Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:3330

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
01-07-2020
Datum publicatie
30-07-2020
Zaaknummer
19/3198
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor zonnepark.

Tijdelijke projectomgevingsvergunning voor het oprichten van een zonnepark in Someren. Eisers (omwonenden) voeren veel aan maar de beroepsgronden slagen niet. Weliswaar was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog geen verklaring van geen bedenkingen (vvgb) verleend door de gemeenteraad maar de rechtbank passeert dit met toepassing van artikel 6:22 Awb. Aannemelijk is dat eisers door dit gebrek niet zijn benadeeld omdat in het geldende beleid al was vastgelegd onder welke voorwaarden b&w aanvragen voor een zonnepark zonder vvgb kunnen afdoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/3198

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2020 in de zaak tussen

[eisers] , te [woonplaats] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren, verweerder

(gemachtigden: K. Staals en A. Kuijken).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam] B.V., h.o.d.n. [naam] B.V., te [vestigingsplaats] , gemachtigde: mr. J. van Vulpen.

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan [naam] B.V. (vergunninghoudster) omgevingsvergunning verleend voor de duur van
25 jaar voor het realiseren van een zonnepark op het perceel [adres] (het perceel).

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eisers en vergunninghoudster hebben schriftelijk gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2020. Eisers [naam] en
zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] en haar gemachtigde.

Overwegingen

Feiten
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Op 7 maart 2019 heeft vergunninghoudster bij verweerder een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning ten behoeve van het realiseren van een zonnepark aan de [adres] voor de duur van 25 jaar. Deze locatie is gelegen in het buitengebied, op circa 750 m afstand van het dorp Someren, en is ongeveer 5,6 hectare groot. Het plangebied, aangeduid als gemengd landelijk gebied, ligt in het beekdallandschap/broekgebieden en kampenlandschap en is nu nog grotendeels in gebruik voor akkerbouw. Voorheen stonden er ook kassen. Op het beoogde zonnepark zullen 8.400 zonnepanelen, met een vermogen van circa 2,8 MW, één inkoopstation en één trafohuisje op ongeveer 2,3 hectare geplaatst worden. De zonnepanelen hebben een hoogte van ongeveer 1,80 meter. Het volledige zonnepark wordt omsloten door een aaneengesloten gaashekwerk van 2 meter hoog, met één toegangspoort.
Een eerder voor deze locatie ingediend plan voor de aanleg van een zonnepark is afgewezen. Het thans voorziene zonnepark is 1 hectare kleiner dan het eerder aangevraagde zonnepark.

De gronden waarop het plan wordt gerealiseerd zijn gelegen binnen het bestemmingsplan “Heikantstraat/Dellerweg/Ruiter 2010”, door de raad van de gemeente Someren vastgesteld op 8 juli 2011. Op het perceel rusten de bestemmingen “Agrarisch met waarden”, “Groen” en “Natuur”. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met de bestemmingen “Agrarisch met waarden” en “Groen”. Het tot “Natuur” bestemde perceelsgedeelte wordt niet bebouwd.
Om het bouwplan mogelijk te maken, heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Verklaring van geen bedenkingen
2. Ingevolge artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (het Bor), voor zover hier van belang, wordt de omgevingsvergunning, voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet en waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a en ten derde van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, verklaard heeft dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.
Ingevolge artikel 6.5, derde lid, van het Bor kan de gemeenteraad categorieën van gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.

3. Eisers hebben pas bij brief van 6 mei 2020 aangevoerd dat verweerder de omgevingsvergunning heeft verleend zonder de vereiste verklaring van geen bedenkingen (vvgb). De rechtbank dient echter ook ambtshalve te bezien of de raad de vereiste vvgb heeft verleend. Daarbij verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3031. Ter zitting is komen vast te staan dat de raad alvorens het bestreden besluit werd genomen geen vvgb had verleend. Pas bij besluit van 7 mei 2020 heeft de raad beslist dat voor het oprichten van zonneparken geen vvgb nodig is.
De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de schending van deze bepaling met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) te passeren en overweegt daartoe als volgt. Aannemelijk is dat eisers niet zijn benadeeld door het niet onverwijld toezenden van de aanvraag en de daarbij gevoegde stukken aan de gemeenteraad en het niet vragen van een vvgb. In de “Evaluatie beleid zonneparken en windmolens” van 17 september 2018 heeft de raad onder andere de volgende uitgangspunten vastgelegd:

- De maximale oppervlakte van een zonnepark bedraagt 10 hectare. Initiatieven die binnen deze oppervlakte vallen, kunnen worden afgedaan door het college van B&W met inachtneming van de in het beleid gestelde voorwaarden.

- Initiatieven die deze maat te boven gaan, worden voorgelegd aan de raad.

Het standpunt van de raad dat verweerder aanvragen voor een zonnepark als hier aan de orde zonder vvgb kan afdoen, was daarmee al bekend, het was alleen nog niet formeel in een besluit vastgelegd.

Gevolgde procedure
4. Eisers voeren, kort samengevat, aan dat de bekendmaking van het (ontwerp)besluit onzorgvuldig is geweest en dat eerdere correspondentie van 30 april 2018 niet is meegenomen bij het nemen van het bestreden besluit. Bovendien zijn de omwonenden onvolledig en/of te laat geïnformeerd. Bij de eerste informatieavond met omwonenden was verweerder niet aanwezig en de tweede informatieavond vond pas plaats op
15 oktober 2019. Verder heeft verweerder in twee brieven naar verschillende beroepsinstanties verwezen en verschillen het zienswijzeverslag en de Nota van zienswijzen wat persoonsgegevens en inhoud betreft van elkaar.

5. Verweerder heeft hierover gesteld dat het elektronisch register op www.ruimtelijkeplannen.nl inderdaad slechts een deel van de stukken bevatte, maar dat de omgevingsvergunning met bijbehorende stukken wel waren in te zien op het gemeentehuis overeenkomstig de bekendmaking in de Staatscourant, de lokale krant en de gemeentelijke website. Verder is de correspondentie van 30 april 2018 niet meegenomen, omdat deze geen deel uitmaakt van de in behandeling zijnde vergunningaanvraag van maart 2019. In het plan is volgens verweerder wel rekening gehouden met genoemde opmerkingen.
Over het voeren van een omgevingsdialoog merkt verweerder op dat hij niet is gehouden die te voeren, maar dat met terugwerkende kracht gesteld kan worden dat deze omgevingsdialoog mogelijk beter had kunnen worden gevoerd.
Ten aanzien van het feit dat verweerder wisselende informatie heeft verschaft over de rechterlijke instantie waar beroep tegen het bestreden besluit kon worden ingesteld, stelt verweerder dat het een ambtelijke fout betrof, maar dat eisers hierdoor niet zijn benadeeld.

6. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder niet heeft voldaan aan de hier van toepassing zijnde wettelijke procedure voor het voorbereiden van het besluit, te weten de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zoals opgenomen in afdeling 3.4 van de Awb. Verder is niet gebleken dat eisers door de gang van zaken voor en na de vergunningverlening, wat daarvan ook zij, in hun belangen zijn geschaad, nu zij tijdig zienswijzen hebben ingediend tegen het ontwerpbesluit en daar inhoudelijke gronden tegen hebben aangevoerd. Ook tegen het bestreden besluit hebben eisers tijdig en gemotiveerd beroep ingesteld. Ter zitting hebben eisers desgevraagd ook bevestigd dat zij niet in hun belangen zijn geschaad.
Verder bestaat er geen gemeentelijk beleid op grond waarvan van een initiatiefnemer kan worden verlangd dat hij (specifieke) inspanningen verricht die zijn gericht op het informeren van omwonenden of het verwerven of vergroten van maatschappelijk draagvlak voor de gewenste ontwikkeling, zodat het niet behoorlijk nakomen van een dergelijke verplichting, zo hiervan sprake zou zijn, voor verweerder geen reden kon zijn de gewenste medewerking niet te verlenen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3580. In de ruimtelijke onderbouwing, waarnaar eisers verwijzen, is bovendien slechts opgenomen dat de gewijzigde plannen met de omwonenden zullen worden besproken. Dit is ook gebeurd, zij het volgens eisers op onzorgvuldige wijze.
Dit betoog faalt.

Afwijkingsbevoegdheid
7. Eisers voeren aan dat voor het kunnen verlenen van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo is vereist dat eerst aan het eerste lid, onder a, onder 1°, van dit artikel wordt voldaan. Omdat in het bestemmingsplan geen regels zijn opgenomen om af te wijken ten behoeve van de realisatie van een zonnepark, wordt hieraan niet voldaan. De vergunning had daarom niet mogen worden verleend of slechts voor een maximale periode van 10 jaar, aldus eisers.

8. De rechtbank volgt eisers hierin niet. Niet in geschil is dat het bestemmingsplan niet de mogelijkheid biedt om met een binnenplanse afwijking op deze locatie een zonnepark te realiseren. De wetgever heeft met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo juist de mogelijkheid willen geven om af te wijken van het bestemmingsplan, indien vergunningverlening op grond van het bestemmingsplan, inclusief de binnenplanse afwijkingsregels, niet mogelijk is.
Dit betoog slaagt niet.

Bestemmingsplan

9. Eisers stellen dat het besluit om af te wijken van het geldende bestemmingsplan onvoldoende is onderbouwd. Zij wijzen erop dat het bestemmingsplan tot doel had om te “leiden tot een sterke verbetering van de beeldkwaliteit en de beleving van het landschap” en dat op de bestemming “Agrarisch met Landschappelijke Waarden” niet mag worden gebouwd. Zij begrijpen niet hoe deze “aandacht en bescherming” kan leiden tot een omgevingsvergunning voor een zonnepark met (netto) 15.000 m² glas.

10. Verweerder heeft hierover gesteld dat in de tijd dat het vigerende bestemmingsplan werd vastgesteld door de gemeenteraad er nog geen sprake was van zonneparken in Nederland, laat staan van gemeentelijk beleid voor zonneparken. Deze inzichten zijn veranderd sinds de gemeenteraad in 2017 heeft ingestemd met het beleid voor zonneparken en windmolens. Dit betekent, aldus verweerder, dat er nieuwe afwegingen gemaakt kunnen worden over het toestaan van zonneparken op agrarische gronden.

11. De rechtbank overweegt dat met het bestreden besluit een afwijking van het bestemmingsplan is toegestaan met een beroep op een goede ruimtelijke ordening. Die bevoegdheid heeft verweerder, zoals hiervoor reeds is overwogen. Dat in het bestemmingsplan de gronden zijn bestemd voor agrarisch gebruik maakt dan ook niet dat daarvan niet kan worden afgeweken. Of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestreden besluit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening zal in hetgeen hierna wordt overwogen aan de orde komen.

Beleid
12. De raad van verweerders gemeente heeft in december 2017 het ‘Beleid Zonneparken in het Buitengebied 2017’ (het Beleid) vastgesteld en in september 2018 de ‘Evaluatie beleid zonneparken en windmolens van september 2018’ (de Evaluatie), waarvan de zogenoemde zonneladder deel uitmaakt.

13. Eisers stellen dat verweerder de Evaluatie heeft vastgesteld met als primaire doel om het zonnepark aan de Heikantstraat te kunnen aanleggen.

14. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de Evaluatie niet dat het beleid is aangepast louter met het oog op dit initiatief, nu het ziet op de wijze waarop wordt omgegaan met het verlenen van toestemming voor nieuwe parken in het algemeen. Dat het zonneparkenbeleid ‘on hold’ is gezet naar aanleiding van de behandeling van het verzoek om een zonnepark te mogen realiseren aan de Heikantstraat, maakt niet dat verweerder dit beleid hierom reeds niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.
15. Eisers betogen verder dat een zonnepark op dit perceel niet past binnen de kaders van het Beleid en de Evaluatie. Zo is het zonnepark voorzien in het beekdallandschap, waardoor het expliciet valt buiten de randvoorwaarden voor zonneparken in het gemeentelijk beleid.

16. Gelet op de ter zitting overgelegde kaarten is de rechtbank aannemelijk geworden dat de zonnepanelen worden geplaatst in het kampenlandschap, net buiten het beekdallandschap, zodat de stelling van eisers dat het zonnepark is voorzien in het beekdallandschap feitelijk onjuist is en van strijd met het gemeentelijk beleid op dit punt reeds hierom geen sprake is.

17. Eisers wijzen er verder op dat het uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is om panelen op daken te plaatsen en dat het plaatsen van panelen in veldopstelling een uitzondering is. In dat kader kunnen zij niet volgen dat de bestreden omgevingsvergunning is verleend, terwijl er nog genoeg zonnepanelen op daken kunnen worden geplaatst.

18. Verweerder heeft onder verwijzing naar de paragrafen 4.2 en 4.3 van het Beleid gesteld dat in het scenario waarbij het maximale dakoppervlak binnen de gemeente wordt voorzien van zonnepanelen nog zeker 121 hectare aan zonnepanelen in veldopstelling dient te worden gerealiseerd.

19. Blijkens de Evaluatie is thans het algemene uitgangspunt van het beleid dat panelen op daken moeten worden geplaatst en dat het plaatsen van panelen in veldopstelling een uitzondering is. Daarbij is echter onder verwijzing naar een onderzoek van de provincie tegelijkertijd ook aangegeven dat het door de gemeente gestelde duurzaamheidsdoel, te weten een volledig energieneutrale gemeente in 2050, bij lange na niet zal worden gehaald met alleen het plaatsen van zonnepanelen op daken, zodat ook gekeken moet worden naar andere mogelijkheden zoals windmolens en zonneparken. De gemeenteraad wil daarom voor de komende twee jaar (tot 2020) aan de slag gaan met het realiseren van 50 hectare aan zonneparken in veldopstelling.

20. De rechtbank is gezien de stukken niet aannemelijk geworden dat alleen met zonnepanelen op daken het door de gemeente nagestreefde duurzaamheidsdoel in 2050 kan worden gehaald, zodat het beleid van de gemeente om tot 2020 50 hectare aan zonneparken te realiseren, de rechtbank niet onredelijk voorkomt. Niet gebleken is dat er nu al meer dan 50 hectare aan zonneparken in veldopstelling is gerealiseerd, zodat niet valt in te zien dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met het gevoerde beleid.

21. Eisers stellen dat er sprake is van een subjectieve beoordeling die de toetsing aan de provinciale Verordening ruimte Noord-Brabant (VrNB) niet kan doorstaan. Daarbij wijzen eisers op artikel 6.19 van de VrNB en de toelichting op dit artikel. Hiertoe stellen zij dat de beperkingen binnen stedelijk gebied en op daken niet onderbouwd zijn, niet onderbouwd is hoe er voorzien gaat worden in de te verwachten energiebehoefte en niet duidelijk is bepaald waar zonneparken het beste gerealiseerd kunnen worden.
Verder betwisten eisers dat de omgevingsvergunning voldoet aan de gemeentelijke zonneladder gezien de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de landschappelijke inpassing en biodiversiteit, het niet benutten van het dakoppervlak en de locatie tussen een natuurgebied en woonbebouwing. Het argument dat het park op geringe afstand van het dorp Someren ligt, kan geen reden zijn om de vergunning te verlenen, omdat kabellengte een puur commercieel belang is voor de ontwikkelaar. Verder is van meervoudig ruimtegebruik geen sprake, nu er niets wordt ingezaaid onder de panelen. Ook behoort het zonnepark wegens het ontbreken van een postcoderoosvoorziening, een waterberging of een C2C-certificaat niet tot de parken die volgens het beleid voorrang krijgen bij de invulling van de 50 hectare aan zonneparken, aldus eisers.

22. Artikel 7.20 van de VrNB luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit als volgt:

1. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid onder a (verbod op nieuwvestiging) is in gemengd landelijk gebied nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen.
2. 2. In afwijking van artikel 7.10, eerste lid onder a is in gemengd landelijk gebied vestiging van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen mogelijk met een grotere omvang dan 5000 m2.
3. 3. Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste en tweede lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2e of 3e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. a. uit een gemeentelijke visie blijkt dat de aanwijzing van een projectlocatie nodig is om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie;
b. b. in deze visie is afgewogen welke locaties binnen de gemeente geschikt zijn gelet op aspecten van zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit;
c. c. de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft;
d. d. de ontwikkeling gelet op artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving.
4. 4. De maatschappelijke meerwaarde als bedoeld in het derde lid onder c wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria:
a. a. de mate van meervoudig ruimtegebruik;
b. b. de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken;
c. c. de bijdrage die wordt geleverd aan maatschappelijke doelen.
5. 5. Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in het derde lid worden in ieder geval de volgende voorwaarden verbonden:
a. a. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt;
b. b. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd;
c. c. voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.

23.
De rechtbank stelt allereerst vast dat artikel 6.19 van de VrNB hier niet van toepassing is, omdat het voorziene zonnepark niet is gelegen in de Groenblauwe mantel, maar in Gemengd Landelijk Gebied. Wel is artikel 7.20 van de VrNB, dat eveneens op zonneparken ziet, hier aan de orde. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 7.20, derde lid, onder a en b, van de VrNB, omdat in de hoofdstukken 4 en 5 van het Beleid is ingegaan op deze aspecten.
24. Wat de voorwaarden onder c en d van artikel 7.20, derde lid, van de VrNB betreft, overweegt de rechtbank het volgende.
In het Beleid staat, overeenkomstig het provinciale beleid, dat sprake moet zijn van meervoudig ruimtegebruik, waarbij gedacht kan worden aan bijvoorbeeld een waterbergingsgebied, het laten grazen van schapen onder de zonnepanelen, het creëren van natuur of recreatieroutes.
25. Verweerder is van mening dat in dit geval wel degelijk sprake is van meervoudig ruimtegebruik in de vorm van biodiversiteit onder de panelen. Vanwege het feit dat het natuurlijke beekdallandschap van de Kleine Aa aan het zonnepark grenst, is biodiversiteit volgens verweerder een wenselijke vorm van dubbel ruimtegebruik.

26. Volgens het inrichtingsplan Landschappelijke inpassing zullen de volgende inrichtingsmaatregelen worden getroffen:
- de ontwikkeling van meerjarig bloem- en kruidenrijk grasland tussen panelen en onderhoudspaden;
- de aanleg van een (extra) amfibieënpoel van 150 m²;
- een struweelhaag;
- een kruidenrijk grasland van 15.000 m²;
- een bijenzone met ingezaaid meerjarig R6 kruidenmengsel van 3000 m²;
- een bijenhotel.
27. Zoals eisers ter zitting terecht hebben opgemerkt, is in het inrichtingsplan niet opgenomen dat onder de panelen natuur wordt aangelegd. In het verslag van de informatieavond van 15 oktober 2019 is wél aangegeven dat er speciaal mengsel (schaduw minnend) onder de panelen wordt toegepast. In het bestreden besluit is bepaald dat de vergunninghoudster zich bij het inrichten van het zonnepark dient te houden aan de afspraken zoals opgenomen in dit verslag.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft gesteld dat sprake is van meervoudig ruimtegebruik, omdat genoemde inrichtingsmaatregelen kunnen worden aangemerkt als het creëren van natuur” als bedoeld in het Beleid.

28. Over de score op de zonneladder heeft verweerder gesteld dat initiatieven minimaal
1 plus moeten behalen om te voldoen aan het beleid. Het voorziene zonnepark scoort
2 plussen, omdat sprake is van:
- extra landschappelijke inpassing bovenop de vereiste 10%; het zonnepark voorziet voor ruim 18.500 m² aan (nieuwe) inrichtingsmaatregelen. Deze oppervlakte vormt ruim 33% van het plangebied;
- extra maatregelen voor biodiversiteit; het zonnepark voorziet in een oppervlakte van ruim 18.500 m² aan natuurlijke inrichting.

29. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gezien deze maatregelen, zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op dit punt aan de zonneladder wordt voldaan.
Voor zover eisers met betrekking tot de biodiversiteit verwijzen naar rapporten van de WUR, overweegt de rechtbank dat uit het door eisers aangehaalde citaat volgt dat voor de vraag of de effecten van een zonnepark op onder andere de aanwezige biodiversiteit positief of negatief zijn, afhangt van de uitgangssituatie op de betreffende locatie en van de inrichting en het beheer van het zonnepark. Eisers hebben onvoldoende onderbouwd dat op voorhand duidelijk is dat het zonnepark een negatief effect op de biodiversiteit zal hebben.
Verder heeft verweerder op goede gronden gesteld dat participatie op basis van een postcoderoos en de aanwezigheid van een waterberging en C2C-gecertificeerde panelen op grond van het beleid geen voorwaarde vormen voor het toestaan van initiatieven. Op deze onderwerpen kunnen aanvragers punten scoren waardoor zij voorrang kunnen krijgen, maar deze punten kunnen ook op andere wijze worden verkregen. Dat het volgens eisers een gemiste kans is dat er bijvoorbeeld geen waterberging wordt gerealiseerd, behoefde voor verweerder dan ook geen aanleiding te vormen om de gevraagde vergunning te weigeren.

30. Over de locatie heeft verweerder gesteld dat deze vanuit technisch oogpunt geschikt is voor een zonnepark en ook ruimtelijk aanvaardbaar is, gelet op de landschappelijke inpassing. Anders dan eisers stellen, is de afstand van een zonnepark tot een aansluitingspunt of afnamegebied volgens verweerder wel degelijk een valide argument. Indien langere kabels getrokken moeten worden heeft dit gevolgen voor de openbare ruimte en de gemeente wenst dat ingrepen in de openbare ruimte zoveel mogelijk worden beperkt. Verder stelt verweerder dat indien ingediende plannen voldoen aan het Beleid en dus gelegen zijn in het zoekgebied en voldoen aan de voorwaarden, er voor verweerder geen grond is om medewerking aan deze plannen te weigeren.

31. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op het gevoerde beleid en de te treffen inrichtingsmaatregelen, geen aanleiding heeft behoeven te zien om de gevraagde vergunning vanwege de voorziene locatie te weigeren. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, zoals bijvoorbeeld de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1009, dient het bestuursorgaan te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Indien het bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven alleen dan tot het onthouden van medewerking dwingen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich hier niet voordoet. Dat de alternatieven volgens eisers niet bij hen bekend waren, zodat deze door hen niet beoordeeld konden worden op gelijkwaardigheid of bezwaren, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank is niet gebleken dat eisers hiernaar navraag hebben gedaan en evenmin hebben zij zelf alternatieve locaties aangedragen.
32. Eisers brengen verder naar voren dat de omwonenden, anders dan aanvankelijk was voorgespiegeld in de ruimtelijke onderbouwing, geen aandelenparticipatie is aangeboden. Weliswaar is dat geen wettelijke verplichting, maar vergunninghoudster heeft zich volgens eisers hieraan gebonden door dit in de ruimtelijke onderbouwing van het plan op te nemen.

33.
Verweerder stelt dat financiële participatie geen wettelijke verplichting is. Op basis van de plantoelichting is vergunninghoudster gehouden om een bedrag van 50% van het eigen geïnvesteerd vermogen open te stellen voor participatie.
Volgens verweerder is het moeilijk om financiering van banken voor het project te krijgen met een groot aantal individuen die persoonlijk aandelen nemen. Dit is wel mogelijk met een constructie van een lokale coöperatie. In het beleid van de gemeente is de participatie van omwonenden, lokale bewoners en bedrijven als inspanningsverplichting opgenomen. Het behalen van 50% eigen vermogen bij omwonenden en belanghebbenden is geen harde voorwaarde, aangezien dit volgens verweerder niet realistisch is. Dit blijkt uit de moeizame werving van investeerders bij de lokale energiecoöperatie ZummerePower. Het feit dat omwonenden en andere bewoners van de gemeente kunnen participeren is voldoende, aldus verweerder.

34.
Vergunninghoudster wijst er in haar brief van 6 april 2020 op dat het mogelijk is voor omwonenden om te participeren in een lokale energiecoöperatie door aankoop van certificaten van aandelen in het zonnepark. Dat eisers van mening lijken dat het project onvoldoende participatiemogelijkheden voor de lokale omgeving biedt, doet er niet aan af dat voor het project in lijn met het gemeentelijke beleid inspanningen zijn verricht met het oog op participatie.

35. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Een belangrijk onderdeel van de maatschappelijke meerwaarde van een zonnepark is volgens het Beleid het inzetten van lokale energiecoöperaties, bedrijven en/of burgers. Een lokale energiecoöperatie (en daarmee lokale burgers en bedrijven) kan participeren in een zonnepark. De opgewekte energie kan dan worden aangewend om in de energiebehoefte van de participanten te voorzien. Ook kunnen lokale bedrijven worden ingezet om het zonnepark te bouwen en burgers als vrijwilligers voor bijvoorbeeld het beheer van het zonnepark.

36. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat [naam] streeft naar lokale participatie. [naam] zet zich in, zo is gesteld, voor lokale participatie en stelt 50% van de aandelen beschikbaar voor een lokale energiecoöperatie. Door middel van deze coöperatie wordt lokale zeggenschap geborgd doordat deze aandeelhouder wordt van de [naam] B.V.. Er is al contact geweest met de lokale energiecoöperatie Zummerepower om deel te nemen aan het zonnepark. Om de aandelen te betalen geeft Zummerepower certificaten van aandelen uit aan lokale bewoners en bedrijven. De houders van certificaten kunnen ook voordelig stroom betrekken van het zonnepark. De [naam] B.V. geeft als energiebedrijf een bonus aan de deelnemers voor inkoop via haar park.
Ter zitting heeft vergunninghoudster aangegeven overleg te hebben gevoerd met Zummerepower en te hebben besloten om geen aandelencertificaten uit te geven, omdat zij geen participatie wil aanbieden waarbij mensen een financieel risico lopen. Door middel van crowdfunding kunnen inwoners van Someren deelnemen, waardoor zij meer feeling krijgen met het project.

37. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat vergunninghoudster wat de participatie betreft hiermee voldoende invulling heeft gegeven aan het Beleid. Dat de ruimtelijke onderbouwing volgens eisers op dit punt is aangepast nadat het plan is voorgelegd aan omwonenden voor het indienen van hun visie, stond vergunninghoudster vrij.

38. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de rechtbank van oordeel is dat het door verweerder gehanteerde beleid niet onredelijk of anderszins onjuist is en verweerder in hetgeen eisers over het plan in relatie tot het provinciaal en gemeentelijk beleid hebben aangevoerd geen aanleiding heeft behoeven te zien om de gevraagde vergunning te weigeren.
Dit betoog slaagt niet.

Geluidoverlast

39. Eisers hebben in beroep aangevoerd te vrezen voor geluidoverlast vanwege het inkoopstation en het bouwverkeer. Ter zitting hebben eisers echter gesteld dat een inkoopstation inderdaad geen geluidoverlast met zich brengt, maar dat de transformator en omvormers geluid zullen voortbrengen. Hoewel de geluidbelasting volgens eisers niet zo groot zal zijn, is die nu niet inzichtelijk vanwege het ontbreken van een berekening.
40. Verweerder heeft hierover gesteld dat het inkoopstation geen geluidbron vormt. Verder verwijst verweerder naar de ruimtelijke onderbouwing en de VNG-brochure en de daarin genoemde aanbevolen afstand tot woonfuncties waaraan het zonnepark (ruimschoots) voldoet.
Over de geluidbelasting vanwege het bouwverkeer stelt verweerder dat de geluidbelasting van de bouwfase is uitgewerkt door aanvrager en getoetst is door de Omgevingsdienst
Zuid-Oost Brabant.

41. Uit de stukken blijkt dat het zonnepark wordt aangesloten op een inkoopstation van de lokale netbeheerder waarop een transformatorstation met meer omvormers wordt aangesloten. De gezamenlijke installatie, bestaande uit zonnepanelen, omvormers en de transformator betekent volgens de ruimtelijke onderbouwing een piekvermogen van 1,75 MVA. Vergunninghoudster heeft onbetwist gesteld dat de afstand tot de woning van eisers meer dan 100 meter bedraagt en tot de dichtstbijzijnde woning meer dan 95 meter. Verweerder heeft bij de beoordeling van de geluidbelasting vanwege het zonnepark gebruik gemaakt van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. Omdat in de Staat van Inrichtingen/Activiteitenlijst geen omschrijving van een zonnepanelenpark voorkomt, heeft verweerder aansluiting mogen zoeken bij de omschrijving van elektriciteitsdistributiebedrijven met een transformatorvermogen tot 10 MVA. Bij deze bedrijven zijn immers ook transformatoren en omvormers aanwezig. Aan de daarbij genoemde richtafstand voor het aspect geluid van minimaal 30 meter tot de dichtstbijzijnde woning wordt voldaan en bovendien is hier slechts sprake van een transformatorvermogen van 1,75 MVA. Ook anderszins hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat de transformator zodanig veel geluidoverlast zal veroorzaken dat verweerder niet in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Afgezien van het vorenstaande moet het zonnepark, dat een inrichting is in de zin van het Activiteitenbesluit milieubeheer, voldoen aan de geluidnormen van dit besluit. Verweerder heeft terecht geen aanknopingspunten gezien voor een verdergaand onderzoek naar de door eisers gestelde geluidhinder.

42. Over de geluidbelasting vanwege het bouwverkeer overweegt de rechtbank het volgende. Ter zitting is aangegeven dat de aanleg van het zonnepark ongeveer vier maanden zal duren. In de ruimtelijke onderbouwing en ter zitting is verder gesteld dat panelen en constructieonderdelen tijdens het installeren van het zonnepark via een zandpad, dat bereikbaar is via de Heikantstraat, zullen worden aangevoerd. Ook de installateurs zullen via deze weg komen aan- en afrijden. De toegangsweg wordt voorzien van worteldoek met houtsnippers ter minimalisatie van onder andere het geluid vanwege het wegverkeer. De transporten worden uitgevoerd met vrachtwagens met motoren die minimaal voldoen aan de euro 6 norm. De panelen worden vervolgens met een klein voertuig over het terrein verspreid. Verder worden met klein materieel de funderingsstaanders van de zonnepanelentafels de grond in gedrukt. De panelen worden er vervolgens met de hand ingeschoven. In het verslag van de informatieavond van
15 oktober 2019 staat verder vermeld dat in totaal ongeveer 50 transportbewegingen met opleggers worden verwacht en ongeveer 160 bewegingen met personenvervoer.
Verweerder heeft beoordeeld of aan artikel 8.3 van het Bouwbesluit wordt voldaan, waarin geluidnormen zijn opgenomen voor bedrijfsmatige bouw- of sloopwerkzaamheden. Hiertoe is door vergunninghoudster een geluidonderzoek uitgevoerd, waaruit volgt dat aan de in artikel 8.3 opgenomen geluidnormen kan worden voldaan. De rechtbank is niet aannemelijk geworden dat verweerder dit onderzoek niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen.
Dit betoog slaagt niet.

Geschiktheid toegangspad

43.
Eisers hebben verder naar voren gebracht dat het toegangspad niet geschikt is voor bouwverkeer. Volgens hen is het aanbrengen van worteldoek en houtsnippers onvoldoende.

44. Uit de stukken blijkt dat worteldoek en houtsnippers op de toegangsweg worden aangebracht om geluid- en stofoverlast tijdens de bouwfase te voorkomen dan wel in voldoende mate te beperken. Ter zitting heeft vergunninghoudster gesteld dat het gaat om
2 à 3 vrachtbewegingen per dag en dat deze werkwijze zeer gebruikelijk is. Vergunninghoudster zorgt ervoor dat de demping blijft door de aangebrachte laag te onderhouden.

Eisers hebben niet gemotiveerd waarom deze voorzieningen niet toereikend zijn. Bovendien hebben zij niet betwist dat de afstand van de woningen van eisers tot het pad minimaal
117 meter bedraagt. Gelet hierop is niet aannemelijk geworden dat eisers stof- en geluidhinder zullen ondervinden vanwege het transportverkeer op het toegangspad.
Dit betoog slaagt niet.


Herstel in de oude staat

45. Eisers voeren aan dat er geen garantie bestaat dat het perceel na 25 jaar in de oude staat zal worden hersteld. Er wordt verwezen naar een anterieure overeenkomst, maar eisers zijn hierbij geen partij. De voorziening van € 5.000,00 in de exploitatiebegroting is slechts toereikend voor eenmalig ploegen, eggen en zaaien van rogge, terwijl de grond na exploitatie geen enkele economische agrarische waarde heeft. Hergebruik van de panelen na 25 jaar achten eisers gezien de technologische ontwikkelingen niet voorstelbaar.

46.
Aan de verleende omgevingsvergunning is de voorwaarde verbonden dat de toestemming voor afwijken van de bestemming geldt voor maximaal 25 jaar en dat na afloop het terrein weer in zijn oorspronkelijke staat (zoals in 2019, ten tijde van het verlenen van de onderhavige vergunning) wordt gebracht: de landschappelijke inpassing en de ecologische inrichting dienen echter in stand gehouden te blijven.
Verder is in de voorwaarden opgenomen dat vergunninghoudster uiterlijk op de dag dat de inkennisstelling voor aanvang van de werkzaamheden is gedaan, een bankgarantie bij de gemeente dient aan te leveren ten behoeve van de financiële garantstelling voor het ontmantelen van het zonnepark zoals opgenomen in het exploitatieoverzicht in bijlage 7 van de vergunning. Vergunninghoudster kan de bankgarantie als hiervoor bedoeld op elk gewenst moment vervangen door het eerste recht van hypotheek ten behoeve van de gemeente op de onbezwaarde eigendom van de percelen kadastraal bekend gemeente Someren, sectie [nummer] , nummers [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] . Tevens kan initiatiefnemer de bankgarantie als hiervoor bedoeld op elk gewenst moment vervangen door een derdengeldenrekening waarbij het benodigde bedrag voor het ontmantelen van het zonnepark hierop gestort wordt.
Tot slot is als voorwaarde aan de vergunning verbonden dat vergunninghoudster uiterlijk op de dag dat de inkennisstelling voor aanvang van de werkzaamheden is gedaan, een rapport dient aan te leveren waarin de oorspronkelijke staat van het perceel is vastgelegd conform een zogeheten ‘nul-meting’.

47. Uit het zienswijzeverslag van 22 oktober 2019 blijkt dat de ontmanteling van het zonnepark twee hoofdactiviteiten heeft, namelijk het verwijderen van de stalen onderconstructie, zonnepanelen, bekabeling en hekwerk en het herstel van de bodem. Voor de ontmanteling is een bedrag van € 27.000,00 gereserveerd. Daarbij is ervan uitgegaan dat de panelen na 25 jaar nog een restlevensduur hebben van 15 jaar, wat hergebruik mogelijk maakt. Voorts is voor herstel van de bodem uitgegaan van de kosten voor ploegen, eggen, zaaien van rogge en het onderwerken van rogge voor de drie hectare benut oppervlak naar huidig prijspeil (€ 5.000,00), welk bedrag vervolgens is geïndexeerd (€ 8.200,00). Ten slotte zijn er nog de posten ‘onvoorzien’, ‘schrijven projectplan ontmanteling’ en ‘uitvoerder ontmanteling’ opgenomen van respectievelijk € 6.000,00, € 2.500,00 en € 10.000,00.
Ter zitting heeft vergunninghoudster over het hergebruik van de panelen gesteld dat in elk geval aannemelijk is dat staal en koper zoveel waard worden dat er te zijner tijd belangstellenden zullen zijn om deze om niet op te komen halen.

48.
Gelet op de vergunningvoorschriften heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ontmanteling en het herstel in de oude staat voldoende is geborgd. Verder is de rechtbank niet aannemelijk geworden dat in de exploitatiebegroting een te gering bedrag hiervoor is gereserveerd of de bankgarantie niet toereikend is, gelet op het verhandelde ter zitting en wat hierover in het zienswijzeverslag van 22 oktober 2019 is opgenomen. Dat de gronden na de exploitatie van het zonnepark geen enkele economische agrarische waarde meer zouden hebben en zullen veranderen in een stuk braakliggend terrein, is onvoldoende onderbouwd, nog daargelaten dat dit laatste ook kan gebeuren als er geen zonnepark zou worden gerealiseerd. Van strijd met artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening, waarin is bepaald dat de toelichting van een plan inzicht dient te bieden over de uitvoerbaarheid van het plan, is geen sprake.
Dit betoog faalt.

Onderhoud hakhoutsingel

49.
Eisers vragen zich verder af hoe het onderhoud aan de hakhoutsingel moet plaatsvinden, nu deze ingesloten gaat worden tussen het hekwerk van de aangrenzende woningen en het te plaatsen hekwerk rondom het zonnepark. Verder stellen zij dat de hakhoutsingel ten minste de laatste vier jaren niet is bijgehouden.

50. Verweerder heeft hierover gesteld dat het aan vergunninghoudster is om te voorzien in het onderhoud van de landschappelijke inpassing. Dit is zowel opgenomen in de voorschriften van de omgevingsvergunning als in de bepalingen van de anterieure overeenkomst. Indien vergunninghoudster niet voorziet in het onderhoud kan hierop worden gehandhaafd.

51. Aan de vergunning is het voorschrift verbonden dat het plan moet worden voorzien van een landschappelijke inpassing conform het inrichtingsplan van bijlage 08, aan te leggen binnen zes maanden na het plaatsen van de panelen. In dit plan is opgenomen dat de bestaande hakhoutsingels regelmatig gefaseerd teruggesnoeid worden tot op de hakhoutstoof.

52. Ter zitting heeft vergunninghoudster gesteld dat het onderhoud van deze singel geen probleem is, omdat er bijvoorbeeld een deur in het hekwerk kan worden gemaakt. Vervolgens kan door de hele hakhoutsingel worden gelopen. Vergunninghoudster heeft ter zitting een verklaring van Topboomzorg overgelegd, waarin wordt aangegeven welke mogelijkheden er zijn om de houthaksingel te onderhouden.

53. Gelet op het vergunningvoorschrift, het inrichtingsplan en hetgeen hierover is gesteld, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat onderhoud van de hakhoutsingel mogelijk is en voldoende is geborgd. Verweerder heeft terecht gesteld dat indien vergunninghoudster de hakhoutsingel niet onderhoudt, hij kan handhaven.
Dit betoog slaagt niet.

Zicht op zonnepark

54. Eisers stellen dat niet duidelijk is welke wintergroene haag er aangeplant zal worden en in hoeverre deze hen het zicht op het zonnepark zal ontnemen. Ook is de aanplant hiervan onvoldoende geborgd. De zandwal aan de zuidzijde van het park, waar verweerder naar verwijst, bestaat niet. Verder wordt volgens eisers onvoldoende gedaan om het inkoopstation aan het zicht vanuit de woning aan de [adres] te onttrekken.

55. Verweerder heeft hierover gesteld dat de wintergroene haag, zoals toegevoegd naar aanleiding van de informatieavond met omwonenden van 15 oktober 2019, onderdeel is van de plantekening en als gewaarmerkte bijlage is toegevoegd aan de vergunning. Op basis hiervan kan verweerder handhaven indien deze niet is gerealiseerd binnen de gestelde termijn. Hoewel er inderdaad geen zandwal aan de zuidzijde van het park aanwezig is, staat er wel een stevige struweelhaag van enkele meters breed. Met de aanvullende wintergroene haag wordt eventueel doorzicht in de winter verder beperkt.
Wat het zicht op het inkoopstation betreft, heeft verweerder gesteld dat met de huidige aanplant van 10 haagbeuken het inkoopstation voldoende aan het zicht van eisers wordt onttrokken.

56. Uit de tekening die in bijlage 10 en 11 bij het bestreden besluit is opgenomen, blijkt dat in/tegen de hakhoutsingel wintergroene heesters in twee rijen worden geplant zodat deze om en om staan, met een hoogte van 1,25 tot 1,50 meter. Het hekwerk aan deze zijde wordt ingeplant met Hedera. Verder staat op deze tekening dat voor het inkoopstation tien bladhoudende haagbeuken worden geplant.
In het bestreden besluit is, zoals hiervoor reeds is gesteld, als voorwaarde opgenomen dat vergunninghoudster zich bij het inrichten van het zonnepark dient te houden aan de afspraken zoals opgenomen in het verslag van de omgevingsdialoog van 15 oktober 2019 zoals opgenomen in bijlage 10. Gelet hierop is voldoende geborgd dat de wintergroene heesters en hedera zullen worden aangeplant. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de genoemde beplanting ontoereikend is om het zicht op het zonnepark in voldoende mate te beperken. Dit geldt ook ten aanzien van het inkoopstation. Hierover heeft vergunninghoudster bovendien terecht gesteld dat eisers hierop geen zicht hebben, zodat een beroep van eisers op een verslechtering van het woon- en leefklimaat van de bewoners van de [adres] niet kan leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.
Dit betoog slaagt niet.

57. Eisers voeren ten slotte aan dat de ecologische inrichtingsmaatregelen onvoldoende zijn geborgd in het bestreden besluit. Verder is volgens hen niet duidelijk wat het jaarlijks onderhoudsbudget is en hoe het beheer er na realisatie van het zonnepark uit zal zien.

58.
Zoals hiervoor reeds is gesteld, is aan de omgevingsvergunning de voorwaarde verbonden dat het plan moet worden voorzien van een landschappelijke inpassing conform het inrichtingsplan van bijlage 8, aan te leggen binnen zes maanden na het plaatsen van de panelen. Verder is als voorwaarde aan de vergunning verbonden dat de landschappelijke inpassing en de ecologische inrichting in stand dienen te blijven nadat het terrein weer in de oorspronkelijke staat is gebracht.
De ecologische inrichtingsmaatregelen zijn evenals het beheerplan opgenomen in het inrichtingsplan. In dit plan zijn ook de frequenties en perioden genoemd voor het toe te passen onderhoud. Verweerder heeft daarom in redelijkheid kunnen stellen dat hierdoor is verzekerd dat vergunninghoudster de beschreven ecologische inrichtingsmaatregelen zal treffen en dat het beheer na realisatie van het bouwplan in voldoende mate is geborgd. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat het jaarlijks budget voor onderhoud is opgenomen in het exploitatieoverzicht dat als bijlage 7 bij het bestreden besluit is gevoegd. Dat hieronder volgens eisers ook het onderhoud aan de installaties valt, zodat het de vraag is wat er voor het terreinonderhoud overblijft, maakt niet dat verweerder het bestreden besluit hierom niet heeft kunnen verlenen. Niet aannemelijk is geworden dat het beheer niet zou kunnen worden uitgevoerd. Dit betoog faalt.

Conclusie

59.
Het beroep is ongegrond. Gelet op het onder overweging 3 gestelde gebrek, bestaat in beginsel aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Van proceskosten die ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen, is echter niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,00 aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, voorzitter, en mr. J.D. Streefkerk en
mr. J.H.G van den Broek, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 1 juli 2020.

De griffier is verhinderd voorzitter

deze uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het beroepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na de genoemde termijn van zes weken geen gronden meer worden ingediend.