Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:2349

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-04-2020
Datum publicatie
22-04-2020
Zaaknummer
20/1086
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Betreft last onder dwangsom ten aanzien van illegale permante bewoning van een recreatieverblijf. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. Verweerder moet in beginsel optreden tegen deze overtreding, maar de voorzieningenrechter ziet in de coronacrisis en de afgekondigde maatregelen aanleiding het verzoek toe te wijzen tot 1 juli. De voorzieningenrechter heeft na de behandeling van de zaak onmiddellijk uitspraak gedaan via een skypeverbinding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8245
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/1086E

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 april 2020 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reusel-De Mierden, verweerder

(gemachtigde: S.H.W. Verouden).

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd in verband met illegale bewoning van een recreatieverblijf op het vakantiepark [naam vakantiepark] . De dwangsom bedraagt € 2.500,00 per week voor elke week dat verzoeker na 1 maart 2020 in het recreatieverblijf blijft wonen, met een maximum van € 25.000,00.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 16 april 2020 heeft de voorzieningenrechter het primaire besluit geschorst en bepaalt dat partijen worden opgeroepen om ter zitting te verschijnen om te beoordelen of toepassing moet worden gegeven aan artikel 8:87, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De zaak is behandeld op 22 april 2020 door middel van een Skype-beeldverbinding. Verzoeker heeft deelgenomen aan de zitting. De gemachtigde van verweerder heeft ook deelgenomen aan de zitting.

Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat hij op 21 april 2020, verzonden op diezelfde datum, een beslissing heeft genomen op het bezwaarschrift (het bestreden besluit) tegen het primaire besluit. Verweerder heeft aangegeven dat hij het bezwaarschrift ongegrond heeft verklaard en dat hij de begunstigingstermijn in het primaire besluit niet heeft gewijzigd. Deze beslissing op bezwaar heeft verzoeker nog niet ontvangen. Ook de rechtbank heeft nog geen beslissing op bezwaar ontvangen.

Het verzoek om voorlopige voorziening wordt met toepassing van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende beroep bij de rechtbank.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het bestreden besluit en het primaire besluit tot 1 juli 2020;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,00 aan verzoeker te vergoeden;

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.

Verzoeker bewoont de recreatiewoning permanent en staat op dit adres ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP). De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit gebruik in strijd is met het geldende bestemmingsplan “Buitengebied 2009” en de op het perceel rustende bestemming “recreatie-2 (artikel 19). Gelet op de definitie in artikel 1 van de planregels mag de recreatiewoning alleen worden gebruikt voor recreatieve doeleinden (recreatief nachtverblijf voor recreanten, die hun hoofdverblijf elders hebben). Verzoeker heeft tijdens de zitting duidelijk aangegeven dat hij woont in de recreatiewoning en daar ook in wil blijven wonen.

2. Het bestemmingsplan is tot stand gekomen onder de (nieuwe) Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het bestemmingsplan is onherroepelijk. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 7 december 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU7098). Bovendien is niet in geschil dat het ontwerpbestemmings-plan na 1 juli 2008 ter inzage is gelegd. Verzoeker heeft weliswaar gesteld dat de publicatie onjuist is geschied, maar dit is voor deze procedure een gepasseerd station. Gelet op de uitspraak van de Afdeling moet van de rechtmatigheid van het bestemmingsplan worden uitgegaan.
Omdat het bestemmingsplan tot stand is gekomen onder de Wro, kan verweerder optreden op basis van het wettelijke verbod om de woning te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. Dit verbod staat inmiddels in artikel 2.1, eerste lid onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het gebruik in strijd met het bestemmingsplan leidt tot een overtreding. Ook de omstandigheid dat het bestemmingsplan ouder is dan 10 jaar, hoeft, anders dan verzoeker stelt, verweerder er niet van te weerhouden om een last onder dwangsom op te leggen. Verzoeker doelt hierbij op artikel 3.1, vierde lid, van de Wro. Dit artikel is echter niet van toepassing op bestemmingsplannen (zoals dit) die kunnen worden geraadpleegd op www.ruimtelijkeplannen.nl. Bovendien ziet dit artikel slechts op het heffen van leges maar niet op het opleggen of invorderen van dwangsommen. Of het gebruik als recreatiewoning het meest doelmatige gebruik is van de woning kan in het midden blijven. Dit argument had in de bestemmingsplanprocedure moeten worden aangevoerd.

3. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat er geen sprake is van een concreet zicht op legalisatie. Er ligt geen ontwerpbestemmingsplan waarin permanente bebouwing is toegestaan ter inzage. Ter is gebleken dat verweerder de aanvraag van verzoeker om permanent gebruik toe te staan, in januari 2020 heeft afgewezen. Hiertegen heeft verzoeker geen bezwaar gemaakt.

4. Verzoeker woont al enkele jaren in de woning. Dit is echter niet een bijzondere omstandigheid die handhavend optreden onevenredig maakt. Verzoeker heeft hier geen verwachtingen aan kunnen ontlenen. Verweerder treedt ook niet alleen tegen verzoeker op, maar ook tegen anderen. Ook de omstandigheid dat verzoeker de dwangsommen niet kan betalen, is geen bijzondere omstandigheid. De dwangsommen zijn bedoeld om verzoeker te bewegen de recreatiewoning te verlaten. Het betalen van de dwangsommen leidt er niet toe, dat verzoeker de recreatiewoning mag blijven bewonen. Verzoeker heeft ook nog gesteld dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) door hem niet te informeren over het gebruik van de gegevens in het BRP. Wat hier ook van zij, vast staat dat verzoeker de recreatiewoning permanent bewoont in strijd met het bestemmingsplan. De mogelijke overtreding van de Wbp staat er niet aan in de weg dat verweerder handhavend mag optreden tegen het strijdige gebruik.

5. Ofschoon de coronacrisis nog niet was begonnen toen het primaire besluit werd genomen, leiden deze crisis en de afgekondigde maatregelen er wel toe dat verzoeker niet binnen korte termijn kan verhuizen naar een andere woning. Het opheffen van de schorsing op basis van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 april 2020 kan er toe leiden dat verzoeker zich genoodzaakt voelt het zekere voor het onzekere te nemen en de woning te verlaten om het verder verbeuren van dwangsommen en daarmee een hoge schuldenlast te voorkomen. Dat kan in deze tijd in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van verzoeker worden gevergd. Verzoeker heeft daarbij niet zoveel aan de bereidheid van verweerder om pas over te gaan tot invordering van de dwangsommen na 1 juli 2020. Dat zou echter betekenen dat verzoeker op straat komt te staan. De voorzieningenrechter neemt verder in aanmerking dat de beheerder van het park pas in het najaar van 2020 wil verder gaan met de herontwikkeling van het park.

6. Daarom schorst de voorzieningenrechter de last onder dwangsom (het primaire besluit) en het bestreden besluit tot 1 juli 2020. De voorzieningenrechter wijst er op dat deze schorsing geen terugwerkende kracht heeft. De reeds verbeurde dwangsommen blijven dus verschuldigd. Overigens gaat de voorzieningenrechter er van uit dat verweerder ook deze dwangsommen niet voor 1 juli 2020 gaat invorderen.

7. De voorzieningenrechter vindt het wel belangrijk dat verzoeker weet waar hij voorlopig aan toe is en heeft daarom uitspraak gedaan op het verzoek. Verzoeker heeft de gelegenheid bij de rechtbank beroep in te stellen tegen het bestreden besluit. Verzoeker heeft tijdens de zitting overigens al aangegeven dat hij het niet eens is met het bestreden besluit. Als verzoeker wil voorkomen dat hij na 1 juli 2020 dwangsommen verbeurt, zal hij tijdig beroep moeten instellen tegen het bestreden besluit en opnieuw een verzoek om voorlopige voorziening moeten indienen. Dan zal de rechtbank (of de voorzieningenrechter) hierover een oordeel geven. Deze is hierbij niet gebonden aan het oordeel van de voorzieningenrechter in deze uitspraak. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 22 april 2020.

griffier voorzieningenrechter

is verhinderd te tekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.