Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:2418

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-04-2020
Datum publicatie
30-04-2020
Zaaknummer
01/013414-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor een winkeldiefstal, een poging woninginbraak en een winkeldiefstal door twee verenigde personen tot een gevangenisstraf voor de duur van 156 dagen waarvan een deel, groot 60 dagen, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en met als bijzondere voorwaarden -kort gezegd-:

- een meldplicht bij de reclassering;

- een opname in een zorginstelling;

- een ambulante behandeling;

- meewerken aan middelen controle.

Omdat een tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf een op te starten behandeling zal doorkruisen wijst de rechtbank een vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummers: 01.013414.20 en 01.007257.20 (ter terechtzitting gevoegd)
Parketnummer vordering: 01.092887.19

Datum uitspraak: 30 april 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te ' [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

thans gedetineerd te: P.I. Grave.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 april 2020.

Op deze zitting heeft de rechtbank de tegen verdachte/veroordeelde, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaken met parketnummers 01.013414.20 en 01.007257.20 zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 11 maart 2020.

In de zaak met parketnummer 01.013414.20 is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op 15 januari 2020 te Oss 24, althans meerdere pakken koffie (van het merk Douwe Egberts), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan de [benadeelde 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

In de zaak met parketnummer 01.007257.20 is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 8 januari 2020 te Oss ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in/uit een woning gelegen aan de [straatnaam] aldaar, geld en/of goederen van verdachtes gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 2] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, zich naar die woning heeft begeven en/of (vervolgens)de bij die woning behorende (omheinde) tuin is ingeklommen, althans binnen is gegaan, en/of (vervolgens) doende is geweest, althans getracht heeft, met een breekvoorwerp, een raam van die woning te forceren en/of te verbreken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 27 december 2019 te Oss tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer levensmiddelen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01.092887.19 is aangebracht bij vordering van 26 februari 2020. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant d.d. 28 juni 2019. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs voor de zaak met parketnummer 01.013414.20.

Inleiding.

Verdachte wordt verdacht van de diefstal van 24 pakken koffie bij supermarkt [benadeelde 1] gevestigd aan de [adres 1] op 15 januari 2020.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van oordeel dat de ten laste gelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen kan worden. Voor wat betreft de bewijsmiddelen verwijst de officier van justitie naar het proces-verbaal van aangifte, het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten en naar de bekennende verklaring van verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van de bewezenverklaring van de diefstal heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen de tenlastegelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen.

De bewijsmiddelen. 1


(blz. 3 -5)
Aangifte [benadeelde 1], zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:
Ik doe namens de benadeelde partij [benadeelde 1] aangifte van winkeldiefstal. […]
Op woensdag 15 januari 2020 was ik omstreeks 10.45 uur werkzaam in de winkel toen een collega mij erop attendeerde dat er een drietal personen de winkel verlieten via het toegangspoortje van de winkel. […] Bij het terugkijken van de camerabeelden is inderdaad te zien dat de verdachte man bij het schap van de koffie diverse pakken aan het inladen is in een [benadeelde 1] big shopper-tas. Vervolgens is op de camerabeelden te zien dat de verdachte man de winkel verlaat via het toegangspoortje van de winkel. […] Op de camerabeelden is te zien dat, net voordat de verdachte man de winkel verlaat, hij gebruikt maakt van het feit dat een klant de winkel in komt gelopen waardoor het poortje opengaat. Zodra de klant door het poortje loopt, dan loopt de verdachte man met de gele [benadeelde 1] tas naar buiten. […] Direct daarna zag ik dat er nog twee mannen via het poortje achter de verdachte man aan renden. Dit, bleek later, waren twee politieagenten die de diefstal hadden waargenomen. Uit onderzoek bleek dat de verdachte man 24 pakken Douwe Egberts koffie had weggenomen, zonder dat hij hiervoor betaald had, met een totale waarde van 126,- euro. […]

Verklaring verdachte bij de politie, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

V = vraag verbalisanten

A= antwoord verdachte

[…]

V. Vanmorgen ben jij op heterdaad aangehouden ter zake een winkeldiefstal bij de [benadeelde 1] op de [adres 1] . Wat kan jij hierover vertellen.

A. Het klopt dat ik vanmorgen een winkeldiefstal heb gepleegd.

Verklaring verdachte bij de inbewaringstelling bij de rechter-commissaris, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:
Ik heb op 15 januari 2020 een groot aantal pakken koffie gestolen bij de [benadeelde 1] in Oss.

Bewijs voor de in de zaak met parketnummer 01.007257.20 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Inleiding.

Verdachte wordt onder feit 1 verdacht van een poging woninginbraak door middel van braak, verbreking of inklimming in een woning aan de [straatnaam] Oss op 8 januari 2020.

Verdachte wordt onder feit 2 verdacht van de diefstal in vereniging van levensmiddelen bij een vestiging van [benadeelde 3] in Oss op 27 december 2019.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van oordeel dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van beide feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman opgemerkt dat het geen klassieke poging tot woninginbraak betreft, nu de woning niet werd bewoond.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 1 hecht de rechtbank geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij in de woning aan de [straatnaam] naar binnen wilde gaan om zijn sleutels te pakken, en dat hij daarvoor toestemming had van de voormalig huurder van de betreffende woning. Die voormalig huurder heeft immers desgevraagd telefonisch aan [verbalisant 1] aangegeven dat hij geen toestemming had gegeven aan verdachte om de woning te betreden. Verder blijkt uit de bevindingen van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] dat de in het pand aan de [straatnaam] aangetroffen sleutels niet passen op de voordeur, achterdeur of schuur/berging van de woning van verdachte.

De bewijsmiddelen. 2

Bewijsmiddelen feit 1:

(blz. 29 -30)
Bevindingen [verbalisant 2] en [verbalisant 1], zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:
Op 08 januari 2020, omstreeks 13.10 uur, bevonden wij, [verbalisant 2]
en [verbalisant 1] , ons op het politiebureau te Oss. Wij hoorden op dat tijdstip dat er door de dienstdoende medewerker van het operationeel centrum een melding werd uitgegeven van een mogelijke inbraak op de [straatnaam] te Oss. […] Wij zagen ter hoogte van [huisnummer] een man in de achtertuin staan. Wij zagen dat deze man bij het achterraam van deze woning stond. […] Ik, [verbalisant 2] , herkende deze man direct als zijnde de mij ambtshalve bekende [verdachte] , geboren [geboortedatum] . […] Wij zagen dat hij in de afgesloten tuin stond. Ik, [verbalisant 2] , zag dat er lichte schade aan het raam aan de achterzijde van de woning zat. Ik zag namelijk dat er verf van het kozijn was afgebladderd en dat er zogenaamde houtschilfers op het kozijn lagen. Ik zag dat zowel de verf alsmede de houtschilfers verse schade betrof. Ik zag op dat moment dat er in de rechter jaszak van [verdachte] een breek/kniptang zat. […] Wij hoorden dat hij tegen ons zei dat hij via het raam in de woning naar binnen wilde gaan.


(blz. 22 - 23)
Aangifte [benadeelde 2], zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:
Ik ben namens [benadeelde 2] gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik doe aangifte van poging tot inbraak. […] Op 8 januari 2020 werd ik omstreeks 14:00 uur gebeld door [wijkagent] . Ik hoorde hem zeggen dat [verdachte] was aangehouden en dat er schade aan de achterzijde van een woning van [benadeelde 2] geconstateerd was. Ik hoorde de wijkagent zeggen dat dit de woning aan de [straatnaam] te Oss betrof, dit is een benedenwoning. […] Ik heb niemand toestemming gegeven om zonder onze toestemming de woning te betreden.

(blz. 32)
Bevindingen [verbalisant 2] en [verbalisant 3], zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:
Ik, [verbalisant 2] , wil een aanvulling maken ten aanzien van de aangetroffen knip/breektang bij de verdachte. […] Ik zag dat er een klein beetje zogenaamde witte verfschilfers op de voorzijde van de tang aanwezig waren. Ik zag dat deze qua kleur en grootte overeenkwamen met de braakschade aan het kozijn van de woning.
(blz. 8 -9)
Verklaring verdachte [verdachte], zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:
V = vraag verbalisant
A = antwoord verdachte
V: Op welk adres staat u officieel ingeschreven?
A: [adres 2] .
V: Vandaag bent u aangehouden vanwege de verdenking van een poging woninginbraak. Wat wilde u daar doen?
A: Ik was in die tuin omdat ik naar binnen wilde.

Verklaring verdachte bij de inbewaringstelling bij de rechter-commissaris, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:
Over die woning. Ik heb geprobeerd om die woning via de achterkant binnen te komen.

Bewijsmiddelen feit 2:

(blz. 33 - 34)
Aangifte [benadeelde 3], zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:
Op 27 december 2019 was ik werkzaam als Supermarktmanager bij de [benadeelde 3] . Omstreeks 17.35 uur liepen 2 mannen, via de ingang aan de voorzijde, de winkel binnen. De mannen hadden beiden niets in hun handen bij binnenkomst. Omstreeks 17.41 uur verlieten de twee mannen de winkel via de ingang aan de voorzijde van de winkel. Een van de twee personen hield het toegangspoortje open. De andere persoon liep met twee, vermoedelijk volle, [benadeelde 3] tassen de winkel uit door de toegangspoorten van de ingang van de [benadeelde 3] . De goederen die zich in de tassen bevonden waren niet afgerekend bij de kassa. […]

(blz. 35 - 36)
Bevindingen [verbalisant 4] met betrekking tot het uitkijken van camerabeelden, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:
Op 08 januari 2020 om 11.32 uur las ik, [verbalisant 4] , camerabeelden uit opgenomen van de diefstal in de [benadeelde 3] op de [adres 3] . De camerabeelden zijn van vrijdag 27 december 2019 van 17.34 uur t/m 17.41 uur. De verdachten zullen in dit proces-verbaal van bevindingen vernoemd worden als Man 1 en Man 2.
Ik zie dat op de camera vernoemde tijd, vrijdag 27 december 2019 om 17.35 uur, twee mannen via de toegangspoortjes de [benadeelde 3] binnen lopen. Ik zie dat de mannen er als volgt uitzien:
Man 1: zwarte sneakers met aan de zijkanten een wit Nike logo, donkerblauwe spijkerbroek, zwarte jas, grijskleurige muts, slanke bouw, man lijkt lang vergeleken met anderen mensen op de camerabeelden, blanke huidskleur, ongeveer 26 tot 40 jaar oud, in zijn linkerhand een voorwerp wat om zijn hand en vingers heen gaat (het voorwerp is zwart en aan de vingerzijde is het wit. Het voorwerp zit om de hand heen vanaf de knokkels tot aan het begin van de mouw van de jas).
[…] Ik zie dat op vrijdag 27 december 2019 om 17.41 man 1 vanaf de richting van de kassa's aan de voorzijde richting de toegangspoortje loopt, dit zijnde de kant van de uitgang en niet de kant waar je kunt winkelen. Ik zie dat man 1 plaatsneemt aan de zijkant van de toegangspoortjes. Ik zie dat man 2 vanuit de winkelzijde naar de toegangspoortje loopt met twéé [benadeelde 3] tassen. Ik zie dat de tassen bol staan, hieruit maak ik op dat de tassen gevuld zijn met voorwerpen. Ik zie dat man 1 naar de voorkant van de toegangspoortjes loopt en dat hij zijn hand uitsteekt en tussen de toegangspoortjes ging staan. Ik zie dat hierdoor de toegangspoortjes opengaan. Ik zie dat man 2 vanuit de winkelzijde met beide gevulde [benadeelde 3] tassen samen met man 1 via de toegangspoortjes naar de uitgang loopt. Ik zie dat man 2 met de gevulde [benadeelde 3] tassen samen met man 1 via de uitgang van de [benadeelde 3] naar buiten lopen.

(blz. 37 - 38)
Bevindingen [verbalisant 4] met betrekking tot uitlezen camerabeelden, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:
[…]
Ik zie dat op vrijdag 27 december 2019 om 17.36 uur man 2 een gang die op de
camerabeelden vernoemd staat als "Koffie/koek" binnenloopt. Ik zie dat man 2 in zijn linkerhand een winkelmand en een boodschappentas van de [benadeelde 3] vast heeft. Om 17.37 uur zie ik dat man 1 ook in deze zelfde gang loopt. Ik zie dat man 1 in zijn linker hand een winkelmand en een boodschappentas van de [benadeelde 3] vast heeft. Ik zie dat man 1 gebukt voor het schap met artikelen staat. Ik zie dat man 1 met zijn rechterhand een artikel in de vorm van een blok vasthoud. Op de camerabeelden zie ik dat vergeleken met de hand van man 1 het blok twéé maal de handlengte van man 1 betreft en één maal de handbreedte. Ik zie dat man 1 dit artikel in zijn winkelmandje stopt. Ik zie dat man 1 dit proces tot zes maal toe herhaalt. Ik zie dat man 1 opstaat en dat hij twéé passen verder loopt en ik zie dat hij met zijn rechter hand nog een artikel uit het schap haalt. Ik zie dat man 1 dit artikel in de vorm van een blok, met de lengte en breedte van één maal de hand van man 1 in zijn winkelmandje stopt. Ik zie dat man 1 en man 2 de gang uitlopen. Ik zie vanuit de camerabeelden vanuit het bovenaanzicht het winkelmandje van man 1. Ik zie dat het winkelmandje tot aan de rand gevuld is met de artikelen die ik eerder heb vernoemd. Ik zie dat de artikelen goud en rood kleurig zijn.
Ik zie dat op vrijdag 27 december 2019 om 17.39 uur man 1 en man 2 het gangpad dat vernoemd staat als "Bier/wijn" op de camerabeelden inlopen. Ik zie dat man 1 de [benadeelde 3] tas die hij bij zich droeg opent met beide handen. Ik zie dat man 1 de artikelen die in het mandje zaten, zijnde de artikelen, die vergeleken werden met goud en rood kleurig blokken, in de tas van de [benadeelde 3] plaatst. […] Ik zie dat man 1 met zijn rechterhand meerde artikelen uit het schap pakt en deze in zijn [benadeelde 3] tas / winkelmandje dat voor hem staat stopt. […] Ik zie dat man 1 opstaat en dat het winkelmandje leeg is en hij deze in zijn rechterhand vast houd. Ik zie dat man 1 een [benadeelde 3] tas in zijn linker hand heeft. Ik zie dat deze [benadeelde 3] tas bol staat en dat deze gevuld is. Ik zie dat man 1 de [benadeelde 3] tas op de grond laat vallen en wegloopt. Ik zie dat man 2 de [benadeelde 3] tas die op de grond staat met zijn rechterhand pakt. Ik zie dat man 2 in beide handen een bol staande, zijnde gevulde, [benadeelde 3] tas heeft.
Ik zie dat op vrijdag 27 december 2019 om 17.41 uur man 1 ter hoogte van kassa 5 door het hekje met lege handen naar buiten loopt.


(blz. 44 - 45)
Bevindingen [verbalisant 5], zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:
Op woensdag 8 januari 2020 kreeg ik via een collega de beelden van een
winkeldiefstal doorgestuurd waarbij ik de volgende personen herkende. Het betrof videobeelden waarvan 3 screenshots zijn gemaakt. De persoon met zwarte jas en groen/grijze muts herkende ik als [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te

's-Hertogenbosch, wonende [adres 2] . […]

(blz. 50)
Relaas [verbalisant 5] , zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:
Ter verduidelijking en aanvullend aan mijn proces-verbaal van bevindingen verklaar ik het volgende. […] In het proces-verbaal van bevindingen van collega [naam verbalisant] onder [procesnummer] worden twee personen beschreven als man 1 en man 2.
Man 1: Ik herken man 1 als zijnde [verdachte] , woonachtig op de [adres 2] . Ik herkende [verdachte] direct toen ik de beelden zag. Ik zag dat de persoon op de beelden dezelfde uiterlijke kenmerken had, zoals ik [verdachte] ken, te weten zijn stoppelbaard, onverzorgde uiterlijk, zwarte jas, zijn getinte huidskleur, zijn gelaat. Ik heb [verdachte] tientallen keren gezien tijdens aanhoudingen, staande houdingen en van het zien op straat. […]
De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

(v.w.b. de dagvaarding met parketnummer 01.013414.20:)

op 15 januari 2020 te Oss 24 pakken koffie (van het merk Douwe Egberts), die aan [benadeelde 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

(v.w.b. de dagvaarding met parketnummer 01.007257.20:)

1.

op 8 januari 2020 te Oss, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om uit een woning gelegen aan de [straatnaam] aldaar, geld en/of goederen van verdachtes gading, dat/die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n), te weten aan [benadeelde 2] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, en (vervolgens) doende is geweest, althans getracht heeft, met een breekvoorwerp, een raam van die woning te forceren en/of te verbreken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 27 december 2019 te Oss tezamen en in vereniging met een ander levensmiddelen, die aan [benadeelde 3] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen in de zaak met parketnummer 01.013414.20 en in de zaak met parketnummer 01.007257.20 onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

(Voor het feit in de zaak met parketnummer 01.013414.20 en de feiten onder 1 en 2 in de zaak met parketnummer 01.007257.20:)

De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van 160 dagen waarvan een deel, groot 67 dagen, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en met als bijzondere voorwaarden -kort gezegd-:

  • -

    een meldplicht bij de reclassering;

  • -

    een opname in een zorginstelling;

  • -

    een ambulante behandeling; en

  • -

    het meewerken aan middelencontrole,

een en ander zoals uitgewerkt in het reclasseringsadvies van GGZ ERW Novadic-Kentron van 10 april 2020.

(Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.)

Het standpunt van de verdediging.

Mocht de rechtbank tot een strafoplegging komen, dan heeft de raadsman verzocht om te volstaan met het opleggen van een vrijheidsstraf waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte inmiddels in voorarrest heeft doorgebracht, eventueel aangevuld met een voorwaardelijk strafdeel. De raadsman heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het opleggen van bijzondere voorwaarden zoals verzocht door de officier van justitie bij het voorwaardelijke strafdeel. De raadsman heeft daarnaast benadrukt dat verdachte openstaat voor een behandeling en dat hij dit ziet als een laatste kans.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in een periode van enkele weken schuldig gemaakt aan winkeldiefstal, poging tot woninginbraak en winkeldiefstal in vereniging.

Diefstallen veroorzaken veel overlast en schade. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat de door verdachte gepleegde winkeldiefstallen kennelijke specifiek gericht zijn op het wegnemen van zoveel mogelijk waardevolle goederen, waarmee deze winkeldiefstallen een professioneel karakter krijgen, en dat bij één winkeldiefstal sprake was van medeplegen. De woning waar verdachte heeft geprobeerd in te breken betrof weliswaar een op dat moment leegstaande woning, maar dit neemt niet weg dat een dergelijk feit voor de benadeelden materiële schade en overlast met zich meebrengt.

Verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken. Hij heeft zich bij het plegen van de feiten enkel laten leiden door financiële motieven en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de slachtoffers.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte, zoals blijkt uit het uittreksel justitiële documentatie van 6 maart 2020, de afgelopen jaren meermalen voor soortgelijke vermogensdelicten werd veroordeeld en dat hij de onderhavige strafbare feiten heeft gepleegd tijdens de proeftijd van een eerdere veroordeling. De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte tot voor kort kennelijk niet of onvoldoende bereid was zijn crimineel gedrag te veranderen.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het reclasseringsrapport van GGZ ERW Novadic-Kentron, opgesteld door [naam] . Daarin constateert de reclassering dat sprake is van instabiliteit op meerdere leefgebieden bij betrokkene: hij heeft geen werk, schulden en er is sprake van middelengebruik. Het ontbrak betrokkene volgens de reclassering eerder aan vasthoudende motivatie en vaardigheden om hier zelfstandig blijvende verandering in aan te brengen. Betrokkene lijkt echter nu wel bereid en gemotiveerd voor gedragsverandering. Momenteel is er sprake van een ambulant aanbod binnen een vrijwillig kader (PJ Professionals). De reclassering is van mening dat het huidige ambulante aanbod echter niet voldoende is. Een strikter kader is nodig om de kans op het creëren en handhaven van stabiliteit te vergroten. Door het aanbieden van een langdurig traject gericht op betrokkenes problematiek wil de reclassering hem een kans geven om dit te laten zien in de praktijk. Volgens de reclassering zal een onvoorwaardelijke ISD-maatregel mogelijk contraproductief werken ten aanzien van het vasthouden van zijn motivatie, ondanks dat betrokkene hiervoor formeel gezien wel in aanmerking komt. De reclassering beschrijft dat het IFZ inmiddels een indicatie heeft afgegeven en dat hij is aangemeld bij de Forensische Psychiatrische [afdeling] . Vanwege het Corona-virus (COVID-19) is het onduidelijk wat de huidige wachttijd betreft. In het meest gunstige geval zal dat twee maanden zijn. De reclassering adviseert dan ook een (deels) voorwaardelijke straf met een aantal bijzondere voorwaarden op te leggen. Het recidiverisico wordt door de reclassering als hoog ingeschat.

De rechtbank neemt de conclusies van de reclassering over en betrekt deze in de hierna volgende beoordeling.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 156 dagen. Gelet op de inhoud van het voornoemde reclasseringsrapport en opdat verdachte kan laten zien dat hij zijn (verslavings)problematiek serieus wil aanpakken, zal de rechtbank deze gevangenisstraf voor een gedeelte van 60 dagen voorwaardelijk opleggen. Dit dient eveneens om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Tevens zullen aan deze voorwaardelijke straf na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 01.092887.19.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie wil verdachte een kans geven om mee te werken aan een behandeling zoals door de reclassering verzocht. Daarom vordert de officier van justitie om de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant d.d. 28 juni 2019 bepaalde proeftijd met één jaar te verlengen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht om de vordering na voorwaardelijke veroordeling af te wijzen.

Volgens de raadsman is de proeftijd reeds eerder met een jaar verlengd en loopt er nog een hoger beroep tegen een eerdere beslissing tot tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk opgelegde straf.

Het oordeel van de rechtbank

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De rechtbank zal de gevorderde tenuitvoerlegging afwijzen, omdat de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf en taakstraf in dit geval een op te starten behandeling van verdachte mogelijk zou doorkruisen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 45,57, 310, 311 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het in de zaak met parketnummer 01.013414.20 en het in de zaak met parketnummer 01.007257.20 onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 01.013414.20 en het in de zaak met parketnummer 01.007257.20 onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

(v.w.b. de zaak met parketnummer 01.013414.20:)

diefstal.

(v.w.b. de zaak met parketnummer 01.007257.20:)

1. poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

2. diefstal door twee of meer verenigde personen.

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf:

T.a.v. 01-013414-20 feit 1, 01-007257-20 feit 1, feit 2:

Een gevangenisstraf voor de duur van 156 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 60 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

En stelt als bijzondere voorwaarde(n):

dat veroordeelde zich meldt bij reclassering Novadic-Kentron in de regio waar hij verblijft. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

dat veroordeelde zich laat opnemen op de Forensische Psychiatrische [afdeling] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde

houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

dat veroordeelde zich laat behandelen door PJ Professionals of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

dat veroordeelde meewerkt aan controle van het gebruik van drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit nodig acht, daaronder begrepen.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Wijst af de vordering met parketnummer 01-092887-19 van de officier van justitie d.d. 26 februari 2020.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J. Bokhorst, voorzitter,

mr. C.J. Sangers - de Jong en mr. A.A.M. Janssen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,

en is uitgesproken op 30 april 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, district ’s-Hertogenbosch, met [PL nummer] , van 15 januari 2020, aantal doorgenummerde pagina’s: 38, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij dit proces-verbaal.

2 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, district ’s-Hertogenbosch, met [PL nummer 2] , van 21 januari 2020, aantal doorgenummerde pagina’s: 66, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij dit proces-verbaal.