e.v. van toepassing zijn. Bovendien is deze contractuele afspraak die partijen hebben gemaakt ook volledig in de lijn met de beschermingsgedachte van werknemers in de schoonmaakbranche. Deze bescherming bestaat hierin dat de werknemer de mogelijkheid krijgt op het schoonmaakobject werkzaam te blijven. Hierbij is ook van belang dat het bedrijf dat een object verliest niet blijft zitten met personeel dat zij niet kan herplaatsen en het bedrijf dat een object verkrijgt niet wordt geconfronteerd met een personeelstekort op het betreffende object.

4.10.

Voor de vraag hoe de overeenkomst in redelijkheid door Pulitzer mocht worden begrepen aan de hand van de partijbedoeling en de in aanmerking te nemen omstandigheden (de Haviltex-maatstaf), is nader feitenonderzoek -in eventueel een bodemprocedure- noodzakelijk. De voorzieningenrechter ziet echter voorshands geen aanwijzing dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst de door Pulitzer gegeven uitleg aan artikel 15 sub c van de voorwaarden hebben beoogd, dan wel dat Pulitzer daarvan mocht uitgaan. Zij heeft op dit punt ter onderbouwing van haar stellingen ook geen stukken overgelegd, terwijl toch aangenomen mag worden dat de (getekende) overeenkomst die in het geding is gebracht het resultaat is geweest van meerdere onderhandelingen tussen partijen en concept teksten die over en weer zijn uitgewisseld. Van een professionele partij als Pulitzer mag worden verwacht dat zij zich ervan vergewist wat zij met haar tegenpartij overeenkomt en voor zover nodig expliciet in de overeenkomst afspraken vastlegt die afwijken van de algemene voorwaarden. Hiervan is echter niet gebleken en dat dient voor rekening en risico van Pulitzer te komen.

4.11.

Voor zover Pulitzer stelt dat het bepaalde in artikel 15 sub c niet geldt indien de beëindiging door de aannemer heeft plaatsgevonden en niet door de opdrachtgever, wordt hieraan voorbij gegaan. Deze stelling vindt immers geen steun in de door partijen overgelegde stukken.

4.12.

Ook aan de stelling van Pulitzer, die erop neerkomt dat artikel 13 sub a van de voorwaarden in de weg staat aan het gevorderde, komt niet die betekenis toe die zij daaraan heeft toegekend. In dit artikel is weliswaar bepaald dat een opdrachtgever noch tijdens noch gedurende zes maanden na beëindiging van een opdracht, vrij staat om personeel van de aannemer in dienst te nemen, maar de uitleg die Pulitzer hieraan geeft, wordt niet gesteund door de tekst van de overeenkomst of de algemene voorwaarden. CSU heeft ter zitting bovendien nog onweersproken gesteld dat de desbetreffende bepaling enkel is bedoeld als relatiebeding, juist om te voorkomen dat in algemene zin personeel wordt overgenomen door een opdrachtgever. CSU heeft daar verder nog bij opgemerkt dat voorrang dient te worden gegeven aan het bepaalde in artikel 15, omdat deze ziet op de beëindiging van de overeenkomst van opdracht, waarbij het personeel rechten heeft jegens CSU en Pulitzer.

4.13.

Partijen hebben in dit kort geding niet betoogd en voorshands is ook niet aannemelijk dat sprake is van een overgang van een gedeelte van de onderneming van CSU naar Pulitzer en de werknemers van CSU die werkzaam waren in het hotel van Pulitzer zijn dan ook niet van rechtswege in dienst getreden van Pulitzer. In het geval van schoonmaakwerkzaamheden wordt de onderneming immers vooral gekenmerkt door de degenen die het schoonmaakwerk verrichten en degenen die in het hotel van Pulitzer in het verleden de schoonmaakwerkzaamheden verrichtten doen dat op dit moment niet (meer).

4.14.

In zijn arrest van 18 december 2015, JAR 2016/39 (Balans) heeft de Hoge Raad overwogen dat art. 38 van de CAO ertoe strekt de betrokken werknemers te beschermen tegen de gevolgen voor hun werkgelegenheid van heraanbestedingen van schoonmaak- of glazenwasserswerk. Omdat in artikel 15 van de OSB-voorwaarden heraanbesteding en inbesteding worden geregeld, moet ervan worden uitgegaan dat ook artikel 15 sub c van de OSB-voorwaarden de strekking heeft de werknemers van CSU te beschermen. CSU heeft het betoog van Pulitzer dat haar hotel op dit moment nauwelijks gasten heeft en zij in het geval zij zou worden verplicht de werknemers van CSU, die in haar hotel werkzaam waren, in dienst te nemen meteen een ontslagvergunning ten behoeve van deze werknemers bij het UWV zou moeten aanvragen onvoldoende gemotiveerd betwist. Omdat het niet in het belang van de betrokken werknemers zou zijn dat zij thans in dienst zouden (moeten) treden van Pulitzer, kan CSU zich (op dit moment) niet op art. 15 sub c van de OSB-voorwaarden beroepen.

4.15.

Ook een belangenafweging valt in het voordeel van Hotel Maatschappij Oud-Amsterdam B.V. c.s. uit. De hotels hebben geen dan wel nauwelijks gasten, terwijl CSU de werknemers die in de hotel van Hotel Maatschappij Oud-Amsterdam B.V. c.s. werkzaam waren (gedeeltelijk) op andere projecten van haar inzet.

4.16.

Gelet op hetgeen wat hiervoor is besproken, wijst de voorzieningenrechter de vorderingen van CSU af.

4.17.

Omdat CSU in het ongelijk is gesteld, zal zij worden veroordeeld in de proceskosten van Hotel Maatschappij Oud-Amsterdam B.V. c.s. De kosten aan de zijde van Hotel Maatschappij Oud-Amsterdam B.V. c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 656,00

- salaris 980,00

Totaal € 1.636,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt CSU in de proceskosten, aan de zijde van Hotel Maatschappij Oud-Amsterdam B.V. c.s. tot op heden begroot op € 1.636,00,

5.5.

verklaart dit vonnis met betrekking tot de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2020.