Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:2374

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
24-04-2020
Zaaknummer
7696333 \ CV EXPL 19-2698
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling verzekeringspremie over auto. Beroep op verrekening slaagt niet. Gedaagde stelt een toezegging van eiseres te hebben gehad tot het verkrijgen van juridische bijstand in verband met het afwikkelen van de schade na een ongeval met de verzekerde auto.

Deze afspraak is niet komen vast te staan en daarmee is ook niet komen vast te staan dat gedaagde een (te verrekenen) vordering heeft op eiseres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: 7696333 \ CV EXPL 19-2698

Vonnis van 26 maart 2020

in de zaak van:

Achmea Schadeverzekeringen N.V., h.o.d.n. Centraal Beheer Achmea,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. J.L.M.E. Laarakker (Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.),

tegen:

[gedaagde] , h.o.d.n. CKC Bouw,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna genoemd “Achmea” en “ [gedaagde] ”.

1 Het verloop van het geding

1.1.

Dit blijkt uit het volgende:

a. de dagvaarding van 12 april 2019 met producties;

b. het schriftelijke antwoord, tevens houdende een eis in reconventie, met producties;

c. het tussenvonnis van 15 augustus 2019 met de daarin genoemde stukken;

d. de mondelinge behandeling van 18 november 2019 ten behoeve waarvan Achmea stukken in het geding heeft gebracht die zowel aan de rechtbank als aan [gedaagde] zijn toegezonden.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen de gemachtigde van Achmea en [gedaagde] . De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter zitting naar voren hebben gebracht. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter de zaak verwezen naar de rol van 19 december 2019. Zij heeft [gedaagde] daarbij in de gelegenheid gesteld om bij akte stukken te overleggen waaruit blijkt dat hij een vordering heeft op Achmea. De kantonrechter heeft Achmea medegedeeld dat zij vervolgens de gelegenheid zal krijgen om daar bij antwoordakte op te reageren.

1.3.

[gedaagde] heeft de kantonrechter bij brief van 15 december 2019 bericht en hierop heeft Achmea bij akte van 20 februari 2020 gereageerd.

1.4.

Vervolgens heeft de kantonrechter bepaald dat er vonnis wordt gewezen.

2. De feiten

2.1.

[gedaagde] is met Achmea een verzekeringsovereenkomst aangegaan. Achmea heeft [gedaagde] in dat verband een MKB-Meerkeuzepolis verstrekt.

2.2.

De MKB Meerkeuzepolis bestaat uit een aantal modules, waaronder de modules “mobiliteit” en “continuïteit”. Onder de module “mobiliteit” valt de polis Bedrijfsvoertuigen met polisnummer [polisnummer 1] , bevattende een WA-verzekering en een schadeverzekering inzittenden. Onder de module “continuïteit” valt de polis Aansprakelijkheid met polisnummer [polisnummer 2] . Ook valt de polis Rechtsbijstand met als verzekerde grondslag: “Rubriek 1 (algemeen), rubriek 2 basisdekking (personen), rubriek 4 bedrijfsvoering (omzet), rubriek 4 bedrijfsvoering plus (omzet) en rubriek 7 incassobijstand (omzet)” onder deze module.

2.3.

Op 19 oktober 2017 heeft er in [plaats] een aanrijding plaatsgevonden. Bij deze aanrijding is de auto van [gedaagde] , een Hyundai met kenteken [kenteken] (hierna: de auto), beschadigd geraakt door een auto van [bestuurder L] .

2.4.

De kantonrechter te Eindhoven heeft op 14 maart 2019 in zijn vonnis geoordeeld dat het ongeval te wijten is aan een onrechtmatige daad van [bestuurder L] en heeft [bestuurder L] in dat vonnis veroordeeld om een bedrag aan [gedaagde] te betalen.

2.5.

In de procedure die bij de kantonrechter te Eindhoven is gevoerd, heeft [gedaagde] zich laten bijstaan door een gemachtigde genaamd [gemachtigde] (Vaessen Advocaten).

3 Het geschil

3.1.

Achmea vordert dat de kantonrechter [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt om aan haar te betalen een bedrag van € 481,08, te vermeerderen met de rente en kosten zoals vermeld in de dagvaarding.

3.2.

Achmea legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

Achmea heeft met [gedaagde] een verzekeringsovereenkomst gesloten. Ter uitvoering van die verzekeringsovereenkomst heeft zij een aantal facturen aan [gedaagde] gezonden voor een bedrag van in totaal € 634,40. Het gaat om onbetaalde premie. [gedaagde] heeft dit bedrag, ondanks sommaties en aanmaningen, niet voldaan. Achmea vordert in deze procedure om processuele redenen slechts een bedrag van € 377,31. Ter zitting heeft ze toegelicht dat zij uit kostenoverwegingen geen vordering wenst in te stellen van boven de € 500,-. Daarom heeft zij het ook openstaande premiebedrag van € 257,09 in deze procedure niet gevorderd. Omdat [gedaagde] inmiddels in verzuim verkeert, vordert Achmea ook de wettelijke handelsrente over dit bedrag, die tot 12 april 2019 € 35,28 bedraagt. Verder maakt Achmea aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten voor een bedrag van € 68,49 inclusief btw, omdat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft moeten (laten) verrichten.

3.3.

[gedaagde] voert het volgende verweer. [gedaagde] erkent dat hij nog een bedrag aan Achmea is verschuldigd in verband met onbetaalde premies. Hij voert aan dat in de dagvaarding voor het eerst het juiste bedrag is genoemd en in de brieven die hij daarvoor heeft ontvangen telkens onjuiste bedragen stonden vermeld.

In verband met de aanrijding die in 2017 heeft plaatsgevonden en waarbij de auto van [gedaagde] schade heeft opgelopen, heeft [gedaagde] professionele rechtsbijstand moeten inschakelen ondanks een afspraak met Achmea dat zij de rechtsbijstand voor hem zou verzorgen. Die afspraak is Achmea echter niet nagekomen, waardoor [gedaagde] alsnog zelf een gemachtigde heeft moeten inschakelen. [gedaagde] heeft hierdoor schade geleden. Het gaat om een bedrag van € 6.370,33. [gedaagde] vordert in reconventie de betaling van dit bedrag.

4 De beoordeling

In conventie

4.1.

Vast staat dat [gedaagde] een MKB-Meerkeuzepolis bij Achmea heeft afgesloten en dat [gedaagde] op grond daarvan verplicht is aan Achmea premie te betalen. Vast staat verder dat er een achterstand bestaat in de betaling van de premie van € 634,40. Achmea heeft ter zitting toegelicht dat de totale achterstand dat bedrag beloopt en [gedaagde] heeft dit niet betwist. Achmea vordert in deze procedure uit kostenoverwegingen slechts de betaling van een bedrag van € 377,31 met rente en kosten.

4.2.

[gedaagde] doet een beroep op verrekening van de onbetaald gelaten premie met de schade die hij heeft geleden doordat Achmea de afspraak niet is nagekomen om [gedaagde] bij te staan in de procedure tot verhaal van zijn autoschade. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij na deze verrekening niets meer aan Achmea verschuldigd is. Op grond van artikel 6:127 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een schuldenaar (in dit geval [gedaagde] ) de bevoegdheid tot verrekening, wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld tegen dezelfde wederpartij (in dit geval Achmea) en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. Het moet dus gaan om opeisbare vorderingen tussen dezelfde partijen. Nu [gedaagde] zich beroept op verrekening, is het aan hem om te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij een opeisbare vordering heeft op Achmea.

4.3.

De schade die [gedaagde] op Achmea wenst te verhalen ziet op de kosten voor het inschakelen van rechtsbijstand. Hij stelt dat hij die kosten heeft moeten maken om de schade aan zijn auto na het ongeval op de partij die het ongeval heeft veroorzaakt te verhalen. [gedaagde] stelt dat hij met Achmea had afgesproken dat zij hem in die procedure rechtsbijstand zou verlenen op basis van de polis rechtsbijstand die hij bij haar had afgesloten (onderdeel van de MKB Meerkeuzepolis) en dat Achmea deze afspraak niet is nagekomen. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] bij Achmea niet was verzekerd voor rechtsbijstand in verkeerszaken. [gedaagde] stelt dat Achmea hem heeft toegezegd dat zij deze kosten, indien hij aansprakelijk zou worden gesteld, toch onder de dekking van deze verzekering zou vallen.

4.4.

Achmea heeft het beroep op verrekening van [gedaagde] gemotiveerd betwist. Achmea betwist dat zij de gestelde afspraak met [gedaagde] heeft gemaakt en ook dat zij aan [gedaagde] heeft medegedeeld dat de kosten van rechtsbijstand aan hem zouden worden vergoed onder de polis rechtsbijstand. Verder stelt Achmea dat [gedaagde] vermoedelijk een rechtsbijstandsverzekering bij Stichting Achmea Rechtsbijstand (SAR) had afgesloten uit hoofde waarvan hij de gestelde contacten heeft gehad over schadeafwikkeling. SAR is een andere rechtspersoon dan Achmea. Voor zover [gedaagde] de door hem gestelde schade al heeft geleden, kan hij deze niet verrekenen met haar vordering tot betaling van achterstallige premie. Hij heeft in dat geval hooguit een vordering op SAR.

4.5.

Omdat Achmea het beroep van [gedaagde] op verrekening gemotiveerd heeft betwist, ligt het op de weg van [gedaagde] om de stellingen waarop dit beroep stoelt nader te onderbouwen. De kantonrechter heeft hem daartoe in de gelegenheid gesteld. [gedaagde] heeft daarop een brief aan de kantonrechter gestuurd met daarbij een aantal producties. In zijn brief stelt hij dat uit e-mails blijkt dat SAR heeft toegezegd dat de autoschadezaak onder de dekking van zijn rechtsbijstandsverzekering valt. Zijn eigen bewoordingen in de brief en de daarbij gevoegde stukken wijzen er naar het oordeel van de kantonrechter op dat [gedaagde] , naast de verzekeringen die hij bij Achmea had afgesloten, ook een rechtsbijstandsverzekering had bij SAR en dat hij met die rechtspersoon contact heeft gehad over de afwikkeling van het ongeval op 19 oktober 2017. [gedaagde] heeft immers op 20 oktober 2017 een uitgebreide e-mail ontvangen van [gemachtigde] van SAR waarin zij om diverse stukken vraagt en aan hem mededeelt dat deze zaak onder de dekking van zijn rechtsbijstandsverzekering valt. Ook heeft hij een pagina uit een algemene folder van SAR bijgevoegd. Verder vermeldt [gedaagde] in zijn brief dat Achmea hem, wanneer hij haar belde, steeds doorverwees naar SAR en dat alleen SAR op zijn brieven reageerde. Het enkele feit dat op het polisblad van de MKB Meerkeuzepolis van Achmea ‘rechtsbijstand’ staat vermeld, vindt de kantonrechter in het licht van alle andere documenten die zijn overgelegd, onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de afwikkeling van de autoschade onder de dekking van een met Achmea gesloten verzekeringsovereenkomst valt, dan wel dat Achmea de schadeafwikkeling ter hand heeft genomen of had moeten nemen. Daarbij heeft de kantonrechter mede in aanmerking genomen dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat dit schadevoorval niet viel onder de polis rechtsbijstand die onderdeel uitmaakt van de MKB Meerkeuzepolis van Achmea. Uit de beschrijvingen op de polisbladen is dit overigens ook op te maken.

4.6.

Gelet op het bovenstaande, is de kantonrechter van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] een vordering heeft op Achmea. Nu dit niet is komen vast te staan, komt aan [gedaagde] ook geen bevoegdheid toe om zijn vordering te verrekenen en dus slaagt zijn beroep op verrekening niet. Gevolg daarvan is dat [gedaagde] gehouden is het nog openstaande premiebedrag aan Achmea te betalen. Aangezien Achmea in deze procedure slechts een deel van dat openstaande bedrag heeft gevorderd, zal de kantonrechter dat bedrag toewijzen.

4.7.

Ook de gevorderde wettelijke handelsrente over dit bedrag wijst de kantonrechter toe, nu daartegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd.

4.8.

Achmea maakt daarnaast aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter is van oordeel dat Achmea voldoende heeft gesteld om te concluderen dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag komt overeen met hetgeen Achmea op grond van het Besluit mag vorderen, zodat de kantonrechter ook deze vordering toewijst.

In reconventie

4.9.

[gedaagde] vordert in reconventie vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden. Zoals in conventie is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] een vordering uit dien hoofde heeft op Achmea, zodat de kantonrechter deze vordering afwijst.

In conventie en in reconventie

4.10.

[gedaagde] wordt als de (in overwegende mate) in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Achmea te betalen het bedrag van € 481,08, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 377,31 vanaf 12 april 2019 tot aan de dag van voldoening;

in reconventie

5.2.

wijst de vordering af;

in conventie en in reconventie

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Achmea tot heden begroot op € 99,01 aan explootkosten, € 121,- aan griffierecht en € 216,- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

5.4.

verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2020.