Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:3543

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-07-2020
Datum publicatie
21-07-2020
Zaaknummer
C/01/338549 / HA ZA 18-641
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Contradictoir. Erfrecht. In het testament van vader is bepaald dat het erfdeel opeisbaar is als moeder onder bewind wordt gesteld. Die situatie doet zich voor. Een van de kinderen vordert het uitbetalen van het erfdeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0176 met annotatie van F.W.J.M. Schols
VFP 2020/74
RN 2020/105
Jurisprudentie Erfrecht 2021/13 met annotatie van Schoenmaker, F.A.M.
JERF Actueel 2020/262
JERF 2021/13 met annotatie van Schoenmaker, F.A.M.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/338549 / HA ZA 18-641

Vonnis van 15 juli 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.E. Jansen te Veghel,

tegen

1 [gedaagde 1]

in hoedanigheid van bewindvoerder van [onderbewindgestelde] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde 2]

in hoedanigheid van bewindvoerder van [onderbewindgestelde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. J.G. Plet te Spijkenisse.

en

3 [gedaagde 3]

in hoedanigheid van deelgenoot in de nalatenschap van [erflater] ,

wonende te [woonplaats] ,

4. [gedaagde 4]

in hoedanigheid van deelgenoot in de nalatenschap van [erflater] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

advocaat mr. J.G. Plet te Spijkenisse.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagden 1 t/m 4] (alle gedaagden in conventie) worden genoemd. Gedaagden in conventie sub 1 en 2 zullen waar nodig afzonderlijk worden aangeduid als de bewindvoerders en gedaagden sub 3 en 4 als de deelgenoten.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 december 2019

- de exploten van 23 december 2019 waarbij [eiseres] [gedaagden 1 t/m 4] in hun hoedanigheid van deelgenoot in de nalatenschap van de heer [erflater] , geboren op [geboortedatum] 1930 en overleden op 7 juli 2017, in het geding heeft opgeroepen

- de conclusie van antwoord (cva) van de deelgenoten

- de nadere conclusie van [eiseres] in reactie op de cva van de deelgenoten, tevens akte in het geding brengen van producties.

1.2.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd.

2 De verdere beoordeling

in conventie

2.1.

In het vonnis van 11 december 2019 is [eiseres] gelegenheid geboden om [gedaagden 1 t/m 4] in hun hoedanigheid van deelgenoot in de nalatenschap van vader in het geding op te roepen. [eiseres] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

A. Hoofdvordering

2.2.

De vorderingen van [eiseres] zijn vermeld in r.o. 3.1. van het tussenvonnis van 11 december 2019. Als eerste (onder A.) vordert [eiseres] de bewindvoerders te bevelen over te gaan tot de uitbetaling van haar erfdeel. Deze hoofdvordering wordt beoordeeld via een aantal stappen.

1) Is het erfdeel opeisbaar?

2.3.

[gedaagden 1 t/m 4] stellen dat de bewindvoerders niet verplicht zijn om het erfdeel uit te betalen omdat er sprake is van aanzienlijke zorgkosten en in het testament van vader is vastgelegd dat de verzorging van moeder dient te worden gewaarborgd. [gedaagden 1 t/m 4] verwijzen daarvoor naar deze zinsneden van artikel D lid 6 van het testament:

“Ingevolge het vorenstaande is de hoofdsom en de rente van de vordering van ieder van mijn overige erfgenamen normaal pas opeisbaar na het overlijden van mijn echtgenote.

Ik heb dit bepaald ter verzorging van mijn echtgenote na mijn overlijden.”

Volgens [gedaagden 1 t/m 4] is vervroegde uitbetaling niet aan de orde. Volgens hen is het erfdeel pas opeisbaar bij het overlijden van moeder.

2.4.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.5.

Het testament van vader is verleden op 15 april 1994. Het testament bevat een ouderlijke boedelverdeling op grond van artikel 4:1167 (oud) BW. Vader heeft zijn nalatenschap aan moeder toebedeeld, onder de verplichting om aan de overige erfgenamen ( [eiseres] en de deelgenoten) in contanten uit te keren de aan hen toekomende erfdelen. Vader is overleden op 7 juli 2017. Naar huidig erfrecht (artikel 4:42 BW) is een ouderlijke boedelverdeling niet meer toegestaan, maar de ouderlijke boedelverdeling in het testament van vader is nog steeds geldig op grond van artikel 127 Overgangswet boek 4 BW.

2.6.

In het testament van vader is inderdaad bepaald (in artikel D onder 3) dat de vorderingen in contanten pas opeisbaar zijn bij het overlijden van moeder. Daarna worden echter situaties genoemd waarin de vorderingen onmiddellijk en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zijn. In artikel D onder 3 sub c van het testament wordt de onderbewindstelling van moeder uitdrukkelijk genoemd als een geval waarin de vordering in contanten onmiddellijk opeisbaar is (zie r.o. 2.4. van het vonnis van 11 december 2019).

2.7.

Op het moment van het verlijden van het testament van vader was de volgende regeling opgenomen in artikel 1:431 (oud) BW:

1. Indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren. Onder aan de meerderjarige toebehorende goederen zijn in deze titel begrepen goederen die behoren tot een huwelijksgemeenschap waarin hij gehuwd is, en die niet uitsluitend onder het bestuur van zijn echtgenoot staan.

2.8.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de bepalingen in het testament van vader duidelijk zijn. De onderbewindstelling van moeder is een van de uitzonderingen op grond waarvan het erfdeel eerder opeisbaar wordt. Moeder is daadwerkelijk onder bewind gesteld. [eiseres] heeft op grond van het testament dus een opeisbare vordering.

2.9.

[gedaagden 1 t/m 4] stellen dat het uitbetalen van het erfdeel in strijd is met de Richtlijnen voor de Bewindvoerder (productie 8 cva tevens conclusie van eis (cve) in reconventie). Deze richtlijnen schrijven voor dat de verzorgingsbehoefte van moeder geen gevaar mag lopen en intering wordt voorkomen. Door vervroegde uitbetaling van het erfdeel aan [eiseres] komt de zorg voor moeder in gevaar. Er is sprake van 24-uurs zorg die door ZZP-ers wordt uitgevoerd. De verzorgingskosten zijn hoog, waardoor er voor ongeveer

€ 3.000,00 per maand wordt ingeteerd op het vermogen, aldus [gedaagden 1 t/m 4] .

2.10.

De rechtbank overweegt als volgt. Het is juist dat de Richtlijnen voor de Bewindvoerder voorschrijven dat een machtiging van de kantonrechter nodig is voor het vervroegd uitkeren van ‘kindsdelen’ en dat de bewindvoerder er bij een dergelijk verzoek voor dient te zorgen dat de verzorgingsbehoefte van de rechthebbende geen gevaar loopt en geen intering is voorzien. [eiseres] stelt daar tegenover dat in dit geval geen sprake is van een verzoek tot het vervroegd uitkeren van een ‘kindsdeel’, maar van een opeisbare vordering omdat moeder onder bewind is gesteld. De rechtbank volgt [eiseres] in haar standpunt. Zij heeft dit standpunt onderbouwd met de aanbevelingen meerderjarigenbewind vastgesteld door het LOVCK&T (Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton & Toezicht) van 7 september 2018 (productie 13 cva tevens cve reconventie). Daarin is onder punt 7 onder meer het volgende opgenomen: “Een verzoek tot het vervroegd uitdelen van ‘kindsdelen’ (vastgestelde geldvorderingen van kinderen op de langstlevende ouder in het kader van ouderlijke boedelverdeling of bij wettelijke verdeling) wordt niet geheel gelijk gesteld met een verzoek tot schenking. Het gaat hier om echte aanspraken die slechts opeisbaarheidsbeperkingen hebben en ‘achtergesteld’ zijn met het oog op de, door de erflater of wetgever gevoelde, verzorgingsbehoefte van de langstlevende die op deze aanspraken mag interen. (…) Als in het testament van de vooroverleden partner is opgenomen dat de kindsdelen opeisbaar zijn als zich een bepaalde situatie voordoet (zoals opname in een verpleegtehuis of onderbewindstelling) en deze situatie zich daadwerkelijk voordoet, dan is er sprake van een schuld die voldaan moet worden.” Naar het oordeel van de rechtbank doet de laatste situatie zich in dit geval voor. Moeder is onder bewind gesteld. Voor dat geval bepaalt het testament van vader dat de vordering opeisbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan geen sprake van het vervroegd uitkeren van een ‘kindsdeel’ maar van een schuld die voldaan moet worden.

2) Is de opeisbaarheid dan wel het direct uitbetalen onaanvaardbaar?

2.11.

De bewindvoerders stellen dat de directe opeisbaarheid dan wel het direct uitbetalen van de vorderingen van de kinderen ( [eiseres] en de deelgenoten) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het uitbetalen van de erfdelen zal er volgens [gedaagden 1 t/m 4] toe leiden dat de 24-uurs professionele zorg aan moeder in gevaar komt zodat moeder in een crisisopvang moet worden geplaatst. Dit scenario is ontwrichtend. [gedaagden 1 t/m 4] stellen dat vader dit niet heeft bedoeld en dat dit in strijd is met de aard van het testament. Ten slotte wijzen [gedaagden 1 t/m 4] op een uitspraak van de rechtbank Dordrecht (ECLI:NL:RBDOR:2007:BA8190).

2.12.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 6:2 BW zijn schuldeiser en schuldenaar verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid en is een tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Deze maatstaf dringt aan op een terughoudende toepassing.

De inkomens- en vermogenspositie van moeder is door de bewindvoerders tijdens de comparitie in oktober 2019 toegelicht. De bewindvoerders hebben toen voorgerekend dat er nog voor 19,5 maanden voldoende middelen resteren en dat dit niet toereikend werd geacht voor het continueren van de zorg aan moeder. De bewindvoerders hebben de bedragen die toen zijn genoemd echter niet onderbouwd.

De conclusie van antwoord van de deelgenoten is in februari 2020 ingediend. Daarbij is als bijlage (productie 1) een document rekening en verantwoording overgelegd. Dit document heeft betrekking op de periode 30 augustus 2017 tot en met 31 december 2017 en is daarom geen recente weergave van de financiële positie van moeder. Bovendien hebben de deelgenoten het document overgelegd zonder nadere toelichting of nadere conclusie.

Hiervoor is overwogen dat het testament van vader maar op één manier kan worden uitgelegd, namelijk in die zin dat door de onderbewindstelling van moeder een situatie is ontstaan waardoor de erfdelen van de kinderen bij wijze van uitzondering eerder opeisbaar zijn dan na het overlijden van moeder. Weliswaar is in artikel D lid 6 van het testament uitdrukkelijk de verzorgingsgedachte benoemd, maar alleen in combinatie met de “normale” situatie, dus zonder onderbewindstelling. In die situatie zouden de erfdelen pas opeisbaar zijn na het overlijden van moeder. Die situatie is hier echter niet aan de orde omdat moeder onder bewind is gesteld.

2.13.

[gedaagden 1 t/m 4] geven in dit verband ook aan dat het erfdeel niet kan worden uitgekeerd zolang de woning niet is verkocht. De woning kan niet worden verkocht, zolang moeder niet is opgenomen. Er is afgesproken dat er een rechterlijke machtiging voor opname van moeder zal worden aangevraagd, maar deze is (nog) niet verkregen. Uit de conclusie van de deelgenoten en daarbij behorende producties blijkt dat [eiseres] haar toestemming heeft gegeven voor het verkrijgen van een rechterlijke machtiging. Daaruit blijkt ook dat [gedaagden 1 t/m 4] zich tot de huisarts hebben gewend, maar dat deze (nog) geen medewerking wil verlenen. [gedaagden 1 t/m 4] hebben zich vervolgens tot een zorgexpert van CZ gewend. Deze wijst er op dat per 1 januari 2020 de Wet zorg en dwang in werking is getreden en dat de huisarts zich daar mogelijk nog in moet verdiepen.

De rechtbank overweegt dat de wet mogelijkheden biedt aan een echtgenoot die niet de enige rechthebbende is van een tot een nalatenschap behorende woning, om de woning te kunnen blijven gebruiken, zoals het vestigen van een vruchtgebruik op die woning (artikel 4:29 BW). [gedaagden 1 t/m 4] zien kennelijk geen reden daarvan gebruik te maken. Alle partijen (de kinderen van moeder) zijn het er juist over eens dat het in het belang van moeder is dat zij in een verpleeghuis wordt opgenomen. [gedaagden 1 t/m 4] spannen zich in om een rechterlijke machtiging voor opname te krijgen en ook [eiseres] heeft daarvoor toestemming gegeven.

De rechtbank is er daarom niet van overtuigd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat moeder niet in de woning zou kunnen blijven. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat uit de overige stellingen van [gedaagden 1 t/m 4] blijkt dat de situatie van moeder verslechtert én dat de woning ernstige gebreken vertoont, met name met betrekking tot het riool.

2.14.

De door [gedaagden 1 t/m 4] bedoelde uitspraak van de rechtbank Dordrecht leidt niet tot een ander oordeel. Die uitspraak gaat ook over een erfgenaam die haar (wettelijk) erfdeel in de nalatenschap van haar vader vordert en de verzorgingsverplichting ten opzichte van de echtgenote van erflater. In het betreffende testament was echter geen sprake van een uitzonderingssituatie zoals onderbewindstelling. De situatie waarover in die uitspraak werd beslist, wijkt dus op een belangrijk punt af van de situatie van partijen.

2.15.

Kort samengevat stellen [gedaagden 1 t/m 4] veel over de verzorging van moeder, de kosten daarvan en de inkomens- en vermogenssituatie van moeder. [gedaagden 1 t/m 4] onderbouwen deze stellingen echter niet. Ook brengen zij geen reële andere oplossing(en) naar voren wat betreft de obstakels om moeder in een verpleeghuis te laten opnemen terwijl op grond van een uitzonderingsbepaling in het testament sprake is van een direct opeisbare vordering. Onder deze omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat de directe opeisbaarheid van de vordering dan wel het direct uitbetalen van de vorderingen van de kinderen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is.

2.16.

De conclusie van de rechtbank is dat de vordering van [eiseres] tot het uitbetalen van het erfdeel kan worden toegewezen.

3) Wat is de omvang van het erfdeel?

2.17.

Artikel 4:6 BW bepaalt dat onder de waarde van de goederen van de nalatenschap wordt verstaan de waarde van die goederen op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater. Bij het bepalen van de omvang van het erfdeel van [eiseres] gaat het dus om de waarde op de dag van het overlijden van vader. Dat is 7 juli 2017.

2.18.

[eiseres] vordert € 63.292,82. Dit bedrag is ook vermeld in de brief die notaris

mr. [naam notaris] op 4 mei 2018 namens [eiseres] aan [gedaagden 1 t/m 4] heeft gestuurd (productie 5 dagvaarding). De notaris heeft zich gebaseerd op documenten die door [gedaagden 1 t/m 4] aan [eiseres] zijn verstrekt (productie 6 dagvaarding).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] haar standpunt daarmee voldoende onderbouwd.

2.19.

De berekening bestaat uit de volgende bestanddelen:

Activa

waarde woning, [adres] te [plaats] € 212.000

auto, Peugeot uit 2007 met kenteken [kenteken] € 6.000

ING bank rekeningnr. [rekeningnummer] € 33.139

ING bank Profijtrek.nr. [rekeningnummer] € 255.436 +

totaal € 506.575

Passiva nihil

Saldo gemeenschap van goederen: € 506.575

Saldo nalatenschap (helft van ontbonden gemeenschap van goederen) € 253.287,50

Kosten uitvaart: € 116,20 -

Zuiver saldo nalatenschap € 253.171,30

Het erfdeel bedraagt ¼ in het zuiver saldo van de nalatenschap: € 63.292,82

2.20.

De notaris heeft een indicatieve berekening gemaakt. Ook in hun hoedanigheid van deelgenoten voeren [gedaagden 1 t/m 4] daartegen weinig verweer, met uitzondering van de zorgkosten van moeder (a.) en de waarde van de woning (b.).

2.21.

[gedaagden 1 t/m 4] stellen dat de zorgkosten van moeder (a.) aanzienlijk zijn en doorlopen tot haar overlijden. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen aanleiding om de zorgkosten van moeder in mindering te brengen op het erfdeel. Het gaat om de waarde van de goederen van de nalatenschap op het moment van het overlijden van vader. De kosten die daarna zijn gemaakt en in de toekomst nog zullen worden gemaakt voor de verzorging van moeder zijn daarop dus niet van invloed. Bovendien dient moeder deze kosten zelf te dragen.

2.22.

De rechtbank stelt vast dat er geen taxatierapport is waaruit de waarde van de woning (b.) op 7 juli 2017 blijkt. De door de notaris gehanteerde waarde van de woning is gebaseerd op de WOZ-waarde. Volgens [gedaagden 1 t/m 4] is deze waarde niet reëel. Het is onduidelijk of zij daarbij uitgaan van de waarde op 7 juli 2017 of op een later moment.

Tijdens de comparitie hebben de bewindvoerders verklaard dat de woning bij verkoop waarschijnlijk geen € 212.000 zal opbrengen vanwege de problemen met het riool en mogelijk ook de fundering. Deze problemen speelden volgens hen al op het moment van het overlijden van vader. Uit productie 16 (cva in reconventie) van [eiseres] blijkt dat de WOZ-waarde in 2018 € 223.000 bedroeg. Volgens [gedaagden 1 t/m 4] is er waarschijnlijk vanwege onwetendheid geen bezwaar gemaakt tegen de oplopende WOZ-waarde van de woning.

2.23.

Uit de conclusie van antwoord blijkt dat de woning na de comparitie is getaxeerd. Op het moment van het indienen van de conclusie was er nog geen taxatierapport ontvangen. De makelaar heeft mondeling aan [gedaagden 1 t/m 4] medegedeeld dat de waarde van de woning onder voorbehoud is getaxeerd op € 210.000 / € 220.000. Hoewel de makelaar daarmee waarschijnlijk de huidige waarde van de woning bedoelt, ligt deze duidelijk in de buurt van de WOZ-waarde in 2017. Ook in de aangifte erfbelasting (productie 14 cva in reconventie) en in de Rekening en verantwoording beschermingsbewind en curatele over de periode 30 augustus 2017 t/m 31 december 2017 (prod. 1 cva van de deelgenoten) is vermeld dat de woning een waarde heeft van € 212.000. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om rekening te houden met een ander bedrag.

2.24.

Voor het overige hebben [gedaagden 1 t/m 4] geen bezwaar gemaakt tegen de berekening van [eiseres] . De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het gevorderde bedrag van € 63.292,82 kan worden toegewezen.

B. Rente

2.25.

[eiseres] vordert primair de rente zoals bedoeld in artikel D onder 4 van het testament van vader. Daarin is bepaald: “Over de hoofdsom is rente verschuldigd vanaf de dag van mijn overlijden tot die der voldoening van het verschuldigde, zonder dat er sprake kan zijn van rente op rente. Deze rente zal worden berekend tegen een percentage, gelijk aan dat wat bepaald is in artikel 21 lid 8 Successiewet 1956 of een daarvoor in de plaats getreden regeling.

[eiseres] stelt dat artikel 21 lid 8 Successiewet 1956 (hierna: SW) is vervangen door artikel 21 lid 14 SW. In combinatie met artikel 10 van het Uitvoeringsbesluit SW bedraagt de rente volgens haar 6% per jaar (enkelvoudig). Subsidiair vordert [eiseres] de wettelijke rente.

2.26.

[gedaagden 1 t/m 4] voeren verweer. De gevorderde rente moet worden afgewezen omdat er geen grond is voor het in rekening brengen van (wettelijke) rente. De bewindvoerders zijn niet tekortgeschoten en niet in verzuim jegens [eiseres] .

Verder is de gevorderde rente van 6% naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid buitenproportioneel en onaanvaardbaar gezien de zeer lage rentestanden en het feit dat op een spaarrekening nagenoeg geen rente wordt vergoed. Volgens [gedaagden 1 t/m 4] kan de rente daarom niet hoger worden vastgesteld dan de gekweekte rente op een betaal- en/of spaarrekening, voor zover daarvan sprake is.

2.27.

Anders dan [gedaagden 1 t/m 4] stellen, is er naar het oordeel van de rechtbank wel een grondslag voor de gevorderde rente. Dat is namelijk artikel D onder 4 van het testament van vader. Dit artikel bepaalt dat er rente verschuldigd is, zonder dat daaraan een voorwaarde wordt verbonden zoals tekortschieten of in verzuim zijn. De hoogte van het rentepercentage is in artikel 10 van het Uitvoeringsbesluit SW bepaald op 6. Dit wordt door de bewindvoerders ook niet betwist.

[gedaagden 1 t/m 4] stellen alleen dat het onaanvaardbaar is daarvan uit te gaan gezien de huidige hoogte van de rente op spaargelden. Zij hebben deze stelling echter niet nader onderbouwd, terwijl dit wel op hun weg had gelegen. Zo is er geen inzicht gegeven in de algemene renteontwikkeling sinds het verlijden van het testament van vader. Er is ook geen inzicht gegeven in de rente die op de spaarrekening is verkregen sinds het overlijden van vader of de rente die op dit moment daarvoor wordt ontvangen. De rechtbank zal daarom uitgaan van 6% zoals volgt uit het testament van vader en het Uitvoeringsbesluit SW.

C. Buitengerechtelijke incassokosten

2.28.

[eiseres] vordert in haar nadere conclusie de bewindvoerders te veroordelen tot het betalen van de buitengerechtelijke incassokosten (BIK) van € 1.407,93 dan wel enig ander bedrag. [eiseres] baseert deze vordering op artikel 6:96 lid 2 sub c BW. [eiseres] stelt dat zij in eerste instantie notaris mr. [naam notaris] heeft ingeschakeld om de vordering op minnelijke wijze te incasseren. De bewindvoerders hebben niet betaald, zodat de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn.

2.29.

[gedaagden 1 t/m 4] voeren verweer. De buitengerechtelijke kosten zijn niet aangetoond en niet gespecificeerd. Ook is er geen grond voor het toewijzen van deze kosten omdat de bewindvoerders niet tekortgeschoten zijn en niet in verzuim zijn. Ten slotte vallen de vermeende buitengerechtelijke kosten volgens de bewindvoerders onder de proceskosten van artikel 241 Rv.

2.30.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bewindvoerders de verplichting om het erfdeel van [eiseres] uit te betalen niet nagekomen. Zij zijn in verzuim. Uit de door [eiseres] overgelegde producties blijkt dat er sprake is geweest van een buitengerechtelijk traject. [eiseres] heeft een notaris benaderd. De notaris heeft brieven naar [gedaagden 1 t/m 4] gestuurd en er is sprake geweest van correspondentie. De rechtbank verwijst in dit verband met name naar de producties 5 tot en met 8 bij de dagvaarding en productie 12 bij de conclusie van antwoord in reconventie. [gedaagden 1 t/m 4] hebben dit niet betwist. [eiseres] heeft daarvoor kosten gemaakt. Dit zijn andere kosten dan die bedoeld zijn in de artikelen 237 - 241 Rv. De rechtbank is daarom van oordeel dat de door [eiseres] gevorderde kosten kunnen worden toegewezen.

Er is geen verweer gevoerd tegen de in dit kader gevorderde wettelijke rente, zodat ook deze zal worden toegewezen.

D. Proceskosten en beslagkosten

2.31.

Het geschil vloeit voort uit de afwikkeling van de nalatenschap van de vader ( [eiseres] en de deelgenoten) en de echtgenoot (moeder/de bewindvoerders) van partijen.

De rechtbank zal de proceskosten, inclusief de nakosten maar exclusief de beslagkosten, daarom op grond van artikel 237 Rv zowel in conventie als in reconventie compenseren in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

2.32.

Op grond van artikel 706 Rv kunnen beslagkosten van de beslagene worden teruggevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet gebleken. De hoofdvordering van [eiseres] wordt immers toegewezen en datzelfde geldt voor de rente en de buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] had dus recht en belang bij het leggen van de beslagen.

2.33.

De beslagkosten worden begroot op € 1.224,16 voor verschotten en € 695,00 voor salaris advocaat (1 rekest x tarief III € 695,00 per punt), dus in totaal € 1.919,16.

E. Voorwaardelijke vordering

2.34.

Aan deze vordering heeft [eiseres] de voorwaarde verbonden dat de vordering onder A. wordt afgewezen. Die vordering wordt echter toegewezen. De voorwaarde gaat dus niet in vervulling. De rechtbank zal deze vordering daarom niet nader bespreken.

in reconventie

2.35.

De bewindvoerders vorderen in reconventie dat de conservatoire (derden)beslagen worden opgeheven. Uit de vorige overwegingen blijkt al dat de (meeste) vorderingen van [eiseres] worden toegewezen, waaronder de hoofdvordering tot het uitbetalen van het erfdeel. Er is dus geen aanleiding de beslagen op te heffen. Dit betekent dat alle vorderingen in reconventie worden afgewezen.

2.36.

Hiervoor is al overwogen dat ook de proceskosten in reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

beveelt de bewindvoerders over te gaan tot de uitbetaling van het erfdeel van [eiseres] van € 63.292,82, vermeerderd met de rente zoals bedoeld in artikel D onder 4 van het testament van de heer [erflater] zijnde op basis van artikel 21 lid 14 SW juncto artikel 10 van het Uitvoeringsbesluit SW 6% per jaar (enkelvoudig) over het toegewezen bedrag met ingang van 7 juli 2017 tot de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt de bewindvoerders in de buitengerechtelijke incassokosten (BIK) van

€ 1.407,93, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 12 september 2018 tot de dag van volledige betaling,

3.3.

veroordeelt de bewindvoerders in de beslagkosten, tot op heden begroot op

€ 1.919,16, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de achtste dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.4.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

3.7.

wijst de vorderingen af,

3.8.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. Hutten, mr. A.E.M. Effting-Zeguers en mr. N.W.A. Stegeman-Kragting en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2020.