Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:4016

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
17-08-2020
Zaaknummer
C/01/361163 / KG ZA 20-460
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot opheffen van executoriaal beslag. In geschil is of werkgever aan de veroordeling in kort geding heeft voldaan tot het weder te werk stellen van de werknemer in zijn eigen werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1001
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/361163 / KG ZA 20-460

Vonnis in kort geding van 13 augustus 2020

in de zaak van

de stichting

STICHTING GGZ WESTELIJK NOORD-BRABANT,

gevestigd te Bergen op Zoom,

eiseres,

advocaten mrs. D.A.M. Lagarrigue en S. de Lange te 's-Hertogenbosch,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M. Stegeman te Oisterwijk.

Partijen zullen hierna GGZ WNB en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 31 juli 2020 met 23 producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met 10 producties;

  • -

    de brief van 4 augustus 2020 van GGZ WNB met productie 24;

  • -

    het e-mailbericht van 5 augustus 2020 van GGZ WNB met het betekeningsexploot van 11 juni 2020 en het exploot van het executoriaal derdenbeslag van 27 juli 2020;

  • -

    de mondelinge behandeling die op 6 augustus 2020 plaatsvond via een Skypeverbinding ten behoeve waarvan GGZ WNB pleitaantekeningen heeft overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

GGZ WNB is een aanbieder van specialistische geestelijke gezondheidszorg.

2.2.

[gedaagde] , geboren op [geboortedatum] 1958, is op 16 januari 2004 in dienst getreden van GGZ WNB.

2.3.

Aanvankelijk vervulde [gedaagde] de functie van staffunctionaris onderzoek op de afdeling Zorgadministratie en later op de afdeling F&A. Per 1 juni 2017 is [gedaagde] overgeplaatst naar het BI-Team (Business Intelligence) binnen de afdeling I&A (Informatie & Automatisering). De werkzaamheden die [gedaagde] daar verrichtte bestonden uit het combineren van informatie uit verschillende databases, om daaruit gegevens te herleiden en te kunnen rapporteren.

2.4.

Op 22 augustus 2018 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [gedaagde] en mevrouw [naam bestuurder GGZ] , bestuurder van GGZ WNB. In dat gesprek is aan [gedaagde] medegedeeld dat zijn plaatsing in het BI-team niet succesvol is gebleken en dat op zoek moet worden gegaan naar een andere, passende functie voor hem.

2.5.

Op 3 september 2018 heeft [gedaagde] zich ziek gemeld. Vervolgens heeft een re-integratietraject plaatsgevonden waarbij [gedaagde] diverse aangepaste werkzaamheden (op andere afdelingen) heeft verricht die steeds verder zijn opgevoerd.

2.6.

Op 22 januari 2020 heeft [gedaagde] zich kandidaat gesteld voor de ondernemingsraad.

2.7.

Op 23 januari 2020 heeft [gedaagde] zich met ingang van 27 januari 2020 volledig hersteld gemeld voor zijn eigen werkzaamheden.

2.8.

Op dezelfde dag heeft GGZ WNB een ontslagaanvraag op grond van bedrijfseconomische redenen, te weten werkvermindering, ingediend bij het UWV, waarin wordt verzocht om toestemming om de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] op te zeggen.

2.9.

Bij brief van 24 januari 2020 is [gedaagde] geschorst voor de duur van één week en heeft GGZ WNB aangekondigd een ontslagprocedure te starten. Deze schorsing is eerst verlengd op 30 januari 2020 en nogmaals verlengd op 9 februari 2020.

2.10.

Bij beslissing van 7 mei 2020 heeft het UWV de door GGZ-WNB verzochte toestemming om de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] op te zeggen, geweigerd.

2.11.

Op 19 mei 2019 heeft GGZ WNB een procedure gestart bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant om de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] te ontbinden, primair op grond van bedrijfseconomische omstandigheden en subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter heeft de verzochte ontbinding afgewezen bij beschikking van 14 juli 2020 met zaaknummer 8526296 AZ VERZ 20-28.

2.12.

Voorafgaand aan het besluit van het UWV en de ontbindingsprocedure, heeft [gedaagde] zijn schorsing in rechte aangevochten. Bij vonnis in kort geding van de kantonrechter te Bergen op Zoom met zaaknummer 8403768 VV 20-13 van 8 juni 2020 heeft de kantonrechter geoordeeld dat zij voorshands van oordeel is dat de schorsing niet rechtsgeldig c.q. ongegrond is. In het dictum is de volgende veroordeling opgenomen:

“5.1. veroordeelt GGZ-WNB om [gedaagde] uiterlijk met ingang van maandag

15 juni 2020 zonder enige belemmering in de gelegenheid te stellen om zijn eigen werkzaamheden in het BI team te hervatten, door hem wederom te werk te stellen in dat team, op straffe van verbeurte van een door GGZ-WNB aan [gedaagde] te betalen dwangsom van € 500,00 voor elke dag of gedeelte van een dag dat GGZ­WNB in gebreke blijft om aan het vonnis te voldoen, met een maximum van € 25.000,00;”

2.13.

De kantonrechter heeft deze veroordeling in het vonnis als volgt gemotiveerd:

“4.7. De subsidiair door [gedaagde] verzochte voorziening om hem zijn eigen werkzaamheden te laten hervatten in het BI team, door hem wederom te werk te stellen in dat team, is wel toewijsbaar.

Hoewel dat destijds niet is vastgelegd, zijn partijen het erover eens dat de oorspronkelijke functie van [gedaagde] (staffunctionaris onderzoek) in 2017 is komen te vervallen en dat hij met ingang van 1 juni van dat jaar is overgeplaatst naar het BI team. Volgens GGZ-WNB ging het daarbij om een tijdelijke plaatsing, maar naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is dat door haar onvoldoende onderbouwd, om welke reden de kantonrechter daaraan voorbij gaat. Niet alleen ontbreekt het aan vastlegging van die gestelde tijdelijkheid, maar de feitelijke gang van zaken wijst juist op het tegendeel. De wijze waarop in augustus 2018 aan [gedaagde] kenbaar is gemaakt dat er een andere functie voor hem gezocht zou moeten worden, en de redenen die daarbij zijn genoemd door GGZ-WNB, duiden niet op een objectief bepaalbare einde van de plaatsing in het BI team. Dat de plaatsing binnen het BI team (volgens GGZ-WNB) niet succesvol was, duidt er juist op dat het de insteek was om [gedaagde] definitief in dat team te plaatsen. Overigens wordt zelfs in het verslag van GGZ-WNB van het gesprek op 22 augustus 2018 (nog) met geen woord gerept over tijdelijkheid van de overplaatsing naar het BI team.

Voor zover er onduidelijkheid bestaat over de werkzaamheden die [gedaagde] dient te verrichten binnen het BI team, staat dat niet aan toewijzing in de weg. Dat is een omstandigheid die voor rekening en risico komt van GGZ-WNB, die daar zelf (ook) tijdens het re-integratietraject onduidelijkheid over heeft laten bestaan. Illustratief is dat de bedrijfsarts er in 2019 al herhaaldelijk op heeft aangedrongen dat er meer duidelijkheid moest komen over de invulling van de functie van [gedaagde] . Het ligt op de weg van GGZ-WNB, als werkgever, om de arbeidstaak van [gedaagde] (nader) inhoud te geven.”

2.14.

Het kort geding vonnis is op 11 juni 2020 aan GGZ WNB betekend, met aanzegging aan de veroordeling te voldoen. Tevens is voor bedragen van € 1.324,50 en € 99,90 een betalingsbevel gedaan.

2.15.

Bij brief van 11 juni 2020 heeft de leidinggevende van [gedaagde] , de heer [naam manager I&A] , Manager I&A (hierna: [naam manager I&A] ) namens GGZ WNB [gedaagde] onder andere geschreven: “Met verwijzing naar het vonnis in kort geding van 8 juni j.l. nodig ik je graag uit op 15 juni om 9.00 uur bij mij op kantoor voor een gesprek, waarna je werkzaamheden ten behoeve van het team BI gaat verrichten. Er is een werkplek binnen I&A en er wordt verwacht dat je de door GGZ WNB ter beschikking gestelde computer gebruikt”.

2.16.

Bij interne mail van 12 juni 2020 schrijft [naam manager I&A] onder het kopje: “ [gedaagde] vanaf 15 juni weer terug op het werk”: “Beste allen, [gedaagde] gaat vanaf 15 juni weer aan de slag na een erg lange tijd ziek geweest te zijn. Hij zal zich bezighouden met een BI uitzoekklus rondom VIPP. Hij gaat voorlopig zitten op de plek van [naam collega] in de grote kamer”.

2.17.

Op 15 juni 2020 is [gedaagde] op het werk verschenen om zijn werkzaamheden te hervatten. [naam manager I&A] heeft toen aan [gedaagde] medegedeeld dat zijn werkzaamheden zullen bestaan uit het verrichten van een (voor)onderzoek naar de mogelijkheden om gegevens die zijn opgeslagen in de xmCara database om te zetten naar zorg informatie bouwstenen (ZIB’s). In de namiddag van 15 juni 2020 heeft [gedaagde] per e-mail aangegeven dat hij van mening is dat deze werkzaamheden niet tot zijn eigen werkzaamheden behoren. In de weken hierna hebben (de advocaten van) partijen gecorrespondeerd over de vraag of GGZ WNB aan de veroordeling in het kort geding vonnis voldoet met de aan [gedaagde] opgedragen werkzaamheden.

2.18.

Op 13 juli 2020 heeft [gedaagde] zich ziek gemeld.

2.19.

Bij exploot van 15 juli 2020 is op verzoek van [gedaagde] aan GGZ WNB aangezegd dat zij niet heeft voldaan aan de veroordeling in het kort geding vonnis van 8 juni 2020 zoals verwoord onder 5.1. en is aan GGZ WNB bevel gedaan om aan [gedaagde] de verbeurde dwangsommen te voldoen.

2.20.

Vervolgens heeft [gedaagde] op 17 juli 2020 voor een bedrag van € 10.500,00 executoriaal beslag doen leggen ten laste van GGZ WNB op de door GGZ WNB gehouden bankrekeningen bij de ABN AMRO bank.

3 Het geschil

3.1.

GGZ WNB vordert bij vonnis, bij wijze van voorlopige voorziening:

I. Primair: het onderhavige executoriale beslag op te heffen;

II. Subsidiair: [gedaagde] te veroordelen dit beslag met onmiddellijke ingang op te heffen op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat hij in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

III. Meer subsidiair: de primair of subsidiair gevorderde voorziening te treffen, onder de voorwaarde dat GGZ WNB € 6.500,-, althans € 10.500,- althans een door de voorzieningenrechter te bepalen zekerheid stelt;

IV. Meer subsidiair: te bepalen dat de executie niet verder kan gaan dan het verschuldigd zijn van dwangsommen over 13 feitelijk gewerkte dagen, zodat nooit meer dan € 6.500,- verschuldigd kan zijn;

V. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

GGZ WNB legt daaraan, kort samengevat, het volgende ten grondslag.

GGZ WNB heeft voldaan aan het kort geding vonnis van 8 juni 2020. Met ingang van 15 juni 2020 heeft zij [gedaagde] weder te werk gesteld in het BI-team, zonder enige belemmeringen. [gedaagde] is opgedragen te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om vraag en aanbod uit twee databases te koppelen. Deze werkzaamheden zijn passend binnen het BI-team en liggen in lijn met zijn eerdere werkzaamheden. [gedaagde] beschikt over de juiste autorisaties om deze taak uit te voeren. Omdat de afdeling de afgelopen jaren is veranderd, is het niet mogelijk om [gedaagde] werkzaamheden identiek aan zijn werkzaamheden in 2017/2018 te laten verrichten. [gedaagde] laat bovendien na om aan te geven welke werkzaamheden hij dan wel vindt vallen onder het vonnis. Voorstellen om daarover in gesprek te gaan, wijst hij van de hand. [gedaagde] maakt dan ook misbruik van recht door het vonnis te executeren en beslag te doen leggen.

3.3.

[gedaagde] voert, beknopt weergegeven, het volgende verweer.

GGZ WNB voldoet niet aan de veroordeling in het kort geding vonnis. [gedaagde] moet werkzaamheden verrichten die niet zijn aan te merken als zijn eigen werkzaamheden en die nooit eerder door een BI-medewerker zijn verricht. Het werken in databases, wat [gedaagde] voorheen deed, is wezenlijk anders dan het werken in data warehouses. Daarnaast is het [gedaagde] niet toegestaan om contact te hebben met de BI-medewerkers en worden autorisaties die nodig zijn voor het uitvoeren van de opgedragen taak aan hem geweigerd. Ook relevante informatie die beschikbaar is gesteld door de leverancier van xmCare, wordt bewust voor hem achtergehouden. Bovendien wordt [gedaagde] wanneer hij om ondersteuning en begeleiding van [naam manager I&A] vraagt, onvriendelijk en vijandig bejegend. [gedaagde] heeft herhaaldelijk geprobeerd om tot correcte nakoming van het vonnis te komen. Van die mogelijkheden heeft GGZ WNB geen gebruik gemaakt. Er zijn dwangsommen verbeurd en hij was dan ook gerechtigd om het vonnis te executeren.

3.4.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Wat de voorzieningenrechter betreft wordt het geschil van partijen “gekleurd” door hetgeen zich tussen partijen in het verleden heeft afgespeeld. GGZ WNB vertelt [gedaagde] op 22 augustus 2018 dat zijn plaatsing in het BI-team niet succesvol is gebleken. Op 3 september 2018 heeft [gedaagde] zich ziek gemeld. Op 23 januari 2020 heeft [gedaagde] zich volledig hersteld gemeld en heeft GGZ WNB een ontslagvergunning aan het UWV “ten behoeve” van [gedaagde] gevraagd. Daarna heeft GGZ WNB [gedaagde] op 24 januari 2020 geschorst. Het UWV heeft op 7 mei 2020 de door GGZ WNB gevraagde toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen geweigerd, terwijl de kantonrechter op 14 juli 2020 de op 7 mei 2020 verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft afgewezen. De schorsing van [gedaagde] is door de kantonrechter op 8 juni 2020 “beëindigd” door de vordering van [gedaagde] tot tewerkstelling toe te wijzen.

4.2.

GGZ WNB kan niet ontkennen dat zij er alles aan heeft gedaan om [gedaagde] kwijt te raken. Nu dat niet is gelukt, had GGZ WNB zich een goed verliezer moeten tonen en had zij er verstandig aan gedaan [gedaagde] te vertellen dat zij hem niet goed heeft behandeld en dat ook haar organisatie te berichten. In plaats daarvan meldt GGZ WNB intern dat [gedaagde] na een erg lange tijd ziek geweest te zijn weer aan het werk zal gaan. Ondanks de herhaalde toezegging dat de proceskostenveroordeling opgenomen in het vonnis van 8 juni 2020 vrijwillig zal worden betaald, heeft [gedaagde] het vonnis van 8 juni 2020 moeten betekenen en een betalingsbevel moeten doen alvorens GGZ WNB tot betaling is over gegaan. GGZ WNB heeft [gedaagde] niet het gevoel gegeven dat hij welkom is en hem een faire kans zal worden gegeven.

4.3.

GGZ WNB stelt primair dat [gedaagde] misbruik maakt van zijn bevoegdheid tot executie door zich ten onrechte op het standpunt te stellen dat GGZ WNB dwangsommen heeft verbeurd terwijl dit volgens GGZ WNB niet het geval is.

4.4.

De vraag of daadwerkelijk dwangsommen zijn verbeurd dient in een executiegeschil door de executierechter ‘vol’ te worden getoetst, waarbij de “bewijslast” rust op de executerende partij (HR 12 juli 2013, NJ 2013/435).

Bij de beoordeling of het dictum is overtreden en er dwangsommen zijn verbeurd omdat een verbod niet of onvoldoende is nageleefd, dient de rechter zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte rechtshandelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Bij die uitleg dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen zodanig dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (HR 15 november 2002, NJ 2004/410). Bovendien moet in aanmerking worden genomen dat een in het dictum uitgesproken veroordeling steeds moet worden gelezen in verband met de daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen waarop zij steunt.

4.5.

Bovenstaande maatstaven toegepast op het hier aan de orde zijnde geschil leidt tot de volgende beoordeling.

4.6.

In het dictum van het kort geding vonnis van 8 juni 2020 is GGZ WNB veroordeeld om [gedaagde] zonder enige belemmering in de gelegenheid te stellen om zijn eigen werkzaamheden in het BI team te hervatten, door hem weder te werk te stellen in dat team. De vraag is of GGZ WNB aan deze veroordeling heeft voldaan.

4.7.

In het BI-team werken, naast [gedaagde] , twee andere collega’s. Deze twee collega’s werken samen op één kamer. [gedaagde] is in een andere ruimte geplaatst. Volgens GGZ WNB is deze plaatsing noodzakelijk om de coronamaatregelen waarbij 1,5 meter afstand moet worden gehouden, te kunnen handhaven en bevindt de kamer van [gedaagde] zich nabij de kamer van de BI-medewerkers. [gedaagde] heeft dit echter betwist en GGZ WNB heeft haar stelling niet nader onderbouwd. Verder staat vast dat [gedaagde] andere werkzaamheden verricht dan zijn BI-collega’s. [naam manager I&A] heeft ter zitting verklaard dat de werkzaamheden van de BI-collega’s bestaan uit het raadplegen van de database en het verstrekken van overzichten van opgevraagde gegevens. De taak die aan [gedaagde] is opgedragen bestaat uit het onderzoeken of de data uit de xmCare-database kan worden geconverteerd naar ZIB-bestanden. Volgens GGZ WNB zijn dit passende werkzaamheden die in lijn liggen met zijn eerdere werkzaamheden, maar [gedaagde] heeft dat betwist en gesteld dat hij niet de nodige kennis en expertise bezit om deze werkzaamheden uit te voeren. Dat de werkzaamheden verschillen van de werkzaamheden die de andere BI-medewerkers uitvoeren blijkt ook uit de brief van 15 juli 2020 waarin GGZ WNB het volgende schrijft: “Daarbij heeft de heer [naam manager I&A] aangegeven dat zijn BI-collega’s met andere projecten / opdrachten bezig zijn en dat de heer [naam manager I&A] zijn aanspreekpunt is en tevens als begeleider kan worden gezien. (…)” en het gespreksverslag dat [naam manager I&A] naar aanleiding van het gesprek op 16 juni 2020 heeft opgesteld: “Binnen BI en FAB is er verder nog niemand bezig met ZIB’s dan [voornaam] [ [naam manager I&A] ] zelf. Ook ter zitting heeft [naam manager I&A] aangegeven dat hij als enige op de hoogte is van de opdracht die [gedaagde] moet uitvoeren en dat niemand anders in de organisatie zich daar (vooralsnog) mee bezig houdt. [naam manager I&A] heeft verder verklaard dat dat ook de reden is dat hij aan [gedaagde] heeft gevraagd om geen overleg te voeren met zijn collega’s en dat hij het enige aanspreekpunt voor [gedaagde] is. In het hiervoor genoemde gespreksverslag is daarover door [naam manager I&A] het volgende geschreven: “(…)Dus het heeft ook geen zin hierover hulp te zoeken bij anderen.”

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat deze omstandigheden erop duiden dat [gedaagde] niet zijn eigen werkzaamheden binnen het BI-team verricht. Dat [gedaagde] niet exact dezelfde werkzaamheden kán verrichten als hij in 2017-2018 deed omdat het team is veranderd, wat overigens door [gedaagde] wordt betwist, maakt dat niet anders. GGZ WNB heeft immers niet uitgelegd waarom [gedaagde] niet dezelfde werkzaamheden verricht als de twee andere BI-medewerkers en van werkzaamheden binnen een teamverband kan geen sprake zijn als [gedaagde] geen collegiaal overleg met hen mag of kan plegen.

4.8.

Gelet op het voorgaande luidt de conclusie dat [gedaagde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat niet aan het vonnis wordt voldaan en dwangsommen zijn verbeurd. Dientengevolge was hij gerechtigd om executoriaal beslag te laten leggen. De primaire vorderingen om het beslag op te heffen dan wel [gedaagde] daartoe te veroordelen zullen worden afgewezen.

4.9.

Subsidiair stelt GGZ WNB zich op het standpunt dat het beslag c.q. de executie niet verder kan gaan dan een bedrag van € 6.500,00, omdat [gedaagde] vanwege zijn verlof slechts 13 dagen heeft gewerkt en zij daarom slechts 13 dagen niet aan de aan haar opgelegde veroordeling heeft voldaan.

4.10.

De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat [gedaagde] in de periode van 15 juni 2020 tot en met 13 juli 2020 zes (in plaats van de gestelde zeven) vakantiedagen heeft genoten (18, 19, 22 en 23 juni en 3 en 8 juli 2020). Op deze dagen heeft [gedaagde] weliswaar niet gewerkt, maar GGZ WNB heeft op deze dagen evenmin aan de veroordeling in het kort geding vonnis voldaan. GGZ WNB heeft aangevoerd dat het voor haar onmogelijk is om op dagen dat verlof wordt genoten aan het vonnis te voldoen maar gesteld noch gebleken is dat zij [gedaagde] op die dagen andere werkzaamheden zou hebben laten uitvoeren dan zij aan hem heeft opgedragen. Aannemelijk is dan ook dat een bedrag van € 10.500,00 (= 21 x € 500,00) aan dwangsommen is verbeurd. [gedaagde] was dan ook gerechtigd om voor dit bedrag executoriaal derdenbeslag te laten leggen.

4.11.

De vraag die dan nog voorligt, is of het beslag moet worden opgeheven onder de voorwaarde dat GGZ WNB voor de vordering zekerheid stelt. In het geval van een conservatoir beslag tot verhaal van een geldvordering, moet het beslag worden opgeheven in het geval voldoende zekerheid wordt gesteld. Omdat sprake is van een executoriaal beslag geldt art. 705 lid 2 Rv niet. GGZ WNB kan opheffing van het beslag bewerkstelligen door (ook) het bedrag van € 10.500 (aan verbeurde dwangsommen) aan [gedaagde] te voldoen.

4.12.

GGZ WNB zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 980,00 als bijdrage in het salaris van de advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt GGZ WNB in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 980,00,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2020.