Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:3179

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-06-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
01/997825-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft een grootschalige beleggingsfraudezaak. Verdachte heeft zich tezamen met haar mededader schuldig gemaakt aan oplichting van 26 personen.

Verdachte heeft als tussenpersoon een tweetal financiële producten aangeboden en verkocht, terwijl ontwikkelaars en adviseurs van mening waren dat de producten niet gereed én niet geschikt waren om op de markt te brengen. Als de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de aan de inleggers gedane en in brochures weergegeven mededelingen in onderling verband en samenhang worden bezien, is voor de rechtbank duidelijk dat bij de inleggers door dat samenweefsel van verdichtsels een onjuiste voorstelling van zaken in het leven is geroepen. In totaal is een bedrag van € 1.310.601,10 ingelegd. Tevens wordt verdachte veroordeeld voor het witwassen van EUR 94.807,50 en voor valsheid in geschrift.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. De rechtbank acht oplegging van de bijkomende straf ontzetting uit het recht het beroep van aanbieder van beleggingsproducten niet passend.

Aan de benadeelde partijen zijn bedragen aan schade hoofdelijk toegewezen (kort gezegd de inleg minus de maandelijkse uitbetalingen die wel zijn gevolgd) en de schadevergoedingsmaatregel wordt telkens, ook hoofdelijk opgelegd. Van verjaring van de vorderingen tot schadevergoeding is geen sprake. De rechtbank wijst niet toe de posten immateriële schade en de kosten die betrekking hadden op het eerder gevoerde kort geding.

Zie ook ECLI:NL:RBOBR:2020:3177 en ECLI:NL:RBOBR:2020:3178 enECLI:NL:RBOBR:2020:3231.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/997825-13

Datum uitspraak: 29 juni 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1971] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 november 2018, 3 juni 2019, 25 mei 2020, 26 mei 2020 en 15 juni 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 5 september 2018.

Hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, is vermeld in bijlage 1.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Verdachte wordt ervan verdacht dat zij zich tezamen met een ander of anderen heeft schuldig gemaakt aan oplichting van inleggers dan wel aan verduistering, aan medeplegen van valsheid in geschrift en daarnaast aan (gewoonte)witwassen.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht, zoals vermeld in het schriftelijke requisitoir, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met [medeverdachte 1] de genoemde inleggers heeft opgelicht, dat zij met anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd en dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van een bedrag van € 94.807,50.

Het standpunt van de verdediging.

Namens verdachte zijn bewijsverweren gevoerd met betrekking tot feit 1.

Samengevat is aangevoerd dat verdachte nergens iets van af heeft geweten. Zij heeft zelf de noodklok geluid toen bleek dat inleggers hun maandelijkse afdrachten niet meer ontvingen en is met gedupeerden aangifte gaan doen bij de politie. De verdediging stelt dat verdachte niet van meet af aan wist dat inleggers het aan hen beloofde rendement niet zouden ontvangen. Verdachte had 100% vertrouwen gekregen in de producten toen de heer [getuige 1] haar ermee liet kennis maken en er waren mensen van statuur betrokken, zoals een advocaat, een accountant en een notaris. Verdachte werd door [medeverdachte 1] weggehouden van [medeverdachte 2] die de polissen zou kopen, zodat zij niet op de hoogte was en kon zijn van het feit dat [medeverdachte 2] niet of nauwelijks polissen heeft aangekocht.

Vrijspraak is gepleit voor de gehele tenlastelegging onder feit 1.

Met betrekking tot feit 2, valsheid in geschrift, zijn eveneens bewijsverweren gevoerd. Aangevoerd is onder meer dat sprake was van self-certified hypotheken waarbij de geldverstrekker zelf moest controleren wat de hoogte en bron van inkomsten van de hypotheeknemer was. Op het moment dat de geldverstrekker de relevante stukken bij de hypotheekaanvraag had ontvangen, werd met de hypotheeknemer zelf contact opgenomen om te controleren of de hoogte en bron van de inkomsten correct waren opgegeven.

In de visie van de verdediging treft verdachte dan ook geen blaam wanneer later blijkt dat de hypotheekaanvraagformulieren en/of inkomensverklaringen niet conform de waarheid zouden zijn, zodat verdachte van feit 2 dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3 is het volgende aangevoerd.

In het geval de rechtbank wel tot bewezenverklaring van feit 1 komt, dan zou sprake zijn van het voorhanden hebben van uit eigen misdrijf afkomstig geld, hetgeen volgens de Hoge Raad onvoldoende is voor witwassen als bedoeld in de artikel 420bis en 420quater Wetboek van Strafrecht. Om in die situatie tot de kwalificatie witwassen te komen, dient sprake te zijn van gedragingen van verdachte die er kennelijk op gericht waren de criminele herkomst te verbergen of te verhullen. Nu het wettige en overtuigende bewijs daarvoor ontbreekt, dient verdachte te worden vrijgesproken van feit 3.

Tevens is aangevoerd dat op de rekeningen van [bedrijf 1] en [medeverdachte 1] / [bedrijf 3] ook andere bedragen werden overgemaakt dan de door de gedupeerde inleggers overgemaakte bedragen zodat de problematiek van de vermenging aan de orde is.

Tot slot is aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard dat de feiten in de ten laste gelegde periode van 29 januari 2008 tot en met 27 augustus 2013 zijn gepleegd nu de laatste transactie die de Fiod onder de loep heeft genomen dateert van 13 april 2010.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsmiddelen.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn opgenomen en uitgewerkt in een bewijsmiddelenbijlage (bijlage 2). Deze bewijsmiddelenbijlage maakt integraal onderdeel uit van dit vonnis.

Bewijsoverwegingen.

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast en overweegt de rechtbank met betrekking tot het bewijs als volgt.

Feit 1, oplichtingen.

Aan de in de tenlastelegging genoemde inleggers zijn producten aangeboden onder de naam “ [productnaam 1] (ook wel [productnaam 2] genoemd) dan wel onder de naam “ [productnaam 3] ”.

Het [productnaam 1] werd aldus gepresenteerd dat het bij echtscheiding één der partners in staat zou stellen om de andere partner uit te kopen en in de tot dan huwelijkse woning te blijven wonen. De inleggers werden bewogen om de overwaarde in de woning te verzilveren door de op de woning rustende hypotheek te verhogen. Voor (het resterende deel van) het vrijgekomen geld werd het product vervolgens aangekocht.

Door de verkopers van het product werd een hoog vast rendement gedurende 10 jaren gegarandeerd, vertaald in maandelijkse vaste uitkeringen waarmee de (hogere) hypotheeklasten konden worden betaald. Na ommekomst van die 10 jaren werd een volledige terugbetaling van het ingelegde bedrag gegarandeerd. [productnaam 3] hield in dat de inlegger 10 jaar lang rendement zou ontvangen als aanvulling op het inkomen (bijvoorbeeld in geval van eerder stoppen met werken) en dat de inleg na 10 jaar terug ontvangen zou worden. [productnaam 3] verschilde slechts in zoverre van [productnaam 1] dat hiertoe ook inleggers werden bewogen die niet in een echtscheidingssituatie zaten en bijvoorbeeld eigen liquide middelen aanwendden voor de aankoop van het product.

Bij beide producten werden rendementen van 12% tot 15% in het vooruitzicht gesteld. Het rendement zou worden gehaald uit Amerikaanse ‘life settlements’ (levensverzekeringen). De inleggers zouden volgens het voorlichtingsmateriaal eigenaar worden van een polis van een life settlement uit Amerika. Als die polis gedurende de 10 jaar tot uitkering zou komen, zouden ze ook dat geld uitgekeerd krijgen.

De inleggers ontvingen gedurende enige tijd een maandelijkse uitkering, zoals overeengekomen. Die uitkering werd evenwel betaald uit de inleg en van de rekeningen waarop zij hun inleg hadden voldaan. Van enig behaald rendement op investeringen van de ingelegde gelden in de Amerikaanse ‘life settlements’ was geen sprake. De maandelijkse uitkeringen aan inleggers werden na verloop van tijd gestaakt. In geen van de gevallen is de afgesproken termijn van 10 jaren gehaald, noch is de inleg op enigerlei wijze terugbetaald.

[medeverdachte 1] was nauw betrokken bij de ontwikkeling van deze producten.

De bedoeling was dat [bedrijf 4] de Amerikaanse ‘life settlement’-polissen zou aankopen.

Verdachte zou door middel van haar eenmanszaak [bedrijf 5] en later haar vennootschap [bedrijf 6] de verkoop van de producten voor haar rekening nemen.

Daarbij zijn aan afnemers van de producten beloften gedaan en zaken in het vooruitzicht gesteld die niet zijn waargemaakt, maar waarvan bij aanvang reeds duidelijk was dat die ook niet konden worden waargemaakt. Zo stelt de rechtbank vast dat het realiseren van een rendement van 12-15% naar algemene ervaringsregels al lastig is, maar dit geldt zeker wanneer de periodieke uitkeringen aan inleggers uit hun eigen inleg worden (terug)betaald en derhalve niet volledig aangewend voor het doel waarvoor is ingelegd, te weten aankoop van en premiebetaling voor ‘life settlements’. Daarbij is voorgespiegeld dat de uitkering op een life settlement-polis aan de betrokken investeerder als eigenaar van die polis zou worden uitbetaald. Nog daargelaten de vraag of er daadwerkelijk life settlements zijn aangekocht, hoeveel, tegen welke bedragen en welke waarde die vertegenwoordigden, het voorgaande zou betekenen dat er nergens geld wordt gegenereerd, terwijl daarbij nog de verplichting bestond tot teruggave van het volledige ingelegde bedrag aan de inlegger. [medeverdachte 1] , vanaf het begin ontwikkelaar van het product, en verdachte, financieel adviseur, moeten hebben geweten dat tegen deze voorwaarden, waarop inleggers zijn ingegaan, geen gezond financieel product kon worden gerealiseerd en aangeboden.

Bij het “in de markt zetten” van het product zijn verdachten er ook op gewezen dat het product niet realistisch was. [getuige 2] heeft verklaard dat hij voor juni 2009 tegen [verdachte] heeft gezegd dat het product zoals dat werd aangeboden niet kon. Uit het e-mailbericht van [betrokkene 2] van 9 oktober 2009 blijkt dat het rendement in de huidige situatie te hoog was en dat de polissen in eigendom van [bedrijf 7] zouden moeten blijven, terwijl er ook een voorraad aan polissen nodig zou zijn om risico’s te ondervangen. Desondanks zijn verdachten al die tijd doorgegaan met het verkopen van de producten [productnaam 1] en [productnaam 3] .

Verdachte en haar medeverdachte hebben bovendien nog meer toezeggingen gedaan aan de inleggers, die zij gedurende de drie jaren dat de producten hebben gelopen niet zijn nagekomen. Op het moment dat verdachten en [getuige 1] begonnen met het sluiten van overeenkomsten met inleggers, was er in het geheel nog geen structuur opgezet om het geld van de inleggers te laten renderen, terwijl dat wel aan de inleggers werd voorgespiegeld. Immers, pas ná het sluiten van de eerste overeenkomsten ontstond het idee om via [bedrijf 4] Amerikaanse life-settlement-polissen aan te kopen, maar dat idee was nog niet ten uitvoer gebracht op het moment dat [getuige 1] reeds besloot om uit de onderneming te stappen. Verdachte en [medeverdachte 1] zijn desalniettemin steeds doorgegaan met het aanbieden van het product [productnaam 1] . Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat nimmer enige structuur voor de aankoop van levensverzekeringen uit Amerika is gerealiseerd. Evenmin is was er een toegezegde derdengeldrekening ter beheer van ingelegde gelden en vanwaar het geld is gebruikt om polissen aan te kopen, noch een stichting van waaruit het geld van de inleggers daadwerkelijk beheerd werd. Zo er al polissen zijn aangeschaft via [bedrijf 4] was dat ten enenmale onvoldoende om de gedane beloften aan de inleggers waar te maken. Er zijn feitelijk geen ‘life settlement’-polissen overgedragen aan inleggers. De documenten betreffende het op naam zetten van polissen, die aan inleggers zijn verstrekt als ware het polissen, betroffen slechts door verdachten ontworpen documenten. Deze documenten bezaten geen rechtsgeldigheid, op grond waarvan inleggers jegens de Amerikaanse verzekeringsmaatschappij aanspraak hadden kunnen maken op een uitkering van die betreffende ‘life settlement’-polis. Aan verschillende inleggers zijn bovendien dezelfde ‘polissen’ verstrekt, terwijl zij elk een eigen polis zouden ontvangen.

Verdachte en [medeverdachte 1] zijn ondanks al het vorenstaande steeds doorgegaan met het verkopen van de twee producten. Daarbij hebben zij het doen voorkomen alsof zij handelden namens ondernemingen, namens wie zij evenwel niet bevoegd waren te handelen. Zowel buiten [getuige 1] om, als na vertrek van [getuige 1] uit de onderneming, sloten verdachte en zijn medeverdachte overeenkomsten met inleggers alsof zij namens [getuige 1] handelden. Ze ontwikkelden na diens vertrek nog een extra product, [productnaam 3] , dat werd aangeboden namens [bedrijf 7] , terwijl haar bestuurder en enig bevoegde [getuige 3] daarmee niet had ingestemd. Buiten medeweten van [getuige 3] om zijn verdachten met het product de markt opgegaan en zijn visitekaartjes en briefpapier op naam van [bedrijf 7] besteld en gebruikt. [medeverdachte 1] tekende de overeenkomsten met de inleggers namens [bedrijf 7] , soms op zijn eigen naam en soms op naam van zijn zoon, terwijl hij daartoe niet gerechtigd was.

Aan inleggers is nog voorgehouden dan wel voorgewend dat ter zekerheid de Life Insurance Settlement Association (LISA) (een Amerikaanse overheidsorganisatie) controle houdt op de wettelijkheid van de polis en/of de gezondheid en/of de leeftijd van verzekerde en/of de status van de levensverzekeringmaatschappij. Van dergelijke controle was in het geval van onderhavige producten hoegenaamd geen sprake.

Het verweer van verdachte dat zij steeds het vertrouwen had dat alles in orde was, volgt de rechtbank gelet op het voorgaande niet. Verdachte moet hebben geweten dat zij een product aanbood dat niet realistisch was. Een belangrijk moment voor de wetenschap van verdachte dat daarmee anderen wederrechtelijk bevoordeeld werden, was in december 2008, het moment waarop de inleg van de inleggers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het de derdengeldrekening van het notariskantoor van [notaris] naar [bedrijf 1] werd overgeboekt en het moment dat de andere inleggers die in 2008 zijn ingestapt hun inleg rechtstreeks aan [medeverdachte 1] moesten overmaken (bewijsmiddel 1 in de bewijsmiddelenbijlage) en verdachte vervolgens geldbedragen van [bedrijf 1] en [medeverdachte 1] op haar rekening ontvangt (bewijsmiddelen 81 en 95 in de bewijsmiddelenbijlage).

De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte van meet af aan wisten dat er op geen enkele wijze een structuur gerealiseerd was waarbinnen gelden konden worden ingelegd, beheerd of gebruikt om polissen aan te kopen, teneinde na te kunnen komen wat aan de inleggers is toegezegd, op de wijze die was toegezegd. Er zijn voor zover de rechtbank uit het dossier kan opmaken hooguit een zeer beperkt aantal polissen aangekocht, althans volstrekt onvoldoende voor een uit een oogpunt van risicobeheersing gezonde financiële basis voor hetgeen werd aangeboden. Die situatie is in de loop der tijd niet gewijzigd. Desondanks zijn jarenlang inleggers bewogen grote bedragen in te leggen. Hun maandelijkse rendement is betaald uit hun eigen inleg dan wel de inleg van nieuwe inleggers, hetgeen de kenmerken vertoont van een piramideconstructie. Ook hiervan waren verdachte en de medeverdachte op de hoogte.

De rechtbank is, evenals de officier van justitie, van oordeel dat het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling blijkt uit de feitelijke omstandigheden, waaronder de bedrijfsvoering, op grond waarvan verdachten wisten of moesten weten dat de aangegane verplichtingen niet nagekomen zouden kunnen worden. Naar het oordeel van de rechtbank hebben verdachten moeten beseffen dat hun handelen als noodzakelijk (en dus door hen gewild) gevolg met zich bracht dat zij of een ander onrechtmatig bevoordeeld zouden worden. Uit onderzoek is gebleken dat inleggelden na ontvangst vrijwel meteen werden aangewend voor geheel andere doeleinden dan de aankoop van polissen, bijvoorbeeld voor de huur van de sportschool van de partner van verdachte en privé-uitgaven van verdachten.

De rechtbank overweegt dat uit met name de aanvullende verklaringen van aangevers (zie bewijsmiddelenbijlage) blijkt op grond waarvan zij ertoe bewogen zijn deel te nemen en geldbedragen in te leggen.
Als de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de aan de inleggers gedane en in brochures weergegeven mededelingen in onderling verband en samenhang worden bezien, is voor de rechtbank duidelijk dat bij de inleggers door dat samenweefsel van verdichtsels een onjuiste voorstelling van zaken in het leven is geroepen.
Anders dan de officier van justitie heeft geconcludeerd, acht de rechtbank ook wettig en overtuigend bewezen dat aangevers mede zijn bewogen tot de afgifte van gelden door hen de vertrouwen wekkende omstandigheid voor te wenden dat de Amerikaanse overheidsinstantie LISA betrokken was.

Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat verdachte en medeverdachte nauw en bewust hebben samengewerkt bij het aantrekken van inleggers. De medeverdachte had als financieel adviseur de meeste persoonlijke contacten met de inleggers en was uit hoofde van haar beroep en die contacten vaak ook op de hoogte van de vermogenspositie van de inleggers. Met een deel van hen had zij al eerder een vertrouwensrelatie opgebouwd.

[medeverdachte 1] speelde een belangrijke rol op de achtergrond en werd door medewerkers gezien als de spil in het geheel. Verdachte had nauw contact met [medeverdachte 1] over de verschillende inleggers, over de ontwikkeling en de inhoud van de producten en de opmaak van brochures en visitekaartjes op naam van [bedrijf 7] . Soms werden de inleggers door hen samen bezocht.

Verdachte wist dat [medeverdachte 1] vennootschapsrechtelijk niet gerechtigd was om namens [bedrijf 7] overeenkomsten met derden aan te gaan, maar heeft dit wel laten gebeuren.

Verdachte wist bovendien naar welke rekeningen de inleggers gelden overmaakten en dat dit rekeningen waren waarop de [medeverdachte 1] gemachtigde was. Verdachte ontving op haar beurt gelden van die rekeningen.
In enkele gevallen ontving verdachte al een dag na de inleg door inleggers gelden op haar rekening. Met één van de inleggers ging verdachte zelfs naar de bank toe om de overboeking naar de rekening op naam van [medeverdachte 1] in orde te maken, waarna zij ook dan weer een dag later een aanzienlijk bedrag op haar rekening ontving.

De rechtbank concludeert dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte is komen vast te staan.

Door hun nauwe betrokkenheid waren verdachten volledig op de hoogte van de onjuistheid van het voorgespiegelde “beleggingsproduct”. Zij hebben doelbewust een product aangeboden en in stand gehouden waarvan zij wisten dat het in geen enkel opzicht voldeed aan de toezeggingen. Zij wisten dat de terugbetaling van de ingelegde gelden beslist niet was gegarandeerd en dat de inleggelden niet zouden gaan renderen zoals voorgespiegeld.

Feit 2, valsheid in geschrift.

De rechtbank overweegt met betrekking tot feit 2 dat zij de valsheid in geschrift met betrekking tot document 104 niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Op document 104 zijn enkele regels zichtbaar in een zeker handschrift en vervolgens alleen een handtekening van [slachtoffer 2] .

[slachtoffer 2] verklaart in G021-01 wel over dit document. De rechtbank acht weliswaar aannemelijk dat verdachte het formulier heeft ingevuld, maar enkel de verklaring van [slachtoffer 2] is onvoldoende. Uit niets is op te maken dat verdachte concrete betrokkenheid heeft gehad bij het invullenen ondertekenen van het document.

Met betrekking tot document 062, de hypotheekaanvraag op naam van [slachtoffer 2] , overweegt de rechtbank dat, hoewel het document is gedagtekend noch ondertekend, wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte deze valsheid in geschrift mede heeft gepleegd gelet op de samenhang met de andere valse hypotheek-stukken ten behoeve van [slachtoffer 7] en [betrokkene 4] en de modus operandi. Om ervoor te zorgen dat inleggers een bedrag konden inleggen, dienden zij een hogere hypotheek af te sluiten zodat een aanzienlijk bedrag als overwaarde beschikbaar zou komen bestemd voor de inleg in het door verdachte aangeboden product. Verdachte was degene die ook de heer [slachtoffer 2] adviseerde en verdachtes naam staat als contactpersoon van de intermediair [bedrijf 5] op de hypotheekaanvraag.

Nu de hypotheek-stukken telkens werden opgemaakt en ingediend in overleg met de klant, acht de rechtbank bewezen dat verdachte de valsheid in geschrift telkens in nauwe en bewuste samenwerking met een ander heeft gepleegd.

Feit 3, witwassen.

De bewijsmiddelen die blijkens hun inhoud zien op de oplichtingen, zijn door de rechtbank eveneens gebezigd met betrekking tot feit 3, het witwassen.

Van witwassen is sprake nu op grond van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat verdachte geld dat afkomstig was uit misdrijf, namelijk onmiddellijk afkomstig uit de gepleegde oplichtingen, als weergegeven onder feit 1, heeft verworven, heeft omgezet en van het betreffende geld gebruik heeft gemaakt, waarmee beoogd werd de criminele opbrengsten veilig te stellen en te gebruiken.

Het bewijsverweer, inhoudende dat het voorhanden hebben van uit eigen misdrijf verkregen geld onvoldoende is voor witwassen, wordt aldus verworpen.

De rechtbank merkt op dat uit de wetsgeschiedenis van de wetsbepalingen over witwassen moet worden afgeleid dat niet alleen voorwerpen die onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig zijn hieronder vallen, maar ook voorwerpen die gedeeltelijk van misdrijf afkomstig zijn. Verder kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen die zijn vermengd met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, het zo vermengde vermogen, kan worden aangemerkt als ‘mede’ of ‘deels’ uit misdrijf afkomstig. De vermengingsleer is in beginsel onbegrensd. Alleen onder bepaalde omstandigheden kan het niet meer als witwassen worden gekwalificeerd. Daarbij kan in de beoordeling worden betrokken of er sprake is van:
- een geringe waarde van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel dat met een op legale wijze verkregen vermogen vermengd is geraakt, al dan niet in verhouding tot de omvang van het op legale wijze verkregen deel;
- een groot tijdsverloop tussen het moment waarop het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel is vermengd met het legale vermogen en het tijdstip waarop het verwijt van witwassen betrekking heeft;
- een groot aantal of bijzondere veranderingen in dat vermogen in de tussentijd;
- een incidenteel karakter van de vermenging van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel met het legale vermogen1.

Nu deze omstandigheden zich hier niet voordoen, komt de rechtbank tot de conclusie dat de handelingen van verdachte en haar mededader moeten worden gekwalificeerd als witwassen.

Anders dan de raadsman zal de rechtbank de periode van witwassen niet inkorten tot 13 april 2010 nu op grond van de bewijsmiddelen bewezen verklaard kan worden dat verdachte zich in de ten laste gelegde, langere periode heeft schuldig gemaakt aan witwassen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 1 december 2007 tot en met 1 juli 2010 in Nederland, en/of in Spanje,

meermalen, tezamen en in vereniging met een ander,

telkens met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels,

de hierna genoemde personen één of meermalen heeft bewogen tot de afgifte van één of meer geldbedragen, in totaal 1.310.601,10 euro, te weten;

[slachtoffer 1] tot afgifte van: 50.655,34 euro op 3 december 2007 en 33.355,48 euro op 17 december 2007 en

6.756,00 euro op 29 december 2008 en

3.600,00 euro op 1 juli 2009 en

4.150,00 euro op 5 juli 2010;
en

[slachtoffer 2] tot afgifte van: 139.405,14 euro op 24 januari 2008;
en

[slachtoffer 3] tot afgifte van: 80.000 euro op 29 januari 2008;
en


[slachtoffer 4] tot afgifte van: 33.395,00 euro omstreeks 8 juli 2008;


en

[slachtoffer 5] tot afgifte van: 15.000 euro op 17 juli 2008; en

[slachtoffer 6] tot afgifte van: 48.000 euro op 17 oktober 2008 en
15.000 euro op 24 oktober 2008 en
30.000 euro op 10 november 2008;
en

[slachtoffer 7] tot afgifte van: 40.000 euro op 27 oktober 2008;

en

[slachtoffer 8] tot afgifte van: 31.750,01 euro in maart 2009;
en

[slachtoffer 9] tot afgifte van: 18.000 euro op 18 februari 2009;

en

[slachtoffer 10] tot afgifte van: 20.000 euro omstreeks 20 maart 2009;
en

[slachtoffer 11] tot afgifte van:

90.000 euro op 23 maart 2009;
en

[slachtoffer 12] tot afgifte van: 140.000 euro op omstreeks 31 maart 2009;
en

[slachtoffer 13] tot afgifte van: 20.000 euro op 4 mei 2009;

en

[slachtoffer 14] tot afgifte van: 20.000 euro in mei 2009;
en [slachtoffer 15] tot afgifte van: 35.000 euro op 11 juni 2009;

en

[slachtoffer 16] tot afgifte van: enig geldbedrag in 2009;
en

[slachtoffer 17] tot afgifte van: 100.000 euro in juni 2009;


en

[slachtoffer 18] en [slachtoffer 19] tot afgifte van: 40.000 euro omstreeks 17 juli 2009;

en

[slachtoffer 20] tot afgifte van: 44.534,13 euro op 24 september 2009;

en

[slachtoffer 21] tot afgifte van: 47.000 euro omstreeks 2 december 2009;

en

[slachtoffer 22] en [slachtoffer 23] tot afgifte van:

25.000 euro in 5 maart 2010;

en

[slachtoffer 24] en [slachtoffer 25] tot afgifte van:

70.000 euro in april 2010;

en

[slachtoffer 26] tot afgifte van:

35.000 euro op 24 juni 2010;

immers hebben zij, verdachte en haar mededader telkens met voornoemd oogmerk - zakelijk weergeven - opzettelijk bedrieglijk en in strijd met de waarheid,

terwijl [bedrijf 5] en zij, verdachte, met (een aantal van)

bovengenoemde personen een soms jarenlange) vertrouwensrelatie had (als financieel adviseur), bovengenoemde personen een (beleggings)product aangeboden (onder de naam " [productnaam 1] " en/of " [productnaam 3] "), waarbij telkens werd voorgehouden en/of voorgewend en/of afgesproken:

-dat [bedrijf 5] en zij, verdachte, een bonafide bemiddelaar is in financiële diensten; en/of

-dat de inlegger in de huidige woning zou kunnen blijven wonen; en/of

-dat de ingelegde gelden worden gebruikt om Life Settlements polissen in Amerika en/of Amerikaanse levensverzekeringen aan te kopen; en/of -ten aanzien van [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 22] dat het product een (levens)verzekering betreft; en/of -dat de inlegger maandelijks een rentevergoeding en/of (rendements)uitkering (van 15% en/of 12%) ontvangt voor een periode van 10 jaren; en/of -dat het ingelegde geld na het verstrijken van de looptijd (van 10 jaren) van de investering gegarandeerd zou worden terugbetaald; en/of

-dat de ontvangen gelden op een (derdengeld)rekening bij Wells Fargo in Amerika wordt gehouden en/of gestald (ten behoeve van de premieafdracht van de polissen); en/of -dat de polis na betaling eigendom is van de investeerder en/of de polis na betaling van 50.000 euro eigendom is van de investeerder en/of de polis na betaling eigendom is van [bedrijf 7] ; en/of

-dat het product door de AFM is goedgekeurd; en/of

-dat ter zekerheid Life Insurance Settlement Association (LISA) (een Amerikaanse overheidsorganisatie) controle houdt op de wettelijkheid van de polis en/of de gezondheid en/of de leeftijd van verzekerde en/of de status van de levensverzekeringmaatschappij,

waardoor bovengenoemde personen en/of andere personen werden bewogen tot de (girale) afgifte van bovengenoemde geldbedragen;

2.

op tijdstippen in de periode van 1 november 2007 tot en met 4 juni 2009 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

inkomensverklaringen en hypotheekaanvraagformulieren,

zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken,
immers hebben zij, verdachte, en haar mededader valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - telkens in/op die inkomensverklaring en hypotheekaanvraagformulier een te hoog (jaar)inkomen vermeld/ingevuld, zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

3.

op tijdstippen gelegen in de periode van 29 januari 2008 tot en met 27 augustus 2013
in Nederland en in Spanje,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen meermalen, van één of meerdere voorwerpen, te weten:
geldbedragen van in totaal 94.807,50 euro

heeft verworven en/of heeft omgezet en/of van voornoemde gebruik heeft gemaakt, door die geldbedragen te laten storten op rekeningen waar zij, verdachte, de beschikking over had en/of rekeningen van bedrijven die gelieerd zijn aan haar, verdachte en/of haar mededader en/of vervolgens die geldbedragen gedeeltelijk, te gebruiken voor privédoeleinden,

terwijl zij, verdachte, telkens wist, dat bovenomschreven geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft met betrekking tot feit 1 primair, feit 2 en feit 3 de volgende straf gevorderd: een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

Daarnaast heeft de officier van justitie de ontzetting uit het recht het beroep van aanbieder van beleggingsproducten, in de breedste zin van het woord, uit te oefenen voor de duur van 5 jaar plus de duur van de hoofdstraf gevorderd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 3 aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Namens verdachte is gewezen op haar blanco strafblad. Tevens is aangevoerd dat verdachte door de gebeurtenissen vanaf 2010/2011 haar vennootschap [bedrijf 5] failliet heeft moeten laten verklaren met als gevolg dat al haar inkomsten zijn verdampt.

Verzocht is in de strafmaat rekening te houden met het tijdsverloop van bijna 10 jaar tussen de vermeende strafbare gedragingen en de inhoudelijke behandeling door de rechtbank en met de omstandigheid dat het verdachte is geweest die de noodklok luidde toen rendementen niet meer werden uitbetaald.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich tezamen met haar mededader schuldig gemaakt aan oplichting van 26 personen.

Verdachte heeft als tussenpersoon een tweetal financiële producten aangeboden en verkocht, terwijl ontwikkelaars en adviseurs van mening waren dat de producten niet gereed én niet geschikt waren om op de markt te brengen.

Aan mensen die gingen scheiden werd een product aangeboden dat een zo hoog rendement zou generen dat een van beide ex-partners de ander zou kunnen uitkopen en in het huis zou kunnen blijven wonen omdat 10 jaar lang een maandelijkse uitkering zou volgen waarmee de hogere hypotheekrente kon worden betaald; na 10 jaar zou daarbovenop de inleg worden geretourneerd.

Later werd de klantenkring uitgebreid door het beleggingsproduct ook aan te bieden aan mensen die hun inkomen wilden aanvullen. Aan hen werd eenzelfde soort rendement in het vooruitzicht gesteld en ook zij zouden na 10 jaar de inleg terug ontvangen.

Het rendement van de producten zou gehaald worden uit hoog renderende Amerikaanse life settlements.

Zoals de AFM reeds waarschuwde op de website moet voor een enigszins verantwoorde belegging in ‘life settlement’-polissen sprake zijn van een fonds van minstens 100 miljoen euro aan polissen. Hiervan was absoluut geen sprake: er lijken hooguit twee polissen te zijn aangeschaft. De aankoop van deze ‘life settlements’ (levensverzekeringen) uit Amerika is derhalve nooit in realistische mate van de grond gekomen

Terwijl verdachten hiervan op de hoogte waren, hebben zij gedurende 3 jaar de producten aan cliënten in een kwetsbare positie verkocht. Het betrof hier met name mensen die middenin een echtscheiding zaten en hun huis niet langer konden betalen, maar ook mensen die in financiële problemen zaten omdat zij hun werk waren kwijtgeraakt of mensen die graag eerder met pensioen wilden gaan. Verdachte heeft met haar medeverdachte schaamteloos misbruik gemaakt van de situatie waarin deze personen zich bevonden en gespeeld met de belangen van cliënten die vertrouwen in haar stelden. Er zijn door hen aanzienlijke bedragen ingelegd, van enkele tienduizenden tot meer dan honderdduizend euro. Allen tezamen hebben zij in totaal een bedrag van € 1.310.601,10 ingelegd. Verdachte ging in 2009 zelfs actief op zoek naar meer inleggers die niet binnen de aanvankelijke doelgroep vielen.

De medeverdachte heeft het overgrote deel van de ingelegde gelden besteed aan andere doeleinden dan waarvoor ze waren ingelegd: vanaf de beginfase, bij wijze van een piramidespel, voor het uitbetalen van rendementen, maar bovenal voor overboekingen naar bedrijven van verdachte(n), waaronder de noodlijdende sportschool van de toenmalige partner van de medeverdachte en voor privé-uitgaven van beide verdachten. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat zij haar eigen financiële gewin en het in stand houden van haar bedrijf voor heeft laten gaan op de belangen van de inleggers.

Verdachte was niet degene die direct bij het geld kon en die de overboekingen heeft geregeld. Dat was haar [medeverdachte 1] . Zij heeft ook in mindere mate geprofiteerd dan haar mededader. Daarmee houdt de rechtbank in haar voordeel rekening.


Verdachte en haar mededader hebben door aldus te handelen het vertrouwen dat bij de inleggers is gewekt op ernstige wijze beschaamd en de slachtoffers ernstig financieel benadeeld. De slachtoffers hebben hun spaargelden, vermogen of andere bronnen van inkomsten in rook zien opgaan.
Integriteit en vertrouwen zijn belangrijke pijlers in het handelsverkeer en de financiële dienstverlening. Verdachte en haar mededader hebben aan deze pijlers gezaagd. De slachtoffers die zij met een financiële en vaak ook emotionele strop hebben opgezadeld, zijn daarmee niet de enige benadeelden. De branche als zodanig heeft door het handelen van verdachten eveneens schade opgelopen.

Verdachte heeft zich naast oplichtingen en witwassen ook schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Om een hogere hypotheek voor haar cliënten te kunnen verkrijgen, hetgeen onder meer nodig was om de cliënten te kunnen laten deelnemen aan de beleggingsproducten bedoeld in feit 1, heeft verdachte samen met enkele van haar cliënten valsheid in geschrift gepleegd. Ook hierin heeft verdachte laten zien in haar rol van financieel adviseur weinig scrupules te kennen en bij haar handelen niet te zijn gericht op het verantwoord omgaan met de financiële belangen van haar cliënten, maar op het afsluiten van financiële producten, waar zij voordeel aan had.


Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten (in casu de oriëntatiepunten fraude) dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.


Uitgaande van dat vertrekpunt, acht de rechtbank, mede gelet op het feit dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten in aanraking is gekomen met justitie in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden gerechtvaardigd.
De rechtbank neemt aldus een zwaardere straf tot uitgangspunt dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

Omtrent de vraag of er berechting plaatsvindt binnen een redelijke termijn overweegt de rechtbank als volgt.

De redelijke termijn is aangevangen met de eerste handeling waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat het openbaar ministerie tegen haar een strafvervolging zou instellen, in dit geval het moment waarop doorzoekingen in deze zaak hebben plaatsgevonden, in december 2013.
Omdat het een complexe zaak betreft zou de rechtbank voor de eerste aanleg een termijn van 3 jaren redelijk achten. Deze duur van 3 jaren is echter ruim, te weten met 3,5 jaar, overschreden, nu eerst in juni 2020 vonnis wordt gewezen. Van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens is aldus sprake en deze overschrijding dient in de straf te worden verdisconteerd.
Om die reden zal de rechtbank in plaats van voornoemde straf van 20 maanden een gevangenisstraf van 18 maanden opleggen. Deze straf is passend en geboden en in verband met een juiste normhandhaving kan niet worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf.

Gelet op voormelde overschrijding van de redelijke termijn, acht de rechtbank oplegging van de bijkomende straf ontzetting uit het recht het beroep van aanbieder van beleggingsproducten, zoals door de officier van justitie gevorderd, niet passend.


De vorderingen van de benadeelde partijen.

In deze strafzaak zijn door benadeelde partijen 22 civiele vorderingen tot schadevergoeding ingediend.

Deze benadeelden hebben tevens verzocht om opleggen van de schadevergoedingsmaatregel met gijzeling (voorheen vervangende hechtenis) daaraan gekoppeld bij niet-betaling.

Telkens wordt ook wettelijke rente verzocht en hoofdelijke toewijzing van de betrokken daders.

De vorderingen komen er kortgezegd op neer dat de inleg in het beleggingsproduct wordt gevorderd met daarop in mindering gebracht de wel aan de inleggers uitbetaalde rentebetalingen.

Enkele benadeelde partijen vorderen tevens:

  • -

    verlies rendement;

  • -

    de kosten van het eerdere gevoerde kort geding;

  • -

    kosten van het oversluiten van de hypotheek;

  • -

    gewijzigde hypotheekrente;

  • -

    restschuld na verkoop woning;

  • -

    immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de vorderingen toewijsbaar geacht voor zover deze de inleg betreffen (mits het ingelegde bedrag eenduidig uit de stukken gevoegd bij de civiele vordering blijkt) minus de uitbetaalde rendementen en de kosten in verband met het oversluiten van de hypotheek naar een hogere dan wel aflossingsvrije hypotheek.

Wat betreft de overige schadeposten (verlies rendement, kosten kort geding, gewijzigde hypotheekrente, restschuld en immateriële schade) heeft de officier van justitie de benadeelden niet-ontvankelijk geacht in hun vorderingen.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte en haar [medeverdachte 1] hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de schade.

Als ingangsdatum voor de toe te wijzen wettelijke rente heeft de officier van justitie 1 juli 2010 passend geacht nu de laatste inleg is geschied op 24 juni 2010.

De officier van justitie heeft oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met in totaal 365 dagen vervangende hechtenis gevorderd.

Het standpunt van de verdediging.

Namens verdachte is per benadeelde partij uitvoerig uiteengezet dat de vordering is verjaard, zodat de vorderingen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

Subsidiair is aangevoerd dat de vorderingen gericht tegen verdachte als privépersoon dienen te worden afgewezen omdat geen enkele juridische grondslag bestaat; immers heeft geen van de benadeelde partijen aan de vordering op grond van onrechtmatige daad ten grondslag gelegd dat verdachte bestuurdersaansprakelijk was.

Met betrekking tot de benadeelde partij [slachtoffer 7] is nog aangevoerd dat zij niet-ontvankelijk is in de vordering omdat zij niet bevoegd was een vordering in te dienen omdat zij in de schuldsanering zat.

Beoordeling. De rechtbank acht de benadeelde partijen in beginsel ontvankelijk in hun vorderingen nu sprake is geweest van een onrechtmatige daad, namelijk de bewezen verklaarde oplichting, meermalen gepleegd.

De rechtbank ziet geen redenen tot niet-ontvankelijkheid te beslissen omdat de vorderingen van dermate eenvoudige aard zijn dat van een onevenredige belasting van het strafgeding geen sprake is. De rechtbank kan bij de beoordeling van de vorderingen bovendien gebruik maken van haar bevoegdheid de omvang van schade te schatten.

Wat betreft verjaring van de vorderingen overweegt de rechtbank als volgt.
Artikel 3:310 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek luidt:

“Een rechtsvordering tot vergoeding van schade of tot betaling van een bedongen boete verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade of de opeisbaarheid van de boete als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt of de boete opeisbaar is geworden.”

Artikel 3:310 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek luidt:
“Indien de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, een strafbaar feit oplevert waarop de Nederlandse strafwet toepasselijk is, verjaart de rechtsvordering tot vergoeding van schade tegen de persoon die het strafbaar feit heeft begaan niet zolang het recht tot strafvordering niet door verjaring of door de dood van de aansprakelijke persoon is vervallen.”

Dit wetsartikel is in werking getreden op 1 april 2013.

Het overgangsrecht volgens de Memorie van Toelichting (32853, nr. 3):
Het voorstel bevat geen bijzondere bepaling van overgangsrecht omdat onmiddellijke werking van het voorstel gewenst is. Dit vloeit voort uit artikel 68a lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (Ow). Het voorgestelde verjaringsregime is derhalve ook van toepassing op strafbare feiten die vóór de inwerkingtreding van het onderhavige voorstel zijn begaan. Onwenselijk is evenwel dat dit tot gevolg kan hebben dat een dader van een strafbaar feit met een vordering geconfronteerd kan worden, die onder het huidige regime reeds verjaard was. Artikel 73a lid 2 Ow voorkomt dit. Deze bepaling bewerkstelligt dat een verjaringstermijn die reeds is verstreken, niet door de inwerkingtreding van de wet «herleeft».

Op grond van deze wetsbepalingen en het overgangsrecht concludeert de rechtbank dat de vorderingen in de onderhavige strafzaak niet zijn verjaard.

Anders dan de verdediging heeft betoogd staat de omstandigheid dat de benadeelde partij [slachtoffer 7] onder bewind stond niet in de weg aan de ontvankelijkheid van haar vordering. Immers is degene die in het kader van de WSNP onder bewind staat zelfstandig bevoegd tot het verrichten van rechtshandelingen, zo is uit artikel 297 van de Faillissementswet af te leiden.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade:

- de inleg in het beleggingsproduct minus de maandelijkse uitbetalingen die wel gedaan zijn door verdachte en/of haar mededader;

anders dan de officier van justitie en de verdediging zal de rechtbank bij de berekening van het resultaat hiervan naast de bij de vordering overgelegde stukken ook de aangiften en bijlagen daarbij betrekken;

de rechtbank overweegt dat bij het vaststellen van de omvang van de schade zij niet per se is gebonden aan de normale regels van stelplicht en bewijslast, maar ingevolge art. 6:97 BW bevoegd is de schade te begroten op de wijze die met de aard van deze schade in overeenstemming is of deze te schatten indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld.

- voor zover gevorderd: de kosten in verband met het oversluiten van de hypotheek;

- voor zover gevorderd: de gewijzigde hypotheekrente.

De toe te wijzen bedragen per benadeelde partij worden hierna in het dictum weergegeven, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank acht deze ingangsdatum passend nu gebleken is dat de maandelijkse uitbetalingen door verdachte en/of haar mededader tot de maand januari 2011 in de meeste gevallen nog zijn verricht.

De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de volgende onderdelen van de vorderingen (voor zover per persoon van toepassing):

  • -

    de kosten van het kort geding, aangezien in zoverre geen sprake is van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade. Het kort geding zag op nakoming van de overeenkomst, terwijl het bewezen verklaarde feit oplichting betreft;

  • -

    immateriële schade;

artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:
a. oogmerk om zodanige schade toe te brengen, bijvoorbeeld indien de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen;
b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;
(c. bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.)
Van de onder b.3 bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

De rechtbank is van oordeel dat van deze laatst vermelde omstandigheid geen sprake is. De benadeelde partijen in kwestie die zich als gevolg van de oplichting erop hebben beroepen ‘op andere wijze’ in de persoon te zijn aangetast, hebben naar het oordeel van de rechtbank daartoe onvoldoende concrete gegevens aangedragen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en haar mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelden hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag per slachtoffer tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot de dag der algehele voldoening.

Naar het oordeel van de rechtbank staat niet op voorhand vast dat het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot het in de toekomst tenuitvoerleggen van vervangende hechtenis (rechtbank: thans gijzeling). De rechtbank zal dan ook niet afzien van de oplegging van oplegging van de maatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Gijzeling gekoppeld aan de schadevergoedingsmaatregel.

Op 1 januari 2020 is de "Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen" in werking getreden. In deze wet is onder meer bepaald dat geen sprake meer is van vervangende hechtenis bij niet (tijdige) voldoening aan een schadevergoedingsmaatregel, maar van gijzeling. Deze bepaling is ook op onderhavige zaak van toepassing.

Deze gijzeling zal door het Openbaar Ministerie niet worden toegepast in geval van betalingsonmacht van de veroordeelde (artikel 6:4:20 lid 3 Wetboek van Strafvordering).

De maximale duur van de gijzeling is gelijk aan die van de vervangende hechtenis die kan worden opgelegd, te weten één jaar.

Gelet op deze maximering zal de rechtbank per opgelegde schadevergoedingsmaatregel het aantal dagen gijzeling stellen op 16 dagen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 36f, 47, 57, 60a, 225, 326, 420bis

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

(ten aanzien van feit 1 primair:)

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;(ten aanzien van feit 2:)

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd(ten aanzien van feit 1 primair:)

medeplegen van witwassen.

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf en maatregelen:

 een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;

 maatregel van schadevergoeding van EUR 77.100,14 subsidiair 16 dagen gijzeling

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] van een bedrag van EUR 77.100,14 (zegge: zevenenzeventigduizend en honderd euro en veertien eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen en daarnaast de posten kosten afsluiten hypotheek).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

 maatregel van schadevergoeding van EUR 32.390,00 subsidiair 16 dagen gijzeling

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 26] van een bedrag van EUR 32.390,00 (zegge: tweeëndertig duizend driehonderdnegentig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

 Maatregel van schadevergoeding van EUR 62.444,00 subsidiair 16 dagen gijzeling

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 16] van een bedrag van EUR 62.444,- (zegge: tweeënzestigduizend vierhonderdvierenveertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

 Maatregel van schadevergoeding van EUR 39.392,50 subsidiair 16 dagen gijzeling

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 21] van een bedrag van EUR 39.392,50 (zegge: negenendertigduizend driehonderd tweeënnegentig euro en vijftig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

 Maatregel van schadevergoeding van EUR 21.100,00 subsidiair 16 dagen gijzeling

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 22] van een bedrag van EUR 21.100,- (zegge: eenentwintigduizend eenhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

 Maatregel van schadevergoeding van EUR 14.750,00 subsidiair 16 dagen gijzeling

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 10] van een bedrag van EUR 14.750,00 (zegge: veertienduizend zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

 Maatregel van schadevergoeding van EUR 73.882,98 subsidiair 16 dagen gijzeling

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van EUR 73.882,98 (zegge: drieënzeventigduizend achthonderdtweeëntachtig euro en achtennegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen en daarnaast de post kosten oversluiten hypotheek).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

 Maatregel van schadevergoeding van EUR 105.280,22 subsidiair 16 dagen gijzeling

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 12] van een bedrag van EUR 105.280,22 (zegge: honderdvijfduizend tweehonderdtachtig euro en tweeëntwintig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen en daarnaast de post kosten oversluiten hypotheek).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

 Maatregel van schadevergoeding van EUR 52.000,- subsidiair 16 dagen gijzeling

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] van een bedrag van EUR 52.000,- (zegge: tweeënvijftigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

 Maatregel van schadevergoeding van EUR 21.228,44 subsidiair 16 dagen gijzeling

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 18] van een bedrag van EUR 21.228,44 (zegge: eenentwintigduizend tweehonderdachtentwintig euro en vierenveertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen en daarnaast de posten kosten oversluiten hypotheek en de hypotheekrente).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

 Maatregel van schadevergoeding van EUR 21.228,44 subsidiair 16 dagen gijzeling

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 19] van een bedrag EUR 21.228,44 (zegge: eenentwintigduizend tweehonderdachtentwintig euro en vierenveertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen en daarnaast de posten kosten oversluiten hypotheek en de hypotheekrente).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

 Maatregel van schadevergoeding van EUR 77.500,- subsidiair 16 dagen gijzeling

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 17] van een bedrag van EUR 77.500,00 (zegge: zevenenzeventigduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

 Maatregel van schadevergoeding van EUR 21.920,16 subsidiair 16 dagen gijzeling

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] van een bedrag van EUR 21.920,16 (zegge: eenentwintigduizend negenhonderdtwintig euro en zestien eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

 Maatregel van schadevergoeding van EUR 85.826,14 subsidiair 16 dagen gijzeling

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer M.H. [slachtoffer 2] van een bedrag van EUR 85.826,14 (zegge: vijfentachtigduizend achthonderdzesentwintig euro en veertien eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

 Maatregel van schadevergoeding van EUR 38.914,13 subsidiair 16 dagen gijzeling

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 20] van een bedrag van EUR 38.914,13 (zegge: achtendertigduizend negenhonderdveertien euro en dertien eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

 Maatregel van schadevergoeding van EUR 27.600,- subsidiair 16 dagen gijzeling

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 15] van een bedrag van EUR 27.600,- (zegge: zevenentwintigduizend zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

 Maatregel van schadevergoeding van EUR 15.250,- subsidiair 16 dagen gijzeling

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 14] van een bedrag van EUR 15.250,- (zegge: vijftienduizend tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

 Maatregel van schadevergoeding van EUR 63.600,- subsidiair 16 dagen gijzeling

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 24] van een bedrag van EUR 63.600,- (zegge: drieënzestigduizend zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

 Maatregel van schadevergoeding van EUR 33.700,- subsidiair 16 dagen gijzeling

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7] van een bedrag van EUR 33.700,- (zegge: drieëndertigduizend zevenhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

 Maatregel van schadevergoeding van EUR 15.250,- subsidiair 16 dagen gijzeling

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 27] (rechtbank begrijpt echtpaar [slachtoffer 13]) van een bedrag van EUR 15.250,- (zegge: vijftienduizend tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

 Maatregel van schadevergoeding van EUR 23.962,99 subsidiair 16 dagen gijzeling

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] van een bedrag van EUR 23.962,99 (zegge: drieëntwintigduizend negenhonderdtweeënzestig euro en negenennegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen en daarnaast de kosten voor het oversluiten van de hypotheek en de hypotheekrente).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

 Maatregel van schadevergoeding van EUR 26.225,01 subsidiair 16 dagen gijzeling

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 8] van een bedrag van EUR 26.225,01 (zegge: zesentwintigduizend tweehonderdvijfentwintig euro en één eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen:

1. wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] van een bedrag van EUR 77.100,14 (zegge: zevenenzeventigduizend en honderd euro en veertien eurocent), te weten materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen en daarnaast de posten kosten afsluiten hypotheek).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering, betreffende de immateriële schade en de gevorderde kosten in verband met het gevoerde kort geding, niet-ontvankelijk is.

2) wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 26] toe en veroordeelt verdachte tot

betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 26] van een bedrag van EUR 32.390,00 (zegge: tweeëndertig duizend driehonderdnegentig euro), te weten materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot

betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering, zijnde de kosten in verband met het gevoerde kort geding, niet-ontvankelijk is.

3) wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 16] toe en veroordeelt verdachte tot

betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 16] van een bedrag van EUR 62.444,- (zegge: tweeënzestigduizend vierhonderdvierenveertig euro), te weten materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot

betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

4) wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 21] toe en veroordeelt verdachte tot

betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 21] van een bedrag van EUR 39.392,50 (zegge: negenendertigduizend driehonderd tweeënnegentig euro en vijftig eurocent), te weten materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot

betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering, zijnde de kosten in verband met het gevoerde kort geding, niet-ontvankelijk is.

5) wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 22] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 22] van een bedrag van EUR 21.100,- (zegge: eenentwintigduizend eenhonderd euro), te weten materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot

betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

6) wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 10] van een bedrag van EUR 14.750,00 (zegge: veertienduizend zevenhonderdvijftig euro), te weten materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot

betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering, zijnde de kosten in verband met het gevoerde kort geding, niet-ontvankelijk is.

7) wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van EUR 73.882,98 (zegge: drieënzeventigduizend achthonderdtweeëntachtig euro en achtennegentig eurocent), te weten materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen en daarnaast de post kosten oversluiten hypotheek).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot

betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

8) wijst de vordering van de benadeelde partij toe [slachtoffer 12] en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 12] van een bedrag van EUR 105.280,22 (zegge: honderdvijfduizend tweehonderdtachtig euro en tweeëntwintig eurocent), te weten materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen en daarnaast de post kosten oversluiten hypotheek).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot

betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering, betreffende de immateriële schade, niet-ontvankelijk is.

9) wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van een bedrag van EUR 52.000,- (zegge: tweeënvijftigduizend euro), te weten materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot

betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

10) wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 18] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 18] van een bedrag van EUR 21.248,43 (zegge: eenentwintigduizend tweehonderdachtenveertig euro en drieënveertig eurocent), te weten materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen en daarnaast de posten kosten oversluiten hypotheek en de hypotheekrente).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot

betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering, zijnde de kosten in verband met het gevoerde kort geding, niet-ontvankelijk is.

11) wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 19] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 19] van een bedrag van EUR 21.248,43 (zegge: eenentwintigduizend tweehonderdachtenveertig euro en drieënveertig eurocent), te weten materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen en daarnaast de posten kosten oversluiten hypotheek en de hypotheekrente).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot

betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering, zijnde de kosten in verband met het gevoerde kort geding, niet-ontvankelijk is.

12) wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 17] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 17] van een bedrag van EUR 77.500,00 (zegge: zevenenzeventigduizend vijfhonderd euro), te weten materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot

betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering, zijnde de kosten in verband met het gevoerde kort geding, niet-ontvankelijk is.

13) wijst de vordering van de benadeelde partij toe [slachtoffer 4] en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] van een bedrag van EUR 21.920,16 (zegge: eenentwintigduizend negenhonderdtwintig euro en zestien eurocent), te weten materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot

betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering, zijnde de kosten in verband met het gevoerde kort geding, niet-ontvankelijk is.

14) wijst de vordering van de benadeelde partij M.H. [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij M.H. [slachtoffer 2] van een bedrag van EUR 85.826,14 (zegge: vijfentachtigduizend achthonderdzesentwintig euro en veertien eurocent), te weten materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot

betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

15) wijst de vordering van de benadeelde partij toe [slachtoffer 20] en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 20] van een bedrag van EUR 38.914,13 (zegge: achtendertigduizend negenhonderdveertien euro en dertien eurocent), te weten materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot

betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

16) wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 15] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 15] van een bedrag van EUR 27.600,- (zegge: zevenentwintigduizend zeshonderd euro), te weten materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot

betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering, zijnde de kosten in verband met het gevoerde kort geding, niet-ontvankelijk is.

17) wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 14] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 14] van een bedrag van EUR 15.250,- (zegge: vijftienduizend tweehonderdvijftig euro), te weten materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot

betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

18) wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 24] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 24] van een bedrag van EUR 63.600,- (zegge: drieënzestigduizend zeshonderd euro), te weten materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot

betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering, zijnde de kosten in verband met het gevoerde kort geding, niet-ontvankelijk is.

19) wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 7] van een bedrag van EUR 33.700,- (zegge: drieëndertigduizend zevenhonderd euro), te weten materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot

betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering, betreffende de immateriële schade, niet-ontvankelijk is.

20) wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 27] (rechtbank begrijpt echtpaar [slachtoffer 13] )toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 27] (rechtbank begrijpt echtpaar [slachtoffer 13] ) van een bedrag van EUR 15.250,- (zegge: vijftienduizend tweehonderdvijftig euro), te weten materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot

betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering, zijnde de kosten in verband met het gevoerde kort geding, niet-ontvankelijk is.

21) wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] van een bedrag van EUR 23.962,99 (zegge: drieëntwintigduizend negenhonderdtweeënzestig euro en negenennegentig eurocent), te weten materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen en daarnaast de kosten voor het oversluiten van de hypotheek en de hypotheekrente).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot

betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering, zijnde de kosten in verband met het gevoerde kort geding, niet-ontvankelijk is.

22) wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 8] van een bedrag van EUR 26.225,01 (zegge: zesentwintigduizend tweehonderdvijfentwintig euro en één eurocent), te weten materiële schade (post inleg minus maandelijkse uitbetalingen).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot

betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering, betreffende de immateriële schade, niet-ontvankelijk is.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.H.J.J. van de Wetering, voorzitter,

mr. W. Brouwer en mr. A.C. Palmboom, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. van der Sluijs, griffier,

en is uitgesproken op 29 juni 2020.

1 HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578