Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:2504

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-05-2020
Datum publicatie
20-05-2020
Zaaknummer
7816786
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

arbeidsovereenkomst, vraag of pensioenovereenkomst tot stand is gekomen, vaststellingsovereenkomst, aannemelijkheid van schade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0568
PR-Updates.nl PR-2020-0106
PJ 2020/92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer : 7816786

Rolnummer : 19-5393

Uitspraak : 14 mei 2020

in de zaak van:

[A.] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij in het incident en in de hoofdzaak,

gemachtigde: mr. E.E. Frenken,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B.] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] ,

gedaagde partij in het incident en in de hoofdzaak,

gemachtigde: mr. M.J.M.H. Simons.

Partijen worden hierna ‘ [A.] ’ en ‘ [B.] ' genoemd.

1 Het verdere verloop van het geding

In het incident en in de hoofdzaak

1.1.

Dit blijkt uit het volgende:

  • -

    het tussenvonnis van 1 augustus 2019, waarbij een mondelinge behandeling is gelast;

  • -

    een akte (met producties 7a t/m 8) van [A.] ;

  • -

    de mondelinge behandeling (hierna ook: de zitting), gehouden op 21 november 2019, waarbij partijen hun standpunten aan de hand van spreekaantekeningen hebben toegelicht en waarbij de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat verder is besproken;

  • -

    een akte (met productie 8) van [B.] van 19 december 2019;

  • -

    een antwoordakte van [A.] van 9 januari 2020;

  • -

    een akte (met productie 9) van [B.] van 9 januari 2020;

  • -

    een antwoordakte van [A.] van 13 februari 2020.

1.2.

Tot slot is opnieuw vonnis bepaald.

2 Inleiding en feiten

In de hoofdzaak

2.1.

In de hoofdzaak gaat het over de vraag of tussen [B.] en [A.] een pensioen-overeenkomst tot stand is gekomen en zo ja, of [B.] aansprakelijk is voor de schade die [A.] lijdt als gevolg van het niet onderbrengen van die overeenkomst bij pensioenverzekeraar ASR.

2.2.

In dat verband staat tussen partijen als niet dan wel onvoldoende weersproken, en voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende vast.

2.3.

[A.] , geboren op [geboortedatum] , is in de periode van 23 februari 2017 tot en met 23 augustus 2017 op basis van een nulurencontract bij [B.] in dienst geweest als algemeen medewerker (monteur, machinist en chauffeur). In de overgelegde schriftelijke arbeidsovereenkomst, die niet door [B.] is ondertekend, is onder meer overeengekomen:

Artikel 5

Werknemer heeft bij aanvang van deze arbeidsovereenkomst recht op een brutosalaris van

€ 13,91 per daadwerkelijk gewerkt uur. De arbeidsovereenkomst wordt in beginsel aangegaan voor nul uur per week. Indien geschikte werkzaamheden voor de werknemer voor handen zijn zal de werkgever de werknemer oproepen voor het verrichten van deze werkzaamheden.

De werknemer verplicht zich om na deze oproep de werkzaamheden te verrichten. In afwijking van het bepaalde in artikel 7:628 van het Burgerlijk Wetboek is de werkgever niet gehouden tot betaling van salaris gedurende de tijd dat geen geschikt werk voor de werknemer voor handen is.

(…)

Artikel 6

Voor de in dienst zijnde werknemers is er een pensioenregeling bij ASR verzekeringen van kracht. Op uitdrukkelijk verzoek van de werknemer kan hiervan worden afgezien.

(…)

Artikel 14 Afwijkingen en aanpassingen

(…)

14.2.

Aanvullingen op, en afwijkingen van deze arbeidsovereenkomst zullen alleen geldig zijn indien en voor zover zij schriftelijk tussen partijen zijn overeengekomen, of schriftelijk door de werkgever zijn bevestigd.’

2.4.

Na een arbeidsongeval op 24 maart 2017 is [A.] volledig arbeidsongeschikt geraakt.

2.5.

De arbeidsovereenkomst was aangegaan voor zes maanden en is niet verlengd. [A.] ontvangt vanaf 24 augustus 2017 een ZW-uitkering en vanaf 22 maart 2019 een IVA-uitkering, steeds op basis van 100% arbeidsongeschiktheid.

2.6.

Tussen partijen is een geschil ontstaan over de loondoorbetaling tijdens ziekte. De daartoe strekkende vordering van [A.] is bij vonnis in kort geding van 28 september 2017 afgewezen. De geschillen zijn in hoger beroep beëindigd door het sluiten van een vaststellingsovereenkomst op 7 maart 2018. Partijen zijn overeengekomen dat [B.]

€ 7.000,00 bruto aan [A.] zal betalen en dat na voldoening daarvan [B.] jegens [A.] ‘finaal gekweten [zal] zijn terzake de loonaanspraken in hoger beroep.

3 Het geschil

In het incident

3.1.

[A.] vordert in het incident [B.] te veroordelen, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad om het pensioenreglement tussen [B.] en ASR aan hem te verstrekken, op straffe van een dwangsom.

3.2.

[A.] legt daaraan het volgende ten grondslag. Tussen partijen is een pensioen-overeenkomst tot stand gekomen. De inhoud daarvan wordt ingevuld door ASR als pensioenuitvoerder en blijkt uit het opgestelde pensioenreglement. Hij heeft [B.] verzocht het pensioenreglement aan hem te sturen. [B.] heeft daarop geantwoord dat er geen pensioenverzekering voor hem bij ASR is afgesloten en dat zij het pensioenreglement niet zal toezenden. Op grond van artikel 843a Rv is [B.] gehouden het tussen haar en ASR geldende pensioenreglement aan [A.] te verstrekken. Hij heeft een rechtmatig belang bij de afgifte van het reglement, omdat hij daardoor:

  • -

    kan bepalen of, als [B.] niet tekortgeschoten zou zijn, premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid in de zin van het bij einde dienstverband premievrij opbouwen van pensioen voor hem verzekerd zou zijn geweest en

  • -

    zijn schade kan berekenen, bestaande uit gemiste pensioenopbouw tijdens de looptijd van de arbeidsovereenkomst en het ontbreken van het recht op premievrije voortzetting van de pensioenopbouw gedurende de arbeidsongeschiktheid (ook) na einde dienstverband.

3.3.

[B.] voert verweer en concludeert bij antwoord tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [A.] in de proces- en nakosten, te vermeerderen met rente.

In de hoofdzaak

3.4.

In de hoofdzaak vordert [A.] :

  • -

    te verklaren voor recht dat [B.] aansprakelijk is voor de door hem als gevolg van het niet onderbrengen bij ASR van de met hem gesloten pensioenovereenkomst, althans als gevolg van het niet afsluiten van een pensioenverzekering bij ASR ten behoeve van hem, geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en

  • -

    [B.] te veroordelen in de kosten van de procedure;

  • -

    het vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.5.

[A.] voert hiertoe het volgende aan. [B.] is op grond van de Pensioenwet verplicht de tussen partijen gesloten pensioenovereenkomst onder te brengen bij ASR, de in de arbeidsovereenkomst genoemde pensioenverzekeraar. [B.] heeft dit nagelaten en is vanwege deze tekortkoming aansprakelijk voor de schade die hij daardoor lijdt. Die schade bestaat uit a) het niet opbouwen van pensioen tijdens het dienstverband en b) het niet verzekeren van premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid.

3.6.

[B.] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [A.] in de proces- en nakosten, te vermeerderen met rente.

In het incident en in de hoofdzaak

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling relevant, verder ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

Vast staat dat [B.] voor de werknemers met wie zij een pensioenovereenkomst heeft gesloten de uitvoering daarvan heeft ondergebracht bij ASR. [B.] heeft als productie 7 bij conclusie van antwoord het volgens haar dan geldende pensioenreglement overgelegd.

4.2.

[A.] betwist dat dit het pensioenreglement is dat op de betreffende pensioen-regeling van toepassing is:

  • -

    als partij staat niet [B.] maar [X.] BV genoemd;

  • -

    het reglement is niet getekend;

  • -

    uit het reglement blijkt niet dat het van toepassing is op de periode dat [A.] in dienst was;

  • -

    de uitvoeringsovereenkomst tussen [B.] en ASR ontbreekt.

4.3.

[B.] is op de zitting in de gelegenheid gesteld een brief van ASR te overleggen waaruit blijkt dat het overgelegde reglement van toepassing is op de werknemers met wie zij een pensioenovereenkomst heeft gesloten.

4.4.

[B.] heeft vervolgens als productie 8 en 9 twee aan haar gerichte brieven van ASR van 11 december 2019 overgelegd. Bij productie 8 is naast een uittreksel ook een overzicht overgelegd waaruit blijkt hoe [B.] in het verleden in het handelsregister van de Kamer van Koophandel stond geregistreerd.

4.5.

Overwogen wordt als volgt. ASR schrijft in de brief van 11 december 2019 dat de naam van de werkgever/verzekeringnemer van het bij ASR verzekerde pensioencontract onder nummer 35220 is gewijzigd van [X.] BV in de naam van gedaagde en dat ‘Ditzelfde geldt voor het pensioenreglement 35220_ [X.] BV_7_REGL_1_3 behorende bij de pensioenovereenkomst onder contractnummer 35220.’ Die beschrijving komt exact overeen met de beschrijving op het door [B.] overgelegde pensioenreglement. ASR schrijft verder dat het reglement is ingegaan op 1 december 2012 en geëindigd op 30 september 2018. [A.] is op 23 februari 2017 bij [B.] in dienst getreden, zodat het door [B.] overgelegde pensioenreglement op dat moment van toepassing was. Dat het overgelegde reglement niet is ondertekend, doet aan de geldigheid daarvan niet af.

4.6.

Het pensioenreglement stelt [A.] in staat om na te gaan of hij de door hem gestelde schade heeft geleden. Hieraan staat niet in de weg dat de uitvoeringsovereenkomst tussen [B.] en ASR niet is overgelegd. Bij inleidende dagvaarding heeft [A.] de overlegging van dit stuk ook niet gevorderd.

4.7.

De conclusie is dat [B.] aan de incidentele vordering heeft voldaan, zodat [A.] geen belang meer heeft bij toewijzing van zijn vordering (artikel 3:303 BW).

4.8.

Bij de beoordeling in de hoofdzaak zal worden vastgesteld dat tussen [A.] en [B.] een pensioenovereenkomst tot stand is gekomen. Dit brengt met zich dat [B.] [A.] had moeten informeren over de pensioenregeling, bijvoorbeeld door op verzoek het pensioenreglement te verstrekken. Nu dit is nagelaten wordt [B.] in de proceskosten van het incident veroordeeld.

5 De beoordeling in de hoofdzaak

Is een pensioenovereenkomst tot stand gekomen?

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat zij een arbeidsovereenkomst met elkaar hebben gesloten met de rechten en verplichtingen zoals vermeld in de door [A.] overgelegde schriftelijke overeenkomst (productie 1 bij dagvaarding).

5.2.

In artikel 6 van de arbeidsovereenkomst staat dat voor de in dienst zijnde werknemers een pensioenregeling bij ASR-verzekeringen van kracht is, waarvan op uitdrukkelijk verzoek van de werknemer kan worden afgezien (zie 2.3 van de feiten).

5.3.

Volgens [B.] is dit artikel in zijn algemeenheid opgenomen en kan hieruit geen aanbod van haar aan [A.] tot het sluiten van een pensioenovereenkomst worden afgeleid. De betreffende bepaling is daarvoor onvoldoende bepaalbaar en ook van incorporatie van het pensioenreglement is geen sprake. Met [A.] is nooit over pensioen gesproken. Voor zover wel wordt aangenomen dat een aanbod tot het sluiten van een pensioenovereenkomst is gedaan, dan geldt dat [A.] dit aanbod niet heeft aanvaard. [A.] heeft de arbeidsovereenkomst niet ondertekend en is dus niet akkoord gegaan met het sluiten van een pensioenovereenkomst. Bovendien blijkt uit artikel 14.2 van de arbeidsovereenkomst dat aanvullingen daarop alleen geldig zijn als en voor zover zij schriftelijk zijn overeengekomen of schriftelijk door de werkgever zijn bevestigd. Er zijn geen aanvullingen gedaan: er is geen aparte pensioenovereenkomst tussen partijen opgemaakt noch is een pensioenovereenkomst aan [A.] bevestigd. Op het salaris van [B.] is nooit pensioenpremie ingehouden, zodat ook geen sprake is van stilzwijgende aanvaarding door [A.] . [B.] heeft verder nog gesteld dat werknemers met een oproepcontract, zoals [A.] , geen pensioen opbouwen. Het variabele salaris biedt daarvoor geen grondslag. Een eventueel aanbod tot het sluiten van een pensioenover-eenkomst wordt door [B.] uitdrukkelijk herroepen.

5.4.

Partijen houdt verdeeld hoe artikel 6 van de arbeidsovereenkomst uitgelegd moet worden, zodat de betekenis daarvan uitgelegd moet worden aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf. Dit betekent dat het niet alleen aankomt op de taalkundige uitleg van de bepaling van de overeenkomst, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

5.5.

Vast staat dat partijen niet met elkaar hebben gesproken over de betekenis van dit artikel, zodat het bij de uitleg daarvan in het bijzonder aankomt op de gebruikte bewoordingen en hoe partijen die redelijkerwijs hebben mogen opvatten.

5.6.

Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit de tekst van artikel 6 van de arbeidsovereenkomst dat [A.] ervan uit mocht gaan dat voor hem vanaf de datum van indiensttreding een pensioenregeling bij ASR-verzekeringen van kracht was, tenzij hij daarvan zelf zou afzien. In de tekst is immers geen enkel voorbehoud opgenomen. Uit de gebruikte woorden kan ook niet worden afgeleid dat dit artikel slechts in zijn algemeenheid is opgenomen en dat dit niet op [A.] van toepassing is. De eerste zin van het artikel is volstrekt duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar: "Voor de in dienst zijnde werknemers is er een pensioenregeling bij ASR verzekeringen van kracht" [onderstreping kantonrechter]. Vaststaat, dat aan de tweede zin: "Op uitdrukkelijk verzoek van de werknemer kan hiervan worden afgezien." geen invulling is gegeven. Het gaat daarmee om een onherroepelijk aanbod (artikel 6:219 lid 3 BW), zodat de herroeping daarvan door [B.] bij conclusie van antwoord geen gevolg heeft. Met de verwijzing naar een pensioenregeling bij ASR-verzekeringen is het aanbod ook voldoende bepaald om op grond van artikel 7 lid 1 Pensioenwet (hierna: PW) een pensioenovereenkomst tot stand te kunnen laten komen (zie ook: Kamerstukken II 2005/2006, 30413, nr. 3, p 27).

5.7.

[B.] heeft niet gesteld dat [A.] uitdrukkelijk heeft verzocht om van de aangeboden pensioenregeling af te zien. De bewoordingen van artikel 6 laten geen andere conclusie toe dan dat dit betekent dat [B.] ervan uit moest gaan dat [A.] de pensioenregeling bij ASR (stilzwijgend) heeft aanvaard, temeer omdat niet is vermeld dat het afzien van de pensioenregeling binnen een bepaalde termijn moest gebeuren.

5.8.

Voor de totstandkoming van een pensioenovereenkomst gelden geen vormvereisten, zodat in zoverre niet relevant is of [A.] de arbeidsovereenkomst al dan niet heeft ondertekend. Tussen partijen is immers niet in geschil dat de schriftelijke arbeidsovereenkomst een correcte weergave geeft van de afspraken die zijn gemaakt.

Omdat uit de arbeidsovereenkomst al volgt dat er een pensioenregeling is, hoeft geen aparte pensioenovereenkomst te worden opgemaakt, zodat het beroep van [B.] op artikel 14.2. wordt verworpen. Zoals al overwogen wordt in artikel 6 geen enkel voorbehoud gemaakt voor deelname aan de pensioenregeling, zodat niet valt in te zien waarom deelname nog door [B.] aan [A.] had moeten worden bevestigd. Ook is niet vereist dat de pensioenvoorwaarden door de werkgever met de werknemer zijn besproken of dat het pensioenreglement als zodanig in de arbeidsovereenkomst is geïncorporeerd, zodat die stellingen worden verworpen. Als uitgangspunt geldt dat de werkgever ervoor moet zorgen dat de pensioenuitvoerder wordt geïnformeerd over een gesloten pensioenovereenkomst, waarna de pensioenuitvoerder, in dit geval ASR, de werknemer inlicht over de kenmerken van de regeling (artikel 21 PW).

5.9.

Uit een en ander volgt dat [A.] erop vertrouwen mocht dat voor hem een pensioenregeling bij ASR van kracht was.

5.10.

Volledigheidshalve wordt nog overwogen dat aan die uitleg niet in de weg staat dat [A.] als oproepkracht een variabel salaris had. Het soort arbeidscontract en de hoeveelheid afgesproken uren mag geen invloed hebben op de deelname aan de pensioenregeling (zie ook artikel 7:648 en 7:649 BW). In artikel 8 PW is geregeld dat ook aan deeltijdwerkers, waaronder ook oproepkrachten worden verstaan, een aanbod tot het sluiten van een pensioenovereenkomst moet worden gedaan.

Waarop ziet de in de vaststellingsovereenkomst gegeven finale kwijting?

5.11.

Nu is vastgesteld dat tussen partijen een pensioenovereenkomst tot stand is gekomen, moet worden beoordeeld of [B.] – zoals [B.] stelt en [A.] betwist – met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst in hoger beroep ook finale kwijting is verleend voor aanspraken die uit die overeenkomst voortvloeien.

5.12.

Met de gesloten vaststellingsovereenkomst hebben partijen verklaard ‘de geschillen in hoger beroep’ te beëindigen. Daarbij is overeengekomen dat [B.] jegens [A.] , na voldoening van een bedrag van € 7.000,00 bruto, finaal gekweten zal zijn ‘terzake de loonaanspraken in hoger beroep.

5.13.

In hoger beroep heeft [A.] , kort gezegd, gevorderd het vonnis in kort geding van de kantonrechter van 28 september 2017 te vernietigen en de in eerste aanleg gevorderde loonbetaling alsnog toe te wijzen. Dat er nog een ander geschil ter beoordeling aan het gerechtshof is voorgelegd is niet gesteld noch gebleken. Met de vaststellingsovereenkomst is dus beoogd het geschil over de op artikel 7:629 BW gebaseerde loonaanspraken tijdens ziekte te beëindigen.

5.14.

In artikel 7:629 BW is geregeld dat een werknemer tijdens ziekte, onder voorwaarden en kort gezegd, recht houdt op betaling van 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon. Hieronder moet worden verstaan het brutoloon, dat wil zeggen het nettoloon plus de bedragen die de werkgever daarop moet inhouden, zoals bijvoorbeeld het werknemers-gedeelte van de pensioenpremie (vergelijk met ECLI:NL:HR:2019:1784).

5.15.

[B.] wordt niet gevolgd in haar stelling dat onder het loonbegrip van artikel 7:629 BW ook een pensioenaanspraak in de zin van uitgesteld loon valt. Dat uit artikel 10 van de Wet op de Loonbelasting 1964 volgt dat zo’n aanspraak kwalificeert als loon is niet van invloed op het loonbegrip zoals dit in artikel 7:629 BW wordt gehanteerd. Dat geldt ook voor de verwijzing naar artikel 157 VWEU, waarin het beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen voor gelijke of gelijkwaardige arbeid is neergelegd en waarin is bepaald dat onder beloning naast het gewone salaris ook moet worden verstaan ‘alle overige voordelen in geld of in natura die de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking direct of indirect van de werkgever ontvangt.’ Aangenomen dat een pensioenaanspraak onder het in dit artikel gehanteerde loonbegrip valt, valt niet in te zien wat de relevantie daarvan is voor de loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte zoals bedoeld in artikel 7:629 BW.

5.16.

Op het moment dat de vaststellingsovereenkomst werd gesloten, bestond tussen partijen discussie over de vraag of [B.] aansprakelijk was voor het arbeidsongeval dat [A.] was overkomen. [A.] heeft weersproken dat hij alleen om die reden geen algehele finale kwijting wilde afspreken en dit kan ook niet worden afgeleid uit de gekozen bewoordingen in de vaststellingsovereenkomst of uit enig ander stuk. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat [A.] de verwachting heeft gewekt, zoals [B.] stelt, dat hij geen andere aanspraken zou doen gelden dan die uit hoofde van artikel 7:658 BW.

5.17.

De finale kwijting heeft volgens de gekozen bewoordingen in de vaststellingsover-eenkomst expliciet betrekking op de loonaanspraken in hoger beroep. Hieronder valt niet de in deze procedure gevorderde schadevergoeding, nader op te maken bij staat, vanwege het niet onderbrengen van de met [A.] gesloten pensioenovereenkomst bij ASR. De andersluidende stellingen van [B.] worden verworpen.

Schending klachtplicht

5.18.

[B.] wordt niet gevolgd in haar stelling dat [A.] niet op tijd heeft geklaagd zoals is bedoeld in artikel 6:89 BW. Het geschil van partijen gaat in essentie over de vraag tot het verrichten van welke prestatie [B.] op grond van de in de arbeidsovereenkomst genoemde pensioenregeling gehouden was. Voor dergelijke geschillen is artikel 6:89 BW niet bedoeld (ECLI:NL:GHSHE:2018:1175).

Schade

5.19.

[B.] was gehouden ASR te informeren over de met [A.] tot stand gekomen pensioenovereenkomst (artikel 21 lid 1 PW). Door dit na te laten is [B.] als werkgever tekortgeschoten in een op haar rustende verplichting. Zij heeft niet als goed werkgever gehandeld en is op die grond gehouden de schade te vergoeden die [A.] hierdoor lijdt.

5.20.

[A.] heeft alleen belang bij zijn vordering wanneer aannemelijk is dat hij enige schade heeft geleden.

5.21.

Het dienstverband van [A.] is op 23 augustus 2017 van rechtswege geëindigd door het verstrijken van de bepaalde duur van zes maanden. In de begripsomschrijving uit artikel 1 van het pensioenreglement valt dat onder het begrip 'ontslag'. Ervan uitgaande dat [A.] als deelnemer bij de pensioenregeling van ASR was aangemeld, was op moment van ontslag de aanspraak op vrijstelling van premiebetaling bij arbeidsongeschiktheid komen te vervallen, tenzij al tijdens het deelnemerschap vrijstelling van premiebetaling was verleend (artikel 12 van het pensioenreglement). [A.] kwam echter pas vanaf 22 maart 2019 voor die vrijstelling in aanmerking, omdat hij vanaf die datum op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen een IVA-uitkering ontving en pas sprake was van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 9 (voorlaatste alinea) van het pensioenreglement. Bij het einde van zijn dienstverband kwam [A.] dus nog niet in aanmerking voor de premievrije voortzetting van pensioenaanspraken bij arbeidsongeschiktheid.

5.22.

Er kan pas sprake zijn van gemiste pensioenopbouw tijdens de looptijd van de arbeidsovereenkomst, wanneer het pensioengevend jaarsalaris hoger is dan de franchise. Die franchise bedroeg in 2017, zo heeft de kantonrechter ambtshalve vastgesteld, bij een beschikbare premieregeling als hier aan de orde minimaal € 13.123,00 bruto. Met [A.] is de kantonrechter van oordeel dat gelet op artikel 8 PW aan pensioenopbouw niet in de weg kan staan dat hij geen vast maandsalaris had. Uit bijlage 4 van productie 7a van [A.] volgt dat hij gedurende zijn dienstverband in totaal € 2.538,58 aan bruto loon heeft ontvangen. Vermeerderd met het overeengekomen bedrag in hoger beroep van € 7.000,00 bruto bedroeg het totale bruto loon in de periode van 23 februari 2017 tot 23 augustus 2017 € 9.538,58, waarbij ervan wordt uitgegaan dat het vakantiegeld daarin is begrepen. Laatstgenoemd bedrag is minder dan de franchise, zodat niet aannemelijk is dat [A.] tijdens de looptijd van de arbeidsovereenkomst pensioenopbouw heeft gemist. Met andere woorden: dat [A.] op dit punt schade heeft geleden is niet aannemelijk geworden.

5.23.

Omdat niet aannemelijk is geworden dat [A.] schade heeft geleden doordat [B.] de tot stand gekomen pensioenovereenkomst niet bij ASR heeft aangemeld, wordt de vordering van [A.] bij gebrek aan belang afgewezen (artikel 3:303 BW).

5.24.

Partijen zijn over en weer op enkele punten in het ongelijk gesteld. De proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

In het incident

wijst de vordering van [A.] af;

veroordeelt [B.] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [A.] vastgesteld op € 72,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

In de hoofdzaak

wijst de vordering van [A.] af;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Roeterdink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op donderdag 14 mei 2020.