Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:4066

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
19/1794
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De zaak gaat over een last onder dwangsom en een invorderingsbesluit vanwege de mogelijke aanwezigheid van arbeidsmigranten op een camping in Cromvoirt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de overgelegde stukken er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat er een overtreding heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft in het invorderingstraject een extern bureau ingeschakeld en de medewerkers als toezichthouder aangewezen. Daar heeft de rechtbank geen bezwaar tegen. Verweerder zal zich bovendien moeten vergewissen dat de betreffende personen deskundig zijn. De informatie op de website van het bedrijf is echter onvoldoende om aan te nemen dat de medewerkers ook deskundig zijn. . Ook de controles zijn niet goed. De medewerkers hebben in alle 10 gevallen waarin een overtreding werd geconstateerd, een rapport opgemaakt waaruit blijkt dat het chalet een bewoonde indruk maakte. Zij hebben met die persoon gesproken en vragen gesteld. De antwoorden zijn vastgelegd in een verklaring die door de medewerker en door de persoon is ondertekend. Hieruit blijkt welke persoon in de chalet woont, welke nationaliteit hij heeft, (in voorkomende gevallen) aan wie huur wordt betaald, welk vervoermiddel wordt gebruikt, hoe de boeking tot stand is gekomen en wat de reden was voor het verblijf. De rechtbank kan slechts gissen welke toezichthouder de verklaring heeft mede ondertekend, want dat kan niet uit de handtekening op het formulier worden afgeleid. Verder kan uit de verklaring niet worden afgeleid onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. Zo valt op dat de verklaring in de Nederlandse taal is opgesteld maar dat personen met diverse nationaliteiten vragen hebben beantwoord. Het is onduidelijk in welke taal de vragen zijn gesteld en of voldoende is geverifieerd dat de geïnterviewde de vragen (en alle mogelijke antwoorden op de vraag naar de reden van verblijf) begreep. Het is ook niet duidelijk of de geïnterviewde er voldoende (in een begrijpelijke taal) op is gewezen dat hij niet aan het onderzoek hoefde mee te werken. De vermelding van een nummer van een identiteitsbewijs is ook onvoldoende om te verifiëren of de persoon in de verklaring ook daadwerkelijk is wie hij of zij stelt te zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/1794

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. L.A. Versteegh),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vught, verweerder

(gemachtigden: I.E.P. Geerlings en A.H.G. Knops).

Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres gelast binnen een week na verzending van het dwangsombesluit de verhuur van recreatieverblijven aan arbeidsmigranten te staken en gestaakt te houden. Indien niet tijdig aan de lastgeving wordt voldaan verbeurt eiseres een dwangsom van € 2.000,00 per constatering per recreatieverblijf per week. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 15 januari 2019 (het invorderingsbesluit) heeft verweerder € 22.000,00 aan verbeurde dwangsommen ingevorderd. Het bezwaar van eiseres richt zich van rechtswege (automatisch) tegen het invorderingsbesluit.

Bij besluit van 6 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit en tegen het invorderingsbesluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op 4 december 2019. Namens eiseres zijn P. van Kuijen en de gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft op verzoek van de rechtbank een aantal stukken toegezonden die van belang zijn voor de beoordeling van de zaak en die hij eerder niet had overgelegd. Verder heeft verweerder een nader verweerschrift ingediend. Eiseres heeft op deze stukken gereageerd. Partijen hebben binnen de daartoe gestelde termijn niet aangegeven dat zij de zaak nog een tweede keer op zitting wilden toelichten. Daarna heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek gesloten.

Overwegingen

inleiding

1. De rechtbank zal in deze uitspraak eerst de feiten op een rij zetten. Daarna worden de beroepsgronden besproken. Na enkele formele beroepsgronden zullen de beroepsgronden tegen de opgelegde last onder dwangsom worden besproken. Daarna worden de beroepsgronden tegen het invorderingsbesluit besproken. De relevante regelgeving staat in een bijlage bij deze uitspraak.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

  • -

    Eiseres is eigenaar van een aantal chalets op camping [naam] aan het [adres] te [vestigingsplaats] (in de gemeente Vught). Zij verhuurt deze chalets onder andere via websites van Belvilla en Booking.com en soortgelijke bedrijven. Op de camping zijn gemeenschappelijke voorzieningen zoals een zwembad en tennisbanen aanwezig. Er is een parkreglement waarin is bepaald dat ieder ander gebruik van het kampeermiddel (zoals een chalet) dan ten behoeve van verblijfsrecreatie niet is toegestaan.

  • -

    Op de betreffende gronden is het bestemmingsplan “Buitengebied 2011” van toepassing. In dit bestemmingsplan hebben de gronden de bestemming ‘Recreatie-verblijfsrecreatie’. Hierbij is onder meer toegestaan een bedrijfsmatig geëxploiteerd terrein met recreatieverblijven met bijbehorende centrale en horecavoorzieningen en extensieve dagrecreatie. Permanente bewoning van een recreatieverblijf is uitdrukkelijk verboden.

  • -

    Verweerder stelt in het verleden meermalen arbeidsmigranten te hebben aangetroffen op de camping. Personen die een chalet huren en die van daar uit gaan werken bij een bedrijf in de omgeving. Op 13 april 2018 is een Roemeense chauffeur met een huurauto een voortuin ingereden. Naar aanleiding van de constateringen en het (uitdrukkelijk genoemde) ongeluk van 13 april 2018 heeft verweerder een brief gestuurd waarin staat dat hij van plan is een last onder dwangsom op te leggen. Eiseres heeft hierop gereageerd. Verweerder heeft daarna het primaire besluit genomen.

  • -

    Op 5 oktober 2018 en 12 oktober 2018 hebben twee personen een bezoek gebracht aan de camping. Deze twee personen zijn werkzaam bij het bedrijf MB-ALL in Utrecht dat door de gemeente Vught is ingeschakeld om toezicht te houden op de naleving van regelgeving. Hiertoe zijn beide personen op 2 oktober 2018 aangewezen als gemeentelijk toezichthouder. Verweerder heeft de beschikking over het nachtregister van de camping. Beide personen hebben een aantal chalets gecontroleerd en hiervan zijn handmatig ingevulde inventarisatieformulieren gemaakt. Deze zijn ondertekend door een van beide personen en de persoon die is geïnterviewd. Naast naam, geboortedatum en nationaliteit is gevraagd naar de verblijfsduur en de naam aan wie huur wordt betaald. Tot slot kon een keuze uit 11 mogelijkheden worden gemaakt voor het invullen van de reden voor verblijf. Onder aan het formulier is aangegeven dat de inventarisatie wordt uitgevoerd in opdracht van de gemeente Vught en dat de geïnterviewde niet van rechtswege verplicht is om mee te werken aan het onderzoek. Het formulier is in de Nederlandse taal.

  • -

    Naar aanleiding van de beide controles heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in 11 chalets arbeidsmigranten zijn aangetroffen en dat er dus 11 keer een dwangsom is verbeurd. Hiervoor is een aanmaning verstuurd op 7 november 2018 en is vervolgens het invorderingsbesluit genomen. Hierbij is het aantal overtredingen gecorrigeerd naar 10 overtredingen vanwege een telfout.

formele beroepsgronden

3.1

Eiseres verwijst in haar beroepschrift in de eerste plaats in algemene zin naar het bezwaarschrift. Volgens haar heeft verweerder niet op alles gereageerd en zij is het niet eens met de reacties op de overige punten.

3.2

In het bestreden besluit is ingegaan op het bestaan van een overtreding, de vraag of eiseres overtreder is en de hoogte van de dwangsom. Ook is ingegaan op de permanente bewoning van sommige chalets op de camping waartegen niet wordt opgetreden en de bezwaren tegen het invorderingsbesluit.

3.3.

De rechtbank is van oordeel dat het wel op de weg van eiseres ligt om te onderbouwen waarom het bestreden besluit niet deugt. Daarvoor is een algemene verwijzing naar het bezwaarschrift onvoldoende. De enkele aanwezigheid van een uitgebreid bezwaarschrift wil nog niet zeggen dat er ook een uitgebreide beslissing op bezwaar moet komen. Wel moet verweerder beslissen op alle bezwaren. Volgens de rechtbank is verweerder geen bezwaren vergeten te beantwoorden. De bezwaren zijn kort en bondig behandeld. Hier is niets op tegen. Verweerder heeft dus beslist op grondslag van de bezwaren. Deze beroepsgrond faalt.

4.1

Eiseres heeft in de bezwaarfase meerdere malen om de onderliggende stukken gevraagd maar ze heeft die toen nooit gekregen. Verweerder heeft deze stukken ook niet overgelegd vóór de zitting van 4 december 2019 maar pas daarna nadat de rechtbank er om had verzocht.

4.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voorafgaande aan de behandeling van de zitting niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingediend. Verweerder heeft geen afschrift van het invorderingsbesluit overgelegd. Bovendien worden in het primaire besluit en het bestreden besluit verwezen naar stukken die niet in het dossier zitten. Eiseres heeft in de bezwaarfase hierover al geklaagd. Dit verzuim is echter opgelost met de toezending van ontbrekende stukken na de zitting op 4 december 2020. Eiseres heeft hierop kunnen reageren. Zij is hierdoor niet in haar belangen geschaad. De rechtbank ziet in deze beroepsgrond (hoewel die terecht is aangevoerd) geen reden om het beroep gegrond te verklaren. Als door het verzuim van verweerder al sprake zou zijn van een gebrek in het bestreden besluit, passeert de rechtbank dit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

beroepsgronden tegen de last onder dwangsom.

5.1

Eiseres is het niet eens met de stelling dat de aanwezigheid van arbeidsmigranten op de camping in strijd is met het bestemmingsplan.

5.2

Verweerder is van mening dat het gebruik van chalets door arbeidsmigranten wel in strijd is met het bestemmingsplan.

5.3

De rechtbank kijkt wat uitbereider naar deze beroepsgrond en vult deze beroepsgrond ook zelf (ambtshalve) aan, omdat deze beroepsgrond wel belangrijk is. Als verweerder niet van tevoren een overtreding heeft vastgesteld, mag verweerder niet zonder meer een last onder dwangsom opleggen. Verweerder is dan namelijk daarvoor niet bevoegd (tenzijn sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 5:7 van de Awb).

5.4

De rechtbank stelt voorop dat het begrip ‘arbeidsmigrant’ niet in het bestemmingsplan voorkomt. De term wordt wel gebruikt in de last onder dwangsom. De rechtbank begrijpt de last onder dwangsom aldus dat als iemand met een andere nationaliteit in een kampeermiddel verblijft om vanuit dit kampeermiddel te werken in een bedrijf in de omgeving, dit een arbeidsmigrant is en dat verweerder dit gebruik in strijd acht met de bestemming. Eiseres maakt hier overigens geen punt van. In de planregels staat geen verbod voor het gebruik van kampeermiddelen door mensen met een andere nationaliteit. Dat zal op meer campings voorkomen. Het bestemmingsplan verbiedt wel uitdrukkelijk het wonen in een recreatieverblijf, het bewonen als burgerwoning en het permanent wonen in een recreatieverblijf. Het bestemmingsplan bevat geen definitie van woning, maar wel van recreatie, recreatieverblijf en recreatieve bewoning.

5.5

De rechtbank is van oordeel dat het verblijf in een recreatieverblijf om van daar uit gedurende een korte periode te gaan werken in een bedrijf in de omgeving, niet uitdrukkelijk is verboden in het bestemmingsplan. Uit de context van de bestemmingsplanbepaling leidt de rechtbank af dat in een recreatieverblijf alleen mag worden verbleven om er te recreëren. Hoewel werk leuk kan zijn, is het geen vrijetijdsbesteding. Dat betekent overigens wel dat er pas sprake kan zijn van een overtreding van de planregels als er iemand (overigens ongeacht de nationaliteit) wordt aangetroffen die niet alleen ’s nachts verblijft in het recreatieverblijf maar ook de dag ervoor en de dag erna werkzaam is in een bedrijf. Dit gebruik is in strijd met de bestemming (en daarmee in strijd met artikel 2.1, eerste lid onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Verweerder voert nog wel aan dat eiseres niet met zoveel woorden heeft betwist dat het gebruik van gronden op de camping anders dan voor recreatie in strijd is met de bestemming, maar dit brengt geen verandering in het bovenstaande oordeel van de rechtbank.

6.1

Eiseres betwist dat verweerder heeft vastgesteld dat er arbeidsmigranten in de chalets hebben verbleven.

6.2

Verweerder heeft zijn standpunt dat sprake is van een overtreding op gebaseerd op een aantal feiten en omstandigheden:

  • -

    waarnemingen van 3 november 2017 door toezichthouders die door Bol.Com worden bevestigd in een brief van 5 december 2017;

  • -

    waarnemingen van de wijkagent op 12 januari 2018 die zijn vastgelegd in een brief van 28 februari 2018;

  • -

    een gesprek met eiseres op 5 december 2017 waarin eiseres het probleem van arbeidsmigranten zou hebben erkend;

  • -

    controles en waarnemingen op 7 maart 2018 waaronder een gesprek met een Pool die verklaart Poolse werknemers naar Nederland te brengen om arbeid te laten verrichten;

  • -

    een anonieme melding van 10 januari 2018;

  • -

    een mailwisseling met eiseres van 14 maart 2018;

  • -

    politieoptreden naar aanleiding van het ongeluk op 13 april 2018;

  • -

    een erkenning van eiseres in de zienswijzen op het voornemen van de last onder dwangsom.

6.3

De rechtbank heeft in het oorspronkelijke dossiers foto’s aangetroffen van auto’s met buitenlandse kentekens. Van de waarnemingen van 3 november 2017 is geen rapport gemaakt (althans, dat zit niet bij de stukken). Uit de brief van Bol.Com van 7 december 2017 kan de rechtbank in ieder geval niet afleiden dat arbeidsmigranten aanwezig zijn geweest in november 2017. Er staat slechts dat chalets door een ander bedrijf zijn verhuurd en dat deze situatie is beëindigd. Er is een anonieme melding over langdurig verblijf van mensen uit het Oostblok die door een bedrijf worden gebracht en gehaald naar en van hun werk. Deze melding alleen is onvoldoende om een overtreding aannemelijk te maken. Verweerder maakt melding van het bezoek van de wijkagent in een brief van 28 februari 2018 maar het rapport van de wijkagent zelf zit niet bij de stukken. De controles van 7 maart 2018 bestaan uit een formulier ‘checklist camping’ die handmatig zijn ingevuld door een onbekende persoon. Ieder chalet heeft een formulier en er zitten foto’s van het chalet of van buitenlandse auto’s bij. Slechts één keer is de naam van een bewoner genoteerd die er kennelijk 2 nachten heeft verbleven. De rechtbank kan hier met de beste wil van de wereld niet uit afleiden dat er in de betreffende chalets arbeidsmigranten hebben gewoond die de dag ervoor en de dag erna hebben gewerkt en er dus niet hebben verbleven vanwege recreatieve doeleinden. Er kunnen net zo goed mensen hebben verbleven voor recreatieve doeleinden die op dat moment niet in het chalet waren. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit de formulieren niet valt af te leiden wie deze heeft ingevuld en onder welke omstandigheden de controles hebben plaatsgevonden. Het verblijf van arbeidsmigranten kan de rechtbank ook niet afleiden uit een mail van 14 maart 2018 van eiseres met verweerder waarin weliswaar wordt bevestigd dat er een gesprek heeft plaatsgevonden maar waarin slechts naar een gerechtelijke uitspraak wordt gevraagd. De rechtbank heeft geen gespreksverslag gezien. De rechtbank heeft ook geen proces-verbaal van de politie over het ongeluk gezien dat op 13 april 2018 zou hebben plaatsgevonden. In de zienswijze van eiseres van 18 mei 2018 op het voornemen van de oplegging van de last onder dwangsom betwist eiseres niet uitdrukkelijk dat arbeidsmigranten verblijven op de camping, maar zij erkent het ook niet. Eiseres laat het in het midden en besteedt vooral aandacht aan de vraag of zij overtreder is. De rechtbank concludeert dat verweerder met de overgelegde stukken onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van een overtreding voordat de last onder dwangsom werd opgelegd. Dat heeft verweerder onvoldoende onderkend in het bestreden besluit. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd. De rechtbank kan niet op voorhand uitsluiten dat verweerder, bij het nemen van een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift tegen het primaire besluit, er in slaagt alsnog te onderbouwen dat er voordat het primaire besluit werd genomen in de betreffende chalets arbeidsmigranten hebben gewoond die de dag ervoor en de dag erna hebben gewerkt en er dus niet hebben verbleven vanwege recreatieve doeleinden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de aanwezigheid van één arbeidsmigrant al voldoende zou kunnen zijn voor een overtreding waarna verweerder wel bevoegd is om handhavend op te treden (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1931. Overigens zal verweerder dan nog wel moeten bezien of ze van deze bevoegdheid gebruik maakt. Daarom behandelt de rechtbank ook de overige beroepsgronden.

7.1

Eiseres betwist dat zij een overtreder is. Eiseres kan uit boekingen via de websites niet opmaken of de huurder een arbeidsmigrant is of niet. Zij kan aan de balie geen onderscheid maken op basis van nationaliteit en personen uit bepaalde landen weigeren. Zij kan ook niet nagaan of een huurder gaat onderverhuren aan arbeidsmigranten. Als eiseres al aan bedrijven zou verhuren die werkgever zijn van arbeidsmigranten, zijn deze bedrijven de overtreder, niet eiseres.

7.2

Volgens verweerder is eiseres als overtreder aan te merken ook als zij de chalets laat gebruiken door personen of bedrijven die daar dan weer arbeidsmigranten in huisvesten. Eiseres kan weigeren recreatiewoningen te verhuren aan arbeidsmigranten. Volgens verweerder heeft eiseres het bovendien in haar macht om de overtreding te beëindigen, mede gelet op bepalingen in de door eiseres gehanteerde standaard huurovereenkomst of door middel van artikel 32 van het terreinreglement. Daarin staat dat een eigenaar zijn kampeermiddelen alleen mag verhuren na voorafgaande toestemming van de beheerder. De beheerder kan hieraan de voorwaarde verbinden dat een beheersovereenkomst wordt gesloten met de beheerder. Eiseres is dus in alle gevallen betrokken bij de verhuur van recreatiewoningen op het park.

7.3

Ingevolge artikel 41.2 van de planregels is het verboden de in de artikelen 3 tot en met 38 bedoelde gronden en bouwwerken te gebruiken en/of te doen en/of laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangeduid in de bestemmingsomschrijving. Het is eveneens op basis van artikel 2.1, eerste lid onder c van de Wabo verboden om gronden of bouwwerken te laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:849.

7.4

Gesteld dat er daadwerkelijk arbeidsmigranten in de chalets op de camping verblijven, dan is de rechtbank van oordeel dat eiseres handelt in strijd met het bestemmingsplan door deze chalets daarvoor te laten gebruiken. Eiseres kan bij rechtstreekse verhuur aan personen verbieden dat het chalet wordt gebruikt door iemand die daar verblijft om in de omgeving te werken in plaats van te recreëren. De omstandigheid dat iemand een chalet huurt via een website maakt dat niet anders. Eiseres kan hierbij nog steeds een dergelijk verbod opleggen. Eiseres (zowel in de hoedanigheid als eigenaar/verhuurder als in de hoedanigheid van campingbeheerder) kan ook verbieden dat een chalet wordt onderverhuurd zonder haar toestemming en kan bij het verlenen van deze toestemming verbieden dat het chalet wordt gebruikt door iemand die daar verblijft om in de omgeving te werken in plaats van te recreëren. De omstandigheid dat eiseres dit niet goed heeft gedaan of door huurders niet of onjuist wordt voorgelicht, komt voor haar rekening tenzij zij aannemelijk maakt dat zij niet wist en niet kon weten dat het chalet in strijd met het bestemmingsplan werd gebruikt. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de door verweerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2016, (ECLI:NL:RVS:2016:1760). Of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij het niet kon weten, kan verder in het midden blijven, omdat de rechtbank hierboven heeft geoordeeld dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde overtredingen zich hebben voorgedaan.

8.1

Eiseres heeft verder aangevoerd dat uit het dossier op geen enkele wijze blijkt hoe de hoogte van de dwangsom zich verhoudt tot de potentiële huurinkomsten. De potentiële huurinkomsten zullen nimmer een bedrag van € 2.000,00 per week bedragen en in geval van chalets die niet in eigendom zijn van eiseres gaat het enkel om een commissie van 25% van de verhuur. De hoogte van de dwangsom is daarom volgens eiseres onvoldoende gemotiveerd.

8.2

Verweerder heeft de dwangsom op het genoemde bedrag bepaald om een prikkel uit te oefenen om de overtreding te beëindigen. Hierbij is verweerder uitgegaan van de gemiddelde huurinkomsten van een chalet op een camping in Nederland.

8.3

Ingevolge artikel 5:32b, derde lid, van de Awb dient de dwangsom in redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

8.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de hoogte van de dwangsom voldoende heeft onderbouwd. Deze is niet buitenproportioneel. Bovendien mag van de dwangsom een prikkel uitgaan om verdere overtredingen te voorkomen. De last onder dwangsom is immers een herstelsanctie. Deze beroepsgrond faalt.

beroepsgronden tegen het invorderingsbesluit

9.1

Eiseres heeft aangevoerd dat dat de door verweerder ingevorderde dwangsommen niet verbeurd zijn en verweerder daarom niet over kon gaan tot invordering. De verklaringen zijn onvoldoende. De betreffende personen lijken van een ander te hebben gehuurd. Zij heeft haar twijfels bij inschakeling van een extern bedrijf door verweerder om de handhavingstaak uit te voeren. Zij weet niet wie de verklaringen heeft ondertekend. Er zit ook geen kopie van het identiteitsbewijs van de bewoner bij. Ze weet niet hoe de gesprekken tussen de toezichthouders en de personen zijn verlopen. De relatie die verweerder legt tussen het nachtregister en de verklaringen kan eiseres niet volgen.

9.2

Verweerder heeft uitgelegd hoe de controles op 5 oktober en 12 oktober 2018 zijn verlopen. Verweerder heeft een extern bedrijf ingeschakeld. Gelet op de informatie op de website van dit bedrijf, gaat verweerder er van uit dat de medewerkers deskundig zijn. De medewerkers zijn aangewezen als toezichthouder in een besluit van verweerder van 2 oktober 2018. De medewerkers hebben in alle 10 gevallen waarin een overtreding werd geconstateerd, een rapport opgemaakt waaruit blijkt dat het chalet een bewoonde indruk maakte. Zij hebben met die persoon gesproken en vragen gesteld. De antwoorden zijn vastgelegd in een verklaring die door de medewerker en door de persoon is ondertekend. Hieruit blijkt welke persoon in de chalet woont, welke nationaliteit hij heeft, (in voorkomende gevallen) aan wie huur wordt betaald, welk vervoermiddel wordt gebruikt, hoe de boeking tot stand is gekomen en wat de reden was voor het verblijf. Daarnaast heeft verweerder een relatie gelegd met het nachtregister. In dit nachtregister wordt in voorkomende gevallen de werkgever van de betreffende persoon als huurder vermeld. Hieruit blijkt dat drie personen op 5 oktober en 12 oktober 2018 meerdere chalets huurden die niet in de chalets verbleven. De personen die er wel verbleven noemden deze drie personen als werkgever of verhuurder.

9.3

Aan een invorderingsbesluit dient naar het oordeel van de rechtbank een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen. Dit brengt met zich dat de waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een deskundige medewerker van het bevoegd gezag en dat bevindingen op schrift worden gesteld. Het geschrift dient in beginsel ten minste te bevatten de plaats, het tijdstip en de datum van de waarneming, een inzichtelijke beschrijving van de gehanteerde werkwijze en van hetgeen is waargenomen. Dit geschrift dient ook te zijn voorzien van een ondertekening door de opsteller en een dagtekening.

9.4

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen de inschakeling van een extern bedrijf om ter plaatse te controleren, als de medewerkers van dit bedrijf wel als toezichthouder zijn aangewezen. Verweerder zal zich bovendien moeten vergewissen dat de betreffende personen deskundig zijn. De medewerkers zijn als toezichthouder aangewezen. De informatie op de website van het bedrijf is echter onvoldoende om aan te nemen dat de medewerkers ook deskundig zijn. Verweerder kan daarom niet zonder meer op de bevindingen van de medewerkers uitgaan en zal moeten onderzoeken of de controles zorgvuldig zijn uitgevoerd. Dat heeft verweerder onvoldoende gedaan.

9.5

De rechtbank stelt bovendien vast dat van de controle geen goed rapport is opgemaakt. Het had in ieder geval voor de hand gelegen om in het controlerapport een relatie te leggen tussen de verklaring en het nachtregister. De rechtbank kan, ook met de latere uitleg van verweerder, niet in alle gevallen de relatie leggen tussen de verklaring en het nachtregister, zeker nu de naam van de mogelijke verhuurder in lang niet alle verklaringen duidelijk is ingevuld. De rechtbank kan slechts gissen welke toezichthouder de verklaring heeft mede ondertekend, want dat kan niet uit de handtekening op het formulier worden afgeleid. Verder kan uit de verklaring niet worden afgeleid onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. Zo valt op dat de verklaring in de Nederlandse taal is opgesteld maar dat personen met diverse nationaliteiten vragen hebben beantwoord. Het is onduidelijk in welke taal de vragen zijn gesteld en of voldoende is geverifieerd dat de geïnterviewde de vragen (en alle mogelijke antwoorden op de vraag naar de reden van verblijf) begreep. Het is ook niet duidelijk of de geïnterviewde er voldoende (in een begrijpelijke taal) op is gewezen dat hij niet aan het onderzoek hoefde mee te werken. De vermelding van een nummer van een identiteitsbewijs is ook onvoldoende om te verifiëren of de persoon in de verklaring ook daadwerkelijk is wie hij of zij stelt te zijn.

9.6

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de overgelegde stukken onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op 5 en 18 oktober 2018 een dwangsom is verbeurd. Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank ziet ook niet in hoe deze gebreken in de bezwaarfase kunnen worden hersteld, zeker nu verweerder in de beroepsfase hiervoor de gelegenheid heeft gekregen en er niet in is geslaagd de gebreken te herstellen. Omdat verweerder geen behoefte heeft gehad aan een tweede zitting, gaat de rechtbank er van uit dat ook verweerder geen verdere mogelijkheden ziet om aannemelijk te maken dat dwangsommen zijn verbeurd. Daarom zal de rechtbank ten aanzien van het invorderingsbesluit zelf in de zaak voorzien en het invorderingsbesluit herroepen.

conclusie

10.1

Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaar tegen het primaire besluit te nemen binnen twaalf weken. De rechtbank ziet aanleiding een voorlopige voorziening te treffen en het primaire besluit te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar. De rechtbank zal ten aanzien van het invorderingsbesluit zelf in de zaak voorzien. De rechtbank verklaart het bezwaar tegen het invorderingsbesluit gegrond en herroept het invorderingsbesluit.

10.2

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.362,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke reactie na de zitting met een waarde per punt van € 525,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van eiseres tegen het primaire besluit met inachtneming van deze uitspraak binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak;

  • -

    schorst het primaire besluit tot en met zes weken na de nieuwe beslissing op bezwaar;

  • -

    herroept het invorderingsbesluit;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,00 aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.362,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. van der Meiden, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 20 augustus 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.