Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:3396

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-07-2020
Datum publicatie
10-07-2020
Zaaknummer
355315 EX RK 20-27
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deelgeschil; 1019W Rv en 7:658 BW. Verzoeker heeft zich tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden in zijn pink gesneden. Verweerster heeft de aansprakelijkheid voor de schade als gevolg van het snij-incident erkend. Het gevraagde voorschot t.b.v. nadere medische expertise is afgewezen, omdat het verzoek in deze fase van de schadeafwikkeling onnodig is gedaan. Verzoeker zal eerst andere stappen moeten zetten. Verzoeker heeft, ondanks herhaaldelijk verzoek daartoe van verweerster, tot dusver verzuimd om concrete informatie te verstrekken op basis waarvan inzicht kan ontstaan over de omvang van zijn gestelde schade en het verband tussen deze schade en het snij-incident. Omdat niet beoordeeld kan worden of de kosten van de verzochte nadere medische expertise wel of niet in redelijke verhouding staan met de geleden schade, lag afwijzing van dit verzoek voor de hand en had de gemachtigde van verzoeker dit kunnen voorzien. De kosten die samenhangen met het verzoek komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking en begroting van de kosten kan achterwege blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0761
PS-Updates.nl 2020-0488
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 355315

EX RK : 20-27

Uitspraak : 7 juli 2020

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

verzoeker,

gemachtigde: mr. R.W.J.M. te Pas,

t e g e n :

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verweerster],

verweerster,

gemachtigde: mr. B.W.E. Boonk.

Partijen worden hierna tevens aangeduid als “ [verzoeker] ” en “ [verweerster] ”.

1 De procedure

1.1.

Op 10 februari 2020 is ter griffie van de rechtbank, afdeling Kanton, een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv ingekomen, met 9 producties, gericht tegen [verweerster] en tegen de besloten vennootschap [A] . Bij faxbericht de dato 17 februari 2020 van de gemachtigde van [verzoeker] is het verzoekschrift tegen [A] ingetrokken. Het verzoekschrift tegen [verweerster] blijft wel gehandhaafd. Aan de kant van [verweerster] is op 27 mei 2020 een verweerschrift ontvangen, met 3 producties.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft (via Skype) plaatsgevonden op 16 juni 2020, ten overstaan van de kantonrechter, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch. Bij deze gelegenheid hebben de gemachtigden van partijen hun standpunten toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken ter zitting.

1.3.

Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter gezegd dat zij vandaag beschikking zal wijzen.

2 De relevante feiten

2.1. [verweerster] is een logistieke dienstverlener. [verzoeker] was vanaf maart 2017 via uitzendbureau [A] als productiemedewerker werkzaam bij [verweerster] . Zijn werkzaamheden bestonden onder meer uit het opensnijden van dozen.

2.2.

Op 31 juli 2017 heeft [verzoeker] zich tijdens zijn werkzaamheden voor [verweerster] in de pink van zijn rechterhand gesneden. [verzoeker] is hiervoor in het ziekenhuis behandeld en op
1 augustus 2017 weer uit het ziekenhuis ontslagen.

2.3.

Enige tijd na het incident is [verzoeker] weer aan het werk gegaan. In eerste instantie heeft hij administratief werk gedaan bij [verweerster] met een lage fysieke belasting, maar dat beviel niet vanwege taalproblemen. Vervolgens heeft hij in of omstreeks oktober 2017 zijn re-integratiewerkzaamheden voortgezet bij een champignonkwekerij. Op enig moment is de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] bij het uitzendbureau geëindigd en is hij naar [land] verhuisd, alwaar [verzoeker] in ieder geval vanaf april 2018 werkzaam is geweest.

2.4.

Op 8 september 2017 heeft de advocaat van [verzoeker] [verweerster] aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van het snij-incident. Op 30 oktober 2017 heeft [verweerster] bij monde van haar advocaat aansprakelijkheid erkend.

2.5.

[verweerster] heeft op 20 november 2017 toegezegd een bedrag van € 2.000,00 aan [verzoeker] te betalen als voorschot op de verschuldigde schadevergoeding. Betaling van het voorschot heeft plaatsgevonden in januari 2018, toen duidelijk werd naar welke bankrekening het bedrag kon worden overgeboekt. Eind november 2017 heeft [verweerster] - bij wijze van voorschot op de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten - een eerste declaratie van de advocaat van [verzoeker] voldaan ter hoogte van € 2.076,10.

2.6.

Vanaf 15 augustus 2018 heeft de advocaat van [verweerster] de advocaat van [verzoeker] bij herhaling verzocht inzichtelijk te maken welke schade [verzoeker] als gevolg van het snij-incident heeft geleden.

Op 5 december 2018 ontving de advocaat van [verweerster] informatie van de advocaat van [verzoeker] , waaronder loonstroken over 2017 en jaaropgaven over 2014, 2015 en 2017, een arbeidsovereenkomst gedateerd 29 juni 2018 in het [taal] en inkomensgegevens over 2018 in het [taal] .

Op 13 december 2018 heeft de advocaat van [verweerster] het verzoek om informatie nader gespecificeerd. Ook werd verzocht om een concept schadestaat. Op 12 februari 2019 heeft de advocaat van [verweerster] er nogmaals op gewezen dat essentiële informatie ontbrak ten aanzien van de hoogte van de gestelde schade en het verband tussen de fysieke beperkingen van [verzoeker] als gevolg van het snij-incident en de schade.

Op 29 maart 2019 heeft de advocaat van [verzoeker] een eerste schadestaat toegezonden van een half A4, met daarop bedragen zonder enige onderbouwing of documentatie (productie 1 bij verweerschrift). Op 15 mei 2019 heeft de advocaat van [verzoeker] desgevraagd een tweede schadestaat van wederom een half A4 toegezonden, deze keer met bijlagen. Deze schadestaat is als productie 2 bij het verweerschrift gevoegd.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoeker] heeft de kantonrechter, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verzocht om:

I. [verweerster] te veroordelen om aan [verzoeker] te betalen € 1.000,00 ter zake voorschot kosten (aanvullende) medische expertise, alsmede een bedrag van € 3.000,00 ter betaling van kosten van de medische expert;

II. [verweerster] te veroordelen in de kosten van dit geding, zijnde € 2.481,00.

3.2.

Ter onderbouwing van zijn verzoekschrift heeft [verzoeker] het volgende aangevoerd.

Op of omstreeks 31 juli 2017 heeft zich een snij-incident voorgedaan waarbij [verzoeker] zich met een stanleymes in de rechterpink heeft gesneden ten gevolge waarvan er zenuwletsel aan de rechterpink is ontstaan. [verweerster] heeft aansprakelijkheid erkend, maar tot nu toe is het niet mogelijk gebleken om deze zaak tussen partijen te schikken. De reden hiervoor is dat de medische (eind)toestand van [verzoeker] nog niet duidelijk is. Daarom is een medische expertise door een onafhankelijk expert op zijn plaats, zoals door de medisch adviseur van [verzoeker] , dr. [B] , is geadviseerd.

3.3.

[verweerster] voert verweer. Zij stelt zich op het standpunt dat dit deelgeschil nergens voor nodig is. Het is zonde van de tijd en kosten, want het brengt een vaststellingsovereenkomst niet dichterbij. De reden dat het nog niet tot een vaststellingsovereenkomst is gekomen, is dat [verweerster] , ondanks herhaald verzoek aan [verzoeker] , niet de beschikking heeft gekregen over verifieerbare informatie over de hoogte van de schade die het gevolg zou zijn van het snij-incident. Omdat de schadehoogte volstrekt onduidelijk is, kan [verweerster] ook niet beoordelen of de kosten van de verzochte medische expertise wel of niet in verhouding staan met de geleden schade.

Het is volgens [verweerster] dan ook onredelijk om van haar te verlangen dat zij nog meer kosten maakt, zonder dat dit een oplossing dichterbij brengt.

[verweerster] verzoekt dan ook om [verzoeker] niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, althans het verzoek af te wijzen, met veroordeling van [verzoeker] , althans zijn advocaat, in de kosten van deze procedure.

3 De beoordeling

Wettelijk kader

3.1.

De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter ter bevordering van de totstandkoming van een minnelijke regeling. Gelet op dit doel dient de rechter allereerst te beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. In artikel 1019z Rv is bepaald dat de rechter het verzoek afwijst voor zover de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Daarbij dient de rechter te beoordelen of de bijdrage van de verzochte beslissing zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure.

Leent het verzoek zich voor behandeling in een deelgeschilprocedure?

3.2.

[verweerster] heeft aangevoerd dat het verzoek van [verzoeker] zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure, omdat het enige dat een vaststellingsovereenkomst op dit moment dichterbij kan brengen een onderbouwing van de schade van [verzoeker] is. [verweerster] heeft de aansprakelijkheid voor het snij-incident erkend en wil de schade van [verzoeker] ook vergoeden, maar voert aan dat de beschikbare stukken eenvoudigweg niet voldoende zijn om [verweerster] in staat te stellen een beoordeling te maken van wat een redelijke schadevergoeding voor [verzoeker] zou kunnen zijn.

3.3.

De advocaat van [verzoeker] is van mening dat de onderhavige zaak pas geregeld kan worden als er duidelijkheid is over de medische (eind)toestand van [verzoeker] en beroept zich daarbij op twee adviezen van dr. [B] (hierna: [B] ). Op 11 december 2018 adviseert [B] als volgt:

De klachten zijn het gevolg van de snijverwonding. Aangenomen mag worden dat er blijvende beperkingen zullen optreden, nu we al bijna 1 ½ jaar na het ongeval zijn. Het is verstandig om een afsluitende medische expertise te laten verrichten door een plastische handchirurg”. Op 26 november 2019 adviseert [B] het volgende: “Als blijkt dat cliënt niet meer behandeld wordt en gezien de tijd die inmiddels is verlopen sinds het ongeval, is het verstandig af te sluiten met een medische expertiseonderzoek door een plastisch/handchirurg.

Op basis van deze adviezen verzoekt [verzoeker] in totaal € 4.000,00 aan voorschot op de kosten van een medisch onafhankelijke expertise.

3.4.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

3.4.1.

De deelgeschilprocedure is bedoeld als instrument om onderhandelingen vlot te trekken of een hobbel weg te nemen in een geschil en de vraag is gerechtvaardigd of dit met het verzoek van [verzoeker] gebeurt. Partijen zijn in een impasse terecht gekomen, omdat door [verzoeker] geen concrete informatie wordt verstrekt over zijn gestelde schade en het verband tussen deze schade en het snij-incident. De kantonrechter ziet niet in waarom het niet mogelijk is om zonder een nadere medische expertise een concrete berekening/vergelijking te maken van de inkomenssituatie van [verzoeker] vóór en na het snij-incident, waarbij rekening wordt gehouden met bijvoorbeeld verzekeringsuitkeringen. [verzoeker] is tijdens zijn re-integratie naar [land] gegaan en dat maakt de situatie complexer, maar hij moet nu, bijna drie jaar na het snij-incident, in staat kunnen zijn om tenminste een toelichting te geven over hoe het nu met hem gaat. Meer in het bijzonder moet hij kunnen zeggen welke beperkingen hij nog ervaart van zijn rechterpink en welke verschillen er bij het gebruik van die pink zijn ten opzichte van de situatie voor het snij-incident. Ook moet hij kunnen toelichten welke werkzaamheden hij heeft uitgevoerd sinds zijn aankomst in [land] en hoeveel uur per week hij sindsdien heeft gewerkt. Verder moet hij het verloop van zijn verdiensten/inkomsten na het ongeval kunnen schetsen aan de hand van verifieerbare documenten en kunnen toelichten hoe de beperkingen en verdiensten zich met elkaar verhouden. Die helderheid mag van [verzoeker] gevraagd worden en die is een noodzakelijk tussenstap voor de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen.

3.4.2.

Inmiddels hebben beide partijen aanzienlijke kosten gemaakt zonder dat er enig zicht is op afwikkeling van de schade, terwijl [verweerster] al kort na aansprakelijkstelling haar bereidheid tot schadeafwikkeling kenbaar heeft gemaakt. Vast staat dat er bijna drie jaar na het incident, ondanks aandringen door [verweerster] , nog geen deugdelijke schadestaat is opgesteld, waaruit blijkt wat het potentiële schadebedrag zou kunnen zijn. De ingebrachte schadestaten geven geen, althans onvoldoende indicatie van de schade die [verzoeker] als gevolg van het ongeval heeft geleden. Dit wringt, omdat reeds geruime tijd geleden een bedrag van

€ 2.000,00 aan voorschot op de verschuldigde schadevergoeding en een bedrag van

€ 2.076,10 bij wijze van voorschot op de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten is betaald. Ook heeft de advocaat van [verzoeker] op 23 juli 2018 een bedrag van € 1.619,16 gedeclareerd aan verrichte werkzaamheden, op 12 maart 2019 een bedrag van € 3.163,97 en op 19 november 2019 een bedrag van € 1.875,32. Bij de huidige stand van zaken kan nog helemaal niet worden beoordeeld of de daadwerkelijk geleden schade de gemaakte en te maken kosten rechtvaardigen en/of daarmee (enigszins) in verhouding staan. Dat het reëel is om deze beoordeling te maken, geldt zeker in deze zaak. Vast staat namelijk dat [verzoeker] al tijdens zijn re-integratie in Nederland (in de tweede helft van 2017) in staat was om gedurende 40 uur per week champignons te plukken/snijden wat de vraag oproept of het gerechtvaardigd is om te blijven investeren in het proces in plaats van in feitelijke schadevergoeding.

3.4.3.

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, vindt de kantonrechter dat de investering in tijd, geld en moeite die samenhangen met de door (de gemachtigde van) [verzoeker] beoogde nadere medische expertise, niet opwegen tegen het belang van [verzoeker] bij honorering van zijn verzoek. Bovendien draagt honorering van het verzoek naar verwachting op dit moment niet bij aan de totstandkoming van een minnelijke regeling. Daarbij is enerzijds van betekenis dat het toekennen van de gevraagde voorschotten niet zonder meer leidt tot het tot stand komen van de gewenste expertise. Daar is ook de medewerking van de wederpartij voor nodig wil het debat niet verzanden in een discussie over de deugdelijkheid van de expertise. [verweerster] staat, als hiervoor aangehaald, zeer sceptisch tegenover het op dit moment inwinnen van een nadere medische expertise. Verder is van betekenis dat na verkrijging van een voorschot voor betaling van een medische expertise nog steeds de door [verweerster] opgeworpen vragen voorliggen. Uit de bijdrage van de gemachtigde van [verzoeker] ter zitting valt zelfs op te maken dat na een medische expertise, inschakeling van een arbeidsdeskundige een volgende door hem/ [verzoeker] beoogde stap zal zijn, met alle extra kosten van dien.

Evenals [verweerster] vindt de kantonrechter dat het aanleveren van concrete informatie, zoals is weergegeven in rechtsoverweging 3.4.1. en in het verweerschrift van [verweerster] , de eerstvolgende stap behoort te zijn om te komen tot schadeafwikkeling. Met aanlevering van de gevraagde gegevens zal vermoedelijk nog de nodige tijd gemoeid zijn. Aanhouding van een beslissing in dit deelgeschil, waarvoor de gemachtigde van [verzoeker] als tussenoplossing heeft gepleit, staat op gespannen voet met de gedachte achter de deelgeschilprocedure om met een snelle rechterlijke beslissing het onderhandelingsproces verder te helpen. De kantonrechter zal daartoe dan ook niet overgaan. Hierbij speelt ook mee dat het zeer wel denkbaar is dat partijen, na aanlevering van die door kantonrechter en verweerder noodzakelijk geachte informatie, zonder nadere medische expertise en/of andere deskundigheid tot schadeafwikkeling kunnen komen.

3.4.4.

Eén en ander leidt tot het oordeel dat het verzoek van [verzoeker] , om [verweerster] te veroordelen tot betaling van een voorschot van in totaal € 4.000,00, op de voet van artikel 1019z Rv zal worden afgewezen.

Kosten van de procedure

3.5.

De rechter dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen. Dit dient ook te gebeuren als verzoeken in een deelgeschilprocedure worden afgewezen. Bij de begroting van de kosten dient de rechter de dubbele redelijkheidstoets te hanteren: zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

3.6.

Zoals volgt uit wat hiervoor reeds is overwogen, vindt de kantonrechter dat het verzoek van [verzoeker] in deze fase van de schadeafwikkeling onnodig is gedaan. [verzoeker] zal eerst andere stappen moeten zetten. Ondanks herhaaldelijk verzoek daartoe van [verweerster] , heeft [verzoeker] tot dusver verzuimd om concrete informatie te verstrekken op basis waarvan inzicht kan ontstaan over de omvang van zijn gestelde schade en het verband tussen deze schade en het snij-incident. De schadehoogte was en is volstrekt onduidelijk, waardoor ook niet beoordeeld kan worden of de kosten van de verzochte medische expertise (voor zover al nuttig) wel of niet in redelijke verhouding staan met de geleden schade. Afwijzing van dit verzoek in deze fase van de schadeafwikkeling lag dan ook voor de hand en had door de gemachtigde van [verzoeker] kunnen worden voorzien. De kosten die samenhangen met het voorliggende verzoek komen om de hiervoor genoemde reden niet voor vergoeding in aanmerking. Begroting van deze kosten kan derhalve achterwege blijven.

4 De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek van [verzoeker] af.

Aldus gegeven door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2020.