Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:4026

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
18-08-2020
Zaaknummer
C/01/359760 KG ZA 20-344
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Geldvorderingen (loonvorderingen) en opheffen beslag woning afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1002
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/359760 / KG ZA 20-344

Vonnis in kort geding van 12 augustus 2020

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat: mr. F.J.M. Drykoningen te Eindhoven,

t e g e n

de besloten vennootschap

AUTOMATEN ZUID NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat: mr. M. van Tessel te Drunen, gemeente Heusden.

Partijen worden hierna [eiser] en AZN genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

In het dossier zitten de volgende processtukken:

  1. de dagvaarding van 7 juli 2020 met bijlagen (genummerd 1 tot en met 14);

  2. de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie van 24 juli 2020 met bijlagen (genummerd 1 tot en met 8);

  3. de pleitaantekeningen van mr. Drykoningen, tevens houdende akte wijziging/aanvulling van eis met bijlagen (genummerd 15 tot en met 17).

1.2

Op 29 juli 2020 heeft via een skypeverbinding een mondelinge behandeling (zitting) plaatsgevonden. Aan deze zitting hebben partijen met hun advocaten deelgenomen. Mr. Drykoningen heeft op voorhand pleitaantekeningen toegezonden. Tijdens de zitting heeft mr. Drykoningen deze aantekeningen voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder besproken is.

1.3

De zaak is vervolgens aangehouden voor zes maanden om partijen in de gelegenheid te stellen te onderzoeken of zij hun geschil kunnen beëindigen door middel van een vaststellingsovereenkomst.

1.4

Bij faxbericht van 31 juli 2020 heeft mr. Drykoningen de voorzieningenrechter bericht dat partijen onderling geen afspraken hebben gemaakt en dat zij daarom vragen om vonnis te wijzen.

1.5

Tot slot is de uitspraak van het vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1

AZN houdt zich bezig met de handel in en exploitatie van amusementsautomaten en alles wat daartoe behoort. Zij richt zich met name op horecagelegenheden.

2.2

AZN is in 1993 opgericht door de heer [naam oprichter] (hierna: [naam oprichter] ). [eiser] is bij de oprichting benoemd tot statutair directeur van AZN en hij houdt tot op heden 40% van de aandelen. Naast [eiser] is (thans) Digi Sound B.V. bestuurder van AZN. Digi Sound B.V. wordt bestuurd door [naam beheer-beleggingsmij] Beheer- en Beleggingsmij B.V. (hierna: [naam beheer-beleggingsmij] ). [naam oprichter] en mevrouw [naam medebestuurder] zijn bestuurders van [naam beheer-beleggingsmij] . [naam beheer-beleggingsmij] is (thans) houder van de overige 60% van de aandelen van AZN.

2.3

In artikel 10 van de statuten van AZN staat, voor zover van belang, het volgende:

“1. Het bestuur der vennootschap is opgedragen aan de directie, bestaande uit één of meer directeuren. De directeuren worden door de algemene vergadering van aandeelhouders benoemd en kunnen te allen tijde door deze vergadering worden geschorst of ontslagen. (...)

3. Het salaris der directeuren wordt vastgesteld door de algemene vergadering van aandeelhouders.”

2.4

De laatste jaren kampt AZN met liquiditeitsproblemen. Naar aanleiding daarvan heeft [eiser] voorgesteld om zijn dienstverband bij AZN te halveren, in die zin dat hij loon ontvangt op basis van een 20-urige werkweek in plaats van een 40-urige werkweek. In de periode juni 2015 tot en met maart 2016 heeft [eiser] loon ontvangen op basis van een 20-urige werkweek. Met ingang van april 2016 heeft [eiser] loon ontvangen dat correspondeert met een 40-urige werkweek.

2.5

Op 29 juli 2019 heeft [eiser] zich ziek gemeld wegens burn-out gerelateerde klachten. Tijdens de mondelinge behandeling op 29 juli 2020 was [eiser] nog steeds ziek.

2.6

Op 10 april 2020 heeft AZN een verzoekschrift ingediend tot het verkrijgen van verlof tot het leggen van (eigen)beslag op het loon van [eiser] . AZN heeft daartoe gesteld dat zij een vordering heeft op [eiser] ter zake van te veel betaald loon en een schuld van [eiser] in rekening-courant. Na de op 6 mei 2020 gehouden mondelinge behandeling, heeft de voorzieningenrechter bij beschikking van 19 mei 2020 voornoemd verzoek van AZN afgewezen. In overweging 2.5 van die beschikking staat het volgende: “Het bovenstaande laat echter onverlet dat het beslag op loon naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval onredelijk bezwarend is omdat er ook een minder bezwarend beslagobject is. [eiser] heeft een aandeel in de economische eigendom van een horecapand gelegen aan de [adres] te [plaats] . Daar kan AZN beslag op leggen. Dat het complexer zal zijn om dat aandeel uiteindelijk te gelde te maken is evident, maar dat is op zichzelf onvoldoende reden om het voor [eiser] veel ingrijpende loonbeslag toe te staan.”

2.7

Vanaf mei 2020 ontvangt [eiser] loon dat hoort bij een 20-urige werkweek.

2.8

Op 23 mei 2020 heeft AZN, na verkregen verlof van de voorzieningenrechter van 22 mei 2020, conservatoir beslag laten leggen op de onverdeelde helft van de onroerende zaak (woning) van [eiser] , gelegen aan [adres] te [plaats] (hierna: de woning).

2.9

AZN heeft op 5 juni 2020 de dagvaarding in de bodemzaak aan [eiser] doen betekenen. De eerste rolzitting in deze zaak was op 29 juli 2020 en inmiddels staat de zaak op de rol van 12 augustus 2020.

2.10

[eiser] heeft de woning verkocht. Op 4 september 2020 staat een afspraak bij de notaris gepland ten behoeve van het tekenen van de leveringsakte.

3. Het geschil in conventie (de vorderingen van [eiser] en het daartegen door AZN gevoerde verweer)

3.1

[eiser] vordert - na wijziging/aanvulling van eis en samengevat weergegeven - bij wijze van voorlopige voorziening, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. AZN te veroordelen tot betaling van:

  1. € 1.860,38 aan resterend loon/ziekengeld over mei 2020;

  2. € 3.571,92 aan vakantietoeslag over de maanden juni 2019 tot en met mei 2020;

  3. € 3.720,75 bruto aan loon/ziekengeld over de maanden die na mei 2020 zijn verstreken en onbetaald zijn gelaten;

  4. e wettelijke rente en de wettelijke verhoging van 50% over de hiervoor onder a. tot en met c. genoemde bedragen;

II. ten aanzien van het beslag:

 primair opheffing van het ten laste van [eiser] gelegde beslag;

 subsidiair AZN te gebieden het ten laste van [eiser] gelegde beslag op te heffen en opgeheven te houden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag;

III. veroordeling van AZN in de proceskosten.

3.2

[eiser] legt aan zijn vorderingen - kort gezegd - het volgende ten grondslag.

3.2.1

Aan de loonvordering (vordering I.) legt hij ten grondslag dat AZN vanaf mei 2020 ten onrechte slechts de helft van het aan hem toekomende loon heeft betaald. De laatste twee arbeidsovereenkomsten die tussen [eiser] en AZN zijn gesloten, dateren van 13 februari 2015 (van 40 naar 20 uur per week) en 15 maart 2016 (van 20 naar 40 uur per week). Beide arbeidsovereenkomsten zijn juridisch gelijkwaardig. Aan beide overeenkomsten ligt geen rechtsgeldig besluit van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (hierna: AVA) ten grondslag. Volgens [eiser] betekent dit dat beide arbeidsovereenkomsten of geldig zijn, in welk geval [eiser] voltijd in dienst is bij AZN op basis van de arbeidsovereenkomst van 15 maart 2016 (dus 40 uur per week met een bijhorend loon van € 3.720,75 bruto per maand). Ook in het geval allebei de arbeidsovereenkomsten niet rechtsgeldig zijn, moet aan [eiser] het volledige loon betaald worden, omdat dan teruggevallen moet worden op de arbeidsovereenkomst die gold vóór de halvering op 13 februari 2015. Daarvoor was [eiser] 40 uur per week werkzaam bij AZN.

3.2.2

Het beslag op de woning van [eiser] (vordering II.) dient te worden opgeheven, omdat dit beslag onredelijk bezwarend is. AZN is ervan op de hoogte dat de woning is verkocht en dat die woning conform artikel 4.1 van de koopakte op 4 september 2020 aan de kopers geleverd moet worden. Als de woning door het beslag van AZN niet geleverd kan worden, verbeurt [eiser] op basis van artikel 11.2 van de koopakte een boete van 10% van de overeengekomen koopsom. Bovendien is het beslag op de woning onredelijk bezwarend, omdat er een ander beslagobject aanwezig is dat volgens [eiser] voldoende zekerheid aan AZN biedt. Dit betreft het horecapand gelegen aan de [adres] te [plaats] , waarvan [eiser] samen met zijn echtgenote voor de helft eigenaar is.

3.2.3

[eiser] stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zowel de loonvordering als bij het opheffen van het beslag. Door de halvering van zijn loon heeft hij onvoldoende inkomsten om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. De beslaglegging op zijn woning frustreert de verkoop daarvan (levering 4 september 2020) en gelet daarop dreigt hij een boete van € 72.500,00 te verbeuren.

3.3

AZN voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Het verweer wordt - samengevat - als volgt weergegeven.

3.3.1

Met betrekking tot de loonvordering (vordering I.) verweert AZN zich door te stellen dat aan de halvering van het dienstverband van [eiser] in 2015 een geldig besluit van de AVA ten grondslag ligt en dat aan de volgens [eiser] , en door AZN betwiste, teruggang naar een voltijd dienstverband in 2016 niet. Vanaf april 2016 betaalt zij [eiser] dan ook ten onrechte op basis van een voltijd dienstverband. Meer specifiek heeft AZN het volgende aangevoerd. Begin 2015 heeft [eiser] zelf voorgesteld om zijn dienstverband terug te brengen naar 50%. Dit blijkt onder andere uit een door hem opgesteld e-mailbericht van 28 juli 2015 (bijlage 2 bij conclusie van antwoord), de bespreking hierover in de AVA (waar [naam oprichter] bij aanwezig was) en de naar aanleiding daarvan opgestelde arbeidsovereenkomst van 13 februari 2015. [naam oprichter] was op de hoogte van deze arbeidsovereenkomst. Later heeft [eiser] echter, zonder dat daarover een besluit is genomen door de AVA, zijn loon verdubbeld, althans is hij zich op basis van de beweerdelijke arbeidsovereenkomst van 15 maart 2016 het loon gaan uitbetalen dat van toepassing was voor de halvering. Dit heeft [eiser] ten onrechte gedaan. Hij was daartoe immers niet bevoegd, omdat besluiten ten aanzien van het loon van [eiser] als statutair directeur en de omvang van zijn dienstverband conform de statuten alleen door de AVA kunnen worden genomen. Zoals [eiser] zelf heeft aangevoerd, is er geen AVA geweest waarin werd besloten dat hij weer uitbetaald zou worden voor een 40-urige werkweek. Daarnaast heeft AZN (in de persoon van [naam oprichter] ) de beweerdelijke arbeidsovereenkomst van 15 maart 2016 nooit ontvangen en was AZN (lees: [naam oprichter] ) ook anderszins niet op de hoogte dat [eiser] zichzelf weer 100% aan loon is gaan uitkeren. Overigens heeft AZN vanaf enig moment onder protest het volledige loon betaald.

3.3.2

Ook de opheffing van het beslag (vordering II.) is in dit kort geding niet toewijsbaar. AZN heeft verlof gekregen voor het conservatoir beslag leggen op het onverdeelde deel van de woning van [eiser] en zijn echtgenote ter verzekering van haar vorderingen op [eiser] . Dat beslag is ook gelegd. Het is aan AZN om te beoordelen welk deel van het vermogen van [eiser] zij wil uitwinnen en waarop zij ter verzekering van haar vorderingen beslag wil doen leggen. AZN heeft bovendien een redelijke belangenafweging gemaakt en geoordeeld dat de beslaglegging op de woning het meest eenvoudig tot verzekering van verhaal dient en ook dat bij een toewijzend vonnis in de bodemzaak tot een succesvolle executie leidt. Daarbij komt dat [eiser] geen enkele moeite doet om AZN zekerheid te bieden zodat het beslag zou kunnen worden opgeheven. Verder is het zo dat een beslag op het horecapand in [plaats] ingewikkeld is, omdat de juridische eigendom in een stichting (Stichting [naam stichting] ) zit en er drie eigenaren zijn ( [naam oprichter] in privé voor 50% en de heer en mevrouw [eiser] elk voor 25%). Het deel van [eiser] is naar eigen zeggen van [eiser] onvoldoende om verhaal te kunnen bieden voor de vorderingen van AZN. Daarnaast zal [naam oprichter] , die dus voor 50% economisch eigenaar is van het pand, geen medewerking verlenen aan vestiging van een hypotheekrecht op dat pand. Er is geen verlof gekregen voor het leggen van beslag op het inkomen van [eiser] .

3.4

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, ingegaan.

4. Het geschil in reconventie (de vordering van AZN en het daartegen door [eiser] gevoerde verweer)

4.1

AZN vordert - kort gezegd - [eiser] te veroordelen tot betaling van € 75.000,00 als voorschot op de in de bodemprocedure definitief vast te stellen (terug)betaling van teveel uitbetaald loon.

4.2

Voor de grondslag van deze vordering verwijst AZN naar wat zij hierover als verweer in conventie heeft aangevoerd (zoals hiervoor kort is weergegeven bij 3.3.1).

4.3

[eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering. Volgens [eiser] leent de vordering van AZN zich niet voor behandeling in kort geding. Daarover moet immers in de bodemprocedure, die op 29 juli 2020 is geïntroduceerd, verder geprocedeerd worden. Bovendien heeft AZN nagelaten om te stellen welk spoedeisend belang zij heeft bij haar reconventionele vordering. Overigens ontbreekt dit belang ook, aldus [eiser] .

4.4

Op de details en nadere stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling relevant, ingegaan.

5 De beoordeling in conventie en reconventie

Inleiding

5.1

De vorderingen in conventie van [eiser] en in reconventie van AZN worden wegens hun nauwe samenhang gezamenlijk behandeld.

5.2

In dit kort geding staan - kort gezegd - drie vorderingen centraal. In de eerste plaats de loonvordering van [eiser] . Hij stelt dat AZN ten onrechte zijn loon heeft gehalveerd. In de tweede plaats de vordering van [eiser] tot opheffing van het door AZN gelegde beslag op zijn woning. In de derde plaats de loonvordering van AZN. Volgens AZN heeft zij te veel loon aan [eiser] betaald.

Geldvorderingen

5.3

Zowel de loonvordering van [eiser] in conventie als de loonvordering van AZN in reconventie, strekken tot betaling van een geldsom. De voorzieningenrechter stelt voorop dat voor de toewijzing van een geldvordering in kort geding volgens vaste rechtspraak de volgende drie voorwaarden gelden:

1. Er moet sprake zijn van een spoedeisend belang bij een onmiddellijke voorziening;

2. Het bestaan van de vordering moet voldoende aannemelijk zijn;

3. In de belangenafweging moet het risico van onmogelijkheid van terugbetaling worden betrokken.

Daarbij geldt dat, mede met het oog op het restitutierisico, terughoudendheid op zijn plaats is bij de toewijzing van een geldvordering in kort geding en dat van een partij die een zodanige voorziening vraagt - en van de rechter die haar toewijst - mag worden verlangd dat naar behoren feiten en omstandigheden worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden.

Loonvordering [eiser]

5.4

[eiser] vordert betaling van achterstallig loon en vakantiegeld, vermeerderd met nevenvorderingen.

5.5

De door [eiser] aan het gestelde spoedeisend belang ten grondslag gelegde stelling dat hij te weinig inkomsten heeft om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien, is onvoldoende gemotiveerd door AZN betwist. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang bij de loonvordering van [eiser] dan ook in voldoende mate aanwezig.

5.6

Partijen verschillen in de kern van mening welke arbeidsovereenkomst nu tussen [eiser] en AZN van toepassing is en dus of [eiser] loon (tijdens ziekte) dient te ontvangen op basis van een 20-urige of 40-urige werkweek. Niet ter discussie staat dat het loon dat correspondeert met een voltijd dienstverband (40 uur) € 3.720,75 bruto bedraagt. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij € 3.720,75 bruto aan loon moet ontvangen, terwijl AZN aanvoert dat [eiser] slechts recht heeft op de helft daarvan. Meer specifiek heeft [eiser] gesteld dat aan beide arbeidsovereenkomsten (13 februari 2015 en 15 maart 2016) geen geldig besluit van de AVA ten grondslag ligt en dus dat allebei de overeenkomsten rechtsgeldig zijn of beide niet. AZN heeft dit betwist.

5.7

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Voorop wordt gesteld dat uit artikel 10.3 van de statuten volgt dat een besluit/beslissing over het loon van de directeuren, in dit geval [eiser] , moet worden genomen door de AVA (zoals hiervoor bij de feiten is weergeven bij 2.3).

5.8

Vast staat dat [eiser] in de periode juni 2015 tot en met maart 2016 op zijn initiatief (in elk geval op papier) is teruggegaan naar een dienstverband van 50% (van 40 naar 20 uur), met als gevolg dat zijn loon (op papier en in de praktijk) is gehalveerd. Dit heeft [eiser] tijdens de zitting bevestigd. De reden hiervoor was gelegen in de (problematische) liquiditeitspositie van AZN. Verder staat vast dat [naam oprichter] op de hoogte was van de teruggang in loon van [eiser] . Dit blijkt onder meer uit de door AZN als bijlage 2 bij conclusie van antwoord overgelegde e-mails van 28 juli 2015 van 10:23 uur en 12:47 uur. Het onderwerp van die e‑mails is “AVA”. De e-mail van 10:23 uur van [naam oprichter] aan [eiser] luidt:

“ [voornaam] [ [eiser] , voorzieningenrechter],

Vooruitlopend op de Bijzondere aandeelhoudersvergadering:

Wat is de bank (RC) stand. Zie onderstaande afspraak.

Wat is het (personeels)beleid.

Met vriendelijke groet,

[voornaam] [ [naam oprichter] , voorzieningenrechter].”

In de daaropvolgende e-mail van 12:47 uur van [eiser] aan [naam oprichter] staat:

[voornaam]

De Rc stand is momenteel -191000 Euro.

En voor wat betreft het personeels beleid.

[naam 1] is per 1 September niet meer in dienst, daarna gaan [naam 2] en ik samen verder beide voor halve dagen.

Mvgr [voornaam] .”

Ook heeft [naam oprichter] onweersproken gesteld dat hij bekend was met de arbeidsovereenkomst van 13 februari 2015, waarin de halvering van het aantal uren en loon van [eiser] is opgenomen. Daarnaast staat niet tussen partijen ter discussie dat [eiser] , zonder dat hij [naam oprichter] daarvan in kennis heeft gesteld, vanaf april 2016 zichzelf (althans AZN) weer maandelijks € 3.720,75 aan loon is gaan uitkeren.

5.9

De stelling van [eiser] dat aan de arbeidsovereenkomst van 13 februari 2015 geen geldig besluit van de AVA ten grondslag ligt, acht de voorzieningenrechter gelet op het voorgaande niet aannemelijk. De voorzieningenrechter gaat er vooralsnog dus vanuit dat er sprake is geweest van een geldig besluit. Dit betekent dat AZN het loon van [eiser] met ingang van 1 juni 2015 terecht heeft gehalveerd. Dat er mogelijkerwijs geen aangetekende oproeping is verstuurd zoals [eiser] heeft gesteld, maakt het voorgaande niet anders. Los daarvan geldt dat een werknemer afstand kan doen van (een gedeelte van) zijn loon en van zijn uren. Dat is hier ook gebeurd. Tussen partijen staat vast dat [eiser] vanaf juni 2015 minder loon van AZN heeft ontvangen en vanaf juni 2015 een WW-uitkering uitbetaald heeft gekregen.

5.10

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt dat het besluit om zijn loon te halveren op enig moment weer is teruggedraaid, in die zin dat hij (als statutair directeur van AZN) weer recht heeft op een loon dat hoort bij een fulltime dienstverband. Voor een dergelijke beslissing immers een besluit van de AVA nodig. De stellingen van [eiser] zijn op dit punt enigszins tegenstrijdig. Aan de ene kant stelt [eiser] dat er geen geldig besluit door de AVA is genomen. Aan de andere kant heeft [eiser] tijdens de zitting het standpunt ingenomen dat er op 29 maart 2017 een AVA heeft plaatsgevonden, waarbij [eiser] heeft gemeld dat hij inmiddels weer fulltime in dienst is en dat die mededeling in de notulen is opgenomen (zie bijlage 16 bij de pleitaantekeningen van [eiser] ). AZN heeft betwist dat er op 29 maart 2017 een AVA heeft plaatsgevonden dan wel dat er op een ander moment een AVA heeft plaatsgevonden over het wijzigen (terugdraaien) van het loon van [eiser] . Volgens AZN (lees: [naam oprichter] ) heeft er in het verleden wel een bespreking plaatsgevonden, maar was dit niet te kwalificeren als een AVA en is er ook geen beslissing genomen. Voor zover er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat de AVA op 29 maart 2017 wel heeft plaatsgevonden en [eiser] inderdaad toen voornoemde mededeling heeft gedaan, dan nog brengt het opnemen van een dergelijke mededeling in de notulen in dit geval niet automatisch mee dat er sprake is van een formeel besluit. Temeer niet omdat AZN onweersproken heeft gesteld dat de administratie van AZN de afgelopen jaren (in elk geval met betrekking tot de jaren 2016, 2017 en 2018) volledig in handen was van [eiser] (en zijn echtgenote) en dat AZN (lees: [naam oprichter] ) pas na de ziekmelding van [eiser] (eind juli 2019) de beschikking heeft gekregen over de administratie van AZN. Van die administratie maken voornoemde notulen deel uit en ook van de beweerdelijke arbeidsovereenkomst d.d. 15 maart 2016 heeft [naam oprichter] pas medio 2019 kennis genomen. Daarnaast acht de voorzieningenrechter de door [eiser] overgelegde arbeidsovereenkomst van 15 maart 2016, waarin staat dat partijen met ingang van 1 april 2016 de arbeidsovereenkomst willen voortzetten voor 40 uur per week, niet overtuigend. Die arbeidsovereenkomst is namelijk alleen door [eiser] ondertekend, in zijn hoedanigheid van directeur van AZN én als werknemer. Bovendien heeft [naam oprichter] herhaaldelijk gesteld dat AZN het volledige loon onder protest heeft betaald en dat AZN (lees: [naam oprichter] ) geruime tijd verstoken is geweest van informatie over onder andere het loon van [eiser] . Dat er op een ander moment een AVA heeft plaatsgevonden over de mogelijke loonwijziging van [eiser] en waar een daartoe strekkend besluit is genomen, is overigens niet gesteld of gebleken.

5.11

Het voorgaande brengt mee dat [eiser] thans recht heeft op de helft van het loon van € 3.720,75 bruto. Het standpunt van [eiser] dat beide arbeidsovereenkomsten geldig zijn of beide ongeldig, deelt de voorzieningenrechter vooralsnog dan ook niet.

5.12

De slotsom is dat het verzoek van [eiser] tot betaling van achterstallig loon zal worden afgewezen. Dit geldt ook voor de daarmee verband houdende nevenvorderingen.

Loonvordering AZN

5.13

AZN vordert als voorschot op de bodemprocedure betaling van € 75.000,00 aan teveel uitbetaald loon van [eiser] .

5.14

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Los van het feit dat AZN heeft nagelaten te stellen welk spoedeisend belang zij heeft bij deze vordering in kort geding, ziet de voorzieningenrechter niet in waarom AZN de lopende bodemprocedure niet kan afwachten. Overigens blijkt het spoedeisend belang ook niet, althans onvoldoende, uit de processtukken. Bovendien heeft AZN al de nodige beslagmaatregelen getroffen ter veiligstelling van deze vordering. De conclusie is dat de loonvordering van AZN in reconventie zal worden afgewezen.

Opheffen beslag woning [eiser]

5.15

Naast de hiervoor besproken loonvordering van [eiser] , is de inzet van het door hem gestarte kort geding opheffing van het door AZN ten laste van [eiser] gelegde conservatoire beslag op zijn woning.

5.16

De bevoegdheid voor de voorzieningenrechter om in kort geding beslagen op te heffen vloeit voort uit artikel 705 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).

5.17

Op grond van artikel 705 lid 2 Rv en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, kan de opheffing van een conservatoir beslag onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. [eiser] zal aannemelijk moeten maken dat de vordering van AZN ter verzekering waarvan zij beslag heeft gelegd, ondeugdelijk is. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade. De vraag of het leggen van een conservatoir beslag als misbruik van recht en daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt, dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op (een van) die goederen in zijn belangen wordt getroffen.

5.18

AZN heeft beslag op de woning gelegd in verband met enerzijds een schuld van [eiser] in rekening-courant aan AZN en anderzijds omdat AZN een vordering op [eiser] stelt te hebben in verband met te veel uitbetaald loon. [eiser] heeft in deze procedure niet betwist dat er sprake is van een schuld in rekening-courant aan AZN. Dit brengt mee dat AZN ten aanzien hiervan vooralsnog beslag kon en mocht leggen. Uit hetgeen hiervoor met betrekking tot de loonvordering van [eiser] is overwogen, volgt dat [eiser] niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door AZN gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. Sterker nog, aannemelijk is dat [eiser] nog enig bedrag aan AZN moet betalen. Ook hiervan is dus vooralsnog terecht beslag gelegd. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat de door [eiser] aangeboden zekerheid, namelijk het vestigen van recht van hypotheek op het horecapand en de daarbij behorende woning aan de [adres] in [plaats] , onvoldoende zekerheid biedt. Immers, [eiser] is daarvan slechts voor 25% economisch eigenaar. De overige economische eigendom komt voor 25% toe aan de echtgenote van [eiser] en voor 50% aan [naam oprichter] (privé). De juridische eigendom van voornoemd pand en woning behoort toe aan Stichting [naam stichting] . Zoals door AZN is aangevoerd, en door [eiser] niet is betwist, is het deel van [eiser] in het betreffende horecapand volgens zijn eigen opgave onvoldoende om verhaal te bieden voor de vorderingen van AZN op [eiser] . Dit betekent dat voornoemde stichting een hypotheek moet vestigen ten gunste van AZN. In dit kader begrijpt de voorzieningenrechter dat [naam oprichter] (50% economisch eigenaar) geen medewerking zal verlenen aan het verstrekken van een vestiging van het hypotheekrecht op dat pand zoals hij heeft aangevoerd.

5.19

Kortom, het belang van AZN bij handhaving van het beslag dient thans zwaarder dient te wegen dan het belang van [eiser] bij opheffing ervan. De voorzieningenrechter concludeert uit het voorgaande voorlopig dat geen sprake is van een onrechtmatig beslag. De slotsom is dan ook dat deze vordering van [eiser] dient te worden afgewezen.

Proceskosten

5.20

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in conventie in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van AZN worden begroot op:

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.636,00

5.21

AZN zal als de in het ongelijk gestelde partij in reconventie in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 490,00 aan salaris advocaat (factor 0,5 x tarief € 980,00).

Tot slot

5.22

Wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht, hoeft niet meer nader te worden besproken, omdat dit in het licht van al wat in dit vonnis is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter, recht doende in kort geding:

in conventie (vorderingen van [eiser] ):

6.1

wijst de vorderingen af;

6.2

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van AZN tot op heden begroot op € 1.636,00;

6.3

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie (vorderingen van AZN):

6.4

wijst de vorderingen af;

6.5

veroordeelt AZN in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 490,00;

6.6

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en is in het openbaar uitgesproken op

12 augustus 2020.