Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:4054

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
24-08-2020
Zaaknummer
359958
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

In geschil is de vraag of het de Staat moet worden verboden om tot ontruiming van een erf op strafrechtelijke gronden over te gaan. Eiseres en degenen die op het erf vertoeven, zijn door de officier van justitie aangemerkt als verdachten van overtreding van artikel 138 Sr. hetgeen er op neer komt dat zij ervan verdacht worden wederrechtelijk op het terrein te verblijven. Artikel 551a Sv bepaalt dat in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in de artikel 138 Sr, iedere opsporingsambtenaar de desbetreffende plaats kan betreden en dat deze bevoegd is alle personen die daar wederrechtelijk vertoeven, alsmede alle voorwerpen die daar ter plaatse worden aangetroffen, te verwijderen of te doen verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/359958 / KG ZA 20-364

Vonnis in kort geding van 13 augustus 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. M.F. van Hulst te Utrecht,

tegen

STAAT DER NEDERLANDEN,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M. Beekes te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 1 juli 2020;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties (1 tot en met 8);

  • -

    de bij brief van 3 augustus 2020 van mr. Van Hulst nagezonden producties (genummerd 1 en 2);

  • -

    de door mr. Beekes nagezonden productie 9;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van [eiseres] , tevens houdende wijziging van eis

  • -

    de pleitnota van de Staat.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft in verband met de Covid-19 maatregelen op 4 augustus 2020 plaatsgevonden door middel van een verbinding via Skype. Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht en zijn over en weer in de gelegenheid gesteld op elkaars stellingen te reageren. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier aantekening gehouden.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De gemeente Best is eigenaar van een voormalig tennisterrein in de wijk Batadorp te Best (hierna: het erf). Bij besluit van 29 februari 2016 van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Infrastructuur en Milieu is Batadorp aangewezen als een van rijkswege beschermd dorpsgezicht. Het erf maakt onderdeel uit van dit beschermd dorpsgezicht.

2.2.

In februari 2020 heeft de gemeente besloten om het erf met behoud van de huidige bestemming ‘Sport-Cultuurhistorisch waardevol’ en de status beschermd dorpsgezicht in de verkoop te zetten. Het verkoopproces heeft vertraging opgelopen door de coronacrisis.

2.3.

Op of omstreeks 8 juni 2020 heeft [eiseres] tezamen met anderen (hierna [eiseres] c.s.) zich de toegang tot het erf verstrekt. [eiseres] c.s. hebben vervolgens meerdere voertuigen en caravans op het erf gezet. Het op het erf aanwezige gebouw (het clubgebouw van de voormalige tennisvereniging) is (vooralsnog) onberoerd gebleven.

2.4.

Bij brief van 11 juni 2020 (productie 3 bij conclusie van antwoord) hebben [eiseres] c.s. hun verblijf op het erf kenbaar gemaakt. In die brief hebben [eiseres] c.s. – kort samengevat – meegedeeld dat zij uit nood een huisrecht hebben gevestigd op het erf door middel van het creëren van een huissituatie.

2.5.

Bij brief van 17 juni 2020 (productie 4 bij conclusie van antwoord) heeft de gemeente Best [eiseres] c.s. gesommeerd het erf te verlaten. Bij brief van 18 juni 2020 (productie 5 bij conclusie van antwoord) heeft de gemeente Best deze sommatie herhaald. In die laatste brief is aan [eiseres] c.s. meegedeeld dat wanneer er geen gehoor wordt gegeven aan de sommatie, de gemeente Best in dat geval vervolgstappen zal gaan nemen (aangifte bij de politie).

2.6.

Op 25 juni 2020 (productie 2 bij conclusie van antwoord) heeft de gemeente Best aangifte gedaan van het kraken van het terrein van de voormalige tennisvereniging, gelegen aan de [adres] te Best. Diezelfde dag heeft de officier van justitie bij brief (productie 1 bij conclusie van antwoord) aangekondigd het gekraakte erf te zullen ontruimen.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat het de Staat, en via hem de Officier van Justitie van Oost-Brabant, wordt verboden om op strafrechtelijke gronden over te gaan tot ontruiming van de woning aan de [adres] te Best, daaronder begrepen het verlenen van medewerking aan overhandiging van het terrein aan derden dan wel het niet optreden tegen huisvredebreuk jegens de bewoners gedurende hun afwezigheid, althans dat deze wordt verboden totdat eventueel in hoogste instantie door de strafrechter bewezen is verklaard dat het verblijf van [eiseres] wederrechtelijk is. Subsidiair vordert [eiseres] een tijdelijk verbod op ontruiming met als opschortende voorwaarde dat de omgevingsvergunning moet zijn verkregen, waarna de bewoners het terrein binnen veertien dagen na kennisgeving dienen te ontruimen, een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Staat der Nederlanden voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang van [eiseres] vloeit voort uit de aard van de vorderingen. Het spoedeisend belang is door de Staat ook niet betwist.

4.2.

In geschil is de vraag of het de Staat moet worden verboden om tot ontruiming op strafrechtelijke gronden van het erf over te gaan. [eiseres] en degenen die op het erf vertoeven, zijn door de officier van justitie aangemerkt als verdachten van overtreding van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), hetgeen er in de kern op neer komt dat zij ervan verdacht worden wederrechtelijk op het terrein te verblijven. Artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt dat in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in de artikel 138 Sr, iedere opsporingsambtenaar de desbetreffende plaats kan betreden en dat deze bevoegd is alle personen die daar wederrechtelijk vertoeven, alsmede alle voorwerpen die daar ter plaatse worden aangetroffen, te verwijderen of te doen verwijderen.

4.3.

De voorzieningenrechter dient te toetsen of voldoende aannemelijk is dat aan het vereiste van wederrechtelijkheid als bedoeld in de artikel 138 Sr is voldaan, en voorts, in het kader van artikel 8 EVRM, of de in abstracto door de wetgever gegeven voorrang aan het belang van de openbare orde/bescherming van de rechten van derden boven het huisrecht van de kraker, in de concrete omstandigheden van het geval de proportionaliteitstoets kan doorstaan.

4.4.

[eiseres] heeft betoogd dat zij geen verdachte kan zijn ter zake van het in artikel 138 Sr bepaalde. Volgens haar is er in deze situatie geen sprake van een woning of een gebouw dat is binnengedrongen of waarin vertoefd wordt, aangezien zij slechts op het buitenterrein woont. Dit terrein is bovendien niet bij een ander in gebruik, nu er al drie jaar sprake is van leegstand. Gelet hierop heeft de Staat dan ook geen ontruimingsbevoegdheid.

4.5.

De toepasselijke bepalingen luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

Artikel 138 Sr

1. Hij die de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie (…)”.

Artikel 551a Sv

In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in de artikelen 138, 138a en 139 van het Wetboek van strafrecht, kan iedere opsporingsambtenaar de desbetreffende plaats betreden. Zij zijn bevoegd alle personen die daar wederrechtelijk vertoeven, alsmede alle voorwerpen die daar ter plaatse worden aangetroffen, te verwijderen of te doen verwijderen (…)”.

4.6.

Voor zover [eiseres] bestrijdt dat het terrein bij de gemeente Best in gebruik was, toen zij het kraakte, miskent zij dat, anders dan bij woningen, voor erven het simpele houden voldoende is. Het gaat bij een erf om de vraag of een ander dan de kraker daarover het bezit of houderschap uitoefent. Daaraan mogen geen te hoge eisen worden gesteld. Ook het bewaren voor gunstiger tijden is daarvoor voldoende. Dat het erf in die zin in gebruik was, is in dit geval voldoende duidelijk nu als onweersproken gesteld vast is komen te staan dat de gemeente Best het erf met hekken heeft omheind en zij besloten heeft het erf in de verkoop te zetten. De Staat heeft bovendien onweersproken gesteld dat door de gemeente Best geen toestemming is verleend aan [eiseres] c.s. om het erf in gebruik te nemen. De gemeente heeft haar bezwaren hiertegen onder meer geuit bij brieven van 17 en 18 juni 2020. Ook heeft de gemeente haar bezwaren tegen het gebruik geuit door het doen van aangifte bij de politie.

4.7.

Omdat [eiseres] zichzelf – zonder toestemming van de gemeente Best – de toegang tot het erf heeft verstrekt, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter aldus voldoende aannemelijk dat aan het beginsel van wederrechtelijkheid als bedoeld in artikel 138 Sr is voldaan. De ontruimingsbevoegdheid op grond van artikel 551a Sv ter zake van het erf is in beginsel gegeven. Zie in dit verband ook het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:345).

4.8.

De Staat betwist vervolgens dat [eiseres] een huurrecht heeft gevestigd op het besloten erf. Zij staat blijkens de dagvaarding immers elders ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Aan een belangenafweging wordt derhalve niet gekomen, reden waarom de vorderingen dienen te worden afgewezen.

4.9.

Anders dan de Staat heeft betoogd, wordt in deze procedure er vanuit gegaan dat [eiseres] wel degelijk een huisrecht heeft gevestigd. Weliswaar is vast komen te staan dat [eiseres] in de BRP staat ingeschreven op het adres [adres] te [plaats] , maar voor zover de Staat daaraan de conclusie verbindt dat [eiseres] op grond hiervan niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij daadwerkelijk op het erf woont, miskent de Staat dat de feitelijke situatie in de praktijk kan afwijken van hetgeen administratief is vastgelegd. Daarbij heeft [eiseres] ter zitting onvoldoende weersproken gesteld dat zij zich ten aanzien van een eventuele inschrijving op het adres [adres] te Best in een lastige positie bevindt, omdat zij met betrekking tot dat terrein geen huurovereenkomst of een koopovereenkomst kan overleggen.

4.10.

Omdat in voldoende mate aannemelijk is dat [eiseres] een huisrecht heeft gevestigd, dient er voor de verdere beoordeling van haar vorderingen een belangenafweging te worden gemaakt. De wetgever heeft het als een regulier belang van de Staat beschouwd om aan een strafbare toestand, mede in het belang van de eigenaar van een gekraakt pand of erf, een einde te maken. In het algemeen bestaat het belang van een eigenaar erin dat hij naar eigen goeddunken over het pand of erf. Dat beschikken kan erin bestaan dat hij het pand of terrein wil verbouwen, voor eigen gebruik nodig heeft of wil verkopen. Daarbij is het mogelijk dat het enige tijd duurt voordat een en ander is geformaliseerd. Die omstandigheid maakt echter niet dat de Staat daarmee zijn reguliere belang om aan een strafbare toestand, in het belang van de eigenaar, een einde te maken, verliest. Voor het reguliere belang van de eigenaar is niet noodzakelijk dat hij een spoedeisend belang heeft bij de ontruiming. Onder meer op dit punt verschilt de toets in een kort geding waarbij een strafrechtelijke ontruiming ter beoordeling voor ligt met die waarbij een ontruiming op civielrechtelijke gronden wordt beoordeeld.

4.11.

Indien de eisende partij in een kort geding over een strafrechtelijke ontruiming van mening is dat de eigenaar van het gekraakte pand of erf geen enkel belang heeft bij de ontruiming is het bovendien, anders dan bij een civielrechtelijke ontruimingsprocedure, aan hem/haar om dat voldoende aannemelijk te maken. Anders gezegd is het in dit geval aan [eiseres] om feiten en omstandigheden aan te voeren die in het concrete geval tot een andere dan de reguliere afweging leiden. Bij de afweging zal steeds als uitgangspunt gelden dat een eigenaar het recht heeft om over zijn pand of terrein te beschikken zoals hij wil. In het geval een eigenaar echter geen enkel belang heeft bij de ontruiming en deze alleen maar zal leiden tot langdurige leegstand, zonder enig uitzicht op verandering in die situatie en aannemelijk is dat ook de Staat zelf geen enkel belang bij de aangezegde ontruiming heeft, kan de belangenafweging mogelijk in het voordeel van de kraker uitvallen.

4.12.

Tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de Staat heeft [eiseres] niet aannemelijk gemaakt dat de aangezegde ontruiming daadwerkelijk zal leiden tot langdurige leegstand, zonder enig uitzicht op verandering in die situatie. De Staat heeft gesteld dat concrete plannen bestaan voor de verkoop van het terrein. Op dit moment heeft de gemeente Best een bod in overweging, althans dit zal na de zomervakantie in overweging worden genomen. De stelling dat de aanwezigheid van de krakers op het erf een negatief effect heeft op het verkoopproces, komt de voorzieningenrechter bovendien niet helemaal onbegrijpelijk voor, hetgeen onwenselijk kan zijn vanwege de beperkte interesse voor het terrein. De stelling van [eiseres] dat de eigenaar en/of de Staat geen enkel belang zouden hebben bij ontruiming, is dan ook niet aannemelijk geworden.

4.13.

[eiseres] heeft aangevoerd dat zij niet de middelen heeft om langs andere weg woonruimte te vinden. Zij woont in een camper en kan niet aarden in een huis. Zij is aangewezen op woonwagenstandplaatsen waar een ernstig tekort aan is. Campings zijn ook geen optie, omdat permanente bewoning daar niet is toegestaan.

Deze individuele omstandigheden, leiden evenmin tot een belangenafweging in het voordeel van [eiseres] . Dat het voor haar zeer moeilijk is om elders een legale standplaats te vinden is zeer vervelend voor haar, maar niet van zodanig zwaar gewicht dat de balans bij afweging van de belangen binnen voornoemd kader ten gunste van [eiseres] zou moeten uitvallen. De voorzieningenrechter betrekt bij dit oordeel bovendien de omstandigheid dat [eiseres] op geen enkele wijze met stukken heeft onderbouwd dat er op dit moment geen enkele legale standplaats voorhanden is, laat staan dat zij heeft aangetoond überhaupt hiernaar op zoek te zijn. De gemeente heeft in dit verband tijdens de mondelinge behandeling onweersproken gesteld dat geïnteresseerden voor een standplaats zich kunnen wenden tot de woningbouwvereniging en zich daar ook kunnen laten inschrijven om in aanmerking te komen voor een standplaats. Volgens de gemeente heeft [eiseres] van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

4.14.

Het voorgaande leidt dan ook tot de conclusie dat de vordering van [eiseres] wordt afgewezen. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen partijen over en weer hebben gesteld bovendien geen aanleiding om een tijdelijk verbod op ontruiming uit te spreken met als opschortende voorwaarde dat de omgevingsvergunning moet zijn verkregen. Immers, bij de huidige stand van zaken is niet eens zeker dat het voor een nieuwe eigenaar vereist is dat er een dergelijke vergunning wordt afgegeven.

4.15.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat 633,00

Totaal € 1.289,00

De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen indien en voor zover [eiseres] de proceskosten niet binnen veertien dagen na de betekening van het vonnis zal hebben voldaan. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat [eiseres] , indien deze door de betekening van het vonnis kennis heeft kunnen nemen van de inhoud daarvan, de gelegenheid moet worden geboden om binnen een redelijke termijn aan de proceskostenveroordeling in dit vonnis te voldoen, waarbij een termijn van veertien dagen als een redelijke termijn voor nakoming wordt gezien.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Staat der Nederlanden tot op heden begroot op € 1.289,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2020.