Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:2354

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-04-2020
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
20/865
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Betreft verzoek om voorlopige voorziening van omwonenden tot schorsing van de omgevingsvergunning voor de bouw van 45 appartementen in het Berghkwartier te Oss. De vraag is of verweerder terecht de parkeerplaatsen in de bestaande parkeergarage heeft meegerekend bij de toets aan de parkeernorm in het bestemmingsplan. De omwonenden vragen de voorzieningenrechter daarmee eigenlijk om een definitief oordeel te geven over de rechtmatigheid van de verleende vergunning. De procedure bij de voorzieningenrechter leent zich hier niet voor. Pas als de woningen zijn opgeleverd aan de nieuwe bewoners ontstaat er behoefte aan de parkeerplaatsen. De gevreesde overlast zal zich pas op dat moment gaan voordoen. De voorzieningenrechter ziet in dit geval geen onomkeerbare gevolgen voordat door de rechtbank uitspraak is gedaan in de bodemzaak. Dit zal naar verwachting in de tweede helft van 2020 gebeuren. De rechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen daarom af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/865

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 april 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekers]

, te [woonplaats] , verzoekers,

(gemachtigde: mr. H.G.M. van der Westen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss, verweerder,

(gemachtigde: Th. van Zandvoort).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: BPD Ontwikkeling BV, te Eindhoven, vergunninghoudster, gemachtigde mr. M.Y.C.L. de Wit.

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan BPD Ontwikkeling BV (vergunninghoudster) omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen voor het bouwen van 45 appartementen (portieken 4, 5, 6) aan de [adressen] , op het perceel met de kadastrale aanduiding Oss, sectie [letter] , nummer [sectienummer] .

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 3 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard.

Verzoeker hebben bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 20/1028.

De behandeling van het verzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2020. Verzoekers hebben zich vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en de heren [naam] en [naam] .

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter zal beoordelen of er hangende het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de rechtbank aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Het bestreden besluit betreft de nieuwbouw van 45 huurappartementen ( [naam appartementen] ) als deel van het Berghkwartier op het voormalige Bergossterrein in Oss. De nieuwbouw wordt gerealiseerd tegen de muur van de bestaande parkeergarage/daktuin van het bestaande complex.

3. Verweerder legt aan het bestreden besluit – kort gezegd – ten grondslag dat het bouwplan past binnen het geldende bestemmingsplan “Centrum - Oss - 2013” en dat er ook overigens geen gronden zijn om de omgevingsvergunning te weigeren.

4. Verzoekers stellen dat het bouwplan in strijd is met artikel 25.2.2. van het geldende bestemmingsplan omdat niet wordt voldaan aan de daarin vastgelegde parkeernorm. Volgens verzoekers mag ten behoeve van het bouwplan geen gebruik worden gemaakt van de reeds gerealiseerde parkeergarage. Nu als gevolg daarvan niet aan de parkeernorm kan worden voldaan zijn verzoekers tegen het realiseren van het bouwplan omdat zij vrezen dat er parkeeroverlast in de omgeving ontstaat zodra de appartementen in gebruik worden genomen als de kwestie met betrekking tot de parkeergarage niet is geregeld.

5. Vergunninghoudster stelt dat verzoekers verplicht zijn om de bewoners van de nieuwbouw gebruik te laten maken de parkeergarage. Het hele complex met portieken 1, 2, 3, 4, 5-6, 7, de parkeergarage en de daktuin is één samenhangend woningbouwcomplex. Voor zover de splitsingsaktes daarover onduidelijkheid of onjuistheden bevatten, zal dat zo nodig via de VvE-vergaderingen dan wel via de kantonrechter worden aangepast.

6. Verzoeker vragen de voorzieningenrechter eigenlijk om een definitief rechtsoordeel te geven over de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning. Meer in het bijzonder vragen zij of verweerder terecht de parkeerplaatsen in de reeds bestaande parkeergarage heeft mogen betrekken bij de toetsing van het bouwplan aan artikel 25.2.2. van het geldende bestemmingsplan. Niet in geschil is dat de bestaande parkeergarage feitelijk over voldoende parkeerplaatsen beschikt voor de nieuwbouw. De vraag of de toekomstige bewoners ook van deze parkeerplaatsen gebruik mogen maken is in de kern een civielrechtelijke aangelegenheid die alleen verzoekers en vergunninghoudster direct aangaat. Deze voorlopige voorzieningsprocedure leent zich eigenlijk niet om over de gevolgen van de mogelijke uitkomsten van die nog lopende discussie voor de hier aan de orde zijnde omgevingsvergunning een definitief rechtsoordeel te geven.

7. Ten aanzien van het door verzoekers gestelde belang bij het treffen van een voorlopige voorziening stelt de voorzieningenrechter vast dat de bouw nog 1,5 jaar in beslag zal nemen. Pas als de appartementen zijn opgeleverd aan de nieuwe bewoners bestaat feitelijk behoefte aan de parkeerplaatsen. Hieruit volgt dat de door verzoekers gevreesde overlast zich pas op dat moment kan gaan voordoen. Weliswaar zijn de bouwwerkzaamheden reeds gestart, maar nu het door de verzoekers genoemde belang zich beperkt tot een mogelijk effect van de ingebruikname van het gebouw, ziet de voorzieningenrechter in dit geval geen aanleiding voor de verwachting dat zich in zoverre onomkeerbare gevolgen zullen voordoen voordat door de rechtbank uitspraak is gedaan in de bodemzaak. Hierbij is van belang dat naar verwachting de rechtbank in de tweede helft van 2020 een einduitspraak in de bodemprocedure zal doen.

8. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter, bij afweging van alle betrokken belangen, aanleiding om het verzoek af te wijzen. Dit laat overigens onverlet dat, zolang de omgevingsvergunning niet in rechte onaantastbaar is, vergunninghoudster op eigen risico daarvan gebruikmaakt. Hieruit volgt dat in het geval het genoemde besluit in de bodemprocedure wordt vernietigd de met de omgevingsvergunning mogelijk gemaakte ontwikkeling niet langer kan worden uitgevoerd. Tegen de verrichte bouwwerkzaamheden en het in gebruik nemen van het gewijzigde gebouw kan derhalve in dat geval handhavend worden opgetreden.

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is op 22 april 2020 gedaan door mr. J.D. Streefkerk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.