Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:3234

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
19/1898
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ambtshalve wijziging voorschriften vergunning voor een nertsenhouderij.

De zaak gaat over een besluit waarbij de gemeente ’s-Hertogenbosch de vergunningvoorschriften bij de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu voor een nertsenhouderij in Rosmalen gedeeltelijk heeft aangepast. Het bedrijf is het hier niet mee eens. De rechtbank is van oordeel dat de gemeente met de rapporten van het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (KAD) voldoende heeft aangetoond dat het bedrijf de voornaamste oorzaak is van de vliegenoverlast in de wijk Sparrenburg en dat de huidige werkwijze van het bedrijf onvoldoende werkt en leidt tot vliegenoverlast. Daarom heeft verweerder aan het bedrijf aanvullende gedetailleerde middelvoorschriften kunnen opleggen. .Van het bedrijf mag meer worden verwacht om vliegenoverlast te voorkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8292
OGR-Updates.nl 2020-0168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/1898

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2020 in de zaak tussen

[bedrijf] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. van Groningen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder

(gemachtigden: S. van Hoof en R. Visser).

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder ambtshalve besloten om de vergunningvoorschriften behorende bij de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu (gedeeltelijk) te actualiseren voor het bedrijf [bedrijf] aan de [adres] in [woonplaats] .

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft inlichtingen ingewonnen bij partijen.

De zaak is behandeld op een onlinezitting op 11 juni 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. In deze uitspraak zet de rechtbank eerst de feiten op een rij. Daarna worden de beroepsgronden behandeld. Hierbij zal de rechtbank eerst beoordelen of verweerder voldoende aanleiding had om het bestreden besluit te nemen. Volgens de rechtbank is dit het geval. Daarna zal de rechtbank de beroepsgronden tegen de verschillende voorschriften in het bestreden besluit behandelen.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

 Eiseres heeft een nertsenhouderij aan de [adres] te [woonplaats] . In de inrichting van eiseres worden nertsen gehouden in kooien met roosters. In de periode dat de nertsen pups krijgen worden er in de kooien horren met fijnmazig gaas (zogenoemde inleghorren) gelegd voor een periode van ongeveer 6 weken. Deze inleghorren zijn bedoeld om te voorkomen dat de jongen door de roosters van de kooien vallen. Hierdoor valt echter ook niet alle mest door de roosters, maar blijft er mest liggen op de inleghorren. Na 6 weken worden de inleghorren verwijderd uit de kooien.

 Eiseres heeft een revisievergunning op grond van artikel 8.4 van de Wet milieubeheer van 9 mei 2008. Op 19 oktober 2011 is een omgevingsvergunning milieuneutraal veranderen van de inrichting verleend. Het vliegenplan ter bestrijding van vliegenoverlast is gewijzigd en er zijn voorschriften toegevoegd, voornamelijk met betrekking tot vliegenbestrijding.

 Daarmee zijn de aan de omgevingsvergunning van 9 mei 2008 verbonden voorschriften met betrekking tot de hygiëne en vliegenoverlast aangepast. De aanpassing omvat mede het intrekken van de voorschriften 1.1.5 en 1.2.1.

 Op 26 april 2017 heeft verweerder het voornemen bekend gemaakt om de op 9 mei 2008 verleende omgevingsvergunning ambtshalve aan te passen. De hiertegen gerichte zienswijzen waren voor verweerder aanleiding om de procedure stop te zetten.

 Verweerder heeft eiseres twee keer een last onder dwangsom opgelegd. De rechtbank heeft zich hierover gebogen, wat heeft geleid tot de uitspraak van 29 april 2014 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, ECLI:NL:RBOBR:2014:2233). Verweerder heeft deze handhavingsprocedures uiteindelijk niet voortgezet en beide lasten in 2015 respectievelijk 2018 ingetrokken.

 Ter voorbereiding van het bestreden besluit heeft verweerder een deskundige ingeschakeld, het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (KAD).

 Verweerder heeft in de afgelopen jaren meerdere klachten gehad van omwonenden in de wijk Sparrenburg in de directe omgeving van de inrichting over vliegenoverlast. Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van vliegenoverlast. Partijen verschillen wel van mening wat de oorzaak daarvan is.

3.1

Eiseres vindt dat verweerder zijn recht om de voorschriften aan te passen heeft verwerkt gelet op de eerder ingetrokken lasten onder dwangsom en omdat verweerder eerder heeft afgezien van een ambtshalve wijziging van de vergunningvoorschriften.

3.2

Volgens verweerder spelen er bij de drie eerdere besluiten andere omstandigheden. De reden om de vergunning eerder niet ambtshalve aan te passen, kwam door de ingediende zienswijze. Deze was grotendeels gegrond waardoor er niet veel voorschriften overbleven; daarom is deze procedure stopgezet. De last onder dwangsom van 10 april 2018 zag op het opstellen van een geactualiseerd vlieg(larven)bestrijdingsplan. De last onder dwangsom van 25 februari 2014 was gedeeltelijk geschorst door de voorzieningenrechter.

3.3

Is verweerder in dit geschil consequent geweest? De rechtbank is van oordeel dat de eerdere besluitvorming geen aanleiding voor verweerder had moeten zijn om helemaal niets meer te doen. Verweerder heeft zijn bevoegdheid om de vergunning ambtshalve te wijzigen daardoor niet verspeeld. Verweerder zal wel moeten motiveren wat nu de directe aanleiding is geweest om gebruik te maken van die bevoegdheid. Die motivering komt hieronder aan de orde.

4.1

Volgens eiseres heeft verweerder niet aangetoond dat haar bedrijf de bron van vliegenoverlast is. Om het bedrijf dan verregaande voorschriften op te leggen, noemt eiseres willekeur en in strijd met het gelijkheidsbeginsel, de zorgvuldigheid en de rechtszekerheid. Volgens eiseres heeft verweerder selectief geciteerd uit het KAD-rapport van
13 december 2018. De conclusie in dit rapport (dat in de mest in de kooien kleine kamervliegen zich op grote schaal ontwikkelen) kan volgens eiseres niet worden gestaafd met bewijs. Eiseres noemt ook een nabijgelegen composteringsbedrijf als een bron van kamervliegenoverlast.

4.2

Verweerder beschouwt het KAD als een onafhankelijke deskundige en is uitgegaan van de constateringen en aanbevelingen die door het KAD zijn gedaan. Gelet op de adviezen van het KAD beschouwt verweerder de inrichting van eiseres als de oorzaak van de vliegenoverlast in de omgeving. In het rapport van 13 december 2018 heeft het KAD (de grondstoffen van) het composteringsbedrijf als bron voor de ontwikkeling van de kleine kamervlieg uitgesloten.

4.3

Het KAD heeft in de opvolgende rapportages (kort samengevat) het volgende geconcludeerd:

 In de rapportage van 2 september 2013 kan het KAD niet met zekerheid vaststellen dat de vliegenoverlast in de omgeving wordt veroorzaakt door eiseres.

 In de rapportage van 4 november 2013 zijn ook andere bedrijven onderzocht, maar werden bij geen van de andere bedrijven vliegen aangetroffen in zo groten getale dat zij overlast in de omgeving konden veroorzaken.

 Uit de rapportage van 6 juni 2014 blijkt dat er in het monster van mest afkomstig van de roosters grote aantallen larven en poppen van de kleine kamervlieg, fruitvliegen en mestvliegen in de mest aanwezig waren.

 In de rapportage van 4 oktober 2017 wordt geconcludeerd dat de preventiemaatregelen beter geborgd moeten worden in de vergunning.

 In juli 2017 is ook ter plekke gekeken in de omgeving en bij omliggende bedrijven. Twee locaties konden niet worden uitgesloten als oorzaak van vliegenoverlast en moesten nader worden onderzocht. Het composteringsbedrijf is ook onderzocht. Er was tijdens het onderzoek geen opslag van producten die zouden kunnen dienen als ideale ontwikkelingsbron voor de kleine kamervlieg. Dit sluit niet uit dat er producten kunnen zijn opgeslagen van waaruit de kleine kamervlieg zich zou hebben kunnen ontwikkelen.

 In de rapportage 23 mei 2018 is nader gekeken naar het nabijgelegen composteringsbedrijf.

 Op 17 december 2018 is verweerder geadviseerd het plaagdierenbeheersplan en de genomen maatregelen van een nertsenbedrijf, in elk geval jaarlijks tegen het licht te houden.

 In een ander rapport van december 2018 wordt geconcludeerd dat de ontwikkelingsbron van de vliegenoverlast in de wijk Sparrenburg bij de nertsenhouderij van eiseres ligt. De activiteit van de kleine kamervlieg neemt af in concentratie, naarmate de afstand vanaf de nertsenhouderij van eiseres toeneemt. Ook wordt verhoogde activiteit van kleine kamervliegen aangetroffen in de monitoringsvallen in de directe omgeving van het bedrijf van eiseres. Op basis van andere KAD-rapportages kunnen andere mogelijke ontwikkelingsbronnen in de wijk Sparrenburg worden uitgesloten.

4.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op basis van de rapportages van het KAD zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bedrijf van eiseres de voornaamste oorzaak is van de vliegenoverlast in de wijk Sparrenburg. Het KAD heeft voldoende aanwijzingen dat kleine kamervliegen van het bedrijf van eiseres komen en dat andere locaties of bedrijven niet de bron van de vliegenoverlast - kunnen - zijn. Er is een duidelijk onderscheid tussen het bedrijf van eiseres en het composteringsbedrijf. Het KAD heeft bij het composteringsbedrijf nooit vliegen of omstandigheden aangetroffen die er op duiden dat het composteringsbedrijf op dat moment een bron van vliegenoverlast was in de nabije omgeving. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom niet willekeurig gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 2.31, lid 2, sub b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht om de vergunningvoorschriften te actualiseren. Dit gebruik is ook niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel. Deze beroepsgrond faalt. De rechtbank beschouwt het voorkomen van vliegenoverlast als een te beschermen milieubelang gelet op artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer. Het KAD heeft in de rapportages van 14 en 21 juli 2017 voldoende toegelicht dat vliegenoverlast kan leiden tot risico’s voor de volksgezondheid. Vliegen kunnen ziektekiemen naar voedsel overbrengen en een vliegenplaag kan secundaire gezondheidsschade veroorzaken door het overmatig gebruik van giftige bestrijdingsmiddelen.

Overigens wil dit niet zeggen dat verweerder zonder meer de vergunningvoorschriften kan wijzigen. Hij mag de grondslag van de aanvraag niet verlaten, hij zal het gebruik van de bevoegdheid moeten onderbouwen en hij zal een belangenafweging moeten maken. Of verweerder dat voldoende heeft gedaan, zal hierna worden besproken.

5.1

Volgens eiseres blijkt uit het gewijzigde voorschrift 1.1 niet wanneer er wordt voldaan aan het voorschrift. Daarom is de wijziging in strijd met de rechtszekerheid. Bovendien is onduidelijk of ook de milieuvergunning van 9 mei 2008 hiermee wordt gewijzigd.

5.2

Verweerder beoogt met voorschrift 1.1. het voorschrift 1 uit de omgevingsvergunning van 19 oktober 2011 te verduidelijken.

5.3

Voorschrift 1 in de omgevingsvergunning van 19 oktober 2011 luidt: “Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ongedierte moet worden voorkomen. Wanneer in dierenverblijven dan wel op of bij het erf ongedierte (zoals ratten, muizen of insecten) voorkomt, moeten doelmatige bestrijdingsmaatregelen worden getroffen.”

5.4

In het bestreden besluit wordt voorschrift 1.1 toegevoegd met de volgende tekst: “er is in ieder geval sprake van effectieve bestrijdingsmiddelen, effectieve voorzieningen en onderhoudswerkzaamheden indien wordt voldaan aan een goedgekeurd actueel vliegen(larven)bestrijdingsplan en hetgeen is gesteld in de (overige) voorschriften en de vergunning.”

5.5

De rechtbank is van oordeel dat dit slechts een verduidelijking is. Het is evident dat wordt voldaan aan voorschrift 1.1 als aan de overige voorschriften wordt voldaan. Ook is duidelijk dat voorschrift 1.1 slechts een wijziging beoogt van de omgevingsvergunning van 19 oktober 2011. Deze beroepsgrond faalt.

6.1.

Eiseres verzet zich ook tegen de voorgeschreven maatregelen in voorschrift 1.2. Hierin staan vijf middelvoorschriften met betrekking tot de inleghorren. In de eerste plaats verzet zij zich tegen voorschrift 1.2.a. Op basis van dit voorschrift wordt zij verplicht de verwijderde inleghorren direct op te slaan in afgesloten mestopslagen (afgesloten bakken met deksels). Op basis van voorschrift 1.2.c moeten de aanwezige mestresten direct uit de sheds (overkapte ruimten waarin de nertsenkooien staan) worden verwijderd. Vervolgens moet de mest in de afgesloten mestopslag binnen 10 dagen uit de inrichting zijn verwijderd op basis van voorschrift 1.2.e. Eiseres voert (kort samengevat) aan dat deze maatregelen niet redelijkerwijs van haar kunnen worden gevergd. Ze moet enorm veel bakken aanschaffen om daarin de 9.000 vieze inleghorren op te slaan. Het niet meer mogen uitkloppen van de horren leidt tot een onwerkbare situatie. De verplichting om de sheds meteen schoon te maken leidt tot onnodige verstoring van de pups. Omdat in de huidige werkwijze sprake is van een gesloten systeem, begrijpt eiseres niet waarom de mest eens in de 10 dagen moet worden afgevoerd, temeer omdat de mest wordt behandeld met bestrijdingsmiddelen. Hiervoor kan ook geen grondslag worden gevonden in de KAD-rapportages.

6.2

Verweerder heeft na intensief controleren bij de inrichting geconstateerd dat vliegenoverlast normaliter begint nadat men is begonnen met het verwijderen van de inleghorren. Hierbij is tevens geconstateerd dat de handelingen met betrekking tot het verwijderen van de inleghorren en het reinigen van de kooien direct na het verwijderen van de inleghorren niet altijd even efficiënt is en te lang duurt. Hierdoor kunnen de nodige larven(poppen) ontpoppen en kleine kamervliegen uitvliegen uit de achtergebleven mest in de sheds. Daarom heeft verweerder gedetailleerde middelvoorschriften opgesteld. Verweerder wil dat er snel wat gebeurt en denkt ook dat het aanschaffen van bakken redelijkerwijs kan worden gevergd. Het schoonmaken van de sheds op dezelfde dag als die waarop de inleghorren worden verwijderd, is ook noodzakelijk en verweerder ziet nog niet in dat dit zou kunnen leiden tot (nog meer) verstoring van de pups. De huidige werkwijze (het bestrijden met een middel van de mest in de bakken) is volgens het KAD niet effectief gebleken. Tot slot vindt verweerder het niet onredelijk om de mest uit de bakken eens in de 10 dagen af te laten voeren, om te voorkomen dat een grote hoeveelheid vliegen ontsnapt uit de bakken.

6.3

Voorschrift 1.2 van het bestreden besluit (voor zover in geding) luidt als volgt:

“a. De verwijderde inleghorren dienen direct in een afgesloten mestopslag te worden geplaatst. (…)

c. Na het verwijderen van de inleghorren dienen de aanwezige mestresten uit de sheds waaruit de inleghorren uit de kooien zijn verwijderd, dezelfde dag te zijn schoongemaakt. Hierbij hoort ook het verwijderen van de mest in deze sheds (onder de kooien en op het voerpad). De mestresten moeten worden verzameld en opgeslagen in een afgesloten mestopslag. (…)

e. De mest uit de afgesloten mestopslag dient zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen 10 dagen nadat deze in gebruik is genomen, uit de inrichting te zijn verwijderd. “

6.4

Vóór het bestreden besluit werd genomen, klopte eiseres de inleghorren uit boven bakken en werden deze bakken behandeld met een bestrijdingsmiddel. De inleghorren werden daarna opgeslagen onder een zeil. Hangende de procedure is de werkwijze veranderd en worden de inleghorren losgeklopt boven de pompput van de mestsilo en wordt de mest weggepompt in de mestsilo. Eiseres heeft op de zitting aangegeven dat deze nieuwe werkwijze nog intensiever is dan de werkwijze in het bestreden besluit. Verweerder heeft aangegeven dat hij nog niet weet of deze nieuwe werkwijze het gewenste resultaat heeft. De rechtbank laat deze nieuwe werkwijze daarom verder buiten beschouwing. Wel stelt de rechtbank vast dat er kennelijk meer werkwijzen denkbaar zijn.

6.5

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de verwijzing naar de KAD-rapporten aannemelijk gemaakt dat de huidige werkwijze van eiseres onvoldoende werkt en leidt tot vliegenoverlast. Verweerder heeft voldoende aanleiding kunnen zien voor het stellen van gedetailleerde middelvoorschriften. De werkwijze in voorschrift 1.2.a vergt een investering van eiseres in het aanschaffen van afsluitbare bakken en deze werkwijze is arbeidsintensiever dan de werkwijze die zij hanteerde vóór het bestreden besluit. Maar zij heeft geen minder dure of minder arbeidsintensieve werkwijzen voorgesteld om de vliegenoverlast uit te sluiten, terwijl er ook volgens eiseres wel andere werkwijzen kunnen worden bedacht. Door de werkwijze in voorschrift 1.2.a van het bestreden besluit wordt de grondslag van de aanvraag niet verlaten. Bovendien is de oude, door eiseres in het verleden toegepaste werkwijze ook in afwijking van de vergunde werking van de inrichting omdat hierbij de vaste mestopslag (de mestplaat) van de schapenmest werd gebruikt.

6.6

Eiseres heeft zelf aangegeven geen voorstander te zijn van het verwerken van mest van de inleghorren via de pompput van de mestsilo, zodat er weinig anders rest dan het opleggen van een verplichting de mest binnen een bepaalde tijd uit de inrichting te verwijderen. Verweerder heeft voldoende onderbouwd waarom dit binnen een periode van 10 dagen moet gebeuren. Eiseres heeft gesteld dat het onmogelijk is de mest die als eerste in de mestopslag wordt gestort binnen 10 dagen te verwijderen als er nieuwere mest op wordt gestort. De inleghorren moeten echter worden opgeslagen in de afgesloten mestopslag (ofwel de afgesloten bakken) en de mest in de inleghorren moet binnen 10 dagen worden verwijderd. De rechtbank ziet niet in hoe bij deze werkwijze meer lagen mest op elkaar worden gestort. De rechtbank is niet aannemelijk geworden dat aan dit voorschrift niet kan worden voldaan.

6.7

Eiseres heeft aangegeven dat het onmogelijk is om aan voorschrift 1.2.c te voldoen omdat hierdoor de pups worden verstoord. Dit kan tot sterfte lijden. Verweerder heeft in het bestreden besluit het risico onderkend dat de pups verstoord kunnen raken als de inleghorren worden verwijderd en daarom geen verplichtingen tot het verwijderen van de inleghorren tijdens de horperiode opgelegd en evenmin een verplichting tot het tussentijds schoonmaken van de inleghorren. De rechtbank stelt wel vast dat aan het einde van de horperiode de inleghorren worden verwijderd. Dit zal stress bij de pups veroorzaken, maar dat risico maakt onderdeel uit van de vaste werkwijze van eiseres. De rechtbank begrijpt niet waarom de pups extra (en onaanvaardbare) stress zouden krijgen als de sheds dezelfde dag worden schoongemaakt. Eiseres heeft desgevraagd niet verduidelijkt waarom dit onmogelijk is, behoudens dat het arbeidsintensief is. Van eiseres mag echter meer worden verwacht om vliegenoverlast te voorkomen.

6.8

De rechtbank concludeert dat de beroepsgronden met betrekking tot voorschrift 1.2 niet slagen.

7.1

In voorschrift 2 van het bestreden besluit is het actualiseren van het vliegen(larven)bestrijdingsplan elke 4 jaar verplicht gesteld. Eiseres denkt dat de ontwikkelingen in de nertsenhouderij niet zo snel gaan dat binnen 4 jaar nieuwe methodes worden ontwikkeld. Bovendien wordt de nertsenhouderij per 1 januari 2024 in Nederland verboden en is het disproportioneel om eiseres de plicht op te leggen het vliegen(larven)bestrijdingsplan te actualiseren.

7.2

Volgens verweerder is het huidige vliegen(larven)bestrijdingsplan verouderd en bieden de voorschriften in de vergunningen niet de mogelijkheid eiseres te verplichten dit verouderde bestrijdingsplan te actualiseren.

7.3

Ingevolge voorschrift 2 van het bestreden besluit moet binnen de inrichting een actueel en door een bevoegd gezag goedgekeurd vliegen(larven)bestrijdingsplan aanwezig zijn. Het vliegen(larven)bestrijdingsplan dient elke 4 jaar te zijn geactualiseerd.

7.4

Op basis van het voorschrift kan verweerder eiseres direct na inwerkingtreding van het bestreden besluit verplichten een nieuw bestrijdingsplan beschikbaar te hebben. Als het bestaande bestrijdingsplan ouder is dan vier jaar, dan is eiseres gehouden direct na de inwerkingtreding van het bestreden besluit een nieuw bestrijdingsplan aan verweerder ter goedkeuring voor te leggen. Een dergelijk voorschrift stond ook in de milieuvergunning van 2008, maar is ingetrokken met de omgevingsvergunning van 2011. In de omgevingsvergunning van 2011 is namelijk een vervangende verplichting opgenomen (voorschrift 2) tot het hebben van een actueel vliegenbestrijdingsplan, maar is geen termijn opgenomen. Als gevolg hiervan ligt het op de weg van verweerder om bij handhaving van dat oude voorschrift aan te tonen dat het reeds aanwezige bestrijdingsplan niet meer actueel is. In zoverre heeft het voorschrift 2 in het bestreden besluit een toegevoegde waarde. Een dergelijke verplichting heeft ook toegevoegde waarde voor de komende drie en half jaar en is niet reeds daarom disproportioneel. Deze beroepsgrond slaagt niet.

8.1

Ingevolge voorschrift 5 van de omgevingsvergunning van 19 oktober 2011 moeten alle uitgevoerde werkzaamheden als gevolg van het vliegen(larven)bestrijdingsplan in een logboek worden bijgehouden. Het nieuwe voorschrift 5.1 in het bestreden besluit regelt in (uitvoerig) detail een aantal zaken die in het logboek (en dus ook in het vliegen(larven)bestrijdingsplan moeten worden opgenomen. Eiseres vindt dat dit veel te uitvoerig is.

8.2

Verweerder wil door voorschrift 5.1 van het bestreden besluit eiseres verplichten om alle uitgevoerde werkzaamheden als gevolg van het vliegen(larven)bestrijdingsplan in een logboek bij te houden. Deze onderdelen zijn essentieel inzake controles en eventuele handhaving van de uitvoering van het bestrijdingsplan.

8.3

Voorschrift 5.1 verplicht eiseres om in het “logboek” in ieder geval onderstaande onderdelen op te nemen:

  • -

    Een plattegrond waarop is aangegeven waar de (genummerde) bestrijdingen plaatsvinden.

  • -

    De productinformatiebladen van de gebruikte biociden.

  • -

    De planning en uitvoering van larvicide en adultbestrijding.

  • -

    Parameters en overleggegevens tussen logboekbeheer en bestrijdingstechnicus.

  • -

    Bezoekrapporten met omschrijving van werkzaamheden en gebruikte producten, waaronder de hoeveelheid gebruikt biociden.

  • -

    Certificaat van de bestrijdingstechnicus.

  • -

    Welke preventieve maatregelen, vanuit het vliegbestrijdingsplan, zoals het weren en wegvangen van adults in de bedrijfsvoering worden uitgevoerd, wanneer en waar ze worden uitgevoerd. Zoals bijvoorbeeld horren, plak/valstrips, elektrische insectenlamp en andere vliegvallen.

  • -

    Schoonmaakplan en schoonmaakstaten voor de materialen en routes die betrekking hebben op de mestafvoer.

  • -

    Temperatuurregistratie van temperatuur buiten en in de sheds in verband met tijdig starten met bestrijdingen.

8.4

De rechtbank is van oordeel dat iedereen er bij is gebaat om zoveel mogelijk vast te leggen wat er aan uitgevoerde bestrijdingen binnen de inrichting plaatsvindt. Op die manier kan de eventuele oorzaak van de vliegenoverlast worden gevonden en kan mogelijk ook worden uitgesloten dat deze overlast wordt veroorzaakt door eiseres. De rechtbank vindt niet dat verweerder hiermee een buitensporige administratieve verplichting oplegt aan eiseres.

9.1

Eiseres verzet zich tegen de verplichting in voorschrift 6 van het bestreden besluit tot een dagelijkse inspectie naar lekverliezen van water. Dit voorschrift is niet gemotiveerd. Bovendien is er geen noodzaak voor.

9.2

Verweerder verwijst naar voorschrift 6 in de omgevingsvergunning van
19 oktober 2011 waarin al was voorzien in een verplichting tot een periodieke inspectie van lekverliezen van water (onder andere drinknippels). Er is wel een noodzaak voor, omdat er niet alleen gras onder de kooien ligt maar ook ander materiaal. Verweerder heeft geconstateerd dat door een werknemer dagelijks wordt gecontroleerd of mestschuiven nog werken en of de drinknippels niet lekken.

9.3

Ingevolge voorschrift 6 van het bestreden besluit moet er binnen de inrichting een centraal registratiesysteem aanwezig zijn waarin informatie omtrent onderhoud, metingen, keuringen, controles en gegevens van relevante milieuonderzoeken worden bijgehouden. In het registratiesysteem moet (naast een aantal andere zaken) ook informatie worden opgenomen over de dagelijkse inspectie van lekverliezen van water (o.a. drinknippels). Een soortgelijke verplichting was opgenomen in voorschrift 6 van de omgevingsvergunning van 19 oktober 2011. Slechts het woordje ‘dagelijkse’ is toegevoegd.

9.4

In het bestreden besluit wordt in de weerlegging van de zienswijzen van eiseres gewezen op het risico van rottend gras. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de aanvullende motivering van het verweerschrift in samenhang met het bestreden besluit voldoende de noodzaak voor de aanpassing van het voorschrift heeft gemotiveerd. Gelet op de (niet weersproken) constatering van verweerder dat er al dagelijks wordt geïnspecteerd, ziet de rechtbank niet in dat het administreren van de inspecties in aanvulling op de inspecties zelf een buitensporige administratieve verplichting voor eiseres zou zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. J.H.G van den Broek, leden, in aanwezigheid van mr. I.M.C. van Og, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 30 juni 2020.

griffier voorzitter

is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.