Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:3888

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-08-2020
Datum publicatie
07-08-2020
Zaaknummer
01.030375.20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 5 maanden met aftrek van het voorarrest voor ontucht plegen met een 17-jarig meisje, die zich beschikbaar heeft gesteld tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling.

Verwerping van een AVAS-verweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.030375.20

Datum uitspraak: 07 augustus 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

wonende te [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 juli 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 juni 2020.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 augustus 2019 te Deurne, althans in Nederland,

ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer ] , geboren op [geboortedatum] 2002,

die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van een of meer seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt,

te weten het brengen en/of houden van zijn (verdachtes) penis in de vagina en/of mond van die [slachtoffer ] .

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Inleiding.

Verdachte wordt verweten dat hij op 18 augustus 2019 te Deurne met een 17-jarig meisje ontucht heeft gepleegd tegen betaling, door zijn penis in de vagina en/of de mond van deze minderjarige te brengen.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte verzoekt primair vrijspraak van het ten laste gelegde vanwege het ontbreken van overtuigend bewijs. Verdachte ontkent seksuele handelingen met aangeefster te hebben verricht en er zijn teveel uiteenlopende, met elkaar tegenstrijdige verklaringen en daarmee teveel twijfels om tot een bewezenverklaring te komen.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging vanwege de afwezigheid van alle schuld. Verdachte wist niet dat het ging om een meisje jonger dan 18 jaar.

De bewijsmiddelen. 1

De verklaring van verdachte ter terechtzitting 2 , onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik was met drie meisjes in de bossen in Deurne. Ik had met één van de meisjes afgesproken via Instagram. Ik noem mezelf [Bijnaam verdachte] op Instagram. Een van de meisjes vroeg geld en vroeg of er iemand seks met het andere meisje wilde hebben.

Proces-verbaal van verhoor van 20 december 2019 van [verdachte] , onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 127-130):

[p. 128] Ik ben met [medeverdachte 1] en [persoon] in Deurne geweest. We troffen daar drie meisjes. Het meisje met de bruine huidskleur zei dat we seks mochten hebben met [slachtoffer ] voor geld. [medeverdachte 1] is met het meisje de bosjes in gegaan.

[p. 129] Ik zie mezelf op de foto (foto1 pag. 132) links in beeld. Het meisje met de blauwe jas is het lange meisje. Het meisje met de lichtkleurige jas is het meisje dat mij een DM had gestuurd met het verzoek om te chillen. Dit meisje heeft ook om geld gevraagd. Het meisje met de rode schoenen is het meisje met wie [medeverdachte 1] de bosjes in is gegaan.

Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot filmpjes op de in beslag genomen telefoon van [medeverdachte 1] d.d. 14 januari 2020, zakelijk weergegeven (p. 252-254):

[p. 252] De filmpjes zijn gemaakt op 18 augustus 2019.
Beschrijving film 3 (7 seconden durend) bestandnaam IMG_7462: Ik zag dat gefilmd werd door de voorruit vanuit een langzaam rijdende auto. Ik zag dat voor de auto één man en drie meisjes in een bosgebied liepen. Ik zag dat de man aan de linkerzijde volledig in het beige gekleed was en dat de man sprak met het meisje met de blauwkleurige jas aan. [verdachte] heeft verklaard dat hij de man links op de foto was. Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat het meisje met de roodkleurige schoenen het meisje was waar [medeverdachte 1] mee de bosjes in was gegaan. [verdachte] heeft verklaard dat het meisje helemaal rechts, met de lichtkleurige jas, hem had benaderd om te gaan chillen. [getuige] heeft verklaard dat zij het meisje op de foto is met de blauwkleurige jas en het meisje met de rode slippers is volgens haar [slachtoffer ] . Het meisje met de beige jas is [medeverdachte 2] .

Proces-verbaal van verhoor van 19 november 2019, gedaan door [slachtoffer ] (p. 282-286), onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

[p. 283] [medeverdachte 2] , [getuige] en ik liepen over het terrein. [medeverdachte 2] had twee jongens geappt, maar uiteindelijk kwamen er daar drie aan. Dit waren, [Bijnaam verdachte] , [Bijnaam verdachte] en een andere jongen waarvan ik de naam niet meer weet. We zijn een stuk de bossen ingelopen. We stonden toen bij een watervalletje en toen zei [medeverdachte 2] dat ze mijn pooier was. De jongens vroegen toen wat ze dan voor mij wilde hebben. [medeverdachte 2] zei toen dat ze 100 euro wilde hebben voor een uur.

Ik heb de jongen, van wie ik de naam niet meer weet, gepijpt en hij heeft mij geneukt. Daarna ben ik weer terug gelopen en vervolgens ben ik door de [Bijnaam verdachte] met krullen mee getrokken in de bosjes en heeft hij mij geneukt.

Ik heb gezien dat die jongens 50 euro gaven aan [medeverdachte 2] .

[p. 284] Ik heb geen geld gekregen. Ze hebben geen condoom gebruikt. Ze zijn op de grond klaar gekomen.

Proces-verbaal van aangifte van 27 november 2019, gedaan door [slachtoffer ] geboren op [geboortedatum] (p. 154-158), onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

[p. 155] [medeverdachte 2] heeft twee jongens geappt.

[medeverdachte 2] had gezegd dat ze mijn pooier was en we waren inmiddels in een bos. De jongen die ik niet van naam ken zei dat hij wel wilde. [medeverdachte 2] duwde mij naar die jongen. Ik zei toen dat ik het niet wilde. Maar dat werd dus genegeerd, waarop de jongen zijn arm om me heen sloeg en me mee het bos in nam.

[p. 156] Eerst hebben we seks gehad, en daarna ben ik naar de rest terug gelopen.

[medeverdachte 2] , [getuige] en [Bijnaam verdachte] stonden er nog, waarop [Bijnaam verdachte] ook zijn arm om me heen sloeg - op dezelfde manier - en me meenam. Ik deed niets. Ik kon niets zeggen. Ik kon het alleen over me heen laten komen. Het was wel op een andere plek in het bos, maar ook hij begon met zoenen, trok mijn broek naar beneden en neukte me, staand.

[p. 157] Van te voren heeft [medeverdachte 2] het wel over geld gehad. Het ging er inderdaad over dat zij € 100,-- wilde hebben als de jongens seks met me zouden hebben.

Proces-verbaal van verhoor [getuige] van 14 november 2019 (p. 287-290), onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

[p. 289] Aan het einde van de zomervakantie van dit jaar gingen we hier naar het bos. Toen zagen wij drie mannen. Die mannen verwachtten duidelijk iets van ons meiden. Toen begon [medeverdachte 2] erover dat [slachtoffer ] seks zou hebben voor geld. Ik hoorde dat [medeverdachte 2] zei: “Ik ben haar pooier”. Ik hoorde dat één van de mannen aan [slachtoffer ] vroeg of ze seks voor geld wilde. Ik zag dat [slachtoffer ] zo’n gezicht naar mij trok zo van, wat moet ik hiermee. Het leek erop dat ze zoiets had van ‘help mij’ of ‘wat moet ik hiermee doen?’. Ik zag dat [slachtoffer ] samen met een van de mannen wegliep verder het bos in. Ik hoorde dat [medeverdachte 2] zei dat [slachtoffer ] hem ging pijpen voor geld. Ik hoorde dat die andere man met die krulletjes genaamd [bijnaam] met [medeverdachte 2] sprak over seks met [slachtoffer ] . Ze maakten afspraken over geld. Ongeveer na een kwartier kwam [slachtoffer ] met die man terug.

De mannen drongen aan bij [slachtoffer ] om ook seks voor geld te hebben met [bijnaam] met die krulletjes. Ik zag dat ze samen verder de bossen in liepen.

[p. 290] Ik denk na ongeveer een kwartier vond ik het te lang duren dus liep ik richting [slachtoffer ] . Ik zag dat ze net klaar waren. Wij liepen terug naar de anderen. Ik zag dat die [bijnaam] met die krulletjes geld gaf aan [medeverdachte 2] . Ik heb niet gezien dat [slachtoffer ] geld kreeg van [medeverdachte 2] of van die mannen. U vraagt mij wie het initiatief nam om naar de mannen in het bos te gaan. Dat was [medeverdachte 2] .

Proces-verbaal van verhoor [getuige] van 17 december 2019 (p. 292-298), onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

De jongens vroegen aan [slachtoffer ] of ze het echt deed. [slachtoffer ] had niet de tijd om te reageren. [medeverdachte 2] zei: “Ja, dat doet ze.”

[p. 296] [medeverdachte 2] was degene die aan het woord was. Ik noem alle Marokkanen [bijnaam] . Maar [bijnaam] met de krulletjes heet in het echt [Bijnaam verdachte] . Ik hoorde dat krulletjes [Bijnaam verdachte] aan [slachtoffer ] vroeg hoe duur pijpen was. En hoe duur penetreren was. Ik zag dat [slachtoffer ] geschrokken was en niets zei. Meteen toen [slachtoffer ] en de man uit het bos terugkwamen zei [medeverdachte 2] dat [slachtoffer ] [Bijnaam verdachte] met de krulletjes ook wel een pijpbeurt kon geven. Ik zag dat [slachtoffer ] en die [Bijnaam verdachte] ook het bos inliepen.

Het meisje op de foto (bijlage 1 pag. 300) met de blauwe jas ben ik. Het meisje met de beige jas is [medeverdachte 2] . Het meisje met de rode slippers is [slachtoffer ] , Die jongen in het gewaad is [Bijnaam verdachte] met de krulletjes.

Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] van 20 november 2019 (p. 27-34), onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

[p. 32] Het klopt dat ik met [slachtoffer ] en [getuige] in het bos was en dat [slachtoffer ] seks heeft gehad. Ik had zelf afgesproken met twee jongens daar. [slachtoffer ] ging ineens neuken met een van mijn vrienden. Daarna met die ander.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde, voor zover hierna bewezen is verklaard, heeft begaan.

De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en de getuigen [getuige] en [medeverdachte 2] voor wat betreft het deel van hun verklaringen dat twee mannen, waaronder zo begrijpt de rechtbank [verdachte] , met [slachtoffer ] na elkaar de bossen in zijn gegaan, daar seks met haar hebben gehad en dat er voor de seks is betaald. Deze verklaringen zijn qua strekking en in de kern met elkaar in overeenstemming, in ieder geval daar waar het gaat over het hebben van seks door de twee mannen met [slachtoffer ] voornoemd en dat er is betaald voor de seks. De rechtbank heeft in het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting geen aanknopingspunten gevonden die maken dat aan de inhoud van de hiervoor gebruikte bewijsmiddelen moet worden getwijfeld.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 18 augustus 2019 te Deurne,

ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer ] , geboren op [geboortedatum] ,

die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van een of meer seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt,

te weten het brengen en/of houden van zijn verdachtes penis in de vagina van die [slachtoffer ] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte geen enkel strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt over zijn onwetendheid ter zake van de minderjarige leeftijd van het slachtoffer. Er was voor verdachte geen enkele reden om te twijfelen aan de leeftijd van het slachtoffer en de andere meisjes, omdat zij er veel ouder uitzagen dan 17 jaar en de meisjes ook verklaarden 18 jaar te zijn, aldus de raadsvrouw. De raadsvrouw is van mening dat uit het dossier volgt dat de meisjes er alles aan deden om er ouder uit te zien. Verdachte was in de overtuiging dat zijn gedraging geoorloofd was, omdat hij in de veronderstelling was dat het slachtoffer 18 jaar oud was.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verwerping van het verweer gevorderd, gelet op de jurisprudentie ten aanzien van artikel 248b Wetboek van Strafrecht. Zij verwijst hierbij naar de Valkenburgse zedenzaak.3 Hierin is bepaald dat zelfs wanneer men reageert op een advertentie waarin staat vermeld dat de prostituee 18 jaar oud is, dit ter plekke nogmaals geverifieerd dient te worden door middel van het vragen naar legitimatie. Het verweer van de raadsvrouw is een volstrekt onhoudbaar standpunt, aangezien niet is voldaan aan de vergewisplicht, aldus de officier van justitie.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het hiervoor genoemde verweer als volgt.

Het juridisch kader

In artikel 248b van het Wetboek van Strafrecht staat de bescherming van minderjarigen voorop. Om die reden is de leeftijd van de minderjarige geobjectiveerd. Dit betekent dat ten aanzien van dit bestanddeel geen opzet of schuld van de verdachte behoeft te worden bewezen. Voor een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging is voldoende dat objectief komt vast te staan dat het slachtoffer ten tijde van het ten laste gelegde 16 of 17 jaar oud was.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft een beroep op dwaling ten aanzien van de leeftijd slechts in uitzonderlijke gevallen kans van slagen. De vraag of alle schuld in strafrechtelijke zin ontbreekt, moet worden beantwoord in verband met de aard en de strekking van de strafbepaling. Van iedere man die seks tegen betaling heeft met een vrouw wordt verlangd dat hij alvorens hij enige seksuele handeling met deze vrouw verricht zich ervan vergewist of het een legale seksafspraak betreft en dat hij alert is op aanwijzingen die wijzen op onvrijwilligheid. De vergewisplicht geldt temeer wanneer het een jeugdige vrouw betreft. Dan is extra behoedzaamheid geboden en onderzoek naar de leeftijd noodzakelijk.

Beoordeling ten aanzien van het gevoerde AVAS-verweer

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte zich in het onderhavige geval onvoldoende vergewist van de ware leeftijd van het slachtoffer.

Er waren voldoende aanwijzingen dat het slachtoffer mogelijk minderjarig was en niet geheel vrijwillig meeging.

- Het slachtoffer was een jonge vrouw. Dat zij zelf gezegd zou hebben dat zij 18 jaar was, doet aan de onderzoeksplicht niet af. In het geval van een ‘jeugdige prostituant’ is namelijk extra behoedzaamheid geboden.

- Alle afspraken gingen buiten het slachtoffer om. Er was de jeugdige [medeverdachte 2] die zich als de pooier van het slachtoffer heeft voorgesteld, die de afspraak had geregeld en over de prijs onderhandelde en die het slachtoffer aanspoorde om met de mannen mee te gaan. [medeverdachte 2] inde ook het geld. Met het slachtoffer vond geen enkel overleg plaats. Er werd met haar niet gesproken.

- De locatie waar de afspraak plaatsvond, in een bos bij [adres] , had bij verdachte de nodige vraagtekens moeten oproepen, evenals het feit dat de seks plaatsvond in aanwezigheid van meerdere personen.

- De houding van het slachtoffer, zoals die blijkt uit de getuigenverklaringen, had aanleiding moeten zijn voor twijfel aan zowel de leeftijd als de vrijwilligheid. Het slachtoffer was stil, passief, ging gedwee mee en onderging gelaten de seksuele handelingen. Ook het feit dat geen condoom werd gebruikt en dat daarover niet werd gesproken duidt op onvolwassen gedrag van het slachtoffer.

Al met al waren de omstandigheden waaronder de ontmoeting plaatsvond voldoende redengevend voor verdachte om na te gaan of het slachtoffer meerderjarig was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte niet alle zorg heeft betracht die van hem kon worden gevergd en dat hij aldus een ongeoorloofd risico heeft genomen. Om deze reden kan niet worden gesproken van het ontbreken van alle schuld waardoor het AVAS-verweer niet slaagt. Het verweer wordt dan ook verworpen

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Bij een eventuele strafoplegging verzoekt de raadsvrouw rekening te houden met het geringe leeftijdsverschil, het feit dat verdachte first offender is en het Nederlanderschap wil aanvragen. De raadsvrouw verzoekt om aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten van de rechtbank en verzoekt een taakstraf op te leggen met een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk aan de voorlopige hechtenis.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft vaginale seks gehad tegen betaling met een minderjarige. Het gaat om vergaande seksuele handelingen, waarbij geen condoom is gebruikt.

Verdachte heeft een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en haar lichamelijke integriteit aangetast. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij en de slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is. Het slachtoffer voelt zich verdrietig, boos en vies wanneer zij terugdenkt aan de gebeurtenissen. Ook heeft zij verklaard dat zij onrustig slaapt en haar gevoelens probeert te onderdrukken. Voor de verwerking van de gebeurtenissen heeft zij aangegeven een traumabehandeling nodig te hebben. Ook het feit dat hij onbeschermde seks heeft gehad neemt de rechtbank hem, gelet op alle risico’s die daaraan verbonden zijn, zeer kwalijk.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte de ernst van het door hem aan zijn slachtoffer aangedane leed kennelijk niet dan wel onvoldoende inziet.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 248b Wetboek van Strafrecht. Voor dat misdrijf is de oplegging van een taakstraf in beginsel uitgesloten. Een taakstraf kan wel worden opgelegd in combinatie met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of met een vrijheidsbenemende maatregel.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

Voor ontucht met een minderjarige (16 of 17 jaar) tegen betaling geldt als oriëntatiepunt een korte onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van 150 uur.

Voor ontucht met een minderjarige tegen betaling (16 of 17 jaar), waarbij er voor de verdachte aanwijzingen zijn dat sprake is van uitbuiting of minderjarigheid, geldt een oriëntatiepunt van vier maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Hiervoor, bij de bespreking van de strafbaarheid van verdachte, is reeds overwogen waarom de rechtbank van oordeel is dat er voor verdachte voldoende aanwijzingen waren dat er sprake was van uitbuiting en minderjarigheid van het slachtoffer.

Er was [medeverdachte 2] die zich opwierp als pooier, het slachtoffer werd op geen enkele wijze betrokken bij de onderhandelingen, de gelaten houding van het slachtoffer, haar jeugdige uiterlijk, de locatie waar de seks plaats vond en de andere omstandigheden waaronder de seks plaats vond, zonder enige vorm van overleg en zonder bescherming. De rechtbank neemt daarom als uitgangspunt voor de straftoemeting een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. Daarvan wijkt de rechtbank in het nadeel van verdachte af, omdat het hier gaat om een ernstige vorm van ontucht, te weten, vaginale penetratie zonder beschermende maatregelen.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van het voorarrest overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer ] .

De benadeelde partij [slachtoffer ] heeft een bedrag van € 1.000,-- aan immateriële schade gevorderd (voor het plegen van de ontucht) en een bedrag van € 206,72 aan materiële schade, te weten € 106,72 voor reiskosten en € 100,-- voor gederfde inkomsten, te vermeerderen met wettelijke rente. Tevens is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij aangegeven dat de materiële kosten van de gederfde inkomsten louter zien op de minderjarige verdachte, aangezien zij degene is die het geld in ontvangst heeft genomen. Het genoemde bedrag aan materiële schadevergoeding moet om deze reden met € 100,-- worden gematigd.

De rechtbank begrijpt dan ook dat de materiële kosten betreffende de gederfde inkomsten worden gevorderd in de zaak van [medeverdachte 2] (met parketnummer 01-277843-19), maar niet in onderhavige zaak.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd voor een bedrag van € 1.106,72 met wettelijke rente. Voor het gehele bedrag van € 1.106,72 heeft de officier van justitie hoofdelijke veroordeling gevorderd.

Voorts heeft de officier van justitie oplegging van de maatregel conform artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft geen opmerking met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij. Bij vrijspraak verzoekt de raadsvrouw de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Indien geen vrijspraak zal volgen, acht zij de vordering voldoende onderbouwd.

Beoordeling. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 1.000,-- en materiële schadevergoeding tot een bedrag van € 106,72 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

36f, 248b van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

ontucht plegen met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer ] , van een bedrag van € 1.106,72, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 dagen gijzeling. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit € 106,72 materiële schade en € 1.000,-- immateriële schade.

Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.

T.a.v. feit 1:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer ] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer ] , van een bedrag van € 1.106,72, bestaande uit € 106,72 euro materiële schade (reiskosten) en € 1.000,00 immateriële schade. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

wijst de vordering voor het overige (gederfde inkomsten) af;

verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Bossink, voorzitter,

mr. L.R.H. Koekoek en mr. A.M. Kooijmans-de Kort, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F.H.R.M. Robbers, griffier,

en is uitgesproken op 07 augustus 2020.

Mr. A.M. Kooijmans-de Kort is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, team Migratiecriminaliteit en Mensenhandeld, onderzoeksnummer OBRCC19010, onderzoek Taipei, afgesloten op 31 januari 2020, aantal pagina’s: 1 tot en met 343. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.

2 Proces-verbaal ter terechtzitting, verklaring van verdachte ter terechtzitting.

3 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 28 december 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:5683.