Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:2863

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-05-2020
Datum publicatie
04-06-2020
Zaaknummer
8302600 \ EJ VERZ 20-73
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst op de a-grond. Er is sprake van volledige beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming (artikel 7:670a lid 2 sub d BW), zodat het opzegverbod wegens ziekte niet van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0617
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer: 8302600 \ EJ VERZ 20-73

Beschikking van 14 mei 2020

in de zaak van:

de vennootschap onder firma [verzoekster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verzoekster,

gemachtigde: mr. J.A. Buur,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

gemachtigde: [naam gemachtigde] .

Partijen zullen hierna “ [verzoekster] ” en “ [verweerder] ” worden genoemd.

1 Het procesverloop

1.1.

[verzoekster] heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 23 april 2020 heeft een zitting – in verband met het Corona-virus via skype – plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. De gemachtigde van [verzoekster] heeft op voorhand pleitnotities toegezonden, die hij op de zitting heeft voorgedragen.

1.3.

Vervolgens is een datum voor beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] exploiteerde twee restaurant, restaurant [naam restaurant] in [vestigingsplaats] en restaurant [verzoekster] in [vestigingsplaats] . De VOF is onder nummer [kvk nummer] geregistreerd in het register van de Kamer van Koophandel, restaurant [verzoekster] in [vestigingsplaats] is geregistreerd als de hoofvestiging (met vestigingsnummer [vestigingsnummer] ) en restaurant [naam restaurant] in [vestigingsplaats] is geregistreerd als vestiging (met vestigingsnummer [vestigingsnummer] ).

2.2.

[verweerder] , geboren [geboortedatum] , is op 1 december 2015 in dienst getreden bij [verzoekster] . De laatste functie die [verweerder] vervulde, is die van kok, met een salaris van € 1.937,15 exclusief vakantiegeld. [verweerder] was werkzaam in restaurant [naam restaurant] in [vestigingsplaats] .

2.3.

[verweerder] is arbeidsongeschikt sinds 17 juni 2019.

2.4.

Restaurant [naam restaurant] heeft zijn werkzaamheden beëindigd. Per 17 juni 2019 zijn de deuren van het restaurant gesloten. De bedrijfsactiviteiten zijn per die datum definitief gestaakt en het pand is op 21 september 2019 verkocht.

2.5.

[verzoekster] heeft op 19 november een ontslagaanvraag bij het UWV ingediend.

2.6.

Bij besluit van 6 december 2019 heeft het UWV de ontslagaanvraag van [verzoekster] afgewezen. Het UWV schrijft in haar besluit, onder andere:
“Als er een opzegverbod is, weigeren wij toestemming. (…)

Werkgever vermeldt in de ontslagaanvraag dat werknemer ziek is. Werkgever is van mening dat het opzegverbod niet van toepassing is, omdat er sprake zou zijn van een volledige bedrijfsbeëindiging. Wij delen die visie van de werkgever hierin niet.

Uit de regelgeving vloeit voort dat het opzegverbod tijdens ziekte niet geldt als sprake is van volledige beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming. Onder ‘onderneming’ wordt in dit verband verstaan de formele werkgever waar de werknemer in dienst is (artikel 7:670a lid 2 onderdeel d BW). Als alleen een onderdeel van een onderneming ophoudt te bestaan is het opzegverbod tijdens ziekte wel van toepassing. De werkgever kan de werknemer immers nog steeds re-integreren in eerste dan wel in tweede spoor.

Werkgever exploiteert twee restaurant, te weten [verzoekster] en [naam restaurant] . Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel van 22 november 2019 en uit de brief van werkgever van 25 november 2019, leiden wij af dat beide restaurants formeel onder één V.O.F. vallen, te weten [verzoekster] V.O.F. Nu beide restaurants onder dezelfde vennootschap vallen (namelijk [verzoekster] V.O.F.) stellen wij ons op het standpunt dat deze vennootschap als formele werkgever aangemerkt dient te worden. Dat werkgever stelt dat beide restaurants zich organisatorisch en economisch zelfstandig presenteren, doet daar naar onze mening niets aan af.

Omdat [verzoekster] V.O.F. blijft bestaan maar slechts een onderdeel hiervan is beëindigd, kan naar onze mening niet worden volgehouden dat er sprake is van een volledige bedrijfsbeëindiging.”

3 Het verzoek

3.1.

Restaurant [verzoekster] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel b, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel a BW.

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoekster] ten grondslag dat sprake is van – kort

gezegd – bedrijfseconomische redenen. Ter onderbouwing daarvan heeft Restaurant [verzoekster] naar voren gebracht dat vanwege de aard van de bedrijfseconomische grond voor opzegging van de arbeidsovereenkomst, namelijk de beëindiging van de werkzaamheden van (restaurant) [naam restaurant] in de zin van artikel 7:670a lid 2 sub d BW, het opzegverbod wegens ziekte van artikel 7:670 lid 1 BW niet van toepassing is.

4 Het verweer

4.1.

[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Hij voert daartoe – kort gezegd – aan dat sprake is van een opzegverbod tijdens ziekte zoals bedoeld in artikel 7:670 lid 1 onder a BW. Het beroep van [verzoekster] op artikel 7:670a lid 2 onder d BW kan niet slagen, nu er gelet op de juridische eenheid van de VOF niet kan worden gesproken van een volledige bedrijfsbeëindiging. De VOF blijft, ook na de sluiting van restaurant [naam restaurant] , bestaan.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.

5.2.

De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat [verweerder] ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Het opzegverbod tijdens ziekte is niet van toepassing indien sprake is van de volledige beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming (artikel 7:670a lid 2 sub d BW). Bij een gedeeltelijke bedrijfsbeëindiging, bijvoorbeeld het sluiten van een onderdeel of een afdeling van een onderneming, blijft het opzegverbod tijdens ziekte zijn gelding behouden.

5.3.

Tussen partijen is in geschil of sprake is van beëindiging van de gehele onderneming. Volgens [verzoekster] kwalificeren restaurant [naam restaurant] en restaurant [verzoekster] ieder voor zich als een onderneming in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub a juncto 7:670a lid 2 sub d BW; [verweerder] betwist dat en stelt dat gelet op de juridische eenheid van de VOF niet gesproken kan worden van afzonderlijke ondernemingen.

5.4.

De opvatting van [verzoekster] vindt steun in Memorie van Toelichting bij de introductie van de voorganger van het huidige artikel 7:670a lid 2 sub d BW (Kamerstukken II 1996/97, 25263, 3, p. 29). De wetgever heeft zich daar op het standpunt gesteld dat het voor zich spreekt het begrip onderneming ‘bij de opzegbepalingen’ dezelfde betekenis toe te kennen als in de bepalingen betreffende overgang van ondernemingen. Ook het Hof Den Bosch is die opvatting toegedaan (ECLI:NL:GHSHE:2019:2048). Voor het begrip onderneming moet het daarom gaan om de organisatorische eenheid van ondernemingsactiviteiten waarmee de werknemer uitsluitend of in hoofdzaak is verbonden. Wanneer een onderneming bestaat uit meerdere echt zelfstandige onderdelen, kan het opzegverbod daarom komen te vervallen indien het gaat om het beëindigen van de werkzaamheden van een onderdeel van de onderneming.

5.5.

[verzoekster] heeft uitgebreid toegelicht waarom de beide restaurants gezien moeten worden als zelfstandige onderdelen. Zij wijst op de boekenonderzoeken die bij beide restaurants afzonderlijk zijn uitgevoerd, op de eigen polissen die beide restaurants hebben, op de eigen administratie die beide restaurants voeren en op de eigen vergunning op grond van de Drank- en Horecawet voor beide restaurants. Er vond ook geen uitwisseling van personeel plaats tussen beide restaurants, [verweerder] heeft ter zitting bevestigd dat hij nooit in het restaurant in [vestigingsplaats] heeft gewerkt. Met [verzoekster] is de kantonrechter van oordeel dat uit deze omstandigheden – in onderlinge samenhang bezien – volgt dat sprake is van zelfstandige onderdelen en dat het UWV een te enge definitie voor ‘de onderneming’ heeft gehanteerd. Dat beide vennoten betrokken zijn bij beide restaurants, doet daar naar het

oordeel van de kantonrechter niet aan af. Dit betekent dat het opzegverbod niet in de weg staat aan ontbinding.

5.6.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

5.7.

[verzoekster] voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in bedrijfseconomische omstandigheden. Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door [verzoekster] in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel a BW. Vast staat immers dat restaurant [naam restaurant] de deuren heeft gesloten, dat het pand verkocht is en dat de bedrijfsactiviteiten definitief zijn gestaakt.

5.8.

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van [verzoekster] zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW zal worden ontbonden met ingang van 1 juli 2020. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.

5.9.

Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitie-vergoeding verschuldigd is de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden. Aan deze voorwaarde is voldaan en gelet op artikel 7:673 lid 2 BW heeft [verweerder] aanspraak op een transitievergoeding. [verzoekster] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding.

5.10.

De verplichting om de werkgever de mogelijkheid te geven een ontbindingsverzoek in te trekken geldt uitsluitend als een billijke vergoeding wordt toegekend en niet in gevallen waarin de kantonrechter de werkgever veroordeelt om de transitievergoeding te betalen. [verzoekster] is overigens ook bereid de transitievergoeding aan [verweerder] te betalen. [verzoekster] hoeft daarom geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken.

5.11.

Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2020;

veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerder] de transitievergoeding te betalen;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gewezen door mr. J.M.J. Godrie, kantonrechter en op 14 mei 2020 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.