Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:3000

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
C/01/297461 / HA ZA 15-585
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

vaststellen omvang nalatenschap; weigerachtige houding informatie te verstrekken aan overige erfgenamen; onvoldoende gemotiveerde betwisting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF Actueel 2020/227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

zaaknummer / rolnummer: C/01/297461 / HA ZA 15-585

Vonnis van 17 juni 2020

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. C.C.C.A.M. Kuijken te Valkenswaard,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. B.A.H.M. Boelens te Eindhoven.

Eisers zullen hierna gezamenlijk in mannelijk meervoud worden aangeduid als [eisers] en waar nodig ieder afzonderlijk als achtereenvolgens [eiser 1] dan wel [eiser 1] , [eiser 2] dan wel [eiser 2] en [eiser 3] dan wel [eiser 3] .

Gedaagden zullen hierna gezamenlijk in vrouwelijk meervoud worden aangeduid als de [gedaagden] en waar nodig ieder afzonderlijk als [gedaagde 1] dan wel [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dan wel [gedaagde 2] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 19 oktober 2016;

  • -

    de akte na comparitie en tussenvonnis van [eisers] ;

  • -

    de antwoordakte van de [gedaagden] ;

  • -

    het proces-verbaal van pleidooi van 29 juni 2018.

1.2.

Op verzoek van partijen is de behandeling enige maanden aangehouden om de mogelijkheden van een onderlinge regeling te verkennen. Uit het feit dat [eisers] de rechtbank daarna hebben verzocht vonnis te wijzen, leidt de rechtbank af dat partijen daarin niet zijn geslaagd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het tussenvonnis van 19 oktober 2016

2.1.

Bij gemeld tussenvonnis zijn de [gedaagden] op straffe van verbeurte van een dwangsom veroordeeld om aan [eisers] ter beschikking te stellen alle bankafschriften van alle bankrekeningen behorende tot de nalatenschappen van hun ouders, over de periode 1 januari 1995 tot 1 december 2011 en om hen een machtiging te verlenen om kopieën van bankafschriften c.q. mutaties op te vragen met betrekking tot alle bankafschriften behorende tot bedoelde nalatenschappen over dezelfde periode.

3 De verdere beoordeling

Inleidende opmerkingen

3.1.

Het geschil tussen partijen draait om de afwikkeling van de nalatenschap van hun ouders. [gedaagden] hebben daarbij, kort gezegd, het standpunt ingenomen dat die nalatenschap een minimale waarde omvatte en dat er, na aftrek van de kosten, nauwelijks iets te verdelen valt. [eisers] zijn het daar niet zo maar mee eens. Zij vinden dat de zussen, in de woorden van de rechtbank, onvoldoende openheid van zaken geven. Op pogingen van hun kant om in contact te komen over de nalatenschap hebben de [gedaagden] geweigerd in te gaan. Ook nadat [eisers] een advocaat hadden ingeschakeld zijn de [gedaagden] weigerachtig gebleven de nodige informatie te verstrekken. Uit gegevens die [eisers] zelf hebben verzameld blijkt, zo zeggen zij, dat de zussen bij leven van de ouders zijn bevoordeeld en zij vermoeden dat de zussen zich ook zelf hebben bevoordeeld ten koste van de ouders.

3.2.

Wat deze zaak compliceert, ook voor de rechtbank, is de in de processtukken als zodanig erkende (zie de antwoordakte van de [gedaagden] onder randnummer 4) weigerachtige houding van de [gedaagden] om [eisers] enige informatie over de nalatenschap te verschaffen. Ook als de [gedaagden] gelijk zouden hebben en [eisers] inderdaad tijdens het leven van de ouders weinig contact hebben onderhouden en de zorg voor hun ouders aan de zussen hebben over gelaten – [eisers] zien dat anders - neemt dat niet weg dat ook [eisers] door de ouders zijn aangewezen als hun erfgenaam. [eisers] hebben dan ook recht op hun erfdeel èn op informatie en gegevens van de [gedaagden] over de (omvang van de) nalatenschap. De rechtbank wijst op hetgeen zij daarover heeft overwogen en beslist in haar tussenvonnis van 19 oktober 2016. De rechtbank blijft bij die beslissing.

3.3.

Op de comparitie van 27 mei 2016 hebben [eisers] te kennen gegeven dat zij nader zouden aangeven welke vorderingen zouden worden gehandhaafd en welke niet. Na het tussenvonnis van 19 oktober 2016 hebben [eisers] een akte genomen waarin zij hun vorderingen hebben gepreciseerd. Voor zover daarin een wijziging van eis dient te worden gezien, geldt dat de [gedaagden] daartegen geen bezwaar hebben gemaakt, zodat de rechtbank recht zal doen op de gepreciseerde vorderingen.

De rechtbank begrijpt dat [eisers] primair vorderen dat de rechtbank de omvang en verdeling van de nalatenschap vaststelt, waarbij de nalatenschap volgens hen bestaat uit de hierna onder A. tot en met L. weer te geven bestanddelen. Daarnaast vorderen zij dat de [gedaagden] hen een bedrag zullen uitbetalen ter grootte van de legitieme portie.

3.4.

Waar in het hierna volgende bedragen in guldens zijn genoemd, is tevens de tegenwaarde in euro’s vermeld, waarbij de rechtbank heeft afgerond op hele euro’s.

A. Inboedel

3.5.

[eisers] hebben in de inleidende dagvaarding een opgave gevraagd van de inboedel van hun ouders. Daarbij hebben zij tevens een aantal zaken genoemd die volgens hen nog aanwezig zouden moeten zijn. De [gedaagden] hebben bij conclusie van antwoord (productie 4) een lijst opgesteld van de zaken die volgens hen aan hun ouders toebehoorden en hebben daarbij te kennen gegeven te zullen meewerken aan de verdeling daarvan.

3.6.

Op de comparitie van 27 mei 2016 zijn partijen overeengekomen dat de [gedaagden] een videofilm zouden maken van alle ruimten van de ouderlijke woning en ook van de inhoud van kasten en dergelijke en dat [eisers] daarna een voorstel zouden doen met betrekking tot de verdeling van de inboedel. Als niet weersproken moet worden aangenomen dat de [gedaagden] daarop twee filmpjes van in totaal 58 seconden ter beschikking hebben gesteld, waarop niet alle ruimten en de inhoud van kasten en dergelijke waren opgenomen.

3.7.

[eisers] hebben daarop verzocht conservatoir beslag te mogen leggen op de inboedel van de boerderij. Bij het verlofrekest hebben zij een inboedellijst overgelegd (overgelegd als productie 25) met daarop zaken die volgens hen in de boerderij aanwezig zouden moeten zijn. De [gedaagden] hebben deze lijst becommentarieerd in hun productie 8. De deurwaarder heeft vervolgens beslag gelegd. Het door hem opgemaakte proces-verbaal is door [eisers] overgelegd als productie 26.

3.8.

[eisers] willen dat alle zaken die op hun productie 26 alsmede alle zaken die door de [gedaagden] op hun productie 4 zijn vermeld, aan [eisers] worden toebedeeld.

3.9.

De zussen nemen het standpunt in dat de zaken waarvan zij in hun productie 8 hebben erkend dat die van hun ouders zijn, aan [eisers] kunnen worden toegedeeld, onder verrekening van de waarde van die zaken. Voor zover er op het proces-verbaal van inbeslagname andere zaken staan vermeld dan op de genoemde productie 8, stellen de [gedaagden] zich op het standpunt dat die betreffende zaken aan hen toebehoren, en daarmee geen deel uitmaken van de nalatenschap.

3.10.

De rechtbank neemt het proces-verbaal van inbeslagname (productie 26) tot uitgangspunt. Voor zover [eisers] hebben betoogd dat aan hun ouders nog andere inboedelzaken toebehoorden dan die in dat proces-verbaal zijn opgenomen, hebben zij dat onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank dat betoog verwerpt.

3.11.

Naar het oordeel van de rechtbank hadden de [gedaagden] in het kader van hun betwisting dat niet alle goederen zoals opgenomen in het proces-verbaal van inbeslagname tot de nalatenschap behoren, niet kunnen volstaan met de enkele stelling dat sommige zaken aan hen toebehoren. Daarbij heeft de rechtbank allereerst betrokken dat de [gedaagden] hun hele leven met hun ouders als een gezin hebben samengeleefd. Dat gezinsleven hebben zij bovendien op een zodanige wijze ingericht, dat van gescheiden financiële huishoudens niet of nauwelijks sprake is geweest. Verder wordt deze zaak gekenmerkt door de in de processtukken als zodanig erkende (zie de antwoordakte van de [gedaagden] onder randnummer 4) weigerachtige houding van de [gedaagden] om [eisers] enige informatie over de nalatenschap te verschaffen. Onder die omstandigheden was het aan de [gedaagden] geweest om hun stellingen nader te onderbouwen. Zij hebben dat nagelaten. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat alle zaken die beschreven staan in het proces-verbaal van inbeslagname tot de nalatenschap behoren. Elk van partijen mag op basis van het proces-verbaal van inbeslagname aangeven welke daarop vermelde zaken zij aan zich toegescheiden wensen te zien. Daarbij ziet de rechtbank geen enkele aanleiding tot een nadere verrekening van de waarde van de betreffende zaken, nu op grond van de staat van de betreffende zaken, zoals die blijkt uit de bij het proces-verbaal van inbeslagname gevoegde foto’s, moet worden aangenomen dat de betreffende zaken in het vrije verkeer geen enkele waarde hebben.

3.12.

Partijen dienen zich bij akte uit te laten over de wijze waarop zij de inboedelzaken hebben verdeeld. Als zij niet tot overeenstemming komen, zal de rechtbank de betreffende zaken naar redelijkheid en billijkheid verdelen.

B. Sieraden

3.13.

[eisers] hebben als productie 27 zes foto’s van hun moeder overgelegd (foto a tot en met f), waarop te zien is dat zij sieraden draagt. [eisers] vorderen dat de volgende op die foto’s zichtbare sieraden aan hen worden toebedeeld:

  1. Zilveren hanger met steen (foto a)

  2. Broche met steneninleg (foto b)

  3. Oorknoppen en gouden armband (foto c)

  4. Broche (foto d)

  5. Gouden ring (foto e)

  6. Gouden hanger met steen (foto f).

Indien de betreffende sieraden niet meer aanwezig zijn, moeten de [gedaagden] daarvoor een financiële compensatie in de nalatenschap inbrengen, aldus [eisers]

3.14.

De [gedaagden] stellen dat hun moeder niets gaf om sieraden. Bij gelegenheid droeg zij sieraden van [gedaagde 1] . De sieraden onder a), b), d) en f) zijn eigendom van [gedaagde 1] . [gedaagde 1] heeft de sieraden onder a) en b) geschonken gekregen door respectievelijk [naam 1] en de familie [naam 2] . Het sieraad onder d) is door [gedaagde 1] gekocht op een vlooienmarkt. De [gedaagden] vermoeden dat de sieraden onder c) zijn gestolen tijdens een inbraak rond het jaar 2000. De onder e) genoemde ring is de trouwring van hun moeder. Die is echter vermist geraakt tijdens een ziekenhuisopname van hun moeder. De [gedaagden] zeggen niet te weten waar de ring is.

3.15.

De rechtbank oordeelt als volgt. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de [gedaagden] hebben [eisers] onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat de sieraden onder a), b), d) en f) tot de nalatenschap behoren. Daarmee komen de genoemde sieraden niet voor verdeling in aanmerking. Gelet op de betwisting door de [gedaagden] staat verder niet vast dat de sieraden onder c) en e) nog aanwezig zijn in de nalatenschap. Sieraden waarvan het bestaan onzeker is, kunnen niet worden verdeeld. De rechtbank ziet geen aanleiding de [gedaagden] te verplichten een financiële compensatie te laten inbrengen voor deze sieraden, omdat [eisers] daarvoor onvoldoende gronden hebben aangevoerd.

C. Bankrekeningen

3.16.

[eisers] stellen dat zij hun vordering tot afgifte van bankafschriften handhaven. Tevens vorderen zij de verdeling van de saldi van de bankrekeningen van hun ouders per hun overlijdensdatum.

3.17.

De rechtbank kan [eisers] niet goed volgen in hun vordering met betrekking tot de afgifte van de bankafschriften. Die vordering is immers al toegewezen in het tussenvonnis van 19 oktober 2016. De rechtbank volstaat er daarom mee daarnaar te verwijzen. Dat de saldi van de bankrekening van hun ouders op hun overlijdensdatum tot de nalatenschap behoren en moeten worden verdeeld, is niet in geschil. De rechtbank zal die vordering toewijzen op de hierna weergegeven wijze.

D. Verrekeningen

3.18.

[eisers] stellen dat de nalatenschap een vordering op de [gedaagden] heeft omdat de [gedaagden] van de bankrekeningen van hun ouders gelden hebben opgenomen of besteed ten behoeve van henzelf of van hun onderneming. [eisers] merken op dat volgens de aangiftes inkomstenbelasting het vermogen van hun moeder is geslonken van € 215.528,00 in 2008 naar € 9.298,00 in 2010. Zij hebben verder overzichten in het geding gebracht van alle afboekingen die er van de bankafrekeningen van hun ouders ten behoeve van de [gedaagden] zijn gemaakt. Zij komen tot de conclusie dat de [gedaagden] over de 2008 tot en met 2011 in totaal € 66.837,24 van de rekening van hun ouders hebben opgenomen. [eisers] gaan ervan uit dat over de periode voor 2008 opnames in dezelfde orde van grootte zijn gedaan. Over de periode 1995 tot en met 2007 gaat het dan om een totaalbedrag van € 217.221,03. In totaal heeft de nalatenschap dan € 284.058,37 van de [gedaagden] te vorderen. [eisers] hebben mede in dit kader aangevoerd dat hun moeder vanaf 2006 zodanig dementerend was dat ze de gevolgen van haar handelen niet meer overzag. Hun vader overzag zijn handelingen niet meer vanaf 2007, aldus [eisers]

3.19.

Volgens de [gedaagden] ontbreekt een rechtsgrondslag voor deze vordering. Zij stellen dat hun ouders in de periode vanaf 1995 zelf afspraken met hen hebben gemaakt over de wijze waarop ze de financiën zouden regelen. De [gedaagden] en hun ouders leefden als één gezin, en zodoende werden ook alle kosten gezamenlijk betaald. De ene keer werd iets betaald van de rekeningen van een van de zussen, dan weer van de ouders en weer een andere keer van de rekening van de maatschap. Het is ondoenlijk om alle transacties over die jaren na te gaan en om te zien wie per saldo meer aan het gezin heeft bijgedragen dan de ander. Overigens bleef er niet veel over: het inkomen was minimaal en er werd sober geleefd. De zussen betwisten dat hun ouders niet meer compos mentis waren. Indien dat wel het geval zou zijn, vragen zij zich af waarom [eisers] niet veel eerder actie hebben ondernomen. Voor zover [eisers] al een verrekenvordering hebben, is die vordering na vijf jaar verjaard, zodat [eisers] uitsluitend een vordering kunnen instellen over de vijf jaar voorafgaand aan de datum van de door hen uitgebrachte dagvaarding (7 augustus 2015), aldus de [gedaagden] .

3.20.

Een duidelijke rechtsgrond voor hun vorderingen hebben [eisers] niet gesteld. De rechtbank is echter ambtshalve gehouden rechtsgronden aan te vullen. De kern van het betoog van [eisers] vormt het verwijt dat de [gedaagden] uitgaven hebben betaald van de bankrekeningen van de ouders en/of vermogen van de ouders hebben aangewend voor kosten die voor hun eigen rekening zijn en dat zij die kosten aan de nalatenschap moeten terug betalen. De rechtsgrond voor een dergelijke terugbetalingsverplichting kan gelegen zijn in hetzij onrechtmatig handelen van de [gedaagden] in de zin van artikel 6:162 BW, hetzij ongerechtvaardigde verrijking in de zin van artikel 6:212 BW. Voor onrechtmatige daad is noodzakelijk dat is voldaan aan de vereisten die artikel 6:162 BW daaraan stelt. Daarvoor bieden de stellingen van [eisers] echter onvoldoende feitelijke aanknopingspunten. Mogelijk is wel aan de orde dat de [gedaagden] door hun handelwijze ongerechtvaardigd zijn verrijkt.

3.21.

Er is sprake van ongerechtvaardigde verrijking als er een verschuiving van vermogen is van de een – in dit geval de ouders [naam ouders] – naar de ander – in dit geval de [gedaagden] – als gevolg waarvan de zussen zijn verrijkt en de ouders zijn verarmd. Bovendien moet voor die verrijking / verarming geen rechtvaardiging bestaan.

3.22.

De betalingen waar het om gaat zijn kosten van nutsvoorzieningen, kosten die specifiek gerelateerd zijn aan de exploitatie van de boerderij en de aanschaf van nieuwe kozijnen voor de woning. De [gedaagden] hebben de overzichten als zodanig niet bestreden. Het verweer van de zussen dat hun handelwijze paste binnen de afspraken die met de ouders in 1995 over de financiën zijn gemaakt en ook paste bij de manier waarop zij met hun ouders als gezin hebben samengeleefd komt erop neer dat hun ouders, al dan niet stilzwijgend, ermee hebben ingestemd dat deze betalingen van hun rekeningen werden gedaan.

Feitelijk zeggen de [gedaagden] daarmee dat er wel degelijk een rechtvaardigingsgrond is geweest voor hun handelwijze. Onder de gegeven omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de zussen hun stellingen onvoldoende hebben onderbouwd. Zij hebben ermee volstaan om in algemene zin te verwijzen naar afspraken die zij in 1995 hebben gemaakt met de ouders en naar de omstandigheid dat zij altijd in gezinsverband met de ouders hebben samengeleefd, zonder enige uitleg wat die afspraken concreet hebben ingehouden en zonder openheid van zaken te geven over de in het gezin gebruikelijke gang van (financiële) zaken. Dat had gezien de omstandigheden van dit geval wel van hen mogen worden verwacht. De [gedaagden] hebben de woning en de boerderij in 1995 overgenomen van de ouders. In principe zijn daarmee vanaf dat moment de kosten van de exploitatie van de boerderij en de investeringen in de woning voor hun rekening. De betreffende kosten zijn niet, in ieder geval niet vanzelfsprekend, aan te merken als gebruikelijke kosten van een gezinshuishouding. De enkele opmerking dat sprake was van financiële verwevenheid en dat nu eens van de ene rekening werd betaald en dan weer van de andere, zonder enige concrete onderbouwing, volstaat daarom niet. Daar komt bij dat [gedaagde 1] ter comparitie van 27 mei 2016 heeft verklaard dat zij beschikte over een volmacht van haar ouders, dat zij de administratie deed en dat zij de financiën regelde. Zij was daarmee als geen ander op de hoogte van de financiën van de ouders. Bovendien zijn er aanwijzingen dat de ouders vanaf omstreeks 2006/2007 als gevolg van voortschrijdende ziekte steeds minder in staat waren hun situatie te overzien en zelfstandig hun belangen te behartigen.

Dit alles bij elkaar genomen leidt tot de conlcusie dat de stellingen van de [gedaagden] onvoldoende aanknopingspunten bieden om aannemelijk te maken dat hun standpunt dat de ouders, al dan niet stilzwijgend, met deze betalingen hebben ingestemd, juist is. Het gevolg daarvan is dat zij hun betwisting dat de betalingen zonder rechtvaardigingsgrond zijn verricht niet voldoende hebben gemotiveerd zodat daarmee in rechte geen rekening wordt gehouden.

3.23.

Uit de opstellingen van [eisers] blijkt dat in de periode 2008 tot en met 2011 op deze manier een bedrag van € 66.837,24 aan de bankrekeningen van de ouders is onttrokken. De zussen hebben niet gesteld en dat blijkt ook niet op een andere manier uit het dossier dat de ouders voor deze onttrekkingen zijn gecompenseerd, bijvoorbeeld doordat de zussen meer dan hun deel hebben bijgedragen aan de kosten van de gezinshuishouding of anderszins kosten hebben gedragen die voor rekening van de ouders waren. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen lag het op de weg van de zussen om hierover nader duidelijkheid te verschaffen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de ouders in ieder geval voor dit bedrag zijn benadeeld.

3.24.

De rechtbank gaat er ook vooralsnog van uit dat de [gedaagden] voor genoemd bedrag zijn bevoordeeld. De [gedaagden] hebben verder geen verweer gevoerd tegen de stelling van [eisers] dat het gaat om kosten die voor hun rekening zijn. Door deze kosten van de rekeningen van hun ouders te betalen hebben de [gedaagden] zich deze kosten bespaard. Er is geen reden om aan te nemen dat het gaat om uitgaven die zij anders niet zouden hebben gedaan of zouden hebben hoeven doen. Voor de periode 2008 – 2011 gaat de rechtbank er daarom vanuit dat sprake is geweest van ongerechtvaardigde verrijking van de zussen ten koste van de ouders tot een bedrag van € 66.837,24 en dat de ouders daardoor schade hebben geleden ter grootte van dit bedrag.

3.25.

Voor de periode van 1995 tot 2007 hebben [eisers] op basis van de bankafschriften 2008 – 2011 bij wijze van veronderstelling aangenomen dat in die periode in gelijke omvang kosten van de [gedaagden] door de ouders zijn betaald. De rechtbank volgt [eisers] niet in die stelling. Concrete bewijzen dat ook vóór 2008 de zussen kosten van de rekeningen van hun ouders hebben betaald waarvan niet zonder meer mag worden aangenomen dat de ouders daarmee ingestemd hebben zijn niet overgelegd. Niet in geschil is dat de melkproductie in 2006 is gestaakt wat een aanzienlijke verandering in de exploitatie van de boerderij met zich zal hebben gebracht. Ook hebben de zussen aangegeven dat de boerderij de laatste 9 jaar verliesgevend is geweest (antwoordakte punt 22) en zijn er geen duidelijke aanwijzingen dat de ouders al vanaf 1995 vanwege hun gezondheid niet of verminderd in staat waren zelfstandig hun belangen te behartigen. Kortom, de situatie in de periode 2008 – 2011 wijkt op significante onderdelen zodanig af van de periode daarvoor dat een extrapolatie zoals door [eisers] uitgevoerd niet kan worden gevolgd.

3.26.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank bij nog te wijzen eindvonnis de vordering van [eisers] voor wat betreft de betalingen gedaan in de periode 2008 – 2011 zal toewijzen en zal beslissen dat tot de nalatenschap moet worden gerekend een vordering op de [gedaagden] ter grootte van € 66.837,24.

E. Lening ouders [eiser 1]

3.27.

Volgens [eisers] heeft de nalatenschap een schuld van € 11.571,= aan [eiser 1] die met haar moet worden verrekend (nog te vermeerderen met rente). Daartoe stellen zij het volgende. Ten behoeve van [eiser 1] werd gespaard bij de Boerenleenbank (thans: Rabobank). Van haar spaarrekening werd op verzoek van haar ouders medio 1980 Ÿ 18.000,= (€ 8.168,00) geleend voor de aankoop van vier hectare landbouwgrond. Verder heeft vader [naam vader] een dag na haar huwelijkssluiting (op 9 december 1981) fl 7.500,= (€ 3.403,=). opgenomen van een bankrekening van [eiser 1] bij ABN Amro. De beide bedragen, die nooit zijn terugbetaald, zijn volgens [eisers] als een lening aan de ouders te beschouwen. Volgens [eisers] maakt de schuld aan [eiser 1] onderdeel uit van de in de belastingaangifte IB 2009 voorkomende post “overige schulden, schuld aan kinderen” van € 28.524,=). [eisers] vinden het logisch aan te nemen dat het schuldig gebleven bedrag aan [eiser 1] per 1 januari 1995, toen de boerderij van hun ouders werd overgenomen door de [gedaagden] , vermeerderd met wettelijke rente ongeveer het in die aangifte genoemde bedrag van € 28.524,= groot was, en dat dat bedrag vervolgens “elk jaar in de privé IB aangifte is doorgezet”.

3.28.

De [gedaagden] betwisten het bestaan van de gestelde leningen en stellen dat een mogelijke vordering van [eiser 1] is verjaard.

3.29.

De rechtbank stelt voorop dat van schriftelijke overeenkomsten van geldlening of schuldbekentenissen van de ouders niet is gebleken. Of inderdaad sprake is van geldleningen, kan echter in het midden blijven omdat – aannemende dat de ouders inderdaad geld van [eiser 1] hebben geleend – de vordering van [eiser 1] is verjaard.

3.30.

[eisers] hebben in de dagvaarding gesteld dat de ouders hadden toegezegd dat het spaargeld van de kinderen aan hen zou worden uitbetaald op de dag waarop ze zouden trouwen. Tijdens het gehouden pleidooi hebben [eisers] gesteld dat de geldlening voor onbepaalde tijd werd aangegaan en door [eiser 1] niet eerder werd opgeëist. Onduidelijk is wat [eisers] nu precies bedoelen.

3.31.

Als het standpunt van [eisers] is dat de lening voor onbepaalde tijd werd aangegaan, is sprake van een vordering tot nakoming na onbepaalde tijd, zoals bedoeld in artikel 3:307 lid 2 BW. Dit artikel luidt als volgt: "In geval van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd loopt de in lid 1 bedoelde termijn [opm. rechtbank: van vijf jaar] pas van de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan, en verjaart de in lid 1 bedoelde rechtsvordering in elk geval door verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de opeising, zonodig na opzegging door de schuldeiser, op zijn vroegst mogelijk was." Voor de aanvang van de verjaringstermijn is hier beslissend op welk moment [eiser 1] de geldlening op zijn vroegst had kunnen opeisen. Dat uitgangspunt gold zowel onder het oude als het huidige recht. Als geen termijn voor de nakoming is bepaald, is op grond van artikel 6:38 BW een vordering terstond opeisbaar. Dat betekent dat de gestelde lening van € 8.168,= medio 2000 is verjaard en de gestelde lening van € 3.403,= op 10 december 2001 is verjaard. Dat is anders indien de verjaring is gestuit.

3.32.

[eisers] hebben niets gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [eiser 1] stuitingshandelingen heeft verricht in de zin van artikel 3:317 BW. Zij hebben slechts verwezen naar de door hen gememoreerde post “schuld aan kinderen” in de aangifte inkomstenbelasting 2009 van hun moeder, welke post, naar zij veronderstellen, al vanaf 1995 in de jaarlijkse aangiftes inkomstenbelasting is vermeld. Voor zover [eisers] daarmee hebben willen stellen dat uit die post volgt dat de schuld aan [eiser 1] is erkend, overweegt de rechtbank het volgende.

3.33.

Elke handeling of gedraging van de schuldenaar, waaruit blijkt dat hij de schuld erkent, stuit de verjaring. Voor een erkenning is voorts vereist dat de handeling de schuldeiser heeft bereikt en dat deze rechtstreeks plaatsvindt jegens degene tegen wie de verjaring loopt, vgl. HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3407 (JOL 2001/15). Naar het oordeel van de rechtbank is een belastingaangifte niet aan te merken als een erkenning in de zin van artikel 3:318 BW, omdat deze niet is gericht aan [eiser 1] en er jegens haar dus geen rechtstreekse erkenning heeft plaatsgevonden. Het feit dat [eiser 1] inmiddels van die aangifte kennis heeft genomen maakt dat niet anders. Een kennisname achteraf heeft namelijk niet te gelden als een aan [eiser 1] gerichte handeling.

3.34.

Als – in vervolg op r.o.3.30. - het standpunt van [eisers] is dat afgesproken was dat de leningen op de trouwdag van [eiser 1] (9 december 1981) zouden worden terugbetaald, is de conclusie met betrekking tot de verjaring geen andere: in dat geval was op die dag de verjaringstermijn gaan lopen en was de gestelde lening van € 8.168,= medio 2000 verjaard en de gestelde lening van € 3.403,= op 10 december 2001 verjaard, beide op grond van artikel 3:307 lid 2 BW gelezen in samenhang met artikel 73 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek.

3.35.

De conclusie is dat [eiser 1] geen vordering op de nalatenschap heeft met betrekking tot de door haar gestelde leningen.

F. Boerderij met huiskavel/los zand

3.36.

De ouders hebben op 30 mei 1996 hun boerenbedrijf met terugwerkende kracht per 1 januari 1995 verkocht aan de [gedaagden] . Daarbij zijn onder meer de boerderij en enkele percelen grond aan de [gedaagden] in eigendom overgedragen. Onder verwijzing naar een in opdracht van hen verrichte taxatie, stellen [eisers] dat daarbij een te lage verkoopprijs is gehanteerd. Primair menen zij dat de [gedaagden] het verschil tussen de gehanteerde verkoopprijs en de werkelijke verkoopwaarde, dat door hen is becijferd op € 217.044,= in de nalatenschap dienen in te brengen. Subsidiair stellen zij dat zij zijn aangetast in hun legitieme en vorderen zij dat de [gedaagden] het tekort op hun legitieme portie moeten aanvullen.

3.37.

De [gedaagden] stellen dat bij de overname van de boerderij een taxatie heeft plaatsgevonden, dat de Belastingdienst instemde met die taxatie, en dat zij een reële prijs voor de boerderij hebben betaald. Bij de nu door [eisers] overgelegde taxatie is bovendien uitgegaan van een onjuist uitgangspunt, nu dat taxatierapport ten onrechte niet de agrarische waarde van de boerderij tot uitgangspunt neemt. Bovendien, zo stellen zij, wisten [eisers] al vanaf 1996 of 1997 dat het boerenbedrijf aan de [gedaagden] was verkocht, zodat zij de overeenkomst al eerder hadden kunnen aanvechten. Door dat na te laten, hebben [eisers] hun rechten verwerkt. Voor zover sprake is van schenkingen, dan hoeven die volgens de testamenten van de ouders niet te worden ingebracht. Verder betogen de [gedaagden] dat aanspraken op de legitieme portie zijn verjaard. Ten slotte stellen zij dat als zij al bevoordeeld zijn ten aanzien van de verkoopprijs van het boerenbedrijf, dat niet als een gift kan worden gezien omdat voldaan werd aan een morele verplichting om in het onderhoud bij te dragen als bedoeld in artikel 4:69, eerste lid BW.

3.38.

De akte van levering van 30 mei 1996 bepaalt onder meer het volgende:

“ Terzake van de koopprijs zijn partijen overeengekomen als volgt:

1. De prijs voor de onroerende zaken is gebaseerd op de waarde, welke is vastgesteld

door de heren [naam taxateur] , makelaar-taxateur, kantoorhoudende te [plaats] en

[naam rijkstaxateur] , rijkstaxateur; van deze taxatie blijkt uit een rapport de dato negentien

januari negentienhonderdzesennegentig, waarvan een exemplaar aan deze akte zal worden gehecht.

Blijkens gemeld rapport bedraagt de waarde van de onderhavige onroerende zaken driehonderdzesenvijftigduizend zeshonderd gulden ƒ 356.600,00

In verband met het door de verkopers voorbehouden recht van gebruik en bewoning van het

woongedeelte, dient dit bedrag te worden verminderd met de waarde van dat recht van gebruik

en bewoning, ten bedrage van achtenveertig procent (48 %) van eenhonderdtwintigduizend gulden

(f 120.000,00) of wel uit zevenenvijftigduizend zeshonderd gulden ƒ 57.600,00

blijft tweehonderdnegenennegentigduizend gulden ƒ 299.000,00

De verkopers schelden hierbij kwijt het gedeelte van de koopsom, dat betrekking heeft op de

blote eigendom van het woon gedeelte van de boerderij, te weten eenhonderdtwintigduizend

gulden (ƒ 120.000,00) minus zevenenvijftigduizend zeshonderd gulden (ƒ 57.600,00) of

tweeënzestigduizend vierhonderd guldens ƒ 62.400,00

zodat resteert te voldoen twee honderdzesendertigduizend zeshonderd gulden ƒ 236.600,00

2. De prijs van de mestproduktie rechten en de referentiehoeveelheid melk bedraagt nihil ƒ 00,00

3. De prijs voor de overige verkochte zaken is gelijk aan de boekwaarde daarvan per

een januari negentienhonderdvijfennegentig, ofwel eenhonderdachtentwintigduizend negenhonderd

twaalf gulden ƒ 128.912,00

Totale koopprijs driehonderdvijfenzestigduizend vijfhonderdtwaalf gulden ƒ 365.512,00

Deze koopprijs is voldaan, waarvoor de verkopers kwijting verlenen. Gemelde kwijtschelding is geschied onder de volgende bepalingen:

a. De koopsters zijn vrijgesteld van de verplichting tot inbreng van het kwijtgescholden bedrag in de nalatenschap van de verkopers.

b. Het kwijtgescholden bedrag zal niet vallen in enige gemeenschap van goederen, waarin de koopsters te eniger tijd gehuwd zullen zijn en zal niet betrokken worden in enig huwelijksvermogensrechtelijk verrekenbeding.”

3.39.

De testamenten van de ouders bepalen gelijkluidend in artikel VIII: “ik stel mijn erfgenamen vrij van de verplichting tot inbreng in mijn nalatenschap van enige aan hen gedurende mijn leven gedane schenking, tenzij bij een schenking anders is bepaald”. Waar [eisers] per saldo stellen dat sprake is van een schenking doordat de koopprijs niet op zakelijke gronden is vastgesteld, valt niet in te zien in hoeverre de [gedaagden] gehouden zijn een dergelijke schenking in te brengen. De primaire vordering van [eisers] strandt daarom. Dat is mogelijk anders ten aanzien van de legitieme. Voor de berekening van de legitieme doet een vrijstellingsbepaling als die van het genoemde artikel VIII immers niet ter zake.

3.40.

Met betrekking tot het beroep van de [gedaagden] op de verjaring van de legitieme, hebben [eisers] ter gelegenheid van het pleidooi opgemerkt dat dat te laat is gedaan. Zij hebben dat ten onrechte niet gedaan in hun conclusie na antwoord, zo betogen [eisers] De rechtbank verwerpt dat betoog. [eisers] hebben in hun akte na comparitie hun vordering nader geconcretiseerd. In dat geval acht de rechtbank het niet in strijd met de eisen van een goede procesorde dat de [gedaagden] hun verweer eveneens nader preciseren. [eisers] hebben bovendien ter gelegenheid van het pleidooi verweer gevoerd tegen het verjaringsberoep.

3.41.

Anders is dat ten aanzien van het beroep van de [gedaagden] op artikel 4:69 BW. Dat verweer is eerst ter gelegenheid van het pleidooi gedaan en daarmee tardief.

3.42.

Het beroep van de zussen op verjaring faalt overigens. Ingevolge artikel 3:306 BW verjaart een rechtsvordering waarbij de legitimaris aanspraak maakt op zijn legitieme portie door verloop van twintig jaren na het openvallen van de nalatenschap. De [gedaagden] hebben te weinig gesteld om rechtsverwerking te kunnen aannemen.

3.43.

Het deel van de koopprijs dat bij de levering is kwijtgescholden (ƒ 62.400,00 ofwel € 28.316,00) dient bij de berekening van de legitieme portie te worden meegenomen. In het kader van de beoordeling in hoeverre in de koopprijs van de onroerende zaken een schenking is begrepen, wenst de rechtbank in het bezit te worden gesteld van het taxatierapport waarnaar in de akte van levering wordt verwezen. De rechtbank zal de [gedaagden] daartoe in de gelegenheid stellen. De rechtbank merkt echter ten aanzien van de door [eisers] in het geding gebrachte taxatie van [naam taxatiekantoor] op dat het, gelet op de betwisting van dat rapport door de [gedaagden] , maar zeer de vraag is of de daarin genoemde waarde door de rechtbank tot uitgangspunt zal worden genomen. Die taxatie gaat immers uit van een waarde in het economisch verkeer. In het onderhavige geval gaat het om de overdracht van een boerenbedrijf, dat in familieverband door de ouders en de [gedaagden] werd uitgeoefend, en waarbij de zussen het bedrijf hebben overgenomen. Het is de vraag of in dergelijke gevallen niet moet worden aangesloten bij de agrarische waarde van het bedrijf. Het is, rekening houdend met de jurisprudentie op dit punt, waarbij de rechtbank verwijst naar HR 13 februari 2004, ECLI:NL:HR:2014:AN8172 en HR 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF1029 en de opvolging die daaraan is gegeven in lagere jurisprudentie (Rb Noord-Nederland 22 oktober 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:5188 en Rb Overijssel 31 mei 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:2312) eveneens de vraag of in een dergelijk geval gesproken kan worden van een schenking. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen daarover een nader standpunt in te nemen.

G. Gereduceerde koopprijs huurgrond

3.44.

[eisers] stellen dat hun ouders grond van [naam 3] huurden (de rechtbank veronderstelt: pachtten). Bij de overname van de boerderij door de [gedaagden] is die huur/pacht voortgezet door de zussen. Voor die overname had [naam 3] al te kennen gegeven dat zij over de grond wenste te beschikken. In ruil voor het opgeven van de huur/pacht heeft [naam 3] besloten (andere) grond nabij de boerderij de [gedaagden] te verkopen, tegen een gereduceerde koopprijs. Op een later moment hebben de [gedaagden] nog meer grond van [naam 3] gekocht, waarbij ze eveneens een korting op de koopprijs hebben gekregen. [eisers] stellen dat de [gedaagden] het hierdoor ontstane voordeel, dat zij becijferen op € 37.534,= met hen moeten verrekenen.

3.45.

Daargelaten dat de [gedaagden] hebben weersproken dat zij enig voordeel met de aankoop van de grond van [naam 3] hebben behaald, ziet de rechtbank met de [gedaagden] niet in wat de grondslag voor de door [eisers] gewenste verrekening zou zijn. De rechtbank wijst dit deel van het gevorderde daarom af.

H. Levende have en werktuigen/gereedschappen en voorraden (roerende zaken)

3.46.

[eisers] leiden uit de koopakte af dat de levende have, werktuigen, gereedschappen en voorraden voor ƒ 128.912,= ofwel € 58.498,= aan de [gedaagden] zijn verkocht. Inmiddels hebben [eisers] bij CR-Delta een stallijst opgevraagd. Daaruit blijkt volgens hen dat er op 31 december 1994 op het boerenbedrijf van hun ouders 127 dieren waren. In de koopakte wordt echter slechts melding gemaakt van maar 39 koeien, 27 stuks jong vee en 20 scharrelkippen. Dat is ongeveer de helft van het aantal dieren dat in de stallijst is vermeld. [eisers] achten het daarom reëel ervan uit te gaan van het dubbele van de in de koopakte genoemde waarde, zodat de [gedaagden] nog een bedrag van € 58.498,= moeten inbrengen in de nalatenschap. Subsidiair menen zij dat met het genoemde bedrag rekening moet worden gehouden bij de bepaling van hun legitieme portie.

3.47.

De zussen verklaren het verschil in kleinvee door natuurlijk verloop. In 1994 waren er volgens hen veel kalveren geboren die in de loop van het jaar zullen zijn verkocht. De telling die bij de verkoop is gemaakt, is echter correct. De waarde van de in de koopakte genoemde zaken is door de accountant mede vastgesteld aan de hand van de boekwaarde. Machines en apparatuur waren bij verkoop al verouderd en versleten, aldus de [gedaagden] .

3.48.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eisers] tegenover deze betwisting te weinig gesteld om aan te nemen dat er in het bedrag van ƒ 128.912,= ofwel € 58.498,= een schenking besloten ligt. De rechtbank wijst het gevorderde daarom af.

I. Melkquotum

J. Mestquotum

3.49.

[eisers] stellen dat het melk- en mestquotum in de koopakte ten onrechte is gewaardeerd op nihil. Volgens hen bedroeg de referentiehoeveelheid melk 87.827 kilogram op jaarbasis met een vetgehalte van 3,77%. De indicatieve waarde daarvan bedraagt ƒ 3,00 per kilogram, derhalve in totaal ƒ 263.481,= ofwel € 119.563,=. Dat het melkquotum wel degelijk een waarde had, volgt uit het feit dat de [gedaagden] dat quotum in 2006 of 2007 te gelde hebben gemaakt.

Met betrekking tot het mestquotum stellen [eisers] na een door hen gemaakte berekening dat de waarde daarvan op 1 januari 2015 € 3.876,= bedroeg.

De [gedaagden] dienen die bedragen in te brengen, dan wel dient met die bedragen rekening gehouden te worden bij de bepaling van de legitieme, aldus [eisers] .

3.50.

Volgens de [gedaagden] is de waarde van zowel het mest- als het melkquotum vanwege gewijzigde regelgeving ten tijde van de verkoop op nihil gezet en vertegenwoordigden de quota voor hen geen waarde.

3.51.

Ook hier overweegt de rechtbank dat, voor zover de [gedaagden] al bevoordeeld zouden zijn, er gelet op de inhoud van de testamenten van de ouders geen verplichting tot inbreng bestaat.

Nu de [gedaagden] niet hebben weersproken dat zij hun melkquotum in 2006 hebben verkocht, zal de rechtbank er voorshands vanuit gaan dat het melkquotum wel degelijk een waarde vertegenwoordigde. De rechtbank ziet vooralsnog geen aanleiding daar ten aanzien van het mestquotum anders over te denken. Teneinde te kunnen beoordelen of sprake is van een schenking die in het kader van de vaststelling van de legitieme van belang kan zijn, zal de rechtbank de [gedaagden] toelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat de aan hen overdragen mestproductierechten en de overgedragen aanspraak op een referentiehoeveelheid melk van 87.827 kilogram per in de jaren 1995 en 1996 (de ouders hebben immers op 30 mei 1996 hun boerenbedrijf met terugwerkende kracht per 1 januari 1995 aan de [gedaagden] verkocht) geen waarde vertegenwoordigden. De rechtbank houdt de verdere beslissing op dit punt aan.

K. Obligaties en Ledenbewijzen Campina

3.52.

Tussen partijen is niet in geschil dat de obligaties Campina behoren tot de nalatenschap en moeten worden verdeeld. [eisers] hebben onweersproken gesteld dat de obligaties te gelde zijn gemaakt. Zij hebben gevorderd dat de [gedaagden] daarover openheid zullen geven. Nu zij dat niet hebben gedaan terwijl zij al bij antwoord hebben erkend dat de waarde van de obligaties verdeeld moet worden, zal de rechtbank de vordering van [eisers] om het door hen gestelde totaalbedrag van € 8.699,= in de nalatenschap in te brengen, toewijzen.

3.53.

[eisers] hebben verder gesteld dat er zogenaamde ledenbewijzen waren. Voor elke 105 kg melk gaf Campina één ledenbewijs uit, waarvoor ƒ 10,= moest worden betaald. Deze ledenbewijzen maken geen onderdeel uit van de koopprijs, maar zijn toch (om niet) op hun naam gesteld. Op het moment dat de [gedaagden] in 2006 stopten met de melklevering waren de ledenbewijzen per stuk € 5,55 waard. Volgens [eisers] beschikten de zussen over 836 ledenbewijzen, zodat de ledenbewijzen een waarde vertegenwoordigden van € 4.640,=. Bovendien betaalde Campina ƒ 1,25 extra per 100 kg melk per jaar. Gelet op het melkquotum van 87.827 kg ontvingen zij daarmee ƒ 1.098,= per jaar. Nu de [gedaagden] gedurende elf jaar melk hebben geleverd aan Campina, ontvingen zij in totaal ƒ 12.078,=, ofwel € 5.483,=. [eisers] vorderen dat de [gedaagden] in totaal € 10.123,= in de nalatenschap inbrengen.

3.54.

De [gedaagden] stellen dat zij de ledenbewijzen kort na de verkoop van het boerenbedrijf aan hen van hun ouders hebben overgenomen omdat zij anders geen melk aan Campina konden leveren. Volgens de [gedaagden] behoren de ledenbewijzen niet tot de nalatenschap.

3.55.

Op grond van het voorgaande moet als vaststaand worden aangenomen dat de ledenbewijzen niet betrokken zijn in de verkoop van het boerenbedrijf aan de [gedaagden] en dat zij op een later moment door hen zijn overgenomen van hun ouders. Onduidelijk is per wanneer. Onduidelijk is verder of de [gedaagden] daarvoor een vergoeding aan hun ouders hebben betaald en zo ja, welke. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van de [gedaagden] gelegen om daarover klare wijn te schenken. Nu zij dat niet hebben gedaan hebben zij onvoldoende gesteld om te kunnen vaststellen dat de ledenbewijzen of beter, de vergoeding die de [gedaagden] daarvoor in 2006 hebben ontvangen niet tot nalatenschap behoren. De rechtbank is daarom van oordeel dat de [gedaagden] niet hebben betaald voor de ledenbewijzen en dat de nalatenschap nog een vordering op hen heeft van € 10.123,=, Bij nog te geven eindbeslissing zal de rechtbank ook op dit punt de vordering van [eisers] toewijzen. Daarbij heeft de rechtbank mede betrokken dat de [gedaagden] aan de wijze van berekening van het bedrag van € 10.123,= door [eisers] niets hebben toe- of afgedaan.

L. Betaling koopsom boerenbedrijf

3.56.

[eisers] stellen dat de koopsom van het boerenbedrijf, die zoals onder 3.38. is weergegeven, ƒ 365.512 ofwel € 165.862,= heeft bedragen, nooit door de zussen is betaald.

De [gedaagden] hebben in de conclusie van antwoord vervolgens met een door de rechtbank deels niet goed te volgen redenering betoogd dat zij de koopsom destijds wel degelijk hebben betaald. Daarbij is er door hen op gewezen dat de leveringsakte van 30 mei 1996 (zie hiervoor onder wederom 3.28.) bepaalt dat de koopsom is voldaan, hetgeen dwingend bewijs daarvan oplevert.

3.57.

[eisers] hebben bij hun akte na comparitie een notariële schuldbekentenis overgelegd. Daarin is, voor zover thans van belang, het volgende te lezen:

“De schuldenaren (de [gedaagden] , rechtbank) verklaren wegens heden ter leen ontvangen gelden gezamenlijk schuldig te zijn aan de schuldeisers (de ouders [naam ouders] ) de som van driehonderdvijfenzestigduizend vijfhonderdtwaalf gulden (ƒ 365.512), welke schuldbekentenis de schuldeisers verklaren voor zich aan te nemen.

De comparanten verklaren dat zij terzake van de deze geldlening het volgende zijn overeengekomen:

1. De schuldenaren zijn, behoudens het hierna bepaalde, niet verplicht tot het betalen van rente.

2. Partijen zullen, jaarlijks, in de maand december in onderling overleg, daarbij rekening houdend met de inkomenspositie van de schuldenaren en de onderlinge band tussen partijen, de rentevoet voor het daarop volgende kalenderjaar vaststellen.”

3.58.

Naar het oordeel van de rechtbank leveren de leveringsakte en de schuldbekentenis in onderlinge samenhang bezien bewijs op van het feit dat de koopsom bij de overdracht van het boerenbedrijf niet door de [gedaagden] is voldaan, maar schuldig is gebleven. De [gedaagden] stellen zich echter thans op het standpunt dat het schuldig gebleven bedrag ieder jaar is afgenomen met de maximale belastingvrije schenking aan kinderen en dat er eenmaal voor beiden rekening is gehouden met de maximaal verhoogde vrijstelling. Sinds het jaar 2003 bedraagt de schuld nihil, aldus de [gedaagden] .

3.59.

De [gedaagden] hebben ter onderbouwing van hun standpunt verwezen naar de brief van mevrouw [naam belastingadviseur] van 11 augustus 2014 aan de advocaat van [eisers] (onderdeel van productie 8 bij dagvaarding), waarin zij schrijft dat uit aantekeningen van destijds blijkt dat er een restschuld was van fl. 365.212,00 die elk jaar afnam met de maximale belastingvrije schenking voor kinderen en eenmaal met de verhoogde vrijstelling, en dat sinds het jaar 2003 de schuld nihil bedraagt.
De rechtbank constateert dat in de conclusie van antwoord niet alleen met verve is betoogd dat de koopsom voor de boerderij volledig is betaald, maar ook dat van jaarlijkse schenkingen geen sprake is geweest. Van het standpunt van de belastingadviseur van de ouders en de [gedaagden] , mevrouw [naam belastingadviseur] , wordt gezegd dat dit een ongelukkige fiscale stellingname is . In de antwoordakte van de [gedaagden] en bij gehouden pleidooi is namens de zussen opgemerkt dat mr Aarts, de toenmalige advocaat van de zussen, mogelijk het bestaan van de notariële schuldbekentenis niet kende. Dat laatste is niet uitgesloten, maar verklaart niet waarom bij conclusie van antwoord ook uitvoerig is ingegaan op de manier waarop deze kwijtscheldingen niet in de belastingaangiftes van de ouders zijn verwerkt en dat dit achteraf, nadat de ouders waren overleden, door mevrouw [naam belastingadviseur] is ontdekt en alsnog is hersteld. Bovendien heeft de advocaat van [eisers] er terecht op gewezen dat de [gedaagden] niet inzichtelijk hebben gemaakt hoe in een periode van 8 jaar op deze manier een bedrag van fl.365.212,00 belastingvrij is kwijtgescholden, wat neer komt op een gemiddelde van fl. 22.825,00 voor ieder van de zussen per jaar. Daar komt bij dat in het geval het standpunt van de [gedaagden] juist zou zijn, en inderdaad per 2003 de schuld aan de ouders zou zijn kwijtgescholden, niet te verklaren valt waarom in de jaren 2008 en 2009 op de belastingaangifte IB van moeder een bedrag van € 215.528,00 voorkomt waarvan € 164.834, onder de noemer “contanten en vorderingen” welk bedrag in de aangifte 2010 op nul is gesteld. De onderbouwing door de zussen van hun standpunt roept verwarring op en laat, kortom, te veel vragen open terwijl het aan de zussen is om voldoende feiten te stellen en, bij betwisting, te bewijzen nu het hier gaat om een bevrijdend verweer. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de zussen niet aan hun stelplicht hebben voldaan hoewel zij voldoende gelegenheid hebben gehad om uit de doeken te doen en met stukken te onderbouwen hoe het precies zat. Aan bewijslevering komt de rechtbank dan ook niet toe. Bij nog te wijzen eindvonnis zal de rechtbank er daarom van uit gaan dat de nalatenschap een vordering op de zussen omvat ter grootte van
fl. 365.512,00 / € 165.862,00

3.60.

[eisers] maken tevens aanspraak op betaling van rente over de schuldig gebleven koopsom. Die rente stellen zij op de wettelijke rente. De [gedaagden] stellen zich allereerst op het standpunt dat er geen rente verschuldigd is omdat de koopsom is voldaan. Maar ook indien dat niet zo is, stellen de [gedaagden] dat er geen rente is verschuldigd is. Daartoe voeren zij aan dat zij met hun ouders overeengekomen zijn dat er geen rente verschuldigd is en dat jaarlijks zou worden bezien of daartoe andersluidende afspraken zouden worden gemaakt. Daarbij zou de inkomenspositie van partijen een rol spelen. Mede gezien hun inkomenspositie zijn de [gedaagden] met hun ouders nooit een rentepercentage overeengekomen, zo stellen de [gedaagden] .

3.61.

De rechtbank overweegt als volgt. De schuldbekentenis gaat er in artikel 2 van uit dat jaarlijks een rentevoet wordt overeengekomen. Dat betekent dat er in beginsel wel rente is verschuldigd is. Artikel 1 van die schuldbekentenis is met die uitleg niet in strijd, gelet op de daarin gebezigde strofe “behoudens het navolgende”. Het verweer van de zussen komt erop neer dat hun inkomenspositie de betaling van rente niet toeliet en dat zij daarom met hun ouders zijn overeengekomen dat er geen rente was verschuldigd. Van hen had in het kader van dat verweer dan verwacht mogen worden dat zij inzage hadden gegeven in niet alleen hun eigen inkomenspositie vanaf 1995, maar ook in die van hun ouders. Dat hebben zij niet gedaan, zodat de rechtbank dat verweer van de [gedaagden] verwerpt. Nu aanknopingspunten ontbreken om van iets anders uit te gaan gaat ook de rechtbank uit van de wettelijke rente als zijnde de meest voor de hand liggende.

Omvang nalatenschap en legitieme

3.62.

Met deze vordering, die kennelijk een subsidiair karakter draagt, vorderen [eisers] dat “de omvang van de nalatenschap vaststelt en elk van de [gedaagden] veroordeelt om aan elk van [eisers] te voldoen een bedrag ter grootte van “de” legitieme portie van [eisers] (dubbele aanhalingstekens geplaatst door rechtbank).

3.63.

Daargelaten dat deze vordering een nadere precisering vergt, die in een later stadium nog door [eisers] gegeven zal dienen te worden, volgt uit het voorgaande dat er op diverse punten nadere bewijslevering nodig is. In afwachting daarvan zal de rechtbank het verdere oordeel op dit punt aanhouden.

Tot slot

3.64.

De rechtbank realiseert zich dat er met deze uitspraak voorlopig geen einde komt aan dit al langlopende geschil. De rechtbank herhaalt dat de gevolgen van dit vonnis mogelijk verstrekkend zijn voor de [gedaagden] . De [gedaagden] dienen daarvan goede nota te nemen. [eisers] hebben ter gelegenheid van het pleidooi verklaard dat zij er niet op uit zijn om de [gedaagden] op straat te zetten, maar dat zij een redelijke oplossing willen. De rechtbank geeft partijen nogmaals dringend in overweging om te bezien of een regeling in onderling overleg mogelijk is. Partijen kunnen een dergelijke regeling ook bereiken onder begeleiding van een deskundige mediator. Desgewenst houdt de rechtbank de verdere behandeling van de zaak daarvoor aan, waarbij zij partijen voorhoudt dat de rechtbank slechts kan beslissen op juridische punten en dat zij partijen geen maatwerkoplossing kan bieden, zoals bijvoorbeeld het deels vestigen van een hypotheek ten gunste van [eisers] op de boerderij c.a. van de [gedaagden] .

3.65.

In afwachting van verdere bewijslevering, wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

laat de [gedaagden] toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat:

- het aan hen overdragen mest- en melkquotum in 1995 en in 1996 geen waarde vertegenwoordigde (r.o. 3.51);

4.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 juli 2020 voor akte aan de zijde van de [gedaagden] :

  • -

    om zich uit te laten over de wijze waarop de inboedelgoederen zijn verdeeld (r.o. 3.12.)

  • -

    voor het overleggen van het taxatierapport waarnaar in de akte van levering wordt verwezen (r.o. 3.43.) en voor uitlating over de vraag of een lagere waarde moet worden beschouwd als een schenking (eveneens 3.43.),

  • -

    om zich uit te laten of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

4.3.

bepaalt dat [eisers] vervolgens in staat zullen worden gesteld een antwoordakte te nemen, waarin zij zich in ieder geval kunnen uitlaten over:

  • -

    de wijze waarop de inboedelgoederen zijn verdeeld (r.o. 3.12.)

  • -

    het taxatierapport waarnaar in de akte van levering wordt verwezen (r.o. 3.43.) en voor uitlating over de vraag of een lagere waarde moet worden beschouwd als een schenking (eveneens 3.43.),

4.4.

bepaalt dat de [gedaagden] , indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen,

4.5.

bepaalt dat de [gedaagden] , indien zij getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op dinsdagen, woensdagen en donderdagen in de maanden juli 2020 tot en met oktober 2020 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

4.6.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. A.E.M. Effting-Zeguers in het gerechtsgebouw te Eindhoven aan Stadhuisplein 4,

4.7.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

4.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.M. Effting-Zeguers en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2020.