Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:2878

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-06-2020
Datum publicatie
05-06-2020
Zaaknummer
8259194 + 8250675 EJ VERZ 20-29 + 20-8
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

WWZ, rechtsgeldig ontslag op staande voet wegens sterke verdenking van fraude. Wel dringende reden maar geen ernstige verwijtbaarheid werknemer.

Wel transitievergoeding, geen billijke vergoeding. Geen gefixeerde schadevergoeding ex art. 7:677 lid 2 BW verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0636
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummers: 8259194 EJ VERZ 20-29

8250675 EJ VERZ 20-8

Beschikking van 4 juni 2020

in de zaak van:

[verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in de procedure ex artikel 7:681 BW,

verweerster in de procedure ex artikel 7:677 lid 2 BW,

gemachtigde: mr. A. Zonnenberg,

tegen:

de maatschap [naam maatschap] , huisartsen,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

verweerster in de procedure ex artikel 7:681 BW,

verzoekster in de procedure ex artikel 7:677 lid 2,

gemachtigde: mr. M.J.H. Ruijters.

Partijen zullen hierna “ [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] ” en “ [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] ” worden genoemd.

1 Het procesverloop

in de procedure ex artikel 7:681 BW

1.1.

[verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] heeft een verzoek gedaan om te verklaren voor recht dat er geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet, alsmede [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] te veroordelen aan haar een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding te betalen. [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] heeft een verweerschrift ingediend.

in de procedure ex artikel 7:677 lid 2 BW

1.2.

[verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] heeft een verzoek gedaan om [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] te veroordelen aan haar de gefixeerde schadevergoeding te betalen. [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] heeft een verweerschrift ingediend.

in beide procedures

1.3.

Op 14 mei 2020 heeft een zitting plaatsgevonden, in verband met het Corona-virus via een digitale beeld- en geluidverbinding (Skype). Beide gemachtigden hebben voorafgaand aan de zitting pleitaantekeningen toegezonden, [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] heeft voorts nog een aanvullende productie 11 toegezonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

1.4.

Tot slot is een datum voor de beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] exploiteert een huisartsenpraktijk. De praktijk is gevestigd met meerdere huisartsenpraktijken in een verzamelpand in [vestigingsplaats] en maakt onderdeel uit van “Gezondheidscentrum [naam] ”.

2.2.

[verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] , geboren op [geboortedatum] , heeft van 1 mei 1988 tot en met

11 september 2001 bij [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] gewerkt. Op 10 september 2008 is [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] weer in dienst getreden bij [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] . De laatste functie die [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] vervulde, is die van doktersassistente, met een salaris van € 1.936,62 bruto per maand op basis van een werkweek van 24 uur, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag en een eindejaarsuitkering.

2.3.

Op 21 oktober 2019 is [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] gebeld door mevrouw [naam medewerkster VGZ] , medewerkster veiligheidszaken bij zorgverzekeraar VGZ (verder te noemen: [naam medewerkster VGZ] ) met de boodschap dat zij een aantal declaraties, die op naam van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] zijn gedaan, in onderzoek heeft. [naam medewerkster VGZ] heeft [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] diezelfde dag de nota’s die aanleiding waren voor het onderzoek van VGZ toegemaild. Het betreft zes nota’s – op briefpapier van [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] en op naam van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] – met een totaalbedrag van € 372,38.

2.4.

De medische hulp op deze nota’s is nooit verleend aan [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] en de betalingen zijn niet door [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] ontvangen. De nota’s zijn wel bij VGZ ingediend en door VGZ aan [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] betaald.

2.5.

[verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] heeft het voorgaande met [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] besproken. [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] heeft aangegeven dat zij deze declaraties niet heeft opgesteld en ingediend bij haar zorgverzekeraar. Op 22 en 23 oktober 2019 hebben [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] en [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] besproken welke mogelijke verklaringen hiervoor zouden kunnen zijn.

2.6.

Bij e-mail van 28 oktober 2019 bevestigt [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] aan [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] dat zij met elkaar hebben gesproken over de melding van VGZ. [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] schrijft, onder andere:

“Omdat de donderdag bepaald chaotisch verliep, de vrijdag heilige oppasdag is en zaterdag een reisdag, pas nu de reactie op je appje, waarin je aangeeft dat er €372 aan je overgemaakt is. Waar je bang voor was is uitgekomen.

Daar verbinden wij echter nog helemaal geen conclusies aan, omdat er nog een aantal vraagtekens zijn die we de vgz mevrouw willen voorleggen en waarvoor we medicom [opmerking kantonrechter: het geautomatiseerde huisartseninformatiesysteem] nodig hebben.

Dat zal dus ook pas ná de vakantie lukken. En dan ook nog niet de eerste dag…

We gaan ook nog eens goed kijken naar de datums van de verrichtingen en beraden ons op een antwoord op de eerste herinneringsmail van vgz. (…)”

2.7.

Bij e-mail van 3 november 2019 heeft [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] gedurende het onderzoek op non-actief gesteld.

2.8.

Bij e-mail van dinsdag 5 november 2019 om 17.55 uur heeft [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] uitgenodigd voor een gesprek op woensdag 6 november 2019 om 17.30 uur. Tijdens dit gesprek op woensdag 6 november 2019 heeft [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] op staande voet ontslagen.

2.9.

[verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] heeft het ontslag op staande voet in een (ongedateerde) brief aan [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] bevestigd. Zij schrijft, onder andere:

“Zoals mondeling medegedeeld, bevestigen wij bij deze dat wij jou gisteravond, 6 november 2019, op staande voet hebben ontslagen.

Aanleiding voor dit ontslag is de mededeling van 21 oktober jl. van VGZ, inhoudende dat een vermoeden bestaat dat door jou (verzekerings)fraude is gepleegd met onze praktijkgegevens, namelijk met diverse op jouw naam staande nota’s van onze praktijk.

Op 22 en 23 oktober jl. hebben wij hierover met jou gesproken. Omdat jij aangaf hiervan niets te weten en toen ook niet duidelijk was wat er nu precies gebeurd is, hebben wij afgesproken dat wij een en ander zullen gaan onderzoeken bij VGZ en via Medicom. Jij gaf toen aan aangifte bij de politie te zullen doen.

Vast staat in ieder geval dat:

- zes (6) valse nota’s op jouw naam zijn opgesteld, in die zin dat deze niet in het kader van de praktijkoefening zijn opgesteld, deze, anders dan vermeld, niet door mij, [naam huisarts] , zijn opgesteld, de op de nota’s vermelde 11 consulten niet hebben plaatsgevonden, de facturen voorzien zijn van een valse handtekening en de op de nota’s vermelde bedragen ook nimmer aan de praktijk zijn voldaan

- met behulp van de hierboven vermelde valse nota’s (verzekerings)fraude is gepleegd, in die zin dat de valse nota’s via jouw eigen account bij IZZ (= via “Mijn IZZ”) zijn gedeclareerd bij IZZ, zijnde jouw zorgverzekeraar, die de gedeclareerde nota’s vervolgens aan jou heeft vergoed;

- nader onderzoek heeft uitgewezen dat naast de onderhavige nota’s er geen andere, zogenaamd van onze praktijk afkomstige, valse nota’s zijn ingediend bij IZZ;

- 29 consulten, waaronder de bovenvermelde consulten, zijn ingevoerd in het patiëntenadministratiesysteem van onze praktijk, net als 7 posten hechtmaterialen, terwijl geen van de consulten heeft plaatsgevonden en geen van de hechtmaterialen zijn geleverd;

In het gesprek van gisteren, 6 november 2019, heb je opnieuw aangevoerd dat je niet weet hoe een en ander gekomen is en dat volgens jou sprake moet zijn van identiteitsfraude.

We hebben aangegeven jou visie op het gebeurde niet te kunnen geloven. Jouw lezing dat je nergens van af weet, is volstrekt ongeloofwaardig. Alles wijst er namelijk op dat jij een en ander gedaan hebt. Daarbij betrekken we ook dat je hebt aangegeven dat exact dezelfde werkwijze is toegepast met vals opgemaakte nota’s van jouw andere werkgever, de dokterspost, en dit over een periode van circa 5 jaar. Dat iemand anders de verschillende onderdelen van de bovenvermelde werkwijze heeft verricht, en dat bovendien gedurende een lange periode van tijd, is volstrekt ongeloofwaardig.

De hierboven vermelde gedragingen vormen zowel op zichzelf, alsmede in onderling verband bezien een dringende reden om de arbeidsovereenkomst per direct te beëindigen.

Als huisartsenpraktijk en werkgever moeten wij volledig kunnen vertrouwen op een werknemer. Dit geldt temeer daar je een verantwoordelijke functie binnen onze praktijk had.

Doordat middels kunstgrepen opgemaakte valse nota’s, zogenaamd van onze praktijk, (verzekerings)fraude is gepleegd, waarvan jij hebt geprofiteerd, heb je het in jou gestelde vertrouwen zeer ernstig beschadigd en kunnen wij jou daarom niet meer vertrouwen. Van ons kan gezien deze conclusie niet verlangd worden dat we de arbeidsrelatie nog langer laten voortduren.”

3 Het verzoek van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] in de procedure ex artikel 7:681 BW

3.1.

[verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] verzoekt een verklaring voor recht dat er geen sprake is van een dringende reden en het door [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] aan haar gegeven ontslag op staande voet niet voldoet aan de eisen van artikel 7:677 lid 1 BW en onregelmatig heeft plaatsgevonden. Daarnaast verzoekt [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] om [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] te veroordelen om aan haar te betalen een billijke vergoeding van € 50.000,- bruto, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 10.641,79 bruto en een transitievergoeding van € 8.498,50 bruto. Tot slot verzoekt [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] om [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] te veroordelen tot het verstrekken van een correcte bruto/netto-eindafrekening en binnen acht dagen na betekening van deze beschikking de financiële afrekening te verzorgen.

3.1.1.

Aan dit verzoek legt [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] ten grondslag dat geen sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. Zij stelt daartoe – kort weergegeven – dat niet is voldaan aan de objectiviteit van de dringende reden en ook niet aan de subjectiviteit van de dringende reden. Het bestaan van een dringende reden ontbreekt. Zij heeft dit als volgt toegelicht. De redenen die [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] in haar ontslagbrief voor het ontslag heeft aangevoerd, zijn niet bewezen. Dit terwijl op [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] wel de bewijslast rust. Verder is uit niets gebleken dat er ook een onderzoek is ingesteld naar alternatieve mogelijkheden. Dit had gelet op de uitdrukkelijke betwisting van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] wel op de weg van [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] gelegen. [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] heeft hierdoor onzorgvuldig gehandeld. [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] heeft ten onrechte zonder nader onderzoek de vermeend ingediende declaraties als fraude aangemerkt en voor bewezen geacht dat deze door [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] zouden zijn opgesteld en zouden zijn ingediend.

[verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] geeft te kennen dat het vertrouwen in haar ernstig en onherstelbaar beschadigd is. Een dergelijke subjectieve reden kan volgens [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] nimmer een grond voor het gegeven ontslag zijn. Verder heeft [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] ten onrechte geen enkele rekening gehouden met de gevolgen van het ontslag voor [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] . Door de persoonlijke omstandigheden en gevolgen van het ontslag op staande voet niet in het ontslag op staande voet te betrekken kan er naar de mening van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] geen reden zijn voor een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet.

Er is ook geen sprake van een onverwijld gegeven ontslag. [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] heeft niet voortvarend gehandeld bij haar onderzoek. Onduidelijk is welk onderzoek er is gepleegd.

[verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] is daarom van mening dat er geen sprake is geweest van een dringende reden voor ontslag op staande voet, zodat is opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW in combinatie met artikel 7:677 BW. Zij is door het aan haar gegeven ontslag op staande voet beschadigd en heeft er recht op en belang bij dat in rechte komt vast te staan dat het aan haar gegeven ontslag op staande voet ten onrechte heeft plaatsgevonden. Zij verzoekt dan ook om een verklaring voor recht hierover.

3.1.2.

[verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] verzoekt verder, op grond van artikel 7:681 lid 1 sub a BW, om toekenning van een billijke vergoeding. Het opzeggen in strijd met de daarvoor geldende regels valt de werkgever ernstig aan te rekenen. Naast de persoonlijke omstandigheden kan ook de wijze waarop [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] is ontslagen [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] worden aangerekend. [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] verzoekt om toekenning van een billijke vergoeding van € 50.000,00.

3.1.3.

[verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] heeft opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] verzoekt dan ook om [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] te veroordelen om aan haar een gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:672 lid 10 BW te betalen. De gefixeerde schadevergoeding dient gelijk te zijn aan het bedrag aan loon in de periode 6 november 2019 tot 1 april 2020, te weten € 10.641,79 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.1.4.

[verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] verzoekt ten slotte, op grond van artikel 7:673 lid 1 BW, om toekenning van de transitievergoeding van € 8.498,50 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] heeft subsidiair, indien wordt geoordeeld dat onverhoopt toch sprake is van een dringende reden voor het ontslag op staande voet, een verzoek gedaan om voor recht te verklaren dat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] . Ook voor dit geval verzoekt [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] om [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] te veroordelen om aan haar te betalen een transitievergoeding van € 8.498,50 bruto en [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] te veroordelen tot het verstrekken van een correcte bruto/netto-eindafrekening en binnen acht dagen na betekening van deze beschikking de financiële afrekening te verzorgen.

Volgens [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] kan haar, voor zover haar al een verwijt zou kunnen worden gemaakt, in ieder geval geen ‘ernstig’ verwijt worden gemaakt. Zij kan in dat geval nog steeds aanspraak maken op de transitievergoeding, te vermeerderen met rente.

3.3.

Meer subsidiair, indien er onverhoopt toch sprake is van een dringende reden en ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, verzoekt [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] om [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] te veroordelen om aan haar te betalen een transitievergoeding van € 8.498,50 bruto en het verstrekken van een correcte bruto/netto-eindafrekening en binnen acht dagen na betekening van deze beschikking de financiële afrekening te verzorgen.

[verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] stelt daartoe dat het niet toekennen van enige transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Op grond van artikel 7:673 lid 8 BW maakt zij daarom aanspraak op de transitievergoeding van € 8.489,50 bruto, te vermeerderen met rente.

3.4.

Voorts maakt [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] , primair, subsidiair en meer subsidiair, aanspraak op de daadwerkelijke gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op € 5.000,00.

4. Het verweer en het tegenverzoek van [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] in de procedure ex artikel 7:681 BW

4.1.

[verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] verweert zich tegen het verzoek en voert daartoe – samengevat – het volgende aan.

De door haar in de ontslagbrief opgevoerde dringende redenen rechtvaardigen het ontslag op staande voet. Op grond van het door haar met behulp van Medicom en VGZ uitgevoerde onderzoek heeft zij niet anders kunnen concluderen dan dat [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] zich schuldig heeft gemaakt aan frauduleus handelen door te doen voorkomen alsof zij door [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] is behandeld en daarvan te profiteren. Vast staat dat er kwitanties zijn aangemaakt onder de medewerkerscode van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] en op haar werkplek (het schermnummer en medewerkerscode worden in Medicom weergegeven). Vast staat ook dat de nota’s via het eigen account in een beveiligde “mijn IZZ”-omgeving zijn ingediend. [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] erkent ook dat de gelden op haar rekening zijn bijgeschreven.

Medicom heeft aangegeven dat het onmogelijk is om het schermnummer en de personeelscode die in Medicom weergegeven wordt, op wat voor manier dan ook, te manipuleren. Het IP-adres kan alleen door Medicom aangepast worden, en dat was niet gedaan. Andere verklaringen zijn door de technische afdeling van Medicom uitgesloten. [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] heeft samen met [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] gezocht naar en gespeculeerd over vele mogelijke verklaringen. Een verklaring die tot een andere conclusie zou kunnen leiden, heeft [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] niet gegeven. [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] heeft in overleg met Medicom en VGZ zeer gedegen en diepgaand objectief onderzoek verricht. Alle mogelijke alternatieve scenario’s zijn uitgesloten.

Nu het nadere onderzoek had bevestigd dat andere scenario’s – buiten die dat [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] zelf frauduleus moet hebben gehandeld – werden uitgesloten en [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] in het gesprek van 6 november 2019 ook geen verklaring kon geven, was ontslag op staande voet de enige passende maatregel. De persoonlijke omstandigheden van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] zijn daarbij meegewogen, maar het feit is dermate ernstig dat [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] geen andere mogelijkheid heeft gezien dan een ontslag op staande voet. Het ontslag is wel degelijk onverwijld gegeven. [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] wilde in alle zorgvuldigheid eerst nader onderzoek doen en geen overhaaste conclusies trekken. Zowel Medicom als VGZ hadden tijd nodig om hun antwoorden te verstrekken. Op 5 november was het onderzoek afgerond, het gesprek met [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] is vervolgens op 6 november na de reguliere werktijd ingepland.

Er is daarom sprake van een terecht gegeven ontslag op staande voet en voor enigerlei vergoeding aan [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] is geen plaats. Van (ernstig) verwijtbaar handelen door [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] is geen sprake, het is [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] die (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld. Daarom heeft [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] ook geen recht op de transitievergoeding, en ook niet op de vergoeding wegens onregelmatige opzegging, nu niet onregelmatig is opgezegd. De primaire vorderingen van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] dienen te worden afgewezen.

4.2.

[verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] betwist de subsidiair door [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] verzochte transitievergoeding, nu [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] met de door haar gepleegde fraude ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.

4.3.

Ook voor de meer subsidiair gevorderde transitievergoeding is geen plaats, zo stelt [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] .

4.4.

[verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] verzoekt (primair, subsidiair en meer subsidiair) ook om een eindafrekening. Die is al verstrekt en betaald op 21 november 2019, [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] verwijst daarvoor naar productie 10 bij haar verweerschrift.

4.5.

Ten slotte betwist [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] dat [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] aanspraak kan maken op de integrale proceskosten. De proceskosten dienen voor rekening van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] te komen, en overigens worden enkel in geval van buitengewone omstandigheden de daadwerkelijk gemaakte proceskosten vergoed. [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] heeft op geen enkele wijze onderbouwd waarom van buitengewone omstandigheden sprake zou zijn.

5 Het verzoek van [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] in de procedure ex artikel 7:677 lid 2 BW

5.1.

[verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] verzoekt [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] te veroordelen tot betaling van de vergoeding op de voet van artikel 7:677 lid 2 jo. lid 3 BW van € 6.113,42, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Aan dit verzoek legt [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] ten grondslag – kort gezegd – dat [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] door opzet of schuld aan haar een dringende reden voor ontslag op staande voet heeft gegeven, welk ontslag op 6 november 2019 is gegeven. Zij maakt aanspraak op de vergoeding ter hoogte van het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.

6 Het verweer van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] in de procedure ex artikel 7:677 lid 2 BW

6.1.

[verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] verweert zich tegen het verzoek van [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] . Zij kan niet berusten in het gegeven ontslag en heeft vernietiging daarvan verzocht. Ten aanzien van de verzochte gefixeerde schadevergoeding stelt zij zich op het standpunt dat [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] niet-ontvankelijk is in haar verzoek, omdat het niet tijdig is ingediend. Door de opzegging per 6 november 2019 is de vervaltermijn begonnen te lopen op 7 november 2019, waardoor het verzoekschrift tot vaststelling van een gefixeerde schadevergoeding uiterlijk op 6 januari 2020 ingediend had moeten zijn. Het verzoekschrift van [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] is door de rechtbank echter ontvangen op 7 januari 2020. Het verzoek is dan ook te laat ingediend.

7 De beoordeling

in de procedure op de voet van artikel 7:681 BW

7.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of er op 6 november 2019 een rechtsgeldig ontslag op staande voet is gegeven door [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] aan [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] en of aan [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] een billijke vergoeding moet worden toegekend. Daarnaast is aan de orde de vraag of [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding.

7.2.

Bij de beoordeling wordt het volgende voorop gesteld. Omdat het ontslag op staande voet een uiterste middel is, stelt de wet daaraan strenge eisen. Deze zijn terug te vinden in artikel 7:677 lid 1 BW: de opzegging moet onverwijld zijn en vergezeld gaan van mededeling van de reden voor ontslag die bovendien als dringende reden moet gelden.

Onverwijlde opzegging

7.3.

Het standpunt van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] dat de opzegging niet onverwijld heeft plaatsgevonden, wordt verworpen. [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] is op 21 oktober 2019 door VGZ gebeld (zie productie 2 bij het verweerschrift, uit de e-mail van 21 oktober 2019 blijkt dat er die dag telefonisch contact is geweest). Vervolgens hebben er diverse gesprekken tussen [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] en [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] plaatsgevonden, onder andere op 22 en 23 oktober, en partijen hebben ook e-mailcontact gehad. Vanaf 23 oktober 2019 is Medicom bij het onderzoek betrokken en [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] heeft ook regelmatig contact gehad met VGZ (zie onder andere productie 4 bij het verweerschrift). Dat enige tijd gemoeid is geweest met het uitvoeren van het onderzoek en besluitvorming is niet onbegrijpelijk, mede omdat [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] ook afhankelijk was van de medewerking en informatie van Medicom en VGZ. Op [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] rust de verplichting om zorgvuldig te handelen en gelet op de omschreven gang van zaken heeft zij voldoende voortvarend gehandeld.

Dringende reden

7.4.

Naast een onverwijlde opzegging moet sprake zijn van een dringende reden. Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW beschouwd, zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Een dringende reden zal onder andere aanwezig geacht kunnen worden wanneer de werknemer zich schuldig maakt aan diefstal, verduistering, bedrog of andere misdrijven, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt (artikel 7:678 lid 2 onder d BW). Bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet dienen alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking te worden genomen (zie o.a. HR 21 januari 2000, JAR 2000/45). Hierbij moeten de aard en ernst van de aangevoerde dringende reden worden afgewogen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Relevant daarbij zijn aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer zijn werk heeft vervuld en ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Ook indien de gevolgen van een ontslag op staande voet ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen aard en ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst was gerechtvaardigd. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen in dit geval bij de werkgever.

7.5.

Volgens de ontslagbrief heeft [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] haar besluit tot het geven van ontslag op staande voet genomen omdat het, gelet op de sterke aanwijzingen, bijna niet anders kan dan dat [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] frauduleus heeft gehandeld. [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] geeft aan dat zij [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] niet meer kan vertrouwen, terwijl vertrouwen gelet op de functie van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] essentieel is.

7.6.

[verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] stelt in de ontslagbrief niet dát [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] fraude heeft gepleegd, maar dat alles erop wijst dat zij dat heeft gedaan. Vast staat dat er kwitanties zijn aangemaakt onder de medewerkerscode van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] en op haar werkplek (het schermnummer en medewerkerscode worden in Medicom weergegeven). Volgens [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] heeft Medicom aangegeven dat het onmogelijk is om het schermnummer en de personeelscode die in Medicom weergegeven wordt, op wat voor manier dan ook, te manipuleren. [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] heeft dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist. Vast staat ook dat de nota’s via het account van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] , via een beveiligde “mijn IZZ”-omgeving bij de verzekeraar zijn ingediend én dat de gedeclareerde bedragen aan [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] zijn uitbetaald.

Op basis van deze omstandigheden heeft [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] terecht de conclusie getrokken dat het bijna niet anders kan dan dat [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] de frauduleuze handelingen heeft verricht. Met behulp van Medicom heeft [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] alle denkbare scenario’s nagetrokken. Ook de mogelijkheid van betrokkenheid van een derde, een arts van een andere praktijk zoals [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] heeft aangevoerd, is met hulp van Medicom onderzocht. [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] heeft toegelicht dat uit het onderzoek naar voren is gekomen dat de verrichtingen echt op de computer van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] , met haar inlogcode, zijn gedaan. Dat zou betekenen dat die andere arts op de werkplek van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] zou moeten zitten, aldus [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] . Dat valt echter iedereen in de praktijk direct op. Artsen zitten niet op die werkplek en werken ook niet met die computers, en zeker niet een arts van een andere praktijk. Bovendien, dat zou nog niet verklaren hoe de declaraties zijn ingediend bij de zorgverzekering, nu daarvoor de DigiD-code van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] vereist is, zo heeft [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] onweersproken aangevoerd.

Het is volstrekt begrijpelijk dat [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] op grond van het voorgaande het vertrouwen in [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] compleet verloren is. Juist in haar functie is wederzijds vertrouwen onontbeerlijk. Naar het oordeel van de kantonrechter levert het vermoeden dat door [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] fraude is gepleegd, gelet op de hierboven geschetste omstandigheden dan ook een dringende reden op voor ontslag op staande voet. De primair gevorderde verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.

7.7.

Uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat op verzoek van de werknemer een billijke vergoeding kan worden toegekend als de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Nu hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, komt het verzoek van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] om toekenning van een billijke vergoeding niet voor toewijzing in aanmerking. Er is immers geen sprake van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW, zodat er ook geen grond is om toepassing te geven aan artikel 7:681 lid 1 BW.

7.8.

Uit de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet volgt tevens dat van een onregelmatig ontslag geen sprake is, zodat de door [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] gevorderde schadevergoeding op basis van onregelmatige opzegging evenmin toewijsbaar is.

7.9.

[verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] heeft ook verzocht om [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] te veroordelen een transitievergoeding te betalen van € 8.498,50. Op grond van artikel 7:673 lid 7, onderdeel c, BW is de transitievergoeding niet verschuldigd, indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] heeft met een beroep op dit artikel betaling van de transitievergoeding geweigerd. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer gaat om bijvoorbeeld de situatie waarin de werknemer zich schuldig maakt aan diefstal, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt, of de situatie waarin de werknemer controlevoorschriften bij ziekte herhaaldelijk, ook na toepassing van loonopschorting, niet naleeft en hiervoor geen gegronde reden bestaat (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 39).

Hierboven is geoordeeld dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, omdat daarvoor een dringende reden aanwezig was. De kantonrechter is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de dringende reden vormen in dit geval geen ernstige verwijtbaarheid van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] opleveren. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Zoals gezegd heeft [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] terecht de conclusie kunnen trekken dat het niet anders kan dan dat [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] de frauduleuze handelingen heeft verricht, met als gevolg dat zij het vertrouwen in [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] -onherstelbaar- heeft verloren. Maar hoewel alles in de richting van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] wijst, staat niet onomstotelijk vast dát het [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] is geweest die de fraude heeft gepleegd. Ter zitting heeft [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] verwezen naar het overzicht dat als bijlage 1 aan de pleitnota van haar gemachtigde is gehecht. [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] heeft onweersproken gesteld dat zij op 24 maart 2017 en 11 april 2017 niet op de praktijk aanwezig was, terwijl er op die data wel mutaties zijn uitgevoerd. Uit de brief van Medicom blijkt dat mutaties op de praktijk uitgevoerd moeten worden, buiten de praktijk mutaties uitvoeren is volgens Medicom niet mogelijk, aldus [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] . Er wordt dus bevestigd dat er op die dagen handelingen zijn verricht, terwijl zij niet aanwezig was en het ook niet van buiten de praktijk had kunnen doen. Volgens Medicom kan ook niet geantidateerd worden, zo stelt [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] . [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] betwist dat. Zij heeft toegelicht dat de laatste mutatie van deze verrichtingen bestaat uit het verwijderen. De datum van aanmaken wordt overschreven. Het verwijderen van de verrichtingen uit het journaal is niet frauduleus, het gaat om het aanmaken, aldus [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] . De kantonrechter leest in de e-mail van Medicom echter dat de initialen van de medewerker die de regel verwijderd heeft, worden gebruikt (pagina 1 van de e-mail, de eerste vraag van [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] die bevestigend wordt beantwoord door Medicom). Dit roept de nodige vragen op. Ook de beantwoording van de tweede vraag door Medicom is iets genuanceerder dan dat [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] stelt. In het verweerschrift onder alinea 25 schrijft [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] dat het IP-adres alleen door Medicom aangepast kan worden, en dat dat niet gedaan was. In de e-mail van Medicom leest de kantonrechter inderdaad dat Pharmapartners [Medicom] het IP-adres niet heeft aangepast. Medicom geeft echter aan dat dit ook lokaal aangepast kan worden. En daarover wordt niet gezegd of dit wel of niet gebeurd is. Denkbaar zou dus zijn dat een derde dit lokaal gewijzigd heeft. Verderop in de e-mail bevestigt Medicom ook nog dat niet kan worden uitgesloten dat iemand een fictieve medewerker met code “VD” heeft aangemaakt en die later weer verwijderd heeft, zodat niet meer te traceren is wie die medewerker was en wat die gedaan heeft in het systeem, én dat het mogelijk is dat medewerkers met toegang tot de map Onderhoud Medewerker Gegevens de medewerkerscodes kunnen muteren.

Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken dat niet onomstotelijk vast staat dat [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] de mutaties heeft aangebracht. Ze blijft ontkennen, en hoewel [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] zelf geen verklaring heeft, ook niet voor het (onbevoegdelijk?) gebruik van haar DigiD-code, is niet geheel uitgesloten dat er wel een andere verklaring is. Dat maakt dat het handelen van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] niet als ernstig verwijtbaar kan worden gekwalificeerd. Zij heeft daarom wel recht op de transitievergoeding. [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] zal worden veroordeeld tot betaling van die vergoeding. Volgens [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] bedraagt de transitievergoeding niet het door [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] verzochte bedrag, maar € 8.282,00. [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] heeft niet aangegeven hoe zij tot dit bedrag komt. Uitgaande van de gegevens zoals door [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] vermeld onder punt 2.1 van het verzoekschrift, berekent de kantonrechter de transitievergoeding op € 8.498,65. Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding worden toegewezen te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 7 december 2019.

7.10.

Uit het voorgaande vloeit voort dat ook de subsidiair gevorderde verklaring voor recht kan worden toegewezen.

7.11.

[verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] heeft ten slotte verzocht [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] te veroordelen tot het verstrekken van een correcte bruto/netto-eindafrekening en [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] te veroordelen de financiële eindafrekening te verzorgen en te betalen hetgeen zij op grond daarvan verschuldigd is aan [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] . [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] heeft aangevoerd dat de eindafrekening al is verstrekt en betaald op 21 november 2019. [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] heeft daar niet meer op gereageerd. In deze procedure wordt er daarom vanuit gegaan dat de eindafrekening is verstrekt en betaald.

7.12.

Omdat partijen over en weer deels in het gelijk en ongelijk zijn gesteld, is er aanleiding de proceskosten zodanig te verdelen dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

in de procedure op de voet van artikel 7:677 lid 2 BW

7.13.

[verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] is uitgegaan van de ontvangststempel op het originele verzoekschrift, waaruit blijkt dat dit is ingekomen op 7 januari 2020. Het verzoekschrift is echter per fax al op 5 januari 2020 ter griffie ontvangen. Dit faxbericht is ter zitting, via de camera in verband met de skype-zitting, aan [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] en haar gemachtigde getoond.

[verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] heeft haar verweer gehandhaafd, omdat op de faxbevestiging een foutief aantal pagina’s, namelijk 15, is vermeld. Volgens haar is het processtuk zelf al 20 pagina’s. De kantonrechter constateert dat dat niet juist is. Het verzoekschrift zoals dat door [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] is ingediend (aanvankelijk per fax en later per post) heeft een omvang van 5 pagina’s. Daarbij opgeteld de begeleidende brief (1 pagina) en de producties (exclusief de tabbladen, die ook niet gefaxt zijn, 9 pagina’s) komt het totaal aantal pagina’s op 15. Dat komt overeen met de faxbevestiging, waarop is vermeld dat op 5 januari 2020 15 pagina’s ontvangen zijn. Dat betekent dat het verzoekschrift tijdig ontvangen is en [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] ontvankelijk is in haar verzoek.

7.14.

Nu hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven, wordt het verweer van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] op dat punt gepasseerd.

7.15.

Op grond van artikel 7:677 lid 2 BW is een partij die door opzet of schuld aan de wederpartij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen schadeplichtig, indien de wederpartij van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

Voor de verschuldigdheid van deze vergoeding is vereist dat de dringende reden door opzet of schuld is veroorzaakt. Hiervoor is geoordeeld dat geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] . Uit de feiten volgt dat er sprake is van een zeer sterke verdenking jegens [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] , maar dit is onvoldoende voor opzet of schuld. Dat betekent dat de gevorderde vergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW dient te worden afgewezen.

7.16.

De proceskosten komen voor rekening van [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] , omdat zij ongelijk krijgt. De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten van deze procedure op nihil te stellen, nu het verzoek betrekking heeft op hetzelfde feitencomplex als in de procedure op de voet van artikel 7:681 BW.

8 De beslissing

De kantonrechter:

in de procedure op de voet van artikel 7:681 BW

verklaart voor recht dat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] ;

veroordeelt [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] om binnen acht dagen na betekening van deze beschikking aan [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] te betalen een transitievergoeding van € 8.498,65 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 december 2019 tot aan de dag van de gehele betaling;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

verklaart deze beschikking – met uitzondering van de verklaring voor recht – uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

in de procedure op de voet van artikel 7:677 lid 2 BW

wijst het verzoek af;

veroordeelt [verweerster 7:681 BW/verzoekster 7:677 lid 2 BW] tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [verzoekster 7:681 BW/verweerster 7:677 lid 2 BW] tot en met vandaag worden begroot op nihil.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.J. Roeterdink, kantonrechter en op donderdag 4 juni 2020 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.