Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:3786

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-07-2020
Datum publicatie
04-08-2020
Zaaknummer
C/01/361178 / KG ZA 20-461
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vakantieperikelen. De man vraagt toestemming van de vrouw om de kinderen met het vliegtuig naar Genéve (Zwitserland) te laten reizen. De vrouw heeft op zichzelf geen bezwaren geuit tegen het verblijf in Genève, maar heeft als verweer met name aangevoerd dat zij het gelet op de Covid-19 epidemie onveilig vindt dat de kinderen met het vliegtuig moeten reizen. In het vliegtuig kan geen 1,5 meter afstand worden bewaard en op de luchthavens passeren iedere dag grote aantallen mensen. Een van de kinderen heeft last van astma en een ander kind heeft zware astma, waardoor zij tot een risicogroep behoren. Door de man is weliswaar gesteld dat de situatie in Zwitserland wat betreft coronabesmettingen vergelijkbaar is met Nederland er in Zwitserland nog strengere voorzorgsmaatregelen van kracht zijn dan in Nederland, maar dat neemt niet weg dat een reis per vliegtuig risico’s met zich mee brengt op grond waarvan de voorzieningenrechter een reis per vliegtuig naar en van Zwitserland op dit moment niet in het belang van de kinderen acht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/361178 / KG ZA 20-461

Vonnis in kort geding van 31 juli 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

eiser,

advocaat mr. F.R. Brouwer te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. H. Sanli te Helmond.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 juli 2020 met 6 producties;

  • -

    het verweerschrift van de vrouw met een productie;

  • -

    de mondelinge behandeling die op 31 juli 2020 plaatsvond via een Skypeverbinding. Tijdens de mondelinge behandeling zijn de drie minderjarige kinderen gehoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Tijdens het huwelijk zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

  • -

    [naam kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [plaats] ;

  • -

    [naam kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [plaats] ;

  • -

    [naam kind 3] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [plaats] .

2.2.

Partijen hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen. De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de vrouw. De man is woonachtig in [woonplaats] ( [land] ), maar beschikt tevens over een woning in [plaats] .

3 Het geschil

3.1.

De man vordert samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

 De man toestemming te verlenen om met [naam kind 3] , [naam kind 2] en [naam kind 1] van 31 juli 2020 tot en met 23 augustus 2020 naar [land] , meer in het bijzonder [woonplaats] te verblijven, waarbij de reis van de kinderen wordt begeleid door de broer van de man, zijnde de heer [naam broer] , op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag voor elke dag dat zij niet voldoet aan het bevel om de kinderen af te geven tot een maximum van € 30.000,00 is bereikt;

 De man toestemming te verlenen om met [naam kind 3] , [naam kind 2] en [naam kind 1] van de eerst mogelijke datum waarop de vliegtickets omgeboekt kunnen worden tot en met 23 augustus 2020 naar [land] , meer in het bijzonder [woonplaats] te verblijven, waarbij de reis van de kinderen wordt begeleid door de broer van de man, zijnde de heer [naam broer] , op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag voor elke dag dat zij niet voldoet aan het bevel om de kinderen af te geven tot een maximum van € 30.000,00 is bereikt;

 De vrouw te veroordelen de paspoorten van voornoemde kinderen aan de man, dan wel zijn broer, zijnde [naam broer] , af te geven op 31 juli 2020, dan wel een door uw Rechtbank in goede justitie vast te stellen datum op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag voor elke dag dat zij niet voldoet aan het bevel om de kinderen af te geven tot een maximum van € 30.000,00 is bereikt;

 De vrouw te veroordelen in de kosten van het omboeken van de tickets;

 De vrouw te veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten, althans de proceskosten en de nakosten.

3.2.

De vrouw voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Omdat de man in [woonplaats] ( [land] ) woont, rijst de vraag of de voorzieningenrechter rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is. Op grond van art. 7 van de Verordening (EU) 2019/1111 heeft de voorzieningenrechter rechtsmacht. Op grond van art. 17 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, is Nederlands recht van toepassing.

4.2.

De man heeft een spoedeisend belang bij vervangende rechterlijke toestemming omdat hij wil dat zijn kinderen op 31 juli 2020 afreizen naar [woonplaats] om daar de laatste drie weken van hun zomervakantie te verblijven. De vliegtickets voor deze reis zijn reeds geboekt.

4.3.

Bij de beantwoording van de vraag of moet worden toegestaan dat de kinderen op 31 juli 2020, althans een latere datum, begeleid door hun oom met het vliegtuig afreizen naar [woonplaats] , neemt de voorzieningenrechter de belangen van de kinderen tot uitgangspunt.

4.4.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het belangrijk voor de kinderen is dat zij gedurende hun vakantie omgang hebben met de man en hun halfbroer [naam halfbroer] die in [land] woonachtig zijn.

4.5.

De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat er voldoende redenen zijn aangevoerd waarom de reis naar [woonplaats] niet in het belang van de kinderen is. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

4.6.

De man wil dat de kinderen, begeleid door hun oom, met het vliegtuig naar [woonplaats] reizen en daar drie weken verblijven. De vrouw heeft op zichzelf geen bezwaren geuit tegen het verblijf in [woonplaats] , maar heeft als verweer met name aangevoerd dat zij het gelet op de Covid-19 epidemie onveilig vindt dat de kinderen met het vliegtuig moeten reizen. In het vliegtuig kan geen 1,5 meter afstand worden bewaard en op de luchthavens passeren iedere dag grote aantallen mensen. [naam kind 1] heeft last van astma en [naam kind 2] heeft zware astma, waardoor zij tot een risicogroep behoren. Door de man is weliswaar gesteld dat de situatie in [land] wat betreft coronabesmettingen vergelijkbaar is met Nederland er in [land] nog strengere voorzorgsmaatregelen van kracht zijn dan in Nederland, maar dat neemt niet weg dat een reis per vliegtuig risico’s met zich mee brengt op grond waarvan de voorzieningenrechter een reis per vliegtuig naar en van [land] op dit moment niet in het belang van de kinderen acht. De voorzieningenrechter hecht er veel belang aan dat de kinderen zelf hebben verklaard dat zij het eng vinden om met het vliegtuig naar [woonplaats] te reizen en zij het liefst in Nederland blijven, als zij zelf mogen kiezen. Ter zitting is gebleken dat voor de man het geen alternatief is om met de kinderen met de auto naar en van [woonplaats] te reizen.

4.6.

De voorzieningenrechter wijst de verzochte toestemming af.

4.7.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2020.