Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:2383

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-04-2020
Datum publicatie
28-04-2020
Zaaknummer
C/01/355196 / KG ZA 20-687
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Beslagzaak/ summierlijk gebleken van een vordering/beslag blijft liggen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/355196 / KG ZA 20-687

Vonnis in kort geding van 24 april 2020

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

REJUST HOLDING B.V.,

gevestigd te Edam,

eisers,

advocaat mr. H.M.J. van Boxtel te Eindhoven,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1] B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LUST OISTERWIJK B.V.,

gevestigd te Tilburg,

gedaagden,

advocaat mr. J.P.A. Jansen te Tilburg.

Eiser sub 1 zal hierna [eiser sub 1] worden genoemd. Eisers zullen worden aangeduid met [eisers] . Gedaagden zullen [gedaagden] genoemd worden. Gedaagden zullen separaat worden aangeduid met [gedaagde sub 1] (of [gedaagde sub 1] ) en Lust Oisterwijk (of [naam bestuurder Lust Oisterwijk] ).

1 De procedure

1.1.

De procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 9 maart 2020 met producties la t/m 34, 36 t/m 43 en 46 (productie 40 is komen te vervallen);

  • -

    de brief van mr. Van Boxtel van 13 maart 2020 met producties 47 t/m 50;

  • -

    de akte indiening producties van [gedaagden] met producties 1 tot en met 15;

  • -

    de akte aanvulling overleggen producties van [gedaagden] van 9 april 2020 met een tweetal producties;

  • -

    de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden via een skypeverbinding op 10 april 2020;

  • -

    De curator (mr. F. Schreurs) van Just Wellness was ook via een skypeverbinding op deze zitting aanwezig als toehoorder;

  • -

    de pleitaantekeningen van [eisers] ;

  • -

    de pleitnota van [gedaagden] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 1] is enig bestuurder van de besloten vennootschap Just Wellness B.V.(hierna te noemen: Just Wellness). Just Wellness exploiteert beautysalons in Nederland. Deze salons houden zich bezig met permanente ontharing en laserbehandelingen.

2.2.

Tot juni 2019 waren Rejust Holding (de persoonlijke holding van [eiser sub 1] ) en de heer [naam aandeelhouder] , middels zijn vennootschap, voor gelijke delen aandeelhouder van Just Wellness.

2.3.

In april 2019 heeft [eiser sub 1] aan [naam bestuurder Lust Oisterwijk] (bestuurder van Lust Oisterwijk) kenbaar gemaakt dat zijn medeaandeelhouder in Just Wellness, de heer [naam aandeelhouder] , vanwege ziekte zijn aandelen in Just Wellness zou willen verkopen. [naam bestuurder Lust Oisterwijk] heeft vervolgens [eiser sub 1] in contact gebracht met [gedaagde sub 1] .

2.4.

[eiser sub 1] heeft [gedaagden] vervolgens in de daarop volgende weken voorzien van financiële informatie over Just Wellness, zoals de omzetcijfers over de jaren 2010 tot en met 2018 en de groeiontwikkeling van de omzet in het eerste kwartaal van 2019

ten opzichte van de omzet in het eerste kwartaal van 2018. Tevens heeft [eiser sub 1] een liquiditeitsprognose verstrekt over de maanden september tot en met december 2019.

2.5.

Op basis van deze informatie hebben [gedaagden] besloten om gezamenlijk 50% van de aandelen in Just Wellness te kopen van Rejust Holding.

Daarnaast heeft [gedaagde sub 1] zich bereid verklaard geldleningen te verstrekken voor de verbouwing van een nieuwe vestiging in Breda en de opening van nieuwe vestigingen.

2.6.

Op 6 mei 2019 is er tussen [gedaagde sub 1] en Just Wellness een eerste

geldleningsovereenkomst tot stand gekomen, welke aangewend zou

worden door Just Wellness voor de verbouwing van de nieuwe vestiging in Breda.

Op 20 mei 2019 is vervolgens een tweede geldleningsovereenkomst gesloten tussen

[gedaagde sub 1] en Just Wellness voor de verbouwing van het pand in Breda.

[gedaagde sub 1] heeft aan Just Wellness in totaal een vijftal geldleningen verstrekt:

Datum geldlening Bedrag

6 mei 2019 € 100.000,00

20 mei 2019 € 300.000,00

16 augustus 2019 € 300.000,00

10 september 2019 € 300.000,00

7 oktober 2019 € 400.000,00

Totaal € 1.400.000,00

2.7.

De geldleningen van 10 september 2019 en 7 oktober 2019 zijn, blijkens de leningsovereenkomsten, verstrekt voor de financiering van de verbouwing van het bedrijfspand van de nieuwe vestiging te ‘s-Hertogenbosch. De lening van 16 augustus 2019 is verstrekt om aan te wenden als extra werkkapitaal.

2.8.

De voorwaarden van de geldleningen zijn vastgelegd in een vijftal

geldleningsovereenkomsten (productie 5 [gedaagden] ) tussen [gedaagde sub 1] en Just Wellness. Partijen zijn voor iedere geldlening overeengekomen dat deze uiterlijk binnen acht maanden na het aangaan van de geldlening terugbetaald diende te worden door Just Wellness aan [gedaagde sub 1] . Tevens is in de geldleningsovereenkomsten overeengekomen dat de geldleningen in geval van faillissement van Just Wellness direct opeisbaar zijn.

Ter zekerheid voor de terugbetaling van de geleende gelden zijn [gedaagde sub 1] en Just

Wellness een viertal pandrechtovereenkomsten aangegaan (productie 6 [gedaagden] ) waarbij een eerste pandrecht is gevestigd op de gehele bedrijfsinventaris van Just Wellness ten behoeve van [gedaagde sub 1] .

2.9.

Bij notariële akte van 12 juli 2019 (productie 7 [gedaagden] ) heeft

Rejust Holding verkocht en geleverd aan [gedaagde sub 1] , en heeft [gedaagde sub 1]

gekocht en verkregen van Rejust Holding, 600 aandelen in het geplaatst kapitaal van Just Wellness. De koop van de aandelen bedroeg € 300.000,00.

2.10.

Bij notariële akte van 16 augustus 2019 (productie 8 [gedaagden] ) heeft Rejust Holding verkocht en geleverd aan Lust-Oisterwijk, en heeft Lust

Oisterwijk gekocht en verkregen van Rejust Holding, 300 aandelen in het geplaatst kapitaal van Just Wellness. De koop van de aandelen bedroeg € 150.000,00.

2.11.

De levering van de aandelen door Rejust Holding aan [gedaagden] heeft plaatsgevonden onder, door Rejust Holding verstrekte, garanties ten

aanzien van de vennootschap (artikel 4 leveringsakten), de aandelen (artikel 5

leveringsakten) en het vermogen van de vennootschap (artikel 6 leveringsakten). De gevolgen van de garanties zijn neergelegd in artikel 7 van de leveringsakten.

2.12.

Voorzover hier relevant is in de leveringsakten van de aandelen het volgende opgenomen:

“Artikel 6 onder G

Aan alle verplichtingen voortvloeiende uit de fiscale en sociale verzekeringswetgeving met betrekking tot het doen van aangifte en het verrichten van betalingen is door of vanwege de vennootschap voldaan en er bestaan geen geschillen met de fiscale autoriteiten (…)”

“Artikel 6 onder O:

sinds het einde van het boekjaar hebben zich geen ongebruikelijke feiten of gebeurtenissen voorgedaan, welke alleen of tezamen een aanmerkelijke negatieve uitwerking hebben op de vermogenspositie van de vennootschap, haar winstcapaciteit of haar zakelijke verwachtingen”

“Artikel 6 onder Q:

aan verkoper zijn geen feiten of omstandigheden bekend waarvan hij weet of moet vermoeden dat koper bij bekendheid daarmee de overeenkomst niet of slechts op andere voorwaarden zou zijn aangegaan”

“Artikel 7:

1. Indien enig feit waaromtrent door verkoper aan koper een garantie is gegeven onjuist of onvolledig blijkt te zijn en koper als gevolg daarvan schade lijdt, zal verkoper die schade aan koper vergoeden. Onder schade wordt mede begrepen dc geldelijke tegenwaarde van het verschil tussen de

werkelijke en de middels de garanties weergegeven situatie.

2. De schadeplichtigheid van verkoper uit hoofde van de door hem gegeven garanties zal nimmer een hoger bedrag belopen dan het bedrag van de koopprijs.”

2.13.

Op 6 november 2019 heeft op verzoek van [eiser sub 1] een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser sub 1] en [gedaagden] . Er was sprake van een acuut liquiditeitstekort bij Just Wellness van € 500.000,00. [eiser sub 1] heeft in dit gesprek aan [gedaagden] medegedeeld dat hij het tekort wilde opvangen door het aan te vullen

vanuit Rejust Holding met een bedrag van € 500.000,00.

2.14.

Op 24 november 2019 berichtte [eiser sub 1] aan [gedaagde sub 1] dat er een probleem was met Just Wellness aangezien de salarissen van de maand november 2019 niet betaald zouden kunnen worden aan het personeel. Op de bankrekening van Just Wellness zou op dat moment een bedrag ad € 140.000,00 staan. Voor het betalen van de salarissen zou een bedrag van ca. € 220.000,00 nodig zijn volgens [eiser sub 1] .

2.15.

Op 26 november 2019 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen partijen, hun advocaten en de accountant van Just Wellness ( [naam accountant] ) ten kantore van mr. Jansen. Op deze bespreking heeft [eiser sub 1] toegezegd dat hij diezelfde week nog met een oplossing voor het probleem zou komen. Met een oplossing is [eiser sub 1] echter niet gekomen.

2.16.

Omdat [eiser sub 1] had toegezegd om het tekort via zijn persoonlijke holding aan te vullen hebben [gedaagden] Rejust Holding op 3 december 2019 gesommeerd om over te gaan tot betaling van het bedrag van € 500.000,00. Tevens hebben zij Rejust Holding (en [eiser sub 1] in privé) aansprakelijk gesteld voor de schade die zij lijden door de handelswijze van Rejust Holding. [gedaagden] hebben [eiser sub 1] tevens aansprakelijk gesteld als bestuurder van Just Wellness.

2.17.

Door [gedaagden] is een aandeelhoudersvergadering uitgeschreven die zou moeten plaatsvinden op 2 januari 2020. Zij hadden taal noch teken van [eiser sub 1] vernomen. [gedaagden] wilden van [eiser sub 1] informatie over de status van de vennootschap. Uit de media had hen namelijk het bericht bereikt dat er vestigingen gesloten waren, dat personeel onbetaald werd gelaten en klanten gedupeerd zouden zijn door Just Wellness.

2.18.

Op 24 december 2019 hebben [gedaagden] de voorzieningenrechter van de onderhavige rechtbank verlof gevraagd om conservatoir bankbeslag en conservatoir verhaalsbeslag op de Range Rover van [eiser sub 1] te leggen ten laste van Rejust Holding/ [eiser sub 1] . Het verlof is op diezelfde dag verleend met begroting van de vordering van [gedaagden] met inbegrip van rente en kosten ten laste van Rejust Holding op € 630.000,00 en met begroting van de vordering van [gedaagde sub 1] met inbegrip van rente en kosten ten laste van [eiser sub 1] op € 1.690.000,00. In de verlofbeschikking is bepaald dat de eis in de hoofdzaak binnen veertien dagen na het eerstgelegde beslag moet worden ingesteld.

2.19.

Op 30 december 2019 heeft de voorzieningenrechter op verzoek van [gedaagden] verlof verleend om conservatoir derdenbeslag te leggen ten laste van [eiser sub 1] en Rejust Holding onder Autobedrijf [naam autobedrijf] . Reden hiervoor was dat het [gedaagden] bekend was geworden dat [eiser sub 1] de Range Rover nog niet in zijn bezit had maar dat deze zich mogelijk nog bij het autobedrijf zou bevinden.

2.20.

De bankbeslagen zijn blijkens de exploten van de deurwaarder op 30 december 2019 gelegd. Ter zitting is door mr. van Boxtel bevestigd dat deze beslagen nauwelijks doel hebben getroffen.

2.21.

De aandeelhoudersvergadering werd op 2 januari 2020 door [eiser sub 1]

afgezegd met als reden dat hij een lichte hartinfarct zou hebben gehad met de kerstdagen die hij in Frankrijk had doorgebracht. Hij moest op 2 januari 2020 voor controle naar het Maxima Medisch centrum in Eindhoven.

2.22.

Op 2 januari 2020 hebben [gedaagden] de voorzieningenrechter verzocht verlof te verlenen om de Range Rover in gerechtelijke bewaring te nemen. Reden hiervoor was dat de deurwaarder de auto had aangetroffen in Leeuwarden diezelfde dag (met gebruikmaking van een op afstand te volgen volgsysteem/GPS tracker). [eiser sub 1] was die dag in Leeuwarden met zijn echtgenote. Dit verlof is diezelfde dag door de voorzieningenrechter toegestaan als verzocht.

2.23.

Blijkens het exploot van 2 januari 2020 heeft de deurwaarder de Range Rover in conservatoir beslag genomen en in gerechtelijke bewaring gegeven.

2.24.

Op 8 januari 2020 is op verzoek van een achttal medewerksters van Just Wellness

(Just Wellness had het salaris over de maanden november en december 2019 niet

betaald) het faillissement van Just Wellness uitgesproken met aanstelling van mr. F. Schreurs als curator.

2.25.

De eis in de hoofdzaak is (na verlenging van de termijn) bij dagvaarding van 27 januari 2020 ingesteld bij deze rechtbank. [gedaagden] vorderen in deze bodemzaak - voorzover hier relevant – om [eiser sub 1] /Rejust Holding te veroordelen tot betaling van

€ 150.000,00 aan Lust Oisterwijk en een bedrag van € 300.000,00 aan [gedaagde sub 1] en veroordeling van [eiser sub 1] tot betaling van € 1.400,000.00 aan [gedaagde sub 1] . Aan deze vorderingen leggen zij ten grondslag dat Rejust Holding/ [eiser sub 1] de garanties uit de leveringsakten hebben geschonden, [eiser sub 1] als bestuurder van Just Wellness onrechtmatig heeft gehandeld (artikel 2:9 jo 6:162 BW) jegens [gedaagden] en [eiser sub 1] de Beklamel-norm heeft geschonden jegens [gedaagde sub 1] .

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen samengevat - [gedaagden] te veroordelen de ten laste van [eiser sub 1] en mevrouw [naam vrouw] gelegde bankbeslagen en het beslag op de Range Rover met kenteken [kenteken] op te heffen, op straffe van een dwangom en met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten en in de nakosten vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

[eisers] leggen hieraan ten grondslag dat het door [gedaagden] ingeroepen recht ondeugdelijk is en derhalve niet summierlijk is gebleken van een vordering. In de kern en zakelijk weergegeven hebben [eisers] hieraan het volgende naar voren gebracht.

3.2.1.

Rejust Holding is niet toerekenbaar tekort geschoten door niet tot betaling van € 500.000,00 over te gaan, nu zij terzake het oplossen van het liquiditeitstekort gedwaald heeft. Tijdens het uitspreken van de belofte tot betaling was niet duidelijk dat deze betaling niet wezenlijk van invloed zou zijn op de schuldenpositie van Just Wellness, waardoor betaling slechts uitstel van executie zou hebben betekend. De overeenkomst tussen Rejust Holding (in de zin van betaling van het bedrag) en Just Wellness is dus vernietigbaar en hier beroept Just Wellness zich op. Van wanprestatie aan de zijde van Rejust Holding is dan geen sprake. [eiser sub 1] kan om die reden niet verweten worden, enerzijds als bestuurder van Rejust Holding en anderzijds als bestuurder van Just Wellness dat er geen € 500.000,00 betaald is aan Just Wellness. Dit betekent dat [eiser sub 1] als bestuurder ex artikel 2:9 BW en ook niet op grond van artikel 6:162 BW verweten kan worden dat aan [gedaagden] met de koop van de aandelen in Just Wellness schade hebben geleden.

3.2.2.

[eiser sub 1] kan ook niet verweten worden, in het kader van de verstrekte garanties in de leveringsovereenkomst van de aandelen, dat [gedaagden] informatie is onthouden. [gedaagden] hadden een onderzoeksplicht. Voor hen had duidelijk moeten zijn uit de financiële administratie, dat de BTW van het 1e en 2e kwartaal 2019 niet betaald was evenals de loonbelasting van mei 2019. De garanties genoemd in art 6G, 6O en 6Q van de leveringsakte garanderen dat de vennootschap aan haar fiscale verplichting heeft voldaan over het jaar 2018. Deze garanties zagen niet op het boekjaar 2019. En bovendien had het de accountant van [gedaagde sub 1] /Just Wellness, [naam accountant] , in ieder geval in de maanden mei en juli 2019 gebleken moeten zijn uit het door hem namens [gedaagde sub 1] uitgevoerde financiële onderzoek dat de loonbelasting van mei 2019 en de BTW van het 1e en 2 kwartaal 2019 niet was voldaan.

3.2.3.

De geldleningen in augustus, september en oktober 2019 zijn verstrekt op basis van bij [gedaagde sub 1] bekende financiële gegevens, waaronder de omzetgegevens van Just Wellness vanaf mei 2019 en de omzet- en winstcijfers van 2018 evenals de aan [gedaagde sub 1] verstrekte omzetprognoses. [eiser sub 1] heeft de Beklamel-norm niet geschonden. [eiser sub 1] heeft niet doelbewust onjuiste en onvolledige informatie verstrekt.

3.2.4.

Ook een belangenafweging dient in het voordeel van [eisers] uit te vallen. [eiser sub 1] heeft zijn auto nodig in verband met zijn wankele gezondheid. De afstand die [eiser sub 1] van de openbare weg woont, noodzaakt hem eveneens om over zijn auto te beschikken. Bovendien hebben [gedaagden] bij de inbeslagname van de Range Rover onrechtmatig gebuik gemaakt van het in de auto gemonteerde volgsysteem, dat alleen bij de dealer en de verzekeraar bekend is. Dit op zichzelf is grond om het beslag op de auto op te heffen.

3.3.

[gedaagden] voeren gemotiveerd verweer dat in de kern als volgt kan worden samengevat.

3.3.1.

De vorderingen van [gedaagden] op [eisers] zijn summier deugdelijk zodat de beslagen hangende de lopende bodemzaak gehandhaafd moet blijven.

3.3.2.

De omstandigheid dat Rejust Holding haar betalingstoezegging van

€ 500.000,00 aan Just Wellness niet is nagekomen en [eiser sub 1] niet gehandeld heeft zoals het een behoorlijk bestuurder betaamt, zijn aan te wijzen als belangrijke oorzaken van het faillissement van Just Wellness. Met het toegezegde bedrag hadden de lopende verplichtingen waaronder de salarissen aan het personeel over de maanden november en december 2019 voldaan kunnen worden zodat daarmee de vennootschap niet zou komen te zijn verkeren in de toestand van te hebben opgehouden te betalen en het personeel niet genoodzaakt was het faillissement van Just Wellness aan te vragen. [eiser sub 1] is bovendien enig bestuurder van Just Wellness en heeft nagelaten, althans geweigerd, om namens Just Wellness nakoming van Rejust Holding te vorderen van de betalingstoezegging.

3.3.3.

Pas begin december 2019 is het [gedaagden] bekend geworden

Dat Just Wellness schulden (loonheffing mei 2019 en september 2019, omzetbelasting Q3 2019, voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2019) had aan de fiscus van ruim

€ 330.000,00 (inclusief boetes wegens niet tijdig betalen). Dit levert schending op van de garanties uit de leveringsakten: het niet tijdig en op juiste wijze doen van aangifte en

betalen van fiscale schulden, is te kwalificeren als ongebruikelijke gebeurtenissen die

van directe negatieve invloed zijn op de vermogenspositie van Just Wellness. Deze schulden hadden voldaan dienen te worden en strekken direct in mindering op het vermogen van de vennootschap. Rejust Holding, althans [eiser sub 1] , wisten, dan wel behoorden te weten, dat de belastingschulden niet voldaan waren en aangiften omzetbelasting niet op de juiste wijze zijn geschied. Indien [gedaagden] bekend waren geweest met de (fiscale) schulden van Just Wellness, dan hadden zij nooit de aandelen gekocht van Rejust Holding.

3.3.4.

[gedaagden] hebben tevens een vordering op [eiser sub 1] ex artikel

6:162 BW. De onrechtmatige gedraging bestaat er uit dat [eiser sub 1] , als bestuurder van

Just Wellness, bij de verkoop van de aandelen onjuiste en foutieve informatie heeft verstrekt, als gevolg waarvan [gedaagden] een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven. Op basis van de door [eiser sub 1] overhandigde liquiditeitsprognoses zou de vrije liquiditeit in november 2019 € 1.266.555,00 bedragen. Er was - tot dat moment - geen enkele reden om voor [gedaagden] te veronderstellen dat de feitelijke situatie anders zou zijn. De prioriteit lag bij [eiser sub 1] klaarblijkelijk niet bij ]ust Wellness. Hij was voor [gedaagden] en het personeel niet te bereiken in de maand december 2019. Daarentegen zag hij wel de mogelijkheid om eind december 2019 een nieuwe Range Rover Sport, ad € 220.000,00 te kopen bij autobedrijf [naam autobedrijf] te Best.

3.3.5.

De schade die [gedaagde sub 1] heeft geleden is gelijk te stellen aan de koopprijs van de aandelen van € 300.000,00 en de leningen die zij verstrekt heeft (€ 1.400.000,00). De schade van Lust-Oisterwjk is gelijk te stellen aan de koopprijs van de aandelen van

€ 150.000,00.

3.3.6.

[gedaagde sub 1] heeft daarnaast een vordering op [eiser sub 1] , in zijn hoedanigheid van

bestuurder van Just Wellness, nu [eiser sub 1] wist, althans behoorde te weten, dat hij de

geldleningsovereenkomsten die Just Wellness met [gedaagde sub 1] is aangegaan niet zou

kunnen nakomen. [eiser sub 1] kan een persoonlijk verwijt worden gemaakt omdat hij bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden (Beklamel-norm). Als gevolg van het faillissement van Just Wellness en de omvang van de schuld aan de fiscus, zal [gedaagde sub 1] gelet op het bodemvoorrecht van de fiscus haar vordering niet kunnen verhalen op de bedrijfsinventaris die aan [gedaagde sub 1] is verpand. [eiser sub 1] heeft [gedaagde sub 1] medegedeeld dat uitsluitend de schulden van de vennootschap blijken uit de jaarrekening 2018 en dat er van overige schulden geen sprake zou zijn. Het had op de weg van [eiser sub 1] gelegen om mededeling te doen over de daadwerkelijke fiscale schulden van Just Wellness. Gelet op de hoogte van deze schulden, wist [eiser sub 1] , althans had hij redelijkerwijs moeten begrijpen, dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en de geldleningen dus ook niet zou kunnen terugbetalen. Bij het aangaan van de geldleningen wist [eiser sub 1] dan ook, althans behoorde hij redelijkerwijze te weten, dat de vennootschap uit het resultaat 2019 nimmer aan haar verplichtingen uit hoofde van de geldleningsovereenkomsten zou kunnen voldoen. Deze gedragingen zijn aan [eiser sub 1] toe te rekenen en kwalificeren bovendien als opzet c.q. bewuste roekeloosheid jegens [gedaagde sub 1] .

4 De beoordeling

4.1.

Artikel 705 lid 2 Rv brengt met zich dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.2.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is in het onderhavige geval niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door [gedaagden] ingeroepen recht gebleken. Zijn oordeel steunt op het volgende.

4.3.

Partijen nemen over en weer uitgebreide stellingen in over de vraag of [eisers] verwijtbaar hebben gehandeld en schadeplichtig zijn jegens [gedaagden] en/of [eiser sub 1] jegens [gedaagden] persoonlijk aansprakelijk is. Deze uitvoerige stellingen van partijen lenen zich echter niet voor een beoordeling in kort geding. Voor de beoordeling van hetgeen hierover over en weer naar voren is gebracht is nader onderzoek vereist, waarvoor in een kort geding geen ruimte is, maar waarvoor juist de aanhangige bodemzaak de aangewezen procedure is.

4.4.

[eisers] hebben binnen het bestek van dit kort geding - waarin gelet op de aard van de procedure geen plaats is voor verdere bewijslevering – vooralsnog niet aannemelijk weten te maken dat de vorderingen waarvoor [gedaagden] (conservatoire) beslagen hebben doen leggen ondeugdelijk zijn. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.

In de beslagrekesten en in de overgelegde dagvaarding in de bodemprocedure, hebben [gedaagden] gemotiveerd uiteengezet op welke rechtsgronden hun vorderingen op [eisers] berusten en zij hebben dit concreet en gespecificeerd toegelicht aan de hand van een uitgebreide weergave van relevante feiten en omstandigheden. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting scharnieren de stellingen van partijen op het punt of [eisers] informatie heeft verzwegen over de actuele liquiditeitspositie van Just Wellness. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn [eisers] er niet in geslaagd hun standpunt aannemelijk te maken dat hen geen blaam treft omdat de garanties slechts zien op de fiscale positie van 2018. Door [eisers] is niet weersproken dat zij wetenschap hadden van de fiscale schuld in 2019. De enkele stelling dat [gedaagden] , al dan niet via de accountant, dit hadden kunnen weten, ontslaat [eisers] niet van de verplichting hier melding van te maken. Temeer, nu [eisers] een liquiditeitsprognose hebben verstrekt die er rooskleuring uitzag, terwijl zij er wetenschap van hadden (of hadden moeten hebben) dat deze prognose niet gehaald zou kunnen worden gelet op de openstaande fiscale schuld. Dat [gedaagden] in de visie van [eisers] hiertoe een onderzoeksplicht hadden gaat niet op; aan de zijde van [eisers] bestond gelet op de afgegeven liquiditeitsprognose een mededelingsplicht.

4.6.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen kan in dit stadium niet worden uitgesloten dat de bodemrechter het handelen van [eiser sub 1] /Rejust Holding namens Just Wellness laakbaar acht. Voorts valt niet uit te sluiten dat [eiser sub 1] ook op die grond onderworpen wordt aan artikel 2:248 BW door de curator. De ter zitting aanwezige curator heeft zich hier weliswaar niet over uitgesproken, maar heeft desgevraagd wel aangegeven dat hij doende is met onderzoek en een aantal serieuze vragen heeft aan [eiser sub 1] . Evenmin kan worden uitgesloten, gezien hetgeen [gedaagden] naar voren hebben gebracht, dat het handelen van [eiser sub 1] als een belangrijke oorzaak van het faillissement kan worden aangemerkt. Dat het faillissement enkel is veroorzaakt door tegenvallende resultaten die zich sinds oktober 2019 voordeden, zoals [eiser sub 1] heeft aangevoerd, kan in dit stadium niet zonder meer worden aangenomen, gelet op het standpunt van [gedaagden] dat [eiser sub 1] op een gegeven moment is weggelopen voor zijn verplichtingen. Dit leidt tot de conclusie dat de vorderingen die tegen [eiser sub 1] zijn ingesteld ook om deze redenen niet summierlijk ondeugdelijk zijn als bedoeld in artikel 705 lid 2 Rv.

4.7.

Bij deze stand van zaken moet worden geconcludeerd dat [eisers] er niet in zijn geslaagd aannemelijk te maken dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de aanspraken op [eisers] waarvoor [gedaagden] beslag heeft gelegd.

4.8.

Ook bij afweging van de (overige) belangen ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanleiding om tot opheffing van het beslag over te gaan. Het belang van [gedaagden] om hangende de lopende bodemzaak hun gestelde aanspraken veilig te stellen weegt, afgezet tegen de belangen van [eiser sub 1] , zwaarder. Ten laste van [eisers] is bankbeslag gelegd. Het door het beslag getroffen saldo was bij lange na niet toereikend ter verzekering van de omvang van de vordering en heeft dus niet of nauwelijks doel getroffen. Alle na de beslaglegging op de rekening gestorte bedragen vallen niet onder het beslag, zodat [eisers] geen belang hebben bij het opheffen van dit beslag. [eiser sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er ten laste van zijn echtgenote bankbeslag is gelegd. Zulks is ook niet in de beslagexploten vermeld. In zoverre is deze vordering van [eiser sub 1] dan ook ongegrond. Met betrekking tot het beslag op de auto (Range Rover) overweegt de voorzieningenrechter dat [eiser sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij nu juist deze auto nodig heeft. Niet valt in te zien dat [eiser sub 1] slechts afhankelijk is van vervoer met deze nieuw aangeschafte dure auto. Voorts valt niet in te zien dat [eiser sub 1] niet de beschikking kan hebben over een andere auto. Bovendien heeft [eiser sub 1] de beschikking over een motor. Dat [eiser sub 1] niet de middelen heeft om een goedkope auto aan te schaffen voor zijn noodzakelijke vervoer is gesteld noch gebleken. Daar komt bij dat het beslag op de Range Rover met een waarde van € 220.000,00 vooralsnog de enige zekerheid is die [gedaagden] hebben, mochten hun vorderingen in de bodemzaak slagen. De omstandigheid dat [eiser sub 1] op 2 januari 2020 de aandeelhoudersvergadering niet kon bijwonen vanwege onderzoeken in het ziekenhuis, maar diezelfde dag door de deurwaarder met de Range Rover is aangetroffen in Leeuwarden doet vragen rijzen omtrent de betrouwbaarheid van [eiser sub 1] en maakt de stelling van [gedaagden] dat [eiser sub 1] in de afgelopen maanden is weggelopen voor zijn verplichtingen in Just Wellness begrijpelijk. Kortom, [gedaagden] hebben belang dat de Range Rover beslagen blijft.

4.9.

Tot slot merkt de voorzieningenrechter op dat het gegeven verlof om de Range Rover in beslag te nemen de deurwaarder toestaat om het beslag in heel Nederland te leggen. [eiser sub 1] had de deurwaarder desgevraagd ook de informatie met betrekking tot de vindplaats van de auto moeten geven. Op grond waarvan de gebruikmaking van het volgsysteem onrechtmatig is en zou moeten leiden tot opheffing van het beslag heeft [eiser sub 1] niet aannemelijk gemaakt, zodat hieraan voorbij wordt gegaan.

4.10.

De vordering van [eisers] tot opheffing van de ten behoeve van [gedaagden] gelegde beslagen zullen gelet op het vorenstaande worden afgewezen.

4.11.

[eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht € 656,00

- overige kosten 1,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 2.616,00

4.12.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 2.616,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiser sub 1] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2020.