Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:2362

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-03-2020
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
8285789 EJ VERZ 20-34
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

transitievergoeding, geen overeenstemming over salarisverlaging, studiekosten, schadevergoeding, art. 7:661 lid 1 BW.

Verzoek van werknemer tot betaling restant transitievergoeding en openstaande vakantie-uren wordt toegewezen. Dat sprake is geweest van overeenstemming over een tussentijdse salarisverlaging is niet komen vast te staan. Er bestaat geen grondslag voor terugbetaling van de studiekosten. De door werkgever gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen aangezien een causaal verband tussen het rijgedrag van de werknemer en de schade aan de auto niet is komen vast te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0491
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingslocatie 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: 8285789 \ EJ VERZ 20-34

Uitspraakdatum: 30 maart 2020

beschikking

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij

gemachtigde: DAS

en:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Autocentrum Bijvelds BV,

gevestigd te Erp,

verwerende partij

gemachtigde: mr. A.J.M. van der Heijden

Partijen worden hierna [verzoekster] en Bijvelds genoemd.

1 Het procesverloop


In de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

1.1.

[verzoekster] heeft op 29 januari 2020 een verzoekschrift ingediend waarin is verzocht om Bijvelds te veroordelen tot betaling van het restant van de transitievergoeding, achterstallig salaris en niet-genoten vakantie-uren. Bij dit verzoekschrift zijn 14 producties overgelegd.

1.2.

Bijvelds heeft een verweerschrift ingediend tevens houdende tegenverzoeken, met 17 producties.

1.3.

Bij brief van 4 maart 2020 heeft de gemachtigde van [verzoekster] aanvullende producties 15 en 16 overgelegd.

1.4.

Op 6 maart 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten nader toegelicht, de gemachtigde van Bijvelds aan de hand van pleitaantekeningen.

1.5.

Ten slotte is een datum bepaald waarop een beschikking zal worden gegeven.

2 De feiten

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

2.1.

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1991, is op 1 november 2017 in dienst getreden bij Bijvelds in de functie van “automonteur”. Na enkele maanden is [verzoekster] bevorderd tot “chef automonteur”.

2.2.

De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd tot 1 november 2018. De arbeidsovereenkomst is vervolgens verlengd met de duur van één jaar, tot 1 november 2019.

2.3.

Op 14 mei 2019 heeft [verzoekster] zich ziekgemeld. De bedrijfsarts heeft [verzoekster] volledig arbeidsongeschikt geacht.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekster] verzoekt de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Bijvelds te veroordelen tot betaling van een vergoeding op grond van artikel 7:673 BW (oud, geldend in 2019) ter hoogte van € 1.984,94 bruto minus het reeds betaalde bedrag van € 1.750,03 bruto, onder verstrekking van een bruto/netto specificatie;

II. Bijvelds te veroordelen tot betaling van het achterstallig salaris aan [verzoekster] over de periode 1 april 2019 tot 1 november 2019, ter hoogte van € 2.283,89 bruto en vakantietoeslag van 8% over het achterstallig salaris ter hoogte van € 182,71 bruto, dan wel een in goede justitie vast te stellen bedrag, onder verstrekking van een bruto/netto specificatie;

III. Bijvelds te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het onder sub II gevorderde achterstallige salaris;

IV. Bijvelds te veroordelen tot betaling van de opgebouwde, maar niet genoten vakantie-uren aan [verzoekster] , corresponderend met een bedrag van € 2.145,46 bruto inclusief vakantietoeslag, dan wel een in goede justitie vast te stellen bedrag, onder verstrekking van een bruto/netto specificatie;

V. Bijvelds te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag van voldoening;

VI. Bijvelds te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoekster] – kort weergegeven – ten grondslag dat zij recht heeft op een transitievergoeding omdat haar tijdelijke dienstverband, dat na een schriftelijke aanzegging door Bijvelds is geëindigd op 1 november 2019, ten minste twee jaar heeft geduurd. Bijvelds heeft de transitievergoeding slechts gedeeltelijk aan [verzoekster] voldaan. Daarnaast heeft Bijvelds over de maanden april 2019 tot en met oktober 2019 niet het volledige loon inclusief vakantietoeslag betaald. Bijvelds is over dit achterstallige salaris ook de wettelijke verhoging verschuldigd. Ook de opgebouwde, maar niet genoten vakantie-uren heeft Bijvelds niet uitbetaald. Omdat Bijvelds in verzuim verkeert met betaling van voornoemde bedragen, is zij ook de wettelijke rente verschuldigd.

4 Het verweer en het tegenverzoek

4.1.

Bijvelds verweert zich tegen het verzoek. Zij heeft, kort samengevat, het volgende aangevoerd. [verzoekster] is niet-ontvankelijk in haar verzoek, omdat het verzoek niet tijdig is ingediend. Op 24 juni 2019 hebben partijen namelijk een beëindigingsovereenkomst gesloten waarin is bepaald dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 30 juli 2019. Het verzoek is niet binnen drie maanden na het eindigen van de arbeidsovereenkomst ingediend.
Daarnaast heeft Bijvelds de beëindiging van de arbeidsovereenkomst aangezegd op 1 september 2019 waardoor de arbeidsovereenkomst in elk geval is geëindigd op 31 oktober 2019. Dat betekent dat [verzoekster] niet langer dan 24 maanden in dienst is geweest. Zij kan daarom geen aanspraak maken op een transitievergoeding. [verzoekster] heeft bovendien ernstig verwijtbaar gehandeld, waardoor het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Bijvelds een transitievergoeding verschuldigd zou zijn. Bijvelds is geen achterstallig salaris aan [verzoekster] verschuldigd, aangezien [verzoekster] vanaf 1 april 2019 is teruggezet naar een lagere functie tegen een lager salaris. Van niet-genoten vakantiedagen is evenmin sprake. [verzoekster] was niet arbeidsongeschikt en heeft vakantie genoten in de vastgestelde bedrijfsvakantie gedurende de bouwvakperiode van 22 juli 2019 tot en met 9 augustus 2019.

4.2.

In de zaak van het tegenverzoek verzoekt Bijvelds primair om vast te stellen dat [verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld waardoor het recht op transitievergoeding is komen te vervallen. Subsidiair verzoekt Bijvelds om de reeds betaalde transitievergoeding van € 993,15 als onverschuldigd betaald aan te merken en terugbetaling daarvan toe te wijzen aan Bijvelds, althans vast te stellen dat toewijzing van een verschuldigde transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Daarnaast verzoekt Bijvelds om [verzoekster] te veroordelen tot terugbetaling van de studiekosten van € 1.335,81, tot betaling van een schadevergoeding van € 12.939,55 voor de reparatie- en herstelkosten aan de Dodge waar [verzoekster] schade aan heeft veroorzaakt, en tot terugbetaling van een bedrag van € 550,00 aan reiskosten die ten onrechte aan [verzoekster] zijn betaald.

5 De beoordeling

In de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

Einde dienstverband?

5.1.

Als meest verstrekkende verweer heeft Bijvelds aangevoerd dat [verzoekster] niet-ontvankelijk is in haar verzoek, omdat het verzoek niet binnen 3 maanden na de dag waarop het dienstverband is geëindigd, is ingediend. De kantonrechter overweegt ter zake als volgt.

5.2.

Vast staat dat partijen op 24 juni 2019 een beëindigingsovereenkomst hebben gesloten waarin is opgenomen dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigt per 30 juni 2019 (wat volgens Bijvelds een verschrijving betreft en 30 juli 2019 behoort te zijn). Uit de door [verzoekster] overgelegde productie 15 blijkt echter dat [verzoekster] de beëindigingsovereenkomst op 2 juli 2019, en dus binnen veertien dagen na de datum waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, door een schriftelijke, aan Bijvelds gerichte verklaring heeft ontbonden. Zij heeft die bevoegdheid op grond van artikel 7:670b lid 2 BW. Niet gesteld of gebleken is dat de verklaring van [verzoekster] niet door Bijvelds zou zijn ontvangen. Het gevolg van de schriftelijke verklaring is dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden. Anders dan Bijvelds betoogt, doet het feit dat de verklaring niet aangetekend is verstuurd en Bijvelds naar eigen zeggen niet akkoord is gegaan met de ontbinding, niet af aan de rechtsgeldigheid van de ontbinding. Het schriftelijk ontbinden van de beëindigingsovereenkomst is immers een eenzijdige rechtshandeling waar de werkgever niet mee hoeft in te stemmen en de wet vereist niet dat de schriftelijke verklaring aangetekend moet worden verstuurd. De conclusie van al het voorgaande is dan ook dat het tijdelijke dienstverband niet met wederzijds goedvinden is geëindigd op 30 juni 2019, maar van rechtswege is geëindigd op 1 november 2019. Het verzoek van [verzoekster] is op 29 januari 2020, en dus binnen drie maanden na de dag waarop het dienstverband is geëindigd, ingediend. [verzoekster] is daarom ontvankelijk in haar verzoek.

Verschuldigdheid transitievergoeding?

5.3.

Nu is komen vast te staan dat het dienstverband is geëindigd op 1 november 2019, is ook komen vast te staan dat het dienstverband van [verzoekster] exact 24 maanden heeft geduurd. Ingevolge artikel 7:673 lid 1 BW is de werkgever een transitievergoeding aan de werknemer verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd. Volgens Bijvelds bestaat pas recht op een transitievergoeding als de arbeidsovereenkomst meer dan 24 maanden heeft geduurd. Deze uitleg vindt echter geen steun in de wetsgeschiedenis. Daaruit volgt dat het recht op een transitievergoeding ontstaat zodra de overeenkomst 24 maanden óf langer heeft geduurd. Het dienstverband van [verzoekster] heeft 24 maanden geduurd en Bijvelds dient dus een transitievergoeding aan [verzoekster] te betalen. Aan het verweer van Bijvelds dat [verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat zij aanspraak maakt op een transitievergoeding, gaat de kantonrechter voorbij. Afgezien van het feit dat het beweerdelijke disfunctioneren van [verzoekster] zonder bijkomende feiten en/of omstandigheden niet als ernstig verwijtbaar handelen kan worden aangemerkt, heeft Bijvelds de door haar geponeerde stellingen over het disfunctioneren van [verzoekster] van geen enkele onderbouwing voorzien. Ook de stellingen dat [verzoekster] ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld door wanorde op de werkplaats en oproer binnen het bedrijf te veroorzaken, zijn niet door Bijvelds gemotiveerd of toegelicht. Dat er sprake is van enig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van [verzoekster] is dan ook niet komen vast te staan. Bijvelds is dus gehouden een transitievergoeding aan [verzoekster] te voldoen. Aangezien er tussen partijen discussie bestaat over de hoogte van het salaris dat [verzoekster] laatstelijk verdiende, zal de kantonrechter hierna vaststellen welk bedrag aan transitievergoeding Bijvelds had moeten voldoen.

Hoogte salaris en transitievergoeding?

5.4.

Vast staat dat [verzoekster] enkele maanden na haar indiensttreding op 1 november 2017 is gepromoveerd naar de functie van “chef automonteur”. Uit de overgelegde salarisstroken blijkt dat het salaris van [verzoekster] vanaf 1 februari 2019 (na salarisverhoging conform cao) € 2.756,86 bruto (exclusief emolumenten) bedroeg. Bijvelds heeft gesteld dat [verzoekster] per 1 april 2019 is teruggezet naar de functie van “automonteur” tegen een salaris van € 2.430,41 bruto. In de arbeidsovereenkomst die partijen hebben gesloten, is echter geen sprake van een schriftelijk wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 BW. Uitgangspunt is dan ook dat een verlaging van het salaris alleen rechtsgeldig is, indien daarover overeenstemming tussen Bijvelds en [verzoekster] bestaat. In dat verband is van belang dat de ter zitting betrokken stelling van Bijvelds dat [verzoekster] zou hebben ingestemd met de loonsverlaging, gemotiveerd is weersproken door [verzoekster] . Nergens blijkt verder uit dat [verzoekster] een loonsverlaging heeft aanvaard. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat er sprake is van overeenstemming over de doorgevoerde salarisverlaging. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de stelling dat [verzoekster] ook vanaf 1 april 2019 recht heeft op een salaris van € 2.756,86 bruto (exclusief emolumenten).

5.5.

De slotsom is dat [verzoekster] in de onderhavige procedure met recht betaling van het achterstallige salaris van in totaal € 2.283,89 bruto vordert, alsook de vakantietoeslag van 8% over dat bedrag, ter hoogte van € 182,71 bruto. Deze bedragen en de wettelijke verhoging en wettelijke rente zijn toewijsbaar. De kantonrechter ziet in de omstandigheid dat uit de stukken niet blijkt dat [verzoekster] eerder dan bij brief van 5 december 2019 kenbaar heeft gemaakt dat zij te weinig salaris heeft ontvangen, aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot een percentage van 20%. De kantonrechter zal Bijvelds veroordelen om na betaling van deze bedragen, correcte salarisspecificaties te verstrekken.

5.6.

Aangezien hiervoor is overwogen dat het brutoloon (inclusief 8% vakantietoeslag) laatstelijk € 2.977,40 bruto bedroeg, heeft [verzoekster] op grond van artikel 7:673 lid 2 BW (oud, geldend in 2019) recht op een transitievergoeding ter hoogte van € 1.984,94 bruto. Bijvelds heeft reeds een bedrag van € 1.750,03 bruto aan transitievergoeding aan [verzoekster] voldaan. De kantonrechter zal Bijvelds dan ook veroordelen om het restant van € 234,91 bruto te betalen. Ook de wettelijke rente zal worden toegewezen. Bijvelds zal tevens worden veroordeeld om een bruto/netto specificatie van de betaalde transitievergoeding te verstrekken.

Vakantie-uren

5.7.

[verzoekster] verzoekt Bijvelds te veroordelen tot betaling van de openstaande vakantie-uren. Bijvelds voert daartegen aan dat [verzoekster] geen openstaand verlofsaldo meer heeft, aangezien [verzoekster] gedurende de vastgestelde bedrijfsvakantie in de bouwvakperiode van 22 juli tot en met 9 augustus 2019 niet heeft gewerkt en vakantie heeft genoten. Vast staat echter dat [verzoekster] zich op 14 mei 2019 heeft ziekgemeld. Door Bijvelds is aangevoerd dat [verzoekster] gedurende de bouwvakperiode niet arbeidsongeschikt was en dat uit haar facebookpagina blijkt dat zij aan allerlei festiviteiten heeft deelgenomen. Uit de berichten van de bedrijfsarts van 18 juli, 14 augustus en 31 augustus 2019 blijkt echter dat [verzoekster] vanaf 14 mei 2019 volledig arbeidsongeschikt is bevonden. Indien Bijvelds twijfels had omtrent de arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] had het op haar weg gelegen om zich tot het UWV te wenden ter verkrijging van een deskundigenoordeel op dit punt. Dat zij dit heeft nagelaten, komt voor haar rekening en risico. De kantonrechter gaat derhalve uit van de juistheid van de onderbouwde stelling van [verzoekster] dat zij vanaf 14 mei 2019 ziek is. Ingevolge artikel 7:638 lid 8 BW gelden dagen waarop een werknemer tijdens een vastgestelde vakantie ziek is niet als vakantie, tenzij in een voorkomend geval de werknemer daarmee instemt. Niet gesteld of gebleken is dat [verzoekster] heeft ingestemd met het aanmerken van haar ziektedagen als (bovenwettelijke) vakantiedagen. [verzoekster] maakt dan ook terecht aanspraak op uitbetaling van de opgebouwde, niet-genoten vakantie-uren. Het verzoek tot betaling van het salaris over 118,66 vakantie-uren, ter hoogte van € 1.986,54 bruto, is toewijsbaar. Dit geldt ook voor de vakantietoeslag van 8% over dat bedrag, ter hoogte van € 158,92 bruto. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 1 december 2019. De kantonrechter zal Bijvelds tevens veroordelen om na betaling van deze bedragen, correcte salarisspecificaties te verstrekken.

Studiekosten

5.8.

In haar tegenverzoek heeft Bijvelds verzocht om [verzoekster] te veroordelen tot terugbetaling van de gemaakte opleidingskosten van in totaal € 1.355,81. Bijvelds heeft ter zitting toegelicht dat zij in februari 2018 aan haar medewerkers kenbaar heeft gemaakt dat opleidingskosten dienen te worden terugbetaald indien het dienstverband eindigt. Naar het oordeel van de kantonrechter levert dit echter geen grondslag op voor terugbetaling van de studiekosten. Uit de enkele stelling dat Bijvelds deze mededeling heeft gedaan, wat overigens door [verzoekster] wordt weersproken, kan immers niet worden afgeleid dat er overeenstemming tussen [verzoekster] en Bijvelds bestond over terugbetaling. Ook als de kantonrechter zou veronderstellen dat Bijvelds en [verzoekster] wel een mondelinge afspraak hebben gemaakt over de studiekosten, levert dat geen grondslag voor terugbetaling op. Een studiekostenbeding dient volgens vaste jurisprudentie schriftelijk te worden aangegaan en afgaande op de formulering van de gestelde mondelinge afspraak door Bijvelds, voldoet de afspraak ook niet aan de overige vereisten die de Hoge Raad aan een studiekostenbeding heeft gesteld. Voor zover Bijvelds nog heeft aangevoerd dat de gemaakte studiekosten in mindering dienen te strekken op de verschuldigde transitievergoeding, is de kantonrechter van oordeel dat daar evenmin een grondslag voor bestaat. De kosten zijn immers gemaakt ten behoeve van functie-specifieke scholing. Dergelijke kosten is de werkgever gehouden te dragen uit hoofde van goed werkgeverschap. De kantonrechter wijst het verzoek dan ook af.

Reiskosten

5.9

Bijvelds heeft in haar tegenverzoek ook verzocht om [verzoekster] te veroordelen tot terugbetaling van de reiskostenvergoeding over de maanden mei 2019 tot en met juli 2019 van in totaal € 555,00 (= 3 maanden x € 185,00). Ter zitting heeft [verzoekster] erkend dat zij vanaf haar ziekmelding op 14 mei 2019 geen recht meer op een reiskostenvergoeding had, behoudens de reiskosten die zij heeft gemaakt ten behoeve van de mediationgesprekken en bezoeken aan de bedrijfsarts. Op grond waarvan [verzoekster] aanspraak maakt op vergoeding van deze reiskosten heeft zij echter niet gesteld. Evenmin heeft zij gesteld wat de omvang van de reiskosten is, zodat de kantonrechter aan dit verweer voorbij gaat. De kantonrechter zal [verzoekster] veroordelen tot terugbetaling van € 462,50 (= 2,5 maand x € 185,00).

Schadevergoeding herstelkosten Dodge

5.10.

Bijvelds verzoekt [verzoekster] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 12.939,55. Ter zitting heeft de gemachtigde van Bijvelds verduidelijkt dat het verzoek is gebaseerd op artikel 7:661 lid 1 BW. Volgens Bijvelds heeft [verzoekster] opzettelijk dan wel bewust roekeloos schade aan de door Bijvelds uitgeleende Dodge veroorzaakt door daarmee op 16 december 2018 tijdens een 4x4-Festival roekeloos op een crossbaan te rijden. Ter onderbouwing van de oorzaak van gestelde schade heeft Bijvelds een rapport van het door haar ingeschakelde expertisebureau Dekra overgelegd. Ter onderbouwing van de omvang van de schade heeft Bijvelds facturen d.d. 17 december 2018 en 28 februari 2020 van de door haar verrichte reparaties in de procedure gebracht.
heeft betwist dat zij opzettelijk dan wel bewust roekeloos schade aan de Dodge heeft veroorzaakt. Ook weerspreekt zij dat er een causaal verband bestaat tussen de schade die Bijvelds nu claimt en het voorval tijdens het 4x4-Festival in december 2018. [verzoekster] erkent wel dat zij tijdens de rit op de crossbaan enige schade aan de Dodge heeft veroorzaakt, maar zij voert aan dat deze schade direct door haar is hersteld.

5.11.

De kantonrechter overweegt als volgt. Nog daargelaten of [verzoekster] opzet of bewuste roekeloosheid valt te verwijten, heeft Bijvelds onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er een causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en het rijgedrag van [verzoekster] tijdens het 4x4-Festival in december 2018. Uit het overgelegde rapport van Dekra blijkt dat Dekra op 6 februari 2020 enkele gedemonteerde onderdelen (een pignonwiel, kroonwiel, zonnewielen met as en lagers van het differentieel) heeft onderzocht. [verzoekster] was niet aanwezig bij dit onderzoek en was ook niet uitgenodigd om daarbij aanwezig te zijn. Door Dekra is geconstateerd dat de defecten aan de onderdelen zijn ontstaan door overbelasting en dat geen sprake is van een afstellings- of fabricagefout, noch van enig eigengebrek. Uit het rapport valt helemaal niet op te maken dat de onderdelen die zijn onderzocht, daadwerkelijk afkomstig zijn uit de Dodge die door [verzoekster] in december 2018 is bestuurd. Ook als zou worden aangenomen dat de onderdelen afkomstig zijn van de Dodge, dan nog vormt het rapport geen toereikende basis om een causaal verband tussen het rijgedrag van [verzoekster] en de gestelde schade te kunnen vaststellen. Het onderzoek aan de onderdelen heeft niet eerder plaatsgevonden dan op 10 februari 2020. Bijvelds heeft ter zitting aangegeven dat de Dodge na december 2018 geregeld is gebruikt als uitleenauto. De onderdelen verkeerden op het moment van onderzoek dan ook niet in de staat waarin deze zich direct na het voorval tijdens 4x4-Festival in december 2018 bevonden. Hierdoor is niet vast te stellen in welke mate de gebeurtenis waarvoor [verzoekster] beweerdelijk aansprakelijk zou zijn, tot het ontstaan van de schade heeft bijgedragen. Nu niet aan de vereisten voor het aannemen van causaal verband is voldaan, dient het verzoek tot vergoeding van de schade te worden afgewezen.

Proceskosten

5.12.

Bijvelds krijgt grotendeels ongelijk en zal daarom worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

6 De beslissing

De kantonrechter:

In de zaak van het verzoek

6.1.

veroordeelt Bijvelds tot betaling aan [verzoekster] van het restant van de transitievergoeding ten bedrage van € 234,91 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2019 tot aan de dag van voldoening, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;

6.2.

veroordeelt Bijvelds tot betaling aan [verzoekster] van het achterstallig loon over de periode 1 april 2019 tot 1 november 2019 van in totaal € 2.283,89 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 20% hierover, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke vervaldata van de loontermijnen tot aan de dag van voldoening, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;

6.3.

veroordeelt Bijvelds tot betaling van de vakantietoeslag van 8% over het in 6.2. genoemde achterstallige salaris, ter hoogte van € 182,71 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 20% hierover, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 december 2019 tot de dag van voldoening, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;

6.4.

veroordeelt Bijvelds tot betaling aan [verzoekster] van de vakantie-uren ten bedrage van in totaal € 2.145,46 bruto inclusief vakantietoeslag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 december 2019 tot de dag van voldoening, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;

in de zaak van het tegenverzoek

6.5.

veroordeelt [verzoekster] tot betaling aan Bijvelds van € 462,50 aan ten onrechte genoten reiskostenvergoeding;

6.6.

wijst het meer verzochte af;

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

6.7.

veroordeelt Bijvelds tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verzoekster] tot en met vandaag vaststelt op:

griffierecht € 236,00

salaris gemachtigde € 480,00 ;

6.8.

verklaart deze beschikking voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.C.W. Geurtsen – Van Eeden, kantonrechter, kantonrechter en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2020.