Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:2363

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
16-04-2020
Datum publicatie
24-04-2020
Zaaknummer
7759923 CV EXPL 19-4675
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

studieovereenkomst, opdracht, annuleringsbeding, rechtsgevolg van oneerlijk beding, redelijk loon

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats Eindhoven

Civiel Recht

Zaaknummer : 7759923

Rolnummer : 19-4675

Uitspraak : 16 april 2020

in de zaak van:


Tio Teach B.V.,

gevestigd te Hengelo (Ov.),

eiseres,

gemachtigde: mr. J.J. Kappert, advocaat te Utrecht,

t e g e n :

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

gemachtigde: mr. P.S. Folsche, advocaat te Utrecht.

Eiseres zal hierna "TIO" worden genoemd, terwijl gedaagden afzonderlijk als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen worden aangeduid. Gedaagden zullen gezamenlijk als [gedaagden] worden aangeduid.

1 De procedure

Deze blijkt uit de volgende stukken:

- de dagvaarding d.d. 24 april 2019, met producties;

- het herstelexploot d.d. 3 mei 2019;

- de conclusie van antwoord, met productie;

- het tussenvonnis d.d.18 juli 2019, waarbij een zitting ("comparitie van partijen") is gelast om de zaak met partijen te bespreken;

- de aantekeningen die de griffier heeft gemaakt tijdens de zitting op 3 september 2019, met daaraan gehecht de comparitie-aantekeningen van mr. Kappert.

2 De feiten

2.1.

TIO is een particuliere onderwijsinstelling.

2.2.

[gedaagde sub 1] heeft zich op 7 april 2013 schriftelijk ingeschreven voor het eerste studiejaar van de HBO-opleiding Hotel- en Eventmanagement (hierna: "de opleiding"). De opleiding wordt op meerdere vestigingen van TIO aangeboden en [gedaagde sub 1] schreef zich in voor de opleiding te Eindhoven. Het voor de opleiding verschuldigde collegegeld bedroeg

€ 13.950,00. De inschrijving zal hierna ook worden aangeduid als "de studieovereenkomst".

2.3.

Omdat [gedaagde sub 1] minderjarig was op het moment van inschrijving heeft [gedaagde sub 2] het inschrijfformulier mede ondertekend. Hij heeft zich daarbij hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de betalingsverplichtingen van [gedaagde sub 1]

2.4.

[gedaagde sub 1] heeft de studieovereenkomst op 12 juli 2013, enkele weken voor aanvang van het studieprogramma, geannuleerd/opgezegd. Als reden gaf hij daarbij op, dat hij al bij een andere hotelschool was aangenomen.

2.5.

TIO geeft studenten de mogelijkheid om de inschrijving kosteloos te annuleren tot 14 dagen na inschrijving en daarnaast nog tot 1 juli voorafgaand aan de aanvang van het studiejaar. De annulering door [gedaagde sub 1] is gedaan na de 14-dagen-periode en na 1 juli 2013.

3 Het geschil

3.1.

TIO stelt -kort samengevat- het volgende.

De studieovereenkomst is een overeenkomst van opdracht. De student mag deze overeenkomst op ieder gewenst moment opzeggen. Met betrekking tot de financiële gevolgen van de opzegging moet aansluiting worden gezocht bij artikel 7:411 BW. Dat betekent dat TIO aanspraak heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het overeengekomen loon. Bij de vaststelling daarvan dient onder meer rekening te worden gehouden met vóór de opzegging reeds verrichte werkzaamheden, het voordeel dat de opdrachtgever heeft gehad en de grond waarop de overeenkomst is geëindigd. Werkzaamheden die al waren verricht zijn o.m. het samenstellen van het onderwijsprogramma en het lesmateriaal, het schrijven van eigen studiemateriaal en studiegidsen, werving en training van docenten, afstemming binnen vakgroepen, het maken van planningen, communicatie met studenten enz. Door TIO worden in dat verband verplichtingen aangegaan die betrekking hebben op het gehele studiejaar en het is alleszins redelijk dat [gedaagde sub 1] een bijdrage levert aan de kosten die op het moment van annulering al waren gemaakt en aan financiële verplichtingen die door TIO mede ten behoeve van [gedaagde sub 1] zijn aangegaan.

Op 1 juli (ongeveer zeven weken voor de start van het onderwijs) wordt op basis van het aantal inschrijvingen besloten om een opleiding al dan niet door te laten gaan. Afhankelijk van het aantal inschrijvingen kan worden besloten om een opleiding niet in alle vestigingen aan te bieden. Zodra het besluit is genomen om een opleiding door te laten gaan, worden allerlei verplichtingen aangegaan en kosten gemaakt. De hoogte van de kosten is dan niet of nauwelijks meer afhankelijk van het aantal studenten dat daadwerkelijk deelneemt aan het onderwijs. Het merendeel van de kosten wordt voor alle studenten gemaakt. Bij die kosten gaat het om kosten van les en begeleiding, marketing- en wervingskosten, onderwijskosten, gebouw en inventaris, loonkosten overhead, algemene kosten, winstopslag.

De redelijkerwijs aan een studieplaats toe te rekenen kosten liggen tussen € 10.000,00 en

€ 12.500,00, afhankelijk van de opleiding en vestigingsplaats.

Verder moet enerzijds in aanmerking worden genomen, dat [gedaagde sub 1] al geruime tijd stond ingeschreven en in een laat stadium heeft opgezegd: hij heeft zowel de 14-dagen-termijn laten verstrijken als de datum van 1 juli. Anderzijds beloopt het collegeld een fors bedrag en heeft [gedaagde sub 1] niet de vruchten kunnen plukken van zijn inschrijving.

Om die reden beperkt TIO haar aanspraak tot 25% van het collegegeld van € 13.950,00, dus tot een bedrag van € 3.487,50.

Ondanks aanmaning en sommatie weigeren [gedaagden] dit bedrag te betalen. Zij zijn in verzuim vanaf 1 september 2013 en dus vanaf die datum de wettelijke rente verschuldigd.

Op grond van artikel 6:96 BW zijn zij tevens buitengerechtelijke kosten verschuldigd. Deze kosten belopen € 473,50, te vermeerderen met rente vanaf de dagvaarding.

3.2.

Op voormelde gronden vordert TIO hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van:

- € 3.487,50, althans een in redelijkheid vast te stellen deel van het collegegeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2013 tot de dag van voldoening;

- € 473,50 wegens buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van voldoening;

- de proceskosten en de nakosten zoals in de dagvaarding omschreven.

Subsidiair wordt gevorderd een zodanige uitspraak te doen als de kantonrechter juist acht.

3.3.

[gedaagden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Voor zover van belang zal dat verweer hierna ter sprake komen.

4 De beoordeling

4.1.1.

[gedaagden] voeren allereerst aan, dat in de studieovereenkomst een beding is opgenomen (hierna: "het annuleringsbeding"), als gevolg waarvan bij niet-tijdige tussentijdse opzegging -waarvan hier sprake is- het gehele collegegeld verschuldigd is. Bij uitspraak van 27 oktober 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2775, NJ 2017/421) heeft de Hoge Raad het oordeel van het gerechtshof, dat het annuleringsbeding onredelijk bezwarend is en daarom moet worden vernietigd, bekrachtigd. Anders dan TIO meent, kan zij na vernietiging van het annuleringsbeding niet terugvallen op de aanvullende regeling van artikel 7:411 BW. Uit literatuur en rechtspraak blijkt, dat onduidelijkheid bestaat over de rechtsgevolgen van de vernietiging van een oneerlijk beding. Indien vernietiging van een oneerlijk beding slechts tot gevolg heeft dat kan worden teruggevallen op de 'gewone' (aanvullende) wettelijke regeling, is sprake van een niet voldoende afschrikkende sanctie. De preventiedoelstelling van Richtlijn 93/13 EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn) wordt niet bereikt indien TIO een beroep zou toekomen op aanvullend recht waardoor zij in de positie zou komen als zij het oneerlijke beding niet zou hebben gebruikt. Omdat TIO dat beroep niet toekomt moet haar vordering worden afgewezen. Aldus [gedaagden] .

4.1.2.

Dit verweer wordt verworpen. De studieovereenkomst tussen partijen moet worden aangemerkt als een overeenkomst van opdracht. Als [gedaagde sub 1] zich inschrijft voor een opleiding gaat hij een contractuele relatie met de onderwijsinstelling aan en die contractuele relatie is niet vrijblijvend. Op die overeenkomst zijn (onder andere) de artikelen 408, 411 en 413 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing. Dat zijn bepalingen van

(semi-)dwingend recht (zie art. 7:413 lid 2 BW), die dus moeten worden toegepast indien daarvan bij overeenkomst is afgeweken ten nadele van de consument. Het gaat dus, anders dan [gedaagden] kennelijk menen, niet om toepassing van aanvullend recht, maar om bepalingen van semi-dwingend recht die juist met het oog op de bescherming van de consument in de wet zijn opgenomen. Richtsnoer voor de beoordeling is daarom het bepaalde in artikel 7:411 lid 1 BW, dat bepaalt dat de opdrachtnemer recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Bij de bepaling hiervan wordt, aldus het artikel, onder meer rekening gehouden met de reeds door de opdrachtnemer verrichte werkzaamheden, het voordeel dat de opdrachtgever daarvan heeft, en de grond waarop de overeenkomst is geëindigd.

4.2.

Hoewel in het wettelijk systeem ten aanzien van de overeenkomst van opdracht onderscheid moet worden gemaakt tussen kosten, loon en schade, zijn in de praktijk bij een normale uitvoering van de overeenkomst veel kosten al verdisconteerd in het loon. Het gaat dan om algemene kosten die niet uitsluitend ten behoeve van één opdracht zijn gemaakt. Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel moet ervan worden uitgegaan dat dat ook geldt voor het door TIO in rekening gebrachte collegegeld: het daarvoor in rekening gebrachte bedrag vormt een vergoeding voor werkzaamheden en kosten voor een onderwijsprogramma dat een jaar duurt: voor het hele studiejaar zijn kosten gemaakt, verplichtingen aangegaan en werkzaamheden verricht.

De redenering van [gedaagde sub 1] (CvA randnummer 3.4.2), dat TIO (nog) geen werkzaamheden ten behoeve van hem heeft verricht omdat de studie nog niet was aangevangen en hij geen onderwijs heeft gevolgd, gaat niet op. Hij miskent daarmee immers dat door TIO onweersproken is gesteld, dat zij mede op basis van de inschrijving van [gedaagde sub 1] op 1 juli (dus vóór de opzegging) heeft besloten om de opleiding door te laten gaan en dat vervolgens kosten zijn gemaakt en werkzaamheden zijn verricht ter voorbereiding van de start van de opleiding.

4.3.

TIO heeft aan de hand van een gespecificeerd overzicht toegelicht, dat de aan een studieplaats (opleidingsrichting HEM te Eindhoven) redelijkerwijs toe te rekenen kosten een bedrag van € 11.028,00 belopen. Overigens betreft het hier het studiejaar 2017/2018 en niet het studiejaar 2013/2014 waarvoor [gedaagde sub 1] zich had ingeschreven. Bij deze kostenopstelling heeft TIO al rekening gehouden met besparingen in die zin dat sommige kosten afhankelijk zijn van het aantal studenten dat op een bepaalde datum is ingeschreven en/of daadwerkelijk deelneemt aan een studieonderdeel, activiteit of evenement (bijv. hoteleventweek, welkomstdagen, studiereizen e.d.). Dit soort kosten zijn buiten beschouwing gelaten. Door TIO is verder onweersproken gesteld, dat er geen wachtlijst voor de opleiding was zodat de opleidingsplek van [gedaagde sub 1] niet door een ander is ingenomen.

4.4.

Verder moet nog rekening worden gehouden met de volgende twee omstandigheden.

Allereerst het feit, dat [gedaagde sub 1] zich kennelijk bij meerdere onderwijsinstellingen tegelijk heeft ingeschreven en dat de enige reden voor opzegging is geweest dat hij heeft gekozen voor een opleiding bij een andere hotelschool. [gedaagde sub 1] miskent daarmee dat de inschrijving voor een (particuliere) opleiding, zoals hierboven al eerder opgemerkt, geen vrijblijvende aangelegenheid is. Deze omstandigheid moet dan ook (uiteraard) geheel voor risico van [gedaagde sub 1] blijven.

Anderzijds wordt in aanmerking genomen -zoals TIO ook heeft erkend- dat [gedaagde sub 1] de overeenkomst enkele weken vóór aanvang van het studieprogramma heeft opgezegd en geen onderwijs heeft gevolgd noch enig lesmateriaal heeft ontvangen. In zoverre heeft hij van de inschrijving geen enkel voordeel genoten.

4.5.

Voorgaande feiten en omstandigheden in aanmerking genomen zal het aan TIO toekomende loon voor ten behoeve van [gedaagde sub 1] verrichte werkzaamheden en in het loon begrepen kosten in redelijkheid worden begroot op een bedrag van € 750,00. Bij gebreke van concreet verweer is de wettelijke rente daarover eveneens toewijsbaar.

4.6.

TIO heeft een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten gevorderd van € 473,50. Op een vordering tot betaling als de onderhavige (nakoming van een overeenkomst) is het Besluit Vergoeding voor Buitengerechtelijke Incassokosten van toepassing. Aan de vereisten van dit Besluit is voldaan, zodat het tarief zal worden toegepast dat geldt voor de toegewezen hoofdsom. Dat tarief bedraagt € 112,50.

4.7.

Omdat partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten zodanig worden verdeeld dat ieder van hen de eigen kosten moet dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan TIO te betalen een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 september 2013 tot de dag der voldoening;

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, in de zin als voormeld, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan TIO te betalen een bedrag van € 112,50 wegens buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding (3 mei 2019) tot de dag van betaling;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

verdeelt de proceskosten over partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Roeterdink, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 16 april 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.