Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:2553

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-05-2020
Datum publicatie
26-05-2020
Zaaknummer
16/2957E
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gebrek in omgevingsvergunning wat betreft toestemming natuur niet hersteld na tussenuitspraak.

De toestemming natuur is in 2016 verleend met gebruikmaking van het PAS. Omdat deze toestemming onlosmakelijk is verbonden met de toestemming milieu komt de bestreden omgevingsvergunning voor vernietiging in aanmerking. De hersteltermijn is ongebruikt verstreken. Vergunninghoudster is voornemens intern te salderen maar heeft nog geen toereikende aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. Omdat de rechtbank niet kan overzien hoe lang het zou duren voordat het besluit zou kunnen worden hersteld, ziet de rechtbank geen aanleiding om de geboden hersteltermijn te verlengen. De rechtbank vernietigt de omgevingsvergunning en draagt GS op om binnen 12 weken een nieuw besluit te nemen op de aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/2957E

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 mei 2020 in de zaak tussen

[eiseres 1] , te [woonplaats 1] , (eiseres 1)

[eiseres 2] , te [woonplaats 2] , (eiseres 2)
(gemachtigde: H. Baptist)

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, verweerder

(gemachtigden: mr. A. Speekenbrink, V. Bax, J. Bertens, W. Michiels en
mr. D. Oostvogels).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende] B.V., te [woonplaats 3] , gemachtigde mr. F.H. Damen.

Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van de inrichting aan de [adres] , te [vestigingsplaats] , gemeente Steenbergen.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak enige tijd aangehouden in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) op de prejudiciële vragen over het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft gesteld bij uitspraken van 17 mei 2017. Na het arrest van 7 november 2018 van het HvJ heeft de Afdeling op 29 mei 2019 uitspraken gedaan in de betreffende zaken (ECLI:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:NL:RVS:2019:1604).

Deze zaak is behandeld op de inlichtingencomparitie van 29 november 2018. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. De behandeling is voortgezet op de zitting van 10 september 2019, samen met zaak SHE 19/1778. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens derde-partij is [naam 1] verschenen, alsmede de gemachtigde en [naam 2] .

Bij tussenuitspraak van 4 oktober 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:5670 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen 26 weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

De derde-partij en verweerder hebben verzocht om verlenging van de termijn. Eisers hebben hier op gereageerd. De rechtbank heeft het verzoek telefonisch besproken met alle partijen gelijktijdig op 20 april 2020.

De derde-partij heeft gereageerd op de toegezonden gespreksaantekeningen.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank aangegeven dat het beroep van eisers slaagt en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt omdat de toestemming voor het wijzigen van de inrichting onlosmakelijk is verbonden met de toestemming voor het realiseren van het project nabij een Natura 2000-gebied. Deze laatste toestemming was verleend met gebruikmaking van het Programma aanpak stikstof 2015-2021. De rechtbank heeft verweerder de kans gegeven om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen om meerdere redenen.

  • -

    In de eerste plaats is het bedrijf al enige tijd in werking op basis van het te vernietigen bestreden besluit.

  • -

    Eisers wijzen weliswaar op de gevolgen van de stikstofdepositie van het bedrijf op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden, maar maken zich vooral zorgen over de ammoniakuitstoot op nabijgelegen bloemdijken, deels buiten het Natura 2000-gebied. De vergunning op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming ziet niet op de bloemdijken buiten het Natura 2000-gebied.

  • -

    De derde-partij heeft na de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 een aanvraag ingediend voor een aanpassing van het bestreden besluit door middel van externe saldering met de stikstofdepositie van een (op dit moment in werking zijnde) veehouderij.

  • -

    Weliswaar was het enige tijd niet mogelijk om met AERIUScalculator de omvang van stikstofemissie- en depositie te berekenen, maar sinds 16 september jl. is AERIUS-Calculator weer beschikbaar. Daarnaast is het gebruik van dit programma niet langer dwingend voorgeschreven in de Regeling natuurbescherming.

  • -

    Verweerder is niet langer afhankelijk van AERIUS calculator om een herstelbesluit te nemen. Hierin ligt dus geen gerechtvaardigde reden voor verweerder om een besluit op de aanvraag van de derde-partij uit te stellen. Verweerder is druk bezig met het ontwikkelen van beleid voor het verlenen van vergunningen met toepassing van externe saldering of de ADC-toets, maar heeft aangegeven dat dit beleid niet al te lang op zich laat wachten. Ook dit is dus geen reden om lang te wachten met het nemen van een nieuw besluit.

2. De rechtbank stelt op basis van het verzoek van de derde-partij en verweerder, de reactie van eisers en het telefoongesprek van 20 april 2020 het volgende vast:

- De hersteltermijn is ongebruikt verstreken (als bedoeld in artikel 8:51 onder c, van de Algemene wet bestuursrecht).

  • -

    Verweerder kan geen toepassing geven aan zijn beleid inzake externe saldering in de beleidsregel Natuurbescherming Noord-Brabant van 19 december 2019, omdat hij in afwachting is van het kabinetsbesluit over het innemen van dier- en/of fosfaatrechten bij extern salderen.

  • -

    Inmiddels is het gebruik van (de geactualiseerde) AERIUS Calculator weer verplicht voorgeschreven in artikel 2.1, eerste lid van de Regeling natuurbescherming. In ieder geval kunnen met een rekenmodel de gevolgen van een project voor de stikstofdeposotie op Natura 2000 gebieden voldoende adequaat worden berekend.

  • -

    De derde partij ziet niet langer heil in een oplossing door middel van extern salderen en heeft op 16 april 2020 een voorstel gedaan (in het kader van vooroverleg met de Omgevingsdienst) voor een wijziging van de inrichting waarbij meerdere nageschakelde chemische luchtwassers worden geplaatst om de ammoniakemissie en de stikstofdepositie zodanig te verminderen dat niet langer sprake is van een toename van stikstofdepositie. Het door de derde-partij voorgestane huisvestingssysteem heeft geen code op basis van de Regeling ammoniak en veehouderij en zal om die reden vermoedelijk ook moeten worden beoordeeld door de Commissie voor de milieueffectrapportage.

  • -

    De omgevingsdienst staat in beginsel positief tegenover dit voorstel, maar het voorstel is nog niet bezien door verweerder zelf.

  • -

    De derde-partij heeft nog geen aanvraag ingediend voor een toereikende omgevingsvergunning.

  • -

    Eisers hebben aandacht gevraagd voor de omstandigheid dat de kritische depositiewaarde voor de habitattype natte duinvallei (gelegen nabij de inrichting van de derde-partij) wordt overschreden en vreest voor natuurschade indien de inrichting in werking blijft conform het bestreden besluit.

3. De rechtbank is van oordeel dat de positieve aanwijzingen voor een spoedig herstel van het gebrek in het bestreden besluit ten tijde van de tussenuitspraak op dit moment niet (langer) aanwezig zijn. De rechtbank kan niet overzien hoe lang het zou duren voordat het bestreden besluit zou kunnen worden hersteld. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om de geboden hersteltermijn te verlengen en zal de rechtbank een einduitspraak doen. Een ander oordeel zou leiden tot een te lange duur van de procedure zonder dat eisers hier rechtsmiddelen tegen zouden kunnen aanwenden.

4. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 12 weken.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.575,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 2x 0,5 punt voor het deelnemen aan een inlichtingencomparitie respectievelijk een telefoongesprek).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van de derde-partij;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.575,-.

Deze uitspraak is op 8 mei 2020 gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. M.M. Kaajan, leden, in aanwezigheid van M.P.C. Moers-Anssems, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.