Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:2625

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
20-05-2020
Datum publicatie
26-05-2020
Zaaknummer
C/01/335594 / HA ZA 18-431
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

eiser moet een strook grond leveren aan een derde. De gemeente waarin de grond ligt beroept zich op de Wet voorkeursrecht gemeenten en de notaris weigert om die reden de leveingsakte te passeren. Eiser spreekt de notaris aan wegens beroepsfout. Ivm toepasselijk overgangsrecht rustte er geen aanbiedingsplicht op de betreffende strook grond. Eiser stelt dat hij als gevolg van deze fout van de notaris schade heeft geleden doordat hij niet aan zijn leveringsplicht kon voldoen en daardoor dwangsommen heeft verbeurd. De rechtbank is van oordeel dat de notaris inderdaad een beroepsfout heeft gemaakt door niet zelf onderzoek te doen naar het toepasselijk overgangsrecht. Causaal verband tussen de beweerdelijk geleden schade en het optreden van de notaris echter niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/335594 / HA ZA 18-431

(oud rolnummer C/01/266047 / HA ZA 13-526)

Vonnis van 20 mei 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. C.M. van der Corput te Veldhoven

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. D. Liem te Rosmalen.

Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagde sub 1 notaris [gedaagde 1] of de notaris en gedaagde sub 2 notaris [gedaagde 2] . Gedaagden gezamenlijk worden [gedaagden] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 april 2014

  • -

    de akte van [eiser] van 28 mei 2014

  • -

    de akte tevens vermeerdering van eis van [eiser] van 3 oktober 2018 met 9 bijlagen

  • -

    de antwoordakte van [gedaagden] van 12 december 2018

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Voor een goed begrip van de zaak geeft de rechtbank eerst een overzicht van de feiten tot op heden.

2.2.

[eiser] diende op grond van een akte van 30 januari 2003 en een daaraan ten grondslag liggende akte van 7 december 1998 om niet (gratis) een strook grond aan [naam derde] te leveren. Het ging volgens die aktes om een perceel van ongeveer 660 m2 dat onderdeel uitmaakte van perceelnummer [perceelnummer] . Die verplichting tot levering van dat stuk grond ontstond op 21 augustus 2008. [eiser] en [naam derde] hebben daarover overleg gevoerd maar waren het oneens over (de omvang van) wat er precies moest worden geleverd. [naam derde] ging niet akkoord met een in opdracht van [eiser] door notaris [gedaagde 1] opgestelde conceptakte.

2.3.

[naam derde] heeft beslag laten leggen op de grond en een hoofdzaak aanhangig gemaakt bij de rechtbank ’s-Hertogenbosch. Bij vonnis van 24 maart 2010 is [eiser] bij verstek veroordeeld om een stuk grond groot 810 m2, onderdeel van perceelnummer [perceelnummer] (voorheen perceelnummer [perceelnummer] ) om niet te leveren aan [naam derde] . Als hij niet aan deze veroordeling zou voldoen, zou hij een dwangsom verbeuren van € 500 per dag vanaf de vijftiende dag na de betekening van het vonnis tot een maximum van € 75.000,00 zou zijn bereikt. [eiser] heeft geen verzet aangetekend tegen dit vonnis.

2.4.

[naam derde] heeft het verstekvonnis op 6 augustus 2010 aan [eiser] laten betekenen.

[eiser] heeft zich toen bij notaris [gedaagde 1] vervoegd. De notaris wenste geen akte te passeren omdat er een voorkeursrecht door de gemeente Reusel-De Mierden op deze grond was gevestigd. Dat stond volgens de notaris in de weg aan deze levering.

2.5.

Bij besluit van 16 november 2010 heeft de gemeente Reusel-De Mierden beslist af te zien van het voorkeursrecht. Notaris [gedaagde 1] heeft [eiser] daarvan bij brief van 30 november 2010 in kennis gesteld. Toen kon er echter nog altijd geen akte worden gepasseerd en dus geen grond worden geleverd omdat [eiser] en [naam derde] het nog steeds niet eens waren over de (omvang van de) te leveren grond. Op grond van het verstekvonnis moest er een perceel van 810 m2 worden geleverd maar op grond van de notariële akte, waaraan [eiser] vasthield, ongeveer 660 m2. Ook bestond er onenigheid over de (beperking van) erfdienstbaarheden.

2.6.

Het heeft uiteindelijk tot 27 december 2012 geduurd voordat er een akte is getransporteerd door de opvolger van notaris [gedaagde 1] , notaris [gedaagde 2] . Daarbij is 730 m2 van het oorspronkelijke perceel [perceelnummer] door [eiser] aan [naam derde] geleverd.

2.7.

Omdat [eiser] niet tijdig gevolg had gegeven aan het verstekvonnis van 24 maart 2010, verbeurde hij dwangsommen. Met ingang van de vijftiende dag na 6 augustus 2010, dus 21 augustus 2010, is [eiser] dwangsommen gaan verbeuren van € 500,00 per dag. Honderdvijftig dagen vanaf 21 augustus 2010 was het maximum aan dwangsommen verbeurd, dus op 10 januari 2011.

2.8.

In het tussenvonnis van 30 april 2014 heeft deze rechtbank geoordeeld dat notaris [gedaagde 1] aansprakelijk is voor het feit dat hij de verkoopakte niet heeft willen passeren omdat er volgens hem een voorkeursrecht op die grond lag van de gemeente Reusel-De Mierden. Dit voorkeursrecht bleek echter, vanwege het destijds geldende overgangsrecht, niet aan het passeren van de akte in de weg te staan. De notaris had de akte dus kunnen passeren. De rechtbank heeft eveneens overwogen:

4.9. De rechtbank is wel met de notaris van mening dat niet duidelijk is of [eiser] schade heeft geleden en of die schade het gevolg is van het handelen van de notaris. [eiser] vordert vergoeding van de dwangsommen die hij aan [naam derde] heeft verbeurd vanwege de opgetreden vertraging en de kosten van juridische bijstand die hij heeft moeten maken. In deze procedure staat echter vast dat [eiser] en [naam derde] ook van mening verschilden over het aantal vierkante meters dat [eiser] aan [naam derde] om niet diende over te dragen en over de beperking van de erfdienstbaarheden. Volgens [eiser] heeft [naam derde] al in februari 2010 bij de bespreking van de eerste door de notaris opgestelde concept-akte uitgesproken dat hij het niet eens was met de omschreven grootte van het perceel. Wat daarvan zij, het feit ligt er dat nadat de gemeente op 16 november 2010 het besluit heeft genomen en heeft kenbaar gemaakt dat zij afzag van het voorkeursrecht, het nog ruim twee jaar heeft geduurd voordat uiteindelijk de akte van eigendomsoverdracht door notaris [gedaagde 2] is gepasseerd. Het is dan ook de vraag of en in hoeverre de schade die [eiser] nu vordert is ontstaan als gevolg van de weigering van de notaris om in augustus 2010 de akte van eigendomsoverdracht te transporteren en of niet, ook als de notaris wel direct in augustus 2010 tot transport zou zijn over gegaan, vertraging in de levering zou zijn opgetreden vanwege deze meningsverschillen. [eiser] heeft mede om deze reden bij deze rechtbank een procedure aangespannen tegen [naam derde] over het executeren van de bij het vonnis van 24 maart 2010 opgelegde dwangsommen. Deze procedure is nog niet in het stadium van vonnis wijzen. Zoals ter comparitie met partijen besproken zal de rechtbank de verdere beslissing dan ook aanhouden totdat meer duidelijkheid is verkregen over het executiegeschil en de zaak daartoe verwijzen naar de rolzitting van 28 mei 2014 zodat [eiser] zich kan uitlaten over de stand van zaken in die procedure.

2.9.

Bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van

9 juli 2014 is de vordering van [eiser] tot onder meer opheffing van de bij verstekvonnis opgelegde dwangsom en veroordeling van [naam derde] tot terugbetaling daarvan, afgewezen. Het gerechtshof heeft deze uitspraak in hoger beroep bij eindarrest van 5 juni 2018 bekrachtigd. Het gerechtshof overweegt onder meer dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat het verbeuren van dwangsommen het gevolg is van handelen of nalaten van [naam derde] . Voorts overweegt het hof dat [eiser] zijn stelling dat met [naam derde] was afgesproken dat deze het verstekvonnis niet zou executeren en/of geen dwangsommen zou incasseren onvoldoende heeft onderbouwd. Ten slotte overweegt het gerechtshof dat de verplichting van [eiser] tot levering van de strook grond al bestond vanaf 24 maart 2010, dat alle betrokken advocaten al in een vroeg stadium wisten dat het standpunt van notaris [gedaagde 1] dat hij de akte niet kon passeren onjuist was en dat [eiser] , door zich uitsluitend te richten naar notaris [gedaagde 1] , zich onvoldoende heeft ingespannen om aan zijn verplichting tot levering te voldoen.

2.10.

Bij akte van 3 oktober 2018 heeft [eiser] zijn vordering in deze zaak vermeerderd. Hij heeft de schadevordering verhoogd van € 104.209,54 naar € 140.125,66 bestaande uit:

  • -

    € 75.000,00 verbeurde dwangsommen;

  • -

    € 2.630,00 proceskosten eerste aanleg

  • -

    € 8.976,20 proceskosten hoger beroep

  • -

    € 53.519,46 kosten advocaat voor de procedure [eiser] / [naam derde] te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van dagvaarden en voor wat betreft de vermeerdering van eis vanaf het indienen daarvan.

Daarnaast vordert hij hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten. Zijn vordering tot een schadevergoeding op te maken bij staat en vereffening bij wet trekt hij in.

2.11.

Nu [eiser] in de procedure betreffende de dwangsommen in het ongelijk is gesteld staat vast dat hij deze is verschuldigd. Daarnaast heeft hij aanzienlijke kosten gemaakt voor de door hem gevoerde procedures. Vallen die dwangsommen en die kosten nu aan te merken als schade als gevolg van de weigering van de notaris om in augustus 2010 de akte van eigendomsoverdracht te transporteren. Was deze schade niet ontstaan als de notaris niet had geweigerd de akte te passeren?

De notaris stelt zich op het standpunt dat [naam derde] zich sowieso had verzet tegen het passeren van de conceptakte omdat hij niet instemde met de inhoud daarvan. [naam derde] wilde immers dat [eiser] het perceel leverde waartoe hij bij onherroepelijk verstekvonnis was veroordeeld terwijl [naam derde] zich voor de omvang van het te leveren perceel beriep op de akte van 7 december 1998. De rechtbank volgt dit standpunt van de notaris. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat hij hoe dan ook van plan was te leveren als de notaris de akte had willen passeren maar [eiser] stelt niet wat hij dan had willen leveren. Uit niets blijkt dat hij destijds bereid was een perceel te leveren met een omvang van 810 m2 zoals in het verstekvonnis vermeld. Integendeel, een perceel met die omvang wilde hij, gelet op de inhoud van de notariële aktes van 30 januari 2003 en 7 december 1998 nu juist niet leveren. Hij heeft ook geen conceptakte, waaruit anders zou kunnen blijken, overgelegd. Bovendien staat zijn stelling haaks op het feit dat er ook eind 2010 geen akte is gepasseerd terwijl daartoe van de kant van de notaris geen beletsel meer bestond terwijl hij ook toen nog dwangsommen verbeurde. Het probleem was ook toen nog steeds dat [eiser] en [naam derde] het niet eens konden worden over de inhoud van de te passeren akte en [eiser] kennelijk niet bereid was het perceel in de omvang waartoe hij bij verstekvonnis was veroordeeld, te leveren.

Dat leidt tot de conclusie dat de door [eiser] gevorderde schade geen gevolg was van de weigering van de notaris in augustus 2010 om de akte te passeren maar dat dit het gevolg is van een conflict tussen [eiser] en [naam derde] . De schade was dus hoe dan ook ontstaan.

2.12.

De vordering wordt dan ook afgewezen.

2.13.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht 1.474,00

- salaris advocaat 4.267,50 (2,5 punten × tarief € 1.707,00)

Totaal € 5.741,50

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst de vorderingen af,

3.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 5.741,50,

3.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.M. Effting-Zeguers en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2020.