Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:3376

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
06-07-2020
Datum publicatie
06-07-2020
Zaaknummer
SHE 19/3278
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Deze zaak gaat over een handhavingsbesluit tegen een veehouderij. De veehouderij heeft het bedrijf niet in werking conform de verleende vergunning uit 2014 en probeert een nieuwe vergunning te krijgen. Omwonenden hebben verzocht om handhaving.

Met de omgevingsvergunning van 2014 heeft verzoekster niet een recht op het veroorzaken van een bepaalde geurbelasting gekregen, maar het recht om het bedrijf in werking te hebben conform de vergunning, met de daarin genoemde dieraantallen, stallen en stalsystemen. In de omgevingsvergunning van 2014 zijn de milieugevolgen van die werking onderzocht. Het valt op voorhand niet uit te sluiten dat bij een andere indeling of gebruik van de stallen de geurbelasting weliswaar hetzelfde blijft, maar andere milieugevolgen (zoals geluid, ammoniak of endotoxinenuitstoot) of natuurgevolgen (stikstofdepositie) veranderen.

5.6 Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat het niet onevenredig is om nu een last onder dwangsom op te leggen voor de eerste overtreding. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat de stallen 3 en 4 al in 2014 hadden moeten zijn aangesloten op de luchtwasser. Kennelijk is er ook een luchtwasser gekocht en niet valt in te zien waarom die niet kan worden aangesloten als verzoekster in beide stallen dieren wil houden. Het is nu nog niet te voorspellen hoe lang de vergunning trajecten voor de omgevingsvergunning milieu en de vergunning op basis van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming gaan duren. Mede gelet op de forse geurbelasting die de inrichting veroorzaakt, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een ordemaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/3278

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juli 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] te [woonplaats] , verzoekster,

(gemachtigde: mr. J. van Groningen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reusel-De Mierden, verweerder,

(gemachtigde: mr. K. van Alphen).

Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen: [belanghebbenden] , wonende te [woonplaats] ,

(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof).

Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoekster voor de inrichting op het adres [adres 1] drie lasten onder dwangsom opgelegd. Verzoekster verbeurt een dwangsom van € 20.000,- per constatering dat met betrekking tot de stallen 3 en 4 sprake is van overtreding van voorschrift 7.1.1 en 7.1.4 van de omgevingsvergunning van 8 september 2014 in samenhang met artikel 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), waarbij maximaal één dwangsom per week zal worden verbeurd met een maximum van € 120.000,- (last 1). Verzoekster verbeurt een dwangsom van € 1.000,- per constatering dat met betrekking tot stal 12 sprake is van overtreding van voorschrift 7.1.4 van de omgevingsvergunning van 8 september 2014 in samenhang met artikel 2.3 van de Wabo, waarbij maximaal één dwangsom per week zal worden verbeurd met een maximum van € 6.000,- (last 2).

Verzoekster verbeurt een dwangsom van € 2.750,- per constatering dat met betrekking tot de nieuwe loods, stal 1 en gebouw 7 sprake is van overtreding van artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e van de Wabo, waarbij maximaal één dwangsom per week zal worden verbeurd met een maximum van € 16.500,- (last 3).

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningen-rechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op 18 februari 2020 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard (het bestreden besluit). Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 20/621. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de voorlopige voorziening hangende bezwaar nu een voorlopige voorziening hangende beroep geworden.

Verweerder heeft de begunstigingstermijn die is verbonden aan het primaire besluit geschorst tot en met de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening.

De zaak is behandeld op de onlinezitting van 15 juni 2020, gelijktijdig met de zaken SHE 20/449 en SHE 20/450. De gemachtigde van verzoekster is verschenen, alsmede [persoon 1] Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. [persoon 2] is verschenen alsmede de gemachtigde van de derde-partijen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

 Verzoekster heeft een varkenshouderij aan de [adres 1] . Op 8 oktober 1991 is hiervoor een vergunning op grond van de Wet Milieubeheer verleend. Op 8 september 2014 is een omgevingsvergunning verleend voor de wijziging en uitbreiding van de varkenshouderij. Op basis van deze vergunning mag verzoekster varkens houden in de stallen 1, 2, 3, 4, 5 en 12. De stallen 3 en 4 zouden op basis van de vergunning moeten worden voorzien van een luchtwasser (BWL 2009/12/V1). De nieuwe stal 12 zou moeten worden voorzien van een buitenpandige luchtwasser (BWL.2009/12/V1). In voorschrift 7.1.1 van de omgevingsvergunning van 2014 zijn de stallen, de stalsystemen en de aantallen dieren vastgelegd. In voorschrift 7.1.4 van de omgevingsvergunning van 2014 is bepaald dat de uitvoering en hoogte van de emissiepunten en de luchtwassers in overeenstemming moeten zijn met de V-Stacksberekening behorende bij de vergunning.

 Direct naast de varkenshouderij ligt een varkenshouderij aan de [adres 2] . Op 12 september 2014 heeft verweerder een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu (revisie) verleend voor deze varkenshouderij. Op basis van deze vergunning mag verzoekster varkens houden in de stallen 1, 3 en 11. Stal 3 moet zijn uitgerust met een zogenoemde gecombineerde luchtwassysteem (BWL 2009/12/V1). Verder zijn in voorschrift 6.1.1 van de omgevingsvergunning van 2014 de stallen, de stalsystemen en de aantallen dieren vastgelegd.

 Beide varkenshouderijen worden gedreven door verzoekster.

 De derde-partijen wonen in de directe nabijheid van beide varkenshouderijen.

 In augustus 2018 is een aanvraag ingediend voor wijziging van de varkenshouderij aan de [adres 2] . In augustus 2019 heeft verzoekster een aanvraag ingediend voor wijziging van de varkenshouderij aan de [adres 1] .

 Verweerder heeft zich in beide vergunning trajecten (naar aanleiding van zienswijzen van omwonenden) op het standpunt gesteld dat de varkenshouderijen aan de [adres 1] en de [adres 2] samen één inrichting vormen. Verzoekster verzet zich niet tegen dat standpunt en heeft inmiddels beide aanvragen ingetrokken. Recent heeft zij een nieuwe aanvraag ingediend voor de gehele inrichting (zowel voor de stallen aan de [adres 1] als die aan de [adres 2] ).

 Op 15 augustus 2018 heeft de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant een controle van de varkenshouderij aan de [adres 1] uitgevoerd. Naar aanleiding hiervan is op 19 december 2018 aan verzoekster een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom toegezonden.

 Tijdens een hercontrole op 13 mei 2019 heeft verweerder de navolgende overtredingen geconstateerd bij de varkenshouderij aan de [adres 1] :

1. Er is geen luchtwasser geplaatst op de stallen 3 en 4. Deze stallen zijn ten behoeve van de ventilatie nog voorzien van verspreid liggende ventilatoren in plaats van één emissiepunt achteraan de stal zoals vergund. Dit zijn overtredingen van vergunningvoorschrift 7.1.1 en 7.4.4 van de omgevingsvergunning van 8 september 2014, in samenhang met artikel 2.3 van de Wabo;

2. De luchtwasser van stal 12 is inpandig geplaatst, in plaats van aan de achterzijde op een stelling zoals vergund. Dit is een overtreding van vergunningvoorschrift 7.1.4 van de omgevingsvergunning van 8 september 2014, in samenhang met artikel 2.3 van de Wabo;

3. De helft van stal 1 is gesloopt, op die plek is een nieuwe loods gebouwd waarin de brijvoerkeuken is gerealiseerd. In de andere helft van stal 1 worden geen dieren meer gehouden, de hokinrichting is gedeeltelijk verwijderd. In gebouw 7 zijn geen brijvoerkeuken en opslagtanks gerealiseerd. Dit is een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e. van de Wabo;

4. De zuurgraad van het waswater van de luchtwasser BWL 2009/12/V2 in stal 12 bedroeg pH 7,6 terwijl deze minimaal pH 6,5 moet bedragen en niet meer dan pH 7,5 mag zijn. Dit is een overtreding van artikel 3.123, lid 3, van het Activiteitenbesluit milieubeheer in samenhang met de gebruikseis a1 uit systeembeschrijving

BWL 2009/12/V2.

 Op 24 april 2019 heeft verweerder van omwonenden een verzoek tot handhaving vanwege ervaren geuroverlast ontvangen.

3. In het primaire besluit heeft verweerder een last onder dwangsom opgelegd ten aanzien van de eerste drie geconstateerde overtredingen. Deze is in het bestreden besluit gehandhaafd.

4. Het bestaan van de overtredingen is niet in geschil.

5.1

Verzoekster stelt dat in de varkenshouderij aan de [adres 1] in de stallen 3 en 4 minder dieren worden gehouden dan is vergund in 2014. Zij handelt weliswaar in afwijking van de verleende omgevingsvergunning, maar de varkenshouderij veroorzaakt precies dezelfde geurbelasting op geurgevoelige objecten als de geurbelasting die is vergund in de omgevingsvergunning van 2014. Zij streeft ernaar de varkenshouderij anders in te richten, maar ze heeft daarvoor nog meer tijd nodig. Dat komt ook door het gewijzigde standpunt van verweerder over de samenhang met de varkenshouderij aan de [adres 2] . In de nieuwe plannen worden de stallen 3 en 4 niet meer gebruikt en het heeft weinig zin om die stallen nu aan te sluiten op een luchtwasser. Handhavend optreden tegen (het houden van dieren) in de stallen 3 en 4 is daarom onevenredig. Verzoekster vraagt een ordemaatregel hangende de beroepsprocedure, namelijk dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat het feitelijk aanwezige aantal dieren mag worden gehouden en last 1 wordt geschorst.

5.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat met het geven van een begunstigingstermijn tot 13 januari 2020 is beoogd om verzoekster in de gelegenheid te stellen de stallen te voorzien van het luchtwassysteem. Ten tijde van het opstellen van de last was het verweerder bekend dat de benodigde luchtwasser was aangekocht en zelfs al aanwezig binnen de inrichting.

5.3

De derde-partijen benadrukken dat aan verzoekster niet een bepaalde emissie is vergund (in hun woorden, een recht om te vervuilen) maar een duidelijk omschreven werking van de inrichting met aantallen dieren en stalsystemen. De derde-partijen kunnen niet controleren of bij het feitelijk aantal dieren dat wordt gehouden in de stallen 3 en 4 de geurbelasting niet toeneemt. Zij vragen wel aandacht voor de forse geurhinder bij omwonenden (tot 29 OuE/m³ op de meest nabij gelegen woning).

5.4

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in de huidige stand van zaken geen sprake is van een concreet zicht op legalisatie. Weliswaar is een nieuwe vergunning aangevraagd, maar verweerder kon desgevraagd op zitting niet bevestigen of deze aanvraag ontvankelijk was en voor verlening in aanmerking komt. Verweerder merkte wel op dat is gevraagd om nadere gegevens en verzoekster heeft geantwoord dat er een aanvullend akoestisch onderzoek is ingediend, maar daarover heeft verweerder nog geen mening gegeven. Vast staat wel dat de ingediende aanvraag niet ziet op legalisatie van de overtreding in last 1 (de afwijkende werking van de stallen 3 en 4). Immers, in de plannen van verzoekster worden die stallen juist niet meer gebruikt. De voorzieningenrechter merkt verder op dat verzoekster pas iets heeft aan een nieuwe omgevingsvergunning die de werking van beide varkenshouderijen omvat, als zij ook een nieuwe vergunning op basis van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming heeft. Het is niet duidelijk geworden wat in dit vergunning traject de stand van zaken is.

5.5

Met de omgevingsvergunning van 2014 heeft verzoekster niet een recht op het veroorzaken van een bepaalde geurbelasting gekregen, maar het recht om het bedrijf in werking te hebben conform de vergunning, met de daarin genoemde dieraantallen, stallen en stalsystemen. In de omgevingsvergunning van 2014 zijn de milieugevolgen van die werking onderzocht. Het valt op voorhand niet uit te sluiten dat bij een andere indeling of gebruik van de stallen de geurbelasting weliswaar hetzelfde blijft, maar andere milieugevolgen (zoals geluid, ammoniak of endotoxinenuitstoot) of natuurgevolgen (stikstofdepositie) veranderen.

5.6

Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat het niet onevenredig is om nu een last onder dwangsom op te leggen voor de eerste overtreding. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat de stallen 3 en 4 al in 2014 hadden moeten zijn aangesloten op de luchtwasser. Kennelijk is er ook een luchtwasser gekocht en niet valt in te zien waarom die niet kan worden aangesloten als verzoekster in beide stallen dieren wil houden. Het is nu nog niet te voorspellen hoe lang de vergunning trajecten voor de omgevingsvergunning milieu en de vergunning op basis van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming gaan duren. Mede gelet op de forse geurbelasting die de inrichting veroorzaakt, ziet de voorzieningenrechter hierin geen aanleiding voor een ordemaatregel.

5.7

Ten tijde van de opschorting van de begunstigingstermijn door verweerder op 9 januari 2020 resteerde er nog nauwelijks een begunstigingstermijn. Het afwijzen van de voorlopige voorziening zou betekenen dat verzoekster bijna direct dwangsommen zou verbeuren. Deze uitspraak wordt mogelijk gedaan op een moment dat dieren in de stallen staan en het moeilijk is om een luchtwasser aan te sluiten. De voorzieningenrechter zal daarom last 1 schorsen tot 4 weken na de uitspraak. De voorzieningenrechter ziet overigens geen aanleiding verzoekster meer tijd te geven vanwege een lopende mestronde, nu het mogelijk haar eigen keuze is geweest om hangende de procedure opnieuw dieren te gaan houden in stallen 3 en 4.

6.1

Verzoekster voert met betrekking tot last 2 en 3 aan dat verweerder van handhaving had dienen af te zien vanwege het bestaan van concreet zicht op legalisatie. In de aanvraag van 8 maart 2019 is het volgende overwogen: “de wijzigingen met betrekking tot de luchtwasser van 12 en de bouw van de brijvoerkeuken ter plaatse van de al gesloopte helft van stal 1 zijn hierin meegenomen”. Stal 12 is nu voorzien van een inpandige luchtwasser. Hierbij zijn aanpassingen verricht zodat de uittreedsnelheid hetzelfde is als is berekend in de V-Stacksberekening bij de vergunning van 2014.

6.2

Verweerder heeft hierover opgemerkt dat de aanvraag uit 2019 een andere bedrijfssituatie betrof dan de feitelijk aangetroffen bedrijfssituatie. Hieruit volgt dat de feitelijke situatie niet volledig wordt gelegaliseerd op het moment dat de gevraagde vergunning wordt verleend. Overigens is die aanvraag ingetrokken. Verweerder kan bevestigen noch ontkennen of de emissieparameters van stal 12 hetzelfde zijn als in de

V- Stacksberekening bij de vergunning van 2014.

6.3

De derde-partij heeft benadrukt dat ook een brijvoerkeuken overlast kan veroorzaken.

6.4

De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook hier geen sprake is van een concreet zicht op legalisatie. De aanvraag uit 2019 is ingetrokken en verweerder heeft nog niet kunnen aangeven of het aanvullende akoestische onderzoek (waarin ook de geluidbelasting van de brijvoerkeuken en de luchtwasser bij stal 12 zal zijn meegenomen) voldoende informatie bevat. Het staat dus nog niet vast dat de recent ingediende nieuwe aanvraag voldoet aan de eisen die in de rechtspraak aan een concreet zicht op legalisatie worden gesteld (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2523). De voorzieningenrechter kan echter niet uitsluiten dat hierover duidelijkheid zal komen tijdens de bodemprocedure. Daarnaast kan stal 1 niet worden gebruikt voor het houden van dieren als er een brijvoerkeuken in zit. Dat is in het voordeel van omwonenden omdat in de omgevingsvergunning van 2014 juist het houden van dieren in stal 1 een hoge geurbelasting bij omwonenden veroorzaakt. Evenmin is duidelijk of vanwege de gewijzigde uitvoering van stal 12 een hogere milieubelasting (wat betreft geur en geluid) bij omwonenden zal ontstaan. Stal 12 is echter wel de meest recent gebouwde stal. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de lasten 2 en 3 te schorsen tot en met de uitspraak van de rechtbank op het beroep.

7.1

Verzoekster stelt dat de hoogte van last 1 niet in overeenstemming is met de ernst van de overtreding. Het aantal dieren is teruggebracht tot het aantal waarbij de toegestane emissie niet wordt overschreden. Gelet op het geringe aantal dieren in stal 1 is een dwangsom van € 20.000,- per week disproportioneel. De gekozen tijdseenheid kan niet worden aanvaard omdat sprake is van een mestronde. Het verbeuren van een dwangsom per week betekent dat de dwangsom volledig zal worden verbeurd alvorens de dieren kunnen worden afgevoerd. Ook de hoogte van de dwangsom van last 3 is disproportioneel. Het betreft slechts het anders uitgevoerd hebben van de brijvoerkeuken. Deze bevindt zich op een andere locatie binnen de inrichting. De milieueffecten daarvan zijn gering.

7.2

De voorzieningenrechter ziet in deze argumenten geen aanleiding om de lasten 1, 2 en 3 te schorsen. Een dwangsom moet een voldoende prikkel geven om de overtreding te (laten) beëindigen. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat de dwangsom onredelijk hoog is.

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek, gelet op hetgeen is overwogen in de rechtsoverwegingen 5.7 en 6.4, toe en treft de volgende voorlopige voorzieningen:

 het bestreden besluit en het primaire besluit met betrekking tot de lasten 2 en 3 worden geschorst tot de uitspraak op het beroep;

 het bestreden besluit en het primaire besluit met betrekking tot last 1 wordt geschorst tot 4 weken na dagtekening van deze uitspraak.

9. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.050,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,--, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het bestreden besluit en het primaire besluit met betrekking tot lasten 2 en 3 tot de uitspraak op het beroep.

  • -

    schorst het bestreden besluit en het primaire besluit met betrekking tot last 1 tot 4 weken na dagtekening van deze uitspraak.

  • -

    wijst het verzoek voor het overige af;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan verzoekster te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.050,-, te betalen aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.M.C. van Og, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 6 juli 2020.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.