Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:3941

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-08-2020
Datum publicatie
07-08-2020
Zaaknummer
01/300964-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van het voorarrest voor ontucht plegen met een 17-jarig meisje, die zich beschikbaar heeft gesteld tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling. Tevens is bewezen verklaard het vervaardigen en in bezit hebben van kinderporno.

Verwerping van een AVAS-verweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.300964.19

Datum uitspraak: 07 augustus 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

wonende te [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 juli 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 juli 2020.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

T.a.v. feit 1:

hij op of omstreeks 18 augustus 2019 te Deurne, althans in Nederland,

ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2002,

die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van een of meer seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt,

te weten het brengen en/of houden van zijn (verdachtes) penis in de vagina en/of mond van die [slachtoffer] ;

T.a.v. feit 2:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 augustus 2019 tot en met 16 december 2019 te Deurne en/of Eindhoven en/of elders in Nederland

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) afbeeldingen, te weten filmpjes - en/of gegevensdragers bevattende afbeeldingen - te weten een Apple Iphone 6 en/of een Apple Iphone 11,

van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2002, is betrokken of schijnbaar is betrokken,

heeft vervaardigd, in bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft,

welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

het met de penis oraal penetreren van het lichaam van voornoemde [slachtoffer] ( [nr. 1] en/of [nr. 2] ).

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Inleiding.

Verdachte wordt verweten dat hij op 18 augustus 2019 te Deurne ontucht heeft gepleegd met een 17-jarig meisje tegen betaling, door zijn penis in de vagina en/of de mond van deze minderjarige te brengen. Daarnaast wordt verdachte onder meer verweten dat hij van die seksuele handelingen met die minderjarige filmpjes heeft gemaakt en/of in bezit heeft gehad.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte erkent seks te hebben gehad met het slachtoffer.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte geen enkel strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt over zijn onwetendheid ten aanzien van de ware (minderjarige) leeftijd van aangeefster. Verdachte was in de veronderstelling dat [slachtoffer] meerderjarig was. De meisjes hadden verteld dat ze 18 jaar waren en het meisje leek ook volwassen.

Verdachte dient dan ook ten aanzien van beide feiten te worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege afwezigheid van alle schuld.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw voorts aangevoerd dat er alleen bewijs is voor het bestanddeel ‘vervaardigen’. Verdachte kan geen verwijt worden gemaakt van het in het bezit hebben van kinderporno, omdat er geen sprake is van opzet al dan niet in voorwaardelijke vorm op het aanwezig hebben van kinderporno omdat verdachte zich er niet van bewust was dat aangeefster slechts 17 jaar oud was.

Bewijsmiddelen. 1

De verklaring van verdachte ter terechtzitting 2 , onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Ik was op die dag in het bos in Deurne. Het meisje heeft mij in de bossen gepijpt. Ik ben ook met mijn penis in haar vagina gegaan. Ik heb in totaal € 50,-- voor de seks betaald. Ik heb filmpjes van de seks met het meisje opgenomen en op mijn telefoon bewaard.

Proces-verbaal van aangifte van 27 november 2019, gedaan door [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2002 (p. 154-158), onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

[p. 155] [medeverdachte 1] heeft twee jongens geappt.

[medeverdachte 1] had gezegd dat ze mijn pooier was en we waren inmiddels in een bos. De jongen die ik niet van naam ken zei dat hij wel wilde. [medeverdachte 1] duwde mij naar die jongen. Ik zei toen dat ik het niet wilde. Maar dat werd dus genegeerd, waarop de jongen zijn arm om me heen sloeg en me mee het bos in nam.

[p. 156] Er werd niets gezegd, maar in het bos kuste hij mij. Toen ging hij met zijn hand richting mijn broek en ik trok me van hem weg. Maar hij trok me weer richting hem, zodat ik niet weg kon. Toen ging hij met zijn hand in mijn broek en kleedde me van onderen uit. Toen ging hij zitten en trok mij ook op de grond, waarna hij op me ging liggen en me neukte. Ik heb toen niets gezegd. Ik durfde niet. Ik wilde gewoon weg. Dat zei ik ook tegen hem toen hij klaar was.

Eerst hebben we seks gehad, met zijn piemel in mijn vagina en daarna moest ik hem pijpen. Toen hij na het neuken opstond, wilde ik dat ook, om weg te gaan. Maar toen ik overeind kwam, duwde hij mijn hoofd richting zijn piemel. Na het pijpen trok ik me terug. Ik dacht dat het klaar was. Ik ben toen overeind gekomen en naar de rest terug gelopen. [medeverdachte 1] , [getuige] en [medeverdachte 2] stonden er nog, waarop [medeverdachte 2] ook zijn arm om me heen sloeg - op dezelfde manier - en me meenam. Ik deed niets. Ik kon niets zeggen. Ik kon het alleen over me heen laten komen. Het was wel op een andere plek in het bos, maar ook hij begon met zoenen, trok mijn broek naar beneden en neukte me.

[p. 157.] Van te voren heeft [medeverdachte 1] het wel over geld gehad. Het ging er inderdaad over dat zij € 100,-- wilde hebben als de jongens seks met me zouden hebben.

Proces-verbaal van verhoor van 19 november 2019, gedaan door [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2002 (pag. 282-286), onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

[p. 284] De mannen hebben geen condoom gebruikt. Ze zijn op de grond klaar gekomen.

Proces-verbaal van verhoor van [getuige] van 14 november 2019 (p. 287-290), onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

[p. 289] [medeverdachte 1] zei dat ze ging chillen met [bijnaam] . We gingen hier naar het bos. Toen zagen wij drie mannen. Die mannen verwachtten duidelijk iets van ons meiden. Toen begon [medeverdachte 1] erover dat [slachtoffer] seks zou hebben voor geld. Ik zag dat [medeverdachte 1] haar arm om [slachtoffer] heen sloeg en ik hoorde dat ze tegen die mannen zei: “Ik ben haar pooier”. Ik hoorde dat één van de mannen aan [slachtoffer] vroeg of ze seks voor geld wilde. Ik zag dat [slachtoffer] zo’n gezicht naar mij trok zo van, wat moet ik hiermee. Het leek erop dat ze zoiets had van ‘help mij’ of ‘wat moet ik hiermee doen?’

[p. 290] Ik zag dat ze samen met één van die mannen wegliep verder het bos in. Ik vroeg aan [medeverdachte 1] wat [slachtoffer] en die man gingen doen. Ik hoorde dat [medeverdachte 1] zei dat [slachtoffer] hem ging pijpen voor geld. Op een gegeven moment hoorde ik dat die andere man met de krulletjes genaamd [bijnaam] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ) met [medeverdachte 1] sprak over seks met [slachtoffer] . Ik hoorde ook dat [medeverdachte 1] en die [bijnaam] met die krulletjes afspraken maakten over geld. [medeverdachte 1] zou meer krijgen dan dat ze uiteindelijk had gekregen van de mannen. Ik schat na ongeveer een kwartiertje kwam [slachtoffer] met die man terug. De mannen drongen aan bij [slachtoffer] om ook seks voor geld te hebben met [bijnaam] met die krulletjes. Ik zag dat ze samen verder de bossen in liepen. Ik denk na ongeveer een kwartier vond ik het te lang duren dus liep ik richting [slachtoffer] . Ik zag dat ze net klaar waren. Wij liepen terug naar de anderen. Ik zag dat die [bijnaam] met die krulletjes geld gaf aan [medeverdachte 1] . Ik heb niet gezien dat [slachtoffer] geld kreeg van [medeverdachte 1] of van die mannen. U vraagt mij wie het initiatief nam om naar de mannen in het bos te gaan. Dat was [medeverdachte 1] .

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 17 december 2019 (p. 292-298), onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

[p. 295] De jongens vroegen aan [slachtoffer] of ze het echt deed. [slachtoffer] had niet de tijd om te reageren. [medeverdachte 1] zei: “Ja, dat doet ze.”

[p. 296] [medeverdachte 1] was degene die aan het woord was.

Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de telefoon van verdachte iPhone 6, in beslag genomen op 16 december 2019 te Eindhoven (p. 250-251 en p. 253, p. 114, 72), zakelijk weergegeven:

Op 16 december 2019 werden de aanwezige data van voornoemde telefoon veiliggesteld.

Op voornoemde telefoon werden twee seksfilmpjes aangetroffen.

Het meisje op de filmpjes is herkend door [verbalisant] , als zijnde de 17-jarige [slachtoffer] . De jongen werd herkend door [verbalisant] als verdachte [verdachte]
Beschrijving film 1 (11 seconden durend) bestandsnaam [nr. 1] : Ik zie ogenschijnlijk een mannelijke geslachtsstreek met daarbij ogenschijnlijk een vrouwelijk persoon die een mannelijk geslachtsdeel in haar mond op en neer beweegt.

Beschrijving film 2 (8 seconden durend) bestandsnaam [nr. 2] : Zie ogenschijnlijk een mannelijke geslachtsstreek en een ogenschijnlijk vrouwelijk persoon die een mannelijk geslachtsdeel in haar mond heeft en met haar mond een op en neer gaande bewegingen maakt over dat geslachtsdeel heen. Zie verder dat deze opname ogenschijnlijk in de buitenlucht is gemaakt dit gezien de zichtbare bomen en bosschages.

[pag. 253] Wij zagen dat de filmpjes met de bestandsnaam [nr. 1] en [nr. 2] op 18 augustus 2019 zijn gemaakt.

Het oordeel van de rechtbank.

Bijzondere overwegingen ten aanzien van het bewijs.

Ten aanzien van feit 1.

De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde, voor zover hierna bewezen is verklaard, heeft begaan.

Ten aanzien van feit 2.

De rechtbank acht op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het opzet heeft gehad op het vervaardigen en het in bezit hebben van kinderporno.

Verdachte heeft deze filmpjes vervaardigd van seksuele gedragingen waarbij een persoon die de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt is betrokken. Verdachte was zich bewust van de aanwezigheid van deze filmpjes op zijn telefoon. Vaststaat dat het meisje op de filmpjes minderjarig was. Voor het vervaardigen en in bezit hebben is opzet op het vervaardigen en het in bezit hebben vereist. Het opzetvereiste strekt zich echter niet uit tot de leeftijd van het afgebeelde kind.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 18 augustus 2019 te Deurne,

ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2002,

die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van een of meer seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt,

te weten het brengen en/of houden van zijn (verdachtes) penis in de vagina en mond van die [slachtoffer] ;

2.

in de periode van 18 augustus 2019 tot en met 16 december 2019 te Deurne en/of Eindhoven

meermalen,

afbeeldingen, te weten filmpjes – en een gegevensdragers bevattende afbeeldingen - te weten een Apple iPhone 6,

van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2002, is betrokken,

heeft vervaardigd en in bezit gehad,

welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

het met de penis oraal penetreren van het lichaam van voornoemde [slachtoffer] ( [nr. 1] en/of [nr. 2] ).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte geen enkel strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt over zijn onwetendheid van de minderjarige leeftijd van het slachtoffer. Verdachte heeft zich er voorafgaand aan het voorval van vergewist dat het slachtoffer meerderjarig was, omdat [medeverdachte 2] hem had verteld dat alle dames 18 jaar oud waren. Dit wordt volgens de raadsvrouw ondersteund door de verklaringen van onder andere [medeverdachte 1] , [getuige] en [persoon] Bovendien leek het slachtoffer ook volwassen. Er was dus voor verdachte geen enkele reden om te twijfelen aan de leeftijd van het slachtoffer. Verdachte was in de overtuiging dat zijn gedraging niet ongeoorloofd was, omdat hij in de veronderstelling was dat het slachtoffer 18 jaar oud was en de gehele situatie geen argwaan behoefde te wekken.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verwerping van het verweer gevorderd, gelet op de jurisprudentie ten aanzien van artikel 248b Wetboek van Strafrecht. Zij verwijst hierbij naar de Valkenburgse zedenzaak.3 Hierin is bepaald dat zelfs wanneer men reageert op een advertentie waarin staat vermeld dat de prostituee 18 jaar oud is, dit ter plekke nogmaals geverifieerd dient te worden door middel van het vragen naar legitimatie. Het verweer van de raadsvrouw is een volstrekt onhoudbaar standpunt, aangezien niet is voldaan aan de vergewisplicht, aldus de officier van justitie.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het hiervoor genoemde verweer als volgt.

Het juridisch kader

In art. 248b van het Wetboek van Strafrecht staat de bescherming van minderjarigen voorop. Om die reden is de leeftijd van de minderjarige geobjectiveerd. Dit betekent dat ten aanzien van dit bestanddeel geen opzet of schuld van de verdachte behoeft te worden bewezen. Voor een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging is voldoende dat objectief komt vast te staan dat het slachtoffer ten tijde van het ten laste gelegde 16 of 17 jaar oud was.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft een beroep op dwaling ten aanzien van de leeftijd slechts in uitzonderlijke gevallen kans van slagen. De vraag of alle schuld in strafrechtelijke zin ontbreekt, moet worden beantwoord in verband met de aard en de strekking van de strafbepaling. Van iedere man die seks tegen betaling heeft met een vrouw wordt verlangd dat hij, alvorens hij enige seksuele handeling met die vrouw verricht, zich ervan vergewist of het een legale seksafspraak betreft en dat hij alert is op aanwijzingen die wijzen op onvrijwilligheid. De vergewisplicht geldt temeer wanneer het een jeugdige vrouw betreft Dan is extra behoedzaamheid geboden en is onderzoek naar de leeftijd noodzakelijk.

Beoordeling ten aanzien van het gevoerde AVAS-verweer

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte zich in het onderhavige geval onvoldoende vergewist van de ware leeftijd van het slachtoffer.

Er waren voldoende aanwijzingen dat het slachtoffer mogelijk minderjarig was en niet geheel vrijwillig meeging.

- Het slachtoffer was een jonge vrouw. Dat zij zelf gezegd zou hebben dat zij 18 jaar was doet aan de onderzoeksplicht niet af. In het geval van een ‘jeugdige prostituant’ is namelijk extra behoedzaamheid geboden.

- Alle afspraken gingen buiten het slachtoffer om. Er was de jeugdige [medeverdachte 1] die zich als de pooier van het slachtoffer heeft voorgesteld, die de afspraak had geregeld en over de prijs onderhandelde en die het slachtoffer aanspoorde om met de mannen mee te gaan. [medeverdachte 1] inde ook het geld. Met het slachtoffer vond geen enkel overleg plaats. Er werd met haar niet gesproken.

- De locatie waar de afspraak plaatsvond, in een bos bij [adres] , had bij verdachte de nodige vraagtekens moeten oproepen, evenals het feit dat de seks plaatsvond in aanwezigheid van meerdere personen.

- De houding van het slachtoffer zoals die blijkt uit de getuigenverklaringen, had aanleiding moeten zijn voor twijfel aan zowel de leeftijd als de vrijwilligheid. Het slachtoffer was stil, passief, ging gedwee mee en onderging gelaten de seksuele handelingen. Ook het feit dat geen condoom werd gebruikt en dat daarover niet werd gesproken duidt op onvolwassen gedrag van het slachtoffer.

Al met al waren de omstandigheden waaronder de ontmoeting plaatsvond voldoende redengevend voor verdachte om na te gaan of het slachtoffer meerderjarig was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte niet alle zorg heeft betracht die van hem kon worden gevergd en dat hij aldus een ongeoorloofd risico heeft genomen. Om deze reden kan niet worden gesproken van het ontbreken van alle schuld waardoor het AVAS-verweer niet slaagt. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Met betrekking tot de inbeslaggenomen goederen vordert de officier van justitie over te gaan tot teruggave van de iPhone 11 aan verdachte en onttrekking aan het verkeer van de iPhone 6.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de eis van de officier van justitie disproportioneel hoog is en verzoekt de rechtbank bij een bewezenverklaring aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten van het LOVS en een taakstraf met een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Daarnaast stelt de verdediging zich op het standpunt dat de twee telefoontoestellen in beslag zijn genomen in het kader van de waarheidsvinding en al volledig zijn onderzocht. Gezien het feit dat geen belang meer is bij voortzetting van het beslag verzoekt de verdediging de iPhone 6 en iPhone 11 te retourneren aan verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft vaginale en orale seks gehad tegen betaling met een minderjarige. Hij heeft video-opnamen gemaakt van de seksuele handelingen. Hij heeft bij de vergaande seksuele handelingen geen condoom gebruikt.

Verdachte heeft een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en haar lichamelijke integriteit aangetast. Dit geldt te meer nu het filmen van het minderjarige slachtoffer tijdens het verrichten van de seksuele handelingen voor het slachtoffer vernederend en ook beangstigend is. Het risico bestaat immers dat de opnames via verschillende digitale fora door anderen worden bekeken en voor altijd op het internet beschikbaar blijven. Ook het feit dat verdachte onbeschermde seks heeft gehad neemt de rechtbank hem, mede gelet op alle risico’s die daaraan verbonden zijn, zeer kwalijk.

Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij en de slachtofferverklaring blijkt dat dit ook voor het slachtoffer in deze zaak het geval is. Het slachtoffer voelt zich verdrietig, boos en vies wanneer zij terugdenkt aan de gebeurtenissen. Ook heeft zij aangegeven dat zij onrustig slaapt en haar gevoelens probeert te onderdrukken. Voor de verwerking van de gebeurtenissen heeft zij aangegeven een traumabehandeling nodig te hebben.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte de ernst van het door hem aan zijn slachtoffer aangedane leed kennelijk niet dan wel onvoldoende inziet.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 248b Wetboek van Strafrecht. Voor dat misdrijf is de oplegging van een taakstraf in beginsel uitgesloten. Een taakstraf kan wel worden opgelegd in combinatie met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of met een vrijheidsbenemende maatregel.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

Voor ontucht met een minderjarige (16 of 17 jaar) tegen betaling geldt als oriëntatiepunt een korte onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van 150 uur.

Voor ontucht met een minderjarige tegen betaling (16 of 17 jaar), waarbij er voor de verdachte aanwijzingen zijn dat sprake is van uitbuiting of minderjarigheid, geldt een oriëntatiepunt van vier maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Hiervoor, bij de bespreking van de strafbaarheid van verdachte, is reeds overwogen waarom de rechtbank van oordeel is dat er voor verdachte voldoende aanwijzingen waren dat er sprake was van uitbuiting en minderjarigheid van het slachtoffer.

Er was [medeverdachte 1] , die zich opwierp als pooier, het slachtoffer werd op geen enkele wijze betrokken bij de onderhandelingen, de gelaten houding van het slachtoffer, haar jeugdige uiterlijk, de locatie waar de seks plaats vond en de omstandigheden waaronder de seks plaats vond, zonder enige vorm van overleg en zonder bescherming. De rechtbank neemt daarom als uitgangspunt voor de straftoemeting een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. Daarvan wijkt de rechtbank in het nadeel van verdachte af, omdat het hier gaat om een ernstige vorm van ontucht, te weten, vaginale en orale penetratie zonder beschermende maatregelen. Tenslotte wordt bij de uiteindelijke hoogte van de straf feit 2 betrokken.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van het voorarrest overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een bedrag van € 1.500,-- aan immateriële schade gevorderd (€ 1.000,-- voor het plegen van de ontucht en € 500,-- voor het maken van de filmpjes) en een bedrag van € 206,72 aan materiële schade, te weten € 106,72 voor reiskosten en € 100,-- voor gederfde inkomsten, te vermeerderen met wettelijke rente. Tevens is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij aangegeven dat de materiële kosten van de gederfde inkomsten louter zien op de minderjarige verdachte, aangezien zij degene is die het geld in ontvangst heeft genomen. Het genoemde bedrag aan materiële schadevergoeding moet om deze reden met € 100,-- worden gematigd.

De rechtbank begrijpt dan ook dat de materiële kosten betreffende de gederfde inkomsten worden gevorderd in de zaak van [medeverdachte 1] (met parketnummer 01-277843-19), maar niet in deze zaak.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd voor een bedrag van € 1.606,72 met wettelijke rente. Voor het bedrag van € 1.106,72 heeft de officier van justitie hoofdelijke veroordeling gevorderd.

Voorts heeft de officier van justitie oplegging van de maatregel conform artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.

Het standpunt van de verdediging.

Bij vrijspraak wordt verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen. Indien wel een veroordeling volgt, stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat het gevorderde bedrag

van € 1.000,-- immateriële schade te hoog is en onvoldoende is onderbouwd. Ook is onduidelijk voor welk concreet deel van de gevorderde immateriële schade haar cliënt aansprakelijk is en daarom moet de vergoeding - op grond van de jurisprudentie - worden gematigd tot het aandeel van cliënt, aldus de raadsvrouw. Met betrekking tot de gevorderde € 500,-- immateriële schade ten aanzien van feit 2 is de raadsvrouw van mening dat het bedrag onvoldoende is onderbouwd en derhalve dient te worden afgewezen, dan wel te worden gematigd.

Beoordeling. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten: immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 1.250,-- (€ 1.000,-- betreffende feit 1 en € 250,-- betreffende feit 2) en materiële schadevergoeding tot een bedrag van € 106,72 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor een totaalbedrag aan schade van € 1.106,72.

Deze hoofdelijkheid ziet niet op een deel van het in deze zaak toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding betreffende feit 2, te weten een bedrag van € 250,--.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens schadevergoedingsmaatregelen opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslag

De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerp, te weten de iPhone 6, vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is met betrekking tot en/of met behulp van welke het feit is begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp (iPhone 11) aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van dit inbeslaggenomen goed.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

36b, 36c, 36f, 57, 240b, 248b van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

ontucht plegen met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt

Ten aanzien van feit 2:

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen, meermalen gepleegd en

een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, in bezit hebben

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen goed, te weten: 1 stk gsm (iPhone 6).

Teruggave van het inbeslaggenomen goed, vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: 1 stk gsm (iPhone 11) aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon: verdachte.

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van € 1.106,72, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 dagen gijzeling. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit € 1.000,-- immateriële schade en € 106,72 materiële schade (reiskosten) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2019 tot en met de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van € 250,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen gijzeling. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit € 250,-- immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2019 tot en met de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van € 1.356,72, bestaande uit € 1.250,-- immateriële schade en € 106,72 materiële schade (reiskosten) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

Wijst de vordering voor het overige af (gederfde inkomsten).

Verdachte is voor wat betreft de immateriële schade van € 1.000,-- en de materiële schade van € 106,72 niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald. De hoofdelijke toewijzing van de vordering heeft geen betrekking op het overige deel van de toegewezen immateriële schade, te weten een bedrag van
€ 250,--.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Bossink, voorzitter,

L.R.H. Koekoek en mr. A.M. Kooijmans, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F.H.R.M. Robbers, griffier,

en is uitgesproken op 07 augustus 2020.

mr. A.M. Kooijmans-de Kort is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, team Migratiecriminaliteit en Mensenhandeld, onderzoeksnummer OBRCC19010, onderzoek Taipei, afgesloten op 31 januari 2020, aantal pagina’s: 1 tot en met 343. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.

2 Proces-verbaal ter terechtzitting, verklaring van verdachte ter terechtzitting.

3 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 28 december 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:5683.