Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:2534

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-05-2020
Datum publicatie
11-05-2020
Zaaknummer
C/01/356292 / KG ZA 20-141
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Eisers vorderen verwijdering van de BKR-registratie. De voorzieningenrechter verklaart hen niet ontvankelijk hun vordering en oordeelt ten overvloede dat er geen spoedeisend bestaat en dat de vordering ook op inhoudelijke gronden zou zijn afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/356292 / KG ZA 20-141

Vonnis in kort geding van 7 mei 2020

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. U. Ögüt te Eindhoven,

tegen

de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.L.W.M. Sgroot te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [eisers] en Rabobank genoemd worden. Eisers zullen daar waar nodig afzonderlijk worden aangeduid als [eiser 1] en [eiser 2] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 19 februari 2020 met 10 producties;

  • -

    de brief van mr. Ögüt van 24 februari 2020 met producties 11 tot en met 14;

  • -

    de brief van mr. Sgroot van 25 februari 2020 met 3 producties;

  • -

    de brief van mr. Ögüt van 26 februari 2020 met productie 5, alsmede 15 tot en met 19;

  • -

    het vonnis van de kantonrechter te Eindhoven van 28 februari 2020;

  • -

    de dagvaarding van 20 maart 2020 met 10 producties;

  • -

    de brief van mr. Ögüt van 23 april 2020 met producties 11 tot en met 14;

  • -

    de brief van mr. Ögüt van 23 april 2020 met productie 5, alsmede 15 tot en met 19;

  • -

    de brief van mr. Sgroot van 23 april 2020 met 4 producties;

  • -

    de brief van mr. Ögüt van 28 april 2020 met producties 20;

  • -

    de mondelinge behandeling van 29 april 2020 te 9.30 uur via Skype;

  • -

    de pleitnota van mr. Ögüt namens [eisers] ;

  • -

    de pleitnota van mr. Sgroot namens Rabobank;

  • -

    de brief van mr. Ögüt van 1 mei 2020 met daarbij gevoegd de door de bewindvoerder van [eiser 2] voor het voeren van deze procedure verleende toestemming.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In 2004 heeft Rabobank aan [eisers] een tweetal hypothecaire geldleningen verstrekt ter hoogte van € 252.000,00. Daarnaast is aan deze financiering een Opmaatverzekering gekoppeld. Als zekerheid heeft Rabobank een recht van hypotheek verkregen op de onroerende zaak die in eigendom toebehoort aan [eisers] gelegen aan het [adres] (hierna te noemen: de woning).

2.2.

[eiser 2] heeft een participatie-uitkering aangevraagd. Baanbrekers Gemeente Waalwijk heeft de aanvraag afgewezen bij brief van 23 juli 2019, omdat [eiser 2] niet alle benodigde informatie heeft verstrekt.

2.3.

Vanwege achterstanden in de hypotheekbetalingen heeft Rabobank ondermeer bij brieven van 22 juni 2018, 12 februari 2019, 20 maart 2019, 9 november 2019 en 19 november 2019 [eisers] gesommeerd de achterstand aan te zuiveren.

2.4.

In deze brieven heeft Rabobank steeds aangegeven dat wanneer er een achterstand zou ontstaan van drie maanden of meer, dat dan een melding zou worden gedaan bij Bureau Krediet Registratie (hierna ook te noemen: BKR). In de brief van 19 november 2019 is aangegeven dat indien [eisers] de achterstand niet vóór 1 december 2019 aanzuiveren, dat Rabobank dan zal overgaan tot een melding bij BKR.

2.5.

[eisers] zijn vervolgens niet overgegaan tot betaling van de achterstand in de hypotheekbetaling vóór 1 december 2019 en Rabobank heeft een melding A (achterstandsmelding) bij BKR gedaan.

2.6.

Daarna hebben [eisers] de achterstand alsnog voldaan op 11 december 2019, waarna Rabobank een herstelmelding heeft gedaan bij BKR. Een herstelmelding betekent dat er geen achterstand meer is.

2.7.

[eisers] hebben getracht de woning te herfinancieren via Domnivest. Via hun tussenpersoon hebben zij echter vernomen dat Domnivest niet tot herfinanciering kan overgaan vanwege de registratie bij BKR.

2.8.

Op 12 december 2019 heeft de advocaat van [eisers] Rabobank verzocht tot verwijdering van de registratie bij BKR.

2.9.

Rabobank heeft bij e-mailbericht van 13 december 2019 aan [eisers] laten weten dat het verzoek van [eisers] is afgewezen.

2.10.

[eisers] hebben wederom achterstanden in de hypotheekbetalingen laten ontstaan. Bij brieven van 14 januari 2020, 25 februari 2020 en 9 maart 2020 heeft Rabobank [eisers] op de achterstanden gewezen. De achterstand bedraagt momenteel € 6.678,58.

2.11.

Bij e-mail van 23 januari 2020 heeft Rabobank bevestigd dat bij verkoop van de woning de uitkering van de Opmaatverzekering mag worden verrekend met de hypothecaire geldlening.

2.12.

[eisers] hebben een overeenkomst gesloten strekkende tot verkoop van de woning voor een bedrag van € 250.000,00. De koopovereenkomst is ondertekend op 18 en 19 maart 2020. De akte van levering zal gepasseerd worden op 15 mei 2020.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen bij vonnis in kort geding voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Rabobank te bevelen de stichting BKR de opdracht te geven om per ommegaande de BKR-registratie te verwijderen zodoende dat het niet meer zichtbaar is bij Stichting Bureau Krediet Registratie en in het kredietoverzicht, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 25.000,00,

II. Rabobank te veroordelen in de kosten van deze procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eisers] leggen daaraan het volgende ten grondslag.

3.2.1.

Rabobank heeft de BKR-registratie onterecht gedaan, want [eisers] hebben, op basis van de uitlatingen van de medewerker van Bijzonder Beheer van de Rabobank, de hypotheekrente niet meer betaald, omdat de verschuldigde bedragen door de notaris zouden worden verrekend met de overwaarde van de woning.

3.2.2.

Ook op grond van een belangenafweging, dient de registratie te worden verwijderd omdat het doel van de registratie niet meer opweegt tegen de belangen van [eisers] bij verwijdering daarvan.

3.3.

Rabobank voert verweer.

3.3.1.

De termijn van zes weken die geldt voor dergelijke verzoeken op grond van artikel 35 lid 2 UAVG is verstreken op 24 januari 2020. De eerste kort gedingdagvaarding is op 19 februari 2020 aan Rabobank betekend en dus zijn [eisers] niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

3.3.2.

Er is geen sprake van een spoedeisend belang, want niet kan worden ingezien waarom een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.

3.3.3.

De BKR-melding is terecht gedaan.

3.3.4.

Ook op grond van een belangenafweging dient de vordering te worden afgewezen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter merkt allereerst op dat [eisers] hebben nagelaten de bewindvoerder van [eiser 2] in deze procedure te betrekken als eisende partij, maar acht dit gebrek hersteld met de instemmende verklaring van de bewindvoerder die door [eisers] is nagezonden bij brief van 1 mei 2020.

Ontvankelijkheid

4.2.

Rabobank heeft aangevoerd dat [eisers] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen.

4.3.

Op een verzoek tot verwijderen van een BKR-registratie is de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna te noemen: AVG) van toepassing. Een persoon van wie gegevens geregistreerd zijn kan een verzoek doen op grond van artikel 21 jo. 79 AVG en artikel 35 lid 2 Uitvoeringswet AVG (hierna te noemen: UAVG) aan degene die de persoonsgegevens heeft geregistreerd om deze te verwijderen. Als dit verzoek wordt afgewezen, moet op grond van artikel 35 lid 2 UAVG binnen zes weken na ontvangst van dit antwoord een verzoekschrift worden ingediend bij de rechtbank.

4.4.

Rabobank heeft op het verzoek tot verwijdering van [eisers] op 13 december 2019 gereageerd. De voorzieningenrechter overweegt dat de zes-wekentermijn verstreek op 24 januari 2020 en het besluit van Rabobank inmiddels onherroepelijk is geworden. Na de afwijzende reactie van Rabobank, zijn [eisers] immers niet (tijdig) tot het indienen van een verzoekschrift dan wel het betekenen van een dagvaarding overgegaan. Het kan niet zo zijn dat, als niet tijdig een verzoekschrift is ingediend, alsnog in kort geding tegen de afwijzing kan worden opgekomen.

4.5.

Ook het beroep op de beschikking van de rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOVE:2019:3755) kan [eisers] niet baten, omdat in casu de reactie van Rabobank van 13 december 2019 wel een besluit in de zin van artikel 35 van de UAVG is. In het besluit van de Rabobank van 13 december 2019 wordt immers verwezen naar de link voor de BKR-registratie en bovendien werden [eisers] toen reeds bijgestaan door hun advocaat.

4.6.

Omdat [eisers] Rabobank niet tijdig in rechte hebben betrokken worden zij niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Spoedeisend belang

4.7.

Alvorens tot inhoudelijke beoordeling van de vordering wordt overgegaan, dient te worden bezien of [eisers] spoedeisend belang hebben bij de door hen ingestelde vordering tot verwijdering van de BKR-registratie.

4.8.

[eiser 1] stelt een spoedeisend belang bij de vordering te hebben, omdat hij de woning wenst te herfinancieren. De voorzieningenrechter gaat hieraan voorbij nu gebleken is dat de woning inmiddels onderhands is verkocht. Herfinanciering is daarom immers niet meer nodig. De stelling van [eiser 1] dat hij door de BKR-registratie in zijn handelingen als particulier grootbelegger wordt benadeeld is onvoldoende onderbouwd. Ook ten aanzien van [eiser 2] geldt dat een spoedeisend belang ontbreekt, nu de aanvraag voor een participatie-uitkering is afgewezen omdat niet alle benodigde documenten waren aangeleverd en uit niets blijkt dat verwijdering van de BKR-registratie voor het verkrijgen van een uitkering op grond van de Participatiewet nu met spoed noodzakelijk is.

4.9.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering, bij gebrek aan een spoedeisend belang daarbij, ook op die grond niet had kunnen worden toegewezen.

Inhoudelijke beoordeling

4.10.

Eveneens ten overvloede wordt nog overwogen dat [eisers] in het geval zij ontvankelijk zouden zijn in hun vordering en er wel sprake zou zijn van spoedeisend belang, de vordering zou moeten worden afgewezen.

4.11.

Op grond van artikel 21 lid 1 AVG kunnen personen zoals [eisers] , vanwege hun specifieke situatie bezwaar maken tegen de verwerking van hun betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6 lid 1 onder e of f AVG. De verwerkingsverantwoordelijke, in casu Rabobank, moet het bezwaar honoreren, tenzij zij dwingende gerechtvaardigde gronden aanvoert voor de verwerking die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokken personen. Als het bezwaar wordt gehonoreerd, moet de verwerkingsverantwoordelijke de persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging wissen. Als de verwerkingsverantwoordelijke het bezwaar niet honoreert, kan de betrokkene de rechter zo nodig om een doeltreffende voorziening vragen (artikel 79 AVG en artikel 35 UAVG). De rechter toetst of de verwerkingsverantwoordelijke aannemelijk heeft gemaakt dat zijn dwingende gerechtvaardigde belangen (in dit geval het tweeledige doel van de kredietregistratie: het beschermen van de consument tegen overkreditering en het waarschuwen van andere kredietinstellingen) in dit specifieke geval zwaarder wegen dan de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene (overweging 69 AVG).

4.12.

Deze afweging moet worden gemaakt aan de hand van de op het moment van de afweging bekende feiten en omstandigheden, zodat daarbij ook feiten en omstandigheden die zich eerst na de registratie hebben voorgedaan kunnen worden betrokken. Bij een dergelijke registratie en de handhaving daarvan moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zodanig dat de inbreuk op de belangen van de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkenen, in casu [eisers] , niet onevenredig is in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel (proportionaliteitsbeginsel) en dat het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt in redelijkheid niet op een andere, voor de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt (subsidiariteitsbeginsel). Hiervoor wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 9 september 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ8097).

4.13.

Voor de beoordeling in deze zaak zijn de volgende omstandigheden van belang. [eisers] hebben aangevoerd dat de BKR-registratie onterecht is gedaan, omdat Rabobank hen toestemming had gegeven om de achterstand in de hypotheekbetalingen te verrekenen met de overwaarde van de woning bij de verkoop en levering van de woning bij de notaris. Ten verwere heeft Rabobank aangevoerd dat tussen partijen inderdaad is afgesproken dat de waarde van de Opmaatverzekering zou mogen worden verrekend, hetgeen ook schriftelijk is bevestigd bij e-mailbericht van 23 januari 2018. Uit niets blijkt dat tussen partijen tevens is afgesproken dat dat ook zou gelden voor de inmiddels ontstane achterstand in de hypotheektermijnen en de nog verschuldigde hypotheektermijnen. Daarmee hebben [eisers] onvoldoende onderbouwd dat de BKR-registratie door Rabobank onterecht is gedaan. Bovendien heeft Rabobank meerdere vooraankondigingen gedaan en waarschuwingen gegeven, waaruit zondermeer blijkt dat Rabobank geenszins vindt dat de hypotheekverplichtingen mochten worden verrekend met de Opmaatverzekering. Tot slot acht de voorzieningenrechter van belang dat [eisers] pas tot aanzuivering van de achterstand in de hypotheekbetalingen zijn overgegaan, nadat de BKR-registratie door Rabobank was gedaan. Rabobank heeft vervolgens de BKR-registratie ongedaan gemaakt doordat zij een herstelmelding heeft geregistreerd en ook nadien hebben [eisers] achterstanden laten ontstaan in de hypotheektermijnen.

4.14.

Op grond hiervan valt een belangenafweging uit in het nadeel van [eisers] .

Proceskosten

4.15.

[eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Rabobank worden begroot op:

- griffierecht € 656,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.636,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verklaart [eisers] niet-ontvankelijk in hun vorderingen,

5.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van Rabobank tot op heden begroot op € 1.636,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eisers] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Rabobank niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2020.