Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:3089

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-06-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
SHE 20/1304
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting op grond van artikel 13b, aanhef en onder b, van de Opiumwet. Burgemeester is bevoegd om de inrichting achter op het perceel waarin twee ruimtes waren ingericht als kweekruimte met materialen die kunnen worden gebruikt om een grootschalige, professionele hennepkwekerij op te zetten en de woning te sluiten, omdat sprake is van een functionele samenhang. De inrichting werd illegaal voorzien van stroom vanuit de meterkast in de woning. Sluiting voor drie maanden heeft de burgemeester in redelijkheid proportioneel kunnen vinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/1304

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juni 2020 in de zaak tussen

[zoon] , zoon,

[vader] , vader,

beiden wonen in de gemeente Mill en Sint Hubert,

hierna worden zoon en vader samen verzoekers genoemd

(gemachtigde: mr. Chr. Nome),

en

de burgemeester van de gemeente Mill en Sint Hubert, de burgemeester

(gemachtigden: A. Lamers en mr. J.T.M. Dortmans).

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2020 (bestreden besluit) heeft de burgemeester besloten de woning en het achterste deel van het daarbij horende perceel op het adres [adres] (het object) op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor de duur van drie maanden te sluiten.

Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd het bestreden besluit te schorsen, of te bepalen dat de burgemeester het bestreden besluit direct moet herzien zodat alleen de inrichting aan de achterzijde van het perceel wordt gesloten en dus niet de woning en de stal(len), totdat in hoogste instantie op de bezwaren is beslist, of een ander besluit te nemen waardoor vader in de woning kan blijven wonen en de dieren kan blijven verzorgen.

Bij brief van 12 mei 2020 heeft de burgemeester laten weten dat hij wil wachten met het sluiten van het object tot een week nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening.

De zaak is telefonisch op een zitting behandeld op 9 juni 2020. Verzoekers en de burgemeester hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Aan het einde van de zitting heeft de voorzieningenrechter het onderzoek geschorst om de burgemeester de gelegenheid te geven het verweerschrift diezelfde dag (nog een keer) naar de rechtbank en de gemachtigde van verzoekers te sturen. Verzoekers krijgen daarna de gelegenheid om uiterlijk op 12 juni 2020 op het verweerschrift te reageren.

Nadat de burgemeester het verweerschrift op 9 juni 2020 naar de rechtbank en de gemachtigde van verzoekers heeft gestuurd, hebben verzoekers op 12 juni 2020 hun reactie op het verweerschrift gegeven.

Op 18 juni 2020 hebben partijen de voorzieningenrechter laten weten dat zij het niet nodig vinden de zaak nogmaals op een zitting te behandelen.

Hierna heeft de voorzieningenrechter het onderzoek op 18 juni 2020 gesloten.

Overwegingen

De feiten

1. De zoon is geboren op [geboortedatum 1] en de vader is geboren op [geboortedatum 2] . De zoon is eigenaar van de woning, het erf en de veehandel op het adres [adres] . De zoon woont niet in de woning, maar woont met zijn vrouw en kinderen op een ander, voor de gemachtigde van verzoekers onbekend, adres in de gemeente Mill en Sint Hubert. De zoon verhuurt de woning aan vader. De vader woont in de woning en verzorgt de daar aanwezige dieren van de zoon.

In een proces-verbaal van de politie (bestuurlijke rapportage) van 26 maart 2020 staat het volgende:

“(…) Bij de politie zijn vijf MMA meldingen binnengekomen, te weten: 23 januari 2020, 27 januari 2020, 12 februari 2020, 17 februari 2020 en 28 februari 2020. De inhoud van deze meldingen betrof het feit dat er ernstig vermoeden bestond dat er een hennepkwekerij aanwezig was op het terrein van het perceel. De hennepkwekerij zou in een blauwe zeecontainer gevestigd zijn en met name in de avond - en nachtelijke uren, werd er bedrijvigheid gezien op het terrein. Op dinsdag 3 maart 2020 is er, naar aanleiding van diverse MMA meldingen, onderzoek verricht op het perceel van de [adres] . Dit perceel bestaat uit een vrijstaand woonhuis en schuur. Achter de schuur bevindt zich een stuk grond alwaar diverse voertuigen en andere materialen geplaatst zijn.

Het perceel en woonhuis zijn eigendom van:

[de zoon].

Zijn vader (…) staat aldaar ingeschreven en verblijft daar ook daadwerkelijk. Op het perceel is een bedrijf gevestigd. Dit betreft een veehandel. Op het moment van onderzoek stond er vee in de stal, het aantal is ons niet bekend. In de MMA meldingen werd gesproken over een blauwe zeecontainer. Deze zeecontainer werd aangetroffen op het perceel. Deze zeecontainer stond echter niet meer op de plaats alwaar hij stond op luchtfoto’s welke verkregen zijn van de gemeente Mill en St. Hubert. De zeecontainer was door middel van een hangslot afgesloten. Dit slot is geforceerd. In de zeecontainer werd materiaal aangetroffen ten behoeve van een hennepkwekerij (…).

Door het luik te openen werd een ondergrondse hennepkwekerij aangetroffen, bestaande uit twee kweekruimtes. In de eerste kweekruimte stonden minimaal 1612 henneppotten, gevuld met potgrond en zonder hennepplanten. De potgrond was ongebruikt maar wel voorzien van voedingsmiddelen. De oppervlakte van de beplanting in de eerste kweekruimte betrof 40,3 m2. In de ruimten hingen assimilatielampen en koolstoffilters. In de ruimten stonden ventilatoren, transformators en knipbenodigdheden (…). In de tweede kweekruimte stonden minimaal 1340 henneppotten, gevuld met potgrond en zonder hennepplanten. De potgrond was ongebruikt maar wel voorzien van voedingsmiddelen. De oppervlakte van de beplanting in de tweede kweekruimte betrof, 33,5 m2. In de ruimten stonden ventilatoren, transformators en knipbenodigdheden (…). In de kweekruimtes werden jerrycans met voedingsmiddelen ten behoeve van hennep aangetroffen (…).

In de kweekruimtes werden scharen aangetroffen. Op deze scharen bevonden zich hennepresten in de vorm van THC (…) (…). Verder werden er op het terrein gebruikte afzuigers en nieuwe potgrond aangetroffen (…). Kalkafzetting, stof op de koolstoffilters, stof op voorwerpen, aantreffen van knipscharen en potgrond/wortelresten tonen eerdere oogsten aan. Naar aanleiding van bovenstaande feiten wordt uitgegaan van drie reeds eerder gerealiseerde oogsten in beide kweekruimtes. Voorts bleek dat de stroomvoorziening ten behoeve van de kwekerij illegaal was aangelegd. In de woning, onder de meterkast, in de kelder, bleek de stroom afgetapt te worden. De illegale aftakking liep buiten de hoofdveiligheid in de aansluitkast van Enexis om. Dit is vastgesteld door de fraude inspecteur van Enexis. Van deze diefstal van stroom is door de fraude inspecteur bij de politie aangifte gedaan. De geleden schade door Enexis is in rekening gebracht aan (…) en bedraagt 13.702,40 euro.(…)”

Bij brief van 19 maart 2020 heeft de burgemeester verzoekers laten weten dat hij het voornemen heeft het hele perceel met alles wat daarop staat voor zes maanden te sluiten. Bij brief van 30 maart 2020 hebben verzoekers een zienswijze ingediend en op 6 april 2020 is er een zienswijzegesprek geweest.

De overige feiten staan onder het kopje Procesverloop.

Het standpunt van de burgemeester

2. Gelet op wat de politie op het bij de woning horende perceel heeft gevonden, vindt de burgemeester dat hij op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Opiumwet en de beleidsregel artikel 13b Opiumwet gemeente Mill en Sint Hubert 2019 van 17 juli 2019 (beleid), bevoegd is het object te sluiten en dat een sluiting van drie maanden proportioneel, dus redelijk, is.

Het karakter van de procedure: een voorlopige voorziening

3. Het gaat hier om een verzoek om een voorlopige voorziening. Uitgangspunt van de wet is dat het maken van bezwaar de werking van een besluit niet opschort (artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Met andere woorden: het besluit blijft van kracht ook als er bezwaar tegen is gemaakt. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid daartoe is geregeld in artikel 8:81 van de Awb. In dat artikel staat dat als tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De verzoeker moet dus goede redenen hebben die maken dat hij de beslissing op het bezwaar niet kan afwachten en een uitzondering op de hoofdregel dat het bezwaar de uitvoering van het besluit niet schorst, rechtvaardigen. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de beslissing op het bezwaar. De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard en de rechtbank die in een later stadium op het eventuele beroep beslist, is niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden.

Onverwijlde spoed?

4. De voorzieningenrechter vindt op grond van alle feiten en omstandigheden dat het belang van verzoekers bij het treffen van een voorlopige voorziening in dit geval voldoende spoedeisend is.

De beoordeling van het bestreden besluit aan de hand van de gronden

5. Verzoekers hebben (tijdens de zitting) gezegd dat zij zich niet verzetten tegen sluiting van de inrichting (de blauwe container en de mestkelder daaronder) achter op het perceel, maar alleen tegen sluiting van de woning. De voorzieningenrechter stelt daarom vast dat verzoekers de bevoegdheid van de burgemeester om dat deel van het object te sluiten niet betwisten en dat zij een sluiting daarvan voor een periode van 3 maanden redelijk vinden. De voorzieningenrechter zal dan ook alleen nog in gaan op de bevoegdheid van de burgemeester om de woning te sluiten en op de vraag of sluiting daarvan voor 3 maanden proportioneel is.

De bevoegdheid van de burgemeester

6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de door de burgemeester gebruikte bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet geen strafrechtelijke, maar een bestuursrechtelijke bevoegdheid met een herstellend karakter is. Met de sluiting van het object wordt onder meer geprobeerd de openbare orde en de rust in de omgeving te herstellen, en de loop naar het object te verbreken.

7. Vervolgens constateert de voorzieningenrechter dat de burgemeester het bestreden besluit heeft gebaseerd op artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a én b, van de Opiumwet. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de burgemeester gezegd dat dit een primair en subsidiair standpunt is: primair wordt gesloten op de b-grond en subsidiair op de a-grond. De voorzieningenrechter zal daarom eerst de b-grond bespreken.

De b-grond

8. De geldende wetsartikelen en rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) staan in de bijlage bij deze uitspraak.

9. Verzoekers betwisten niet dat de in de bestuurlijke rapportage vermelde voorwerpen en materialen op hun perceel zijn gevonden en dat die zijn te gebruiken voor het opzetten van een hennepkwekerij. Toch vinden verzoekers dat de burgemeester niet bevoegd is de woning te sluiten, omdat er vanuit de woning geen hennep is verhandeld en zij helemaal niets van de aanwezigheid van een hennepkwekerij op hun perceel afwisten.

10. De voorzieningenrechter constateert dat de inrichting en de woning op hetzelfde perceel staan en de inrichting stroom kreeg via een illegale aftakking in de meterkast in de kelder van de woning. Daarom is er dus een functionele samenhang tussen de inrichting en de woning. Zonder de stroom uit de meterkast in de woning kon de inrichting niet in bedrijf zijn. Door de sleutel van de meterkast onbeheerd neer te hangen op een plaats waar derden deze konden pakken, zoals verzoekers hebben gezegd, hebben zij het risico aanvaard dat derden hiermee toegang zouden kunnen krijgen tot de meterkast en daarin een illegale aftakking voor de inrichting konden maken. De gevolgen hiervan komen voor rekening en risico van verzoekers. Dit is dus geen reden om te zeggen dat de burgemeester niet bevoegd was de woning te sluiten.

11. De volgende vraag die de voorzieningenrechter in het kader van de bevoegdheid moet beantwoorden is: Wisten verzoekers of hadden zij ernstige redenen om te vermoeden dat de aangetroffen voorwerpen en materialen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig of grootschalig opzetten van een hennepplantage?

12. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet deze vraag bevestigend worden beantwoord. Daarbij is van belang dat het niet gebruikelijk is dat de in de afgesloten blauwe container en de mestkelder gevonden voorwerpen en materialen – minimaal 2952 henneppotten gevuld met potgrond en voedingsmiddelen, assimilatielampen, koolstoffilters, ventilatoren, transformators, jerrycans met voedingsmiddelen en scharen met hennepresten – en de open en bloot op het perceel liggende afzuigers en nieuwe potgrond worden gebruikt in de veehandel. Van de aangetroffen voorwerpen en materialen moet met name vanwege de aard, hoeveelheid en combinatie daarvan, redelijkerwijs worden aangenomen dat die gebruikt zouden worden voor de teelt van hennep op een beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige manier, zoals ook volgt uit de bestuurlijke rapportage. Ook gelet op de grote hoeveelheid aangetroffen henneppotten met voedingsmiddelen moet, gelet op artikel 1, tweede lid, van het Opiumwetbesluit, redelijkerwijs worden aangenomen dat de voorwerpen en materialen zouden worden gebruikt voor een grootschalige hennepplantage. Wegens de hoeveelheid hennepplanten die met die voorwerpen en materialen zouden kunnen worden geteeld en de professionele aard van de aangetroffen voorwerpen en materialen, moet, gelet op paragraaf 3.2.1. van de Aanwijzing Opiumwet, ook redelijkerwijs worden aangenomen dat de voorwerpen en materialen zouden worden gebruikt voor een beroeps- of bedrijfsmatige hennepplantage. Verder is hierbij van belang dat er via Meld Misdaad Anoniem (MMA) 5 meldingen bij de politie zijn binnengekomen die inhielden dat ernstig werd vermoed dat er een hennepkwekerij in een blauwe zeecontainer op het perceel van verzoekers zat en er daar met name in de avond- en nachtelijke uren bedrijvigheid werd gezien.

13. De stelling van verzoekers dat zij niet wisten dat er een hennepkwekerij op hun perceel zat omdat de zoon er nooit kwam en de vader nooit achter de stallen kwam en niet kon zien wat er in of onder de container zat, leidt niet tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de eigenaar en/of huurder/gebruiker van een woning de plicht heeft toezicht te houden op de woning en het perceel om te voorkomen dat derden in de woning en op het perceel dingen doen die het daglicht niet kunnen verdragen. De voorzieningenrechter vindt het ook niet aannemelijk dat verzoekers niets wisten van wat er op het perceel gebeurde, gelet op de omvang van de inrichting en de daarmee gepaard gaande activiteiten die kennelijk door anderen, blijkens de MMA-meldingen, wel zijn gezien. De stelling van verzoekers tijdens de zitting dat degenen die de MMA-meldingen hebben gedaan net zo goed via via in de plaatselijke kroeg of op een verjaardag gehoord kunnen hebben dat er op het perceel hennep werd verhandeld, wordt weerlegd door de bestuurlijke rapportage waarin expliciet wordt vermeld dat er activiteiten zijn gezien.

14. De stelling van verzoekers dat zij geen overtreders zijn omdat zij niets met de kwekerij te maken hadden, leidt ook niet tot een ander oordeel. Een last onder bestuursdwang als hier aan de orde is objectgericht en niet persoonsgericht. De uitspraken van de Afdeling waarnaar verzoekers in dit verband hebben verwezen, zijn niet vergelijkbaar met deze zaak van verzoekers.

15. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de burgemeester bevoegd is om

op grond van de b-grond naast de in het bestreden besluit bedoelde inrichting, ook de woning te sluiten. Omdat de b-grond de sluiting zelfstandig kan dragen, zal de voorzieningenrechter de a-grond niet meer bespreken omdat dit niet meer tot een ander oordeel over de bevoegdheid kan leiden.

De proportionaliteit

16. De voorzieningenrechter mag het standpunt van de burgemeester over de proportionaliteit van de sluiting alleen terughoudend toetsen. Dus hij mag alleen beoordelen of de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting proportioneel is gelet op de aangevoerde omstandigheden.

17. Verzoekers vinden dat er in dit geval bijzondere omstandigheden zijn om af te zien van de sluiting. Zij hebben er allereerst op gewezen dat het zoontje van de zoon in maart 2020 door een vrachtauto op het perceel achter de woning is aangereden en als gevolg daarvan is overleden.

18. De voorzieningenrechter snapt dat het overlijden van het zoontje van de zoon een onbeschrijflijke impact heeft op in elk geval het leven van de zoon en dat van zijn gezin en vader. Ook is het onmogelijk om op voorhand te zeggen hoe lang het rouwproces zal duren. Toch heeft de burgemeester geprobeerd enigszins met dit verlies rekening te houden door langer dan normaal met de sluiting van het object te wachten, in dit geval tot drie weken na de datum van het bestreden besluit. Ondanks dat allerminst kan worden verwacht dat deze langere termijn voor verzoekers voldoende is om dit grote verlies te verwerken, mag de burgemeester er ook rekening mee houden dat gelet op wat er is gevonden op het perceel, sprake is van een ernstige situatie. Deze situatie maakt het noodzakelijk dat de openbare orde en de rust in de omgeving van het object worden hersteld en de loop naar het object wordt verbroken binnen een nog als effectief aan te merken periode na het ontdekken van de inrichting. Dit tegen elkaar afwegend heeft de burgemeester het niet gepast gevonden om te wachten met de sluiting van het object tot is beslist op het bezwaar of om van sluiting af te zien. Die periode vindt de burgemeester te lang en niet meer effectief onder meer omdat er klaarblijkelijk een criminele organisatie was betrokken bij de inrichting. In dit verband heeft de burgemeester ook nog gezegd dat hij ermee heeft ingestemd dat de sluiting niet eerder dan een week na de uitspraak van de voorzieningenrechter zal plaatsvinden. De voorzieningenrechter vindt dat de burgemeester gelet op alle omstandigheden van het geval in redelijkheid niet langer heeft hoeven te wachten met of af hoeven te zien van sluiten van het object.

19. Vervolgens hebben verzoekers aangevoerd dat sluiting van de woning ertoe zal leiden dat vader op straat komt te staan en het vee dood zal gaan en hebben zij gewezen op de coronacrisis.

20. Hierin heeft de burgemeester in redelijkheid ook geen aanleiding hoeven zien af te zien van de sluiting van het object. Ten eerste hebben verzoekers in de zienswijze niet vermeld dat de vader niet tijdelijk (voor drie maanden) bij de zoon kan wonen. Bovendien heeft de burgemeester in redelijkheid kunnen vinden dat niet is gebleken dat de vader geen tijdelijk onderdak kan krijgen bij (andere) familie, in een hotel of recreatiewoning/caravan. De burgemeester is na onderzoek gebleken dat er in Cuijk huurwoningen beschikbaar zijn. De burgemeester heeft dus diverse alternatieve mogelijkheden voor tijdelijk onderdak van de vader vermeld. Verzoekers hebben daarentegen op geen enkele wijze onderbouwd wat zij hebben gedaan om een tijdelijk onderkomen voor de vader te vinden. Zij hebben alleen gezegd dat er niet snel een andere passende woning voor vader kan worden gevonden. Dat is echter volstrekt onvoldoende. Daarbij is ook van belang dat is gebleken dat de vader in een noodgeval op de bank kan slapen bij de zoon. Dat de vader niet drie maanden in de woning van zoon zou kunnen verblijven – het huis zou te klein zijn –, is op geen enkele wijze onderbouwd. Zelfs kon de gemachtigde van verzoekers het adres van de zoon niet vermelden om te onderzoeken wat de woonsituatie van zoon is.

21. Over de stelling dat het in de stal op het perceel aanwezige vee dood zal gaan omdat vader na sluiting van het object het vee niet meer kan bereiken voor verzorging, heeft de burgemeester gezegd dat tijdens de sluiting van het object de stallen waarin het vee staat niet worden gesloten en gewoon vanaf de openbare weg bereikbaar zijn. Het is dan ook redelijk dat de burgemeester hierin geen aanleiding heeft gezien van de sluiting af te zien. De enkele niet onderbouwde stelling van verzoekers dat vader voor de verzorging van het vee per se een onderkomen op het perceel, dicht bij de stal moet hebben, leidt niet tot een ander oordeel. Op geen enkele wijze hebben verzoekers onderbouwd waarom vader het vee niet kan verzorgen als hij tijdelijk ergens anders woont.

22. Tot slot hebben verzoekers gezegd dat alles al is opgeruimd, schoongemaakt en hersteld, en dat sluiting daarom niet meer nodig is. De voorzieningenrechter wijst erop dat gelet op wat er op het perceel is aangetroffen, de noodzaak groot is om ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde, het object te sluiten. Hieraan doet niet af dat de inrichting en de aangetroffen materialen inmiddels zijn opgeruimd en de illegale stroomaftakking in de meterkast is verwijderd.

Conclusie en proceskosten

23. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen vinden dat sprake is van een ernstig geval en dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die afzien van sluiting rechtvaardigen. Daarbij is van belang dat het perceel deel uit maakte van het professionele drugscircuit, er sprake was van grootschaligheid en er eerdere oogsten zijn geweest. De burgemeester heeft daarom niet op grond van artikel 4:84 van de Awb hoeven af te wijken van het beleid. De belangenafweging heeft de burgemeester in redelijkheid in het nadeel van verzoekers mogen laten uitvallen.

24. Dit leidt ertoe dat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijst. Dat betekent dat de burgemeester het object met ingang van een week na de datum van bekendmaking van deze uitspraak om 10.00 uur voor drie maanden mag sluiten.

25. Voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski-Kelders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De beslissing is in het openbaar geschied op 22 juni 2020.

griffier De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

BIJLAGE

Volgens artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd om een last onder bestuursdwang op te leggen – bijvoorbeeld het sluiten van een woning – als een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.

In artikel 11a van de Opiumwet is bepaald dat hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.

In artikel 11, derde lid, van de Opiumwet is bepaald dat hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Op grond van artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet is het verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.

In haar uitspraak van 26 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:617) is de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ingegaan op de b-grond en hoe deze moet worden gelezen:

Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in verband met artikel 11a van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang als in een lokaal voorwerpen of stoffen voorhanden zijn, die op zichzelf bezien legaal zijn, maar waarvan de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn om in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk in strijd met artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet te handelen, zoals door middel van hennepteelt. In een dergelijk geval is het de betrokkene die in strijd met artikel 11a van de Opiumwet heeft gehandeld. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikelen 11a en 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet (Kamerstukken II 2016/17, 34 763, nr. 3, p. 4, en Kamerstukken II 2017/18, 34 763, nr. 6, p. 5) volgt dat de aangetroffen situatie van dien aard moet zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de voorhanden voorwerpen gebruikt zullen worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen. Dat vereist een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld. Dan gaat het bijvoorbeeld om de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en de hoeveelheid van de in beslag genomen stof, de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie en andere uit het opsporingsonderzoek blijkende feitelijkheden zoals resultaten van tapgesprekken of observaties. De beoordeling of sprake is van het beroeps- of bedrijfsmatig in strijd handelen met artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet is volgens paragraaf 3.2.1. van de Aanwijzing Opiumwet, in het geval van een hennepplantage, afhankelijk van het aantal planten, de mate van de professionaliteit en het doel van de teelt.

Ook is de burgemeester bevoegd als in een lokaal voorwerpen of stoffen voorhanden zijn waarvan de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn om opzettelijk in strijd met artikel 3 van de Opiumwet te handelen en, zoals is vereist op grond van artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet, het daarbij gaat om een grote hoeveelheid van de in lijst II, behorend bij de Opiumwet, bedoelde middelen. Uit artikel 1, tweede lid, van het Opiumwetbesluit volgt dat van een grote hoeveelheid sprake is bij meer dan 500 g hennep, 200 hennepplanten of 500 eenheden van een ander middel.

Om bevoegd te zijn op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet is het niet nodig dat alle aangetroffen voorwerpen tegelijk geschikt zijn om een volledige beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage op te zetten. Voldoende is dat de burgemeester aannemelijk maakt dat de betrokkene wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de voorhanden voorwerpen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig of grootschalig opzetten van een hennepplantage. Ook indien slechts een deel van de voorwerpen voorhanden is die nodig zijn om een beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage op te zetten, kan de burgemeester bevoegd zijn, mits de voorhanden voorwerpen daartoe bestemd zijn. Zoals ook volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet (Kamerstukken II 2016/17, 34 763, nr. 3, p. 3) is van belang of het pand een schakel vormt in de productie of distributie van drugs.

Artikel 1, tweede lid, van het Opiumwetbesluit luidt: De hoeveelheid middelen, bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de wet, betreft 500 gram hennep, 200 hennepplanten of 500 eenheden van een ander middel als bedoeld in de bij de wet behorende lijst II.

In paragraaf 3.2.1. (Teelt van hennep (of de cannabis plant)) van de Aanwijzing Opiumwet staat het volgende:

Deze aanwijzing gaat uit van twee situaties: er is sprake van ofwel beroeps- of bedrijfsmatige teelt, ofwel geen beroeps- of bedrijfsmatige teelt.

Niet bedrijfsmatige teelt van een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik heeft, indien de verdachte volwassen is, geen prioriteit. Teelt door minderjarigen behoort steeds te leiden tot een strafrechtelijke reactie.

Prioriteit ligt bij de beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Bij de vaststelling van hetgeen beroeps- of bedrijfsmatige teelt is, spelen de volgende factoren een rol:

- De schaalgrootte van de teelt: de hoeveelheid planten;

Bij een hoeveelheid van 5 planten of minder wordt in beginsel aangenomen dat er geen sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Deze situatie wordt gelijk behandeld als de situatie waarin wordt geconstateerd dat sprake is van een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik.

- De mate van professionaliteit, afgemeten aan het soort perceel waarop geteeld wordt, belichting, verwarming, bevloeiing, etc. (opgenomen in bijlage 1);

Indien, ongeacht de hoeveelheid planten, wordt voldaan aan twee of meer punten, genoemd in de lijst indicatoren met betrekking tot de mate van professionaliteit, zoals opgenomen in bijlage 1, wordt aangenomen dat er sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen.

- Het doel van de teelt.

Indien er sprake is van het telen van hennep om geldelijk gewin te verkrijgen, wordt, ongeacht de hoeveelheid planten, aangenomen dat er sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen.