Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:2317

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
22-04-2020
Zaaknummer
8239400 \ CV EXPL 19-8906
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

onrechtmatig handelen, kosten voor ondersteuning bij opsporing

Het plegen van een strafbaar feit is ook onrechtmatig jegens organisaties die belast zijn met bestrijding criminaliteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingslocatie 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: 8239400 \ CV EXPL 19-8906

vonnis van 26 maart 2020

in de zaak van:

Stichting VbV (Verzekeringsbureau Voertuigcriminaliteit),

gevestigd te Apeldoorn,

eisende partij

gemachtigde: mr. P. Engelsman

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna VbV en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van het tussenvonnis van 6 februari 2020 en de daarin genoemde processtukken. In dat tussenvonnis is een mondelinge behandeling bepaald. Deze heeft plaatsgevonden op 10 maart 2020. Namens VbV is daar verschenen mr. P. Engelsman, die als jurist werkzaam is bij VbV en een machtiging heeft overgelegd. Ook [gedaagde] is verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting naar voren is gebracht.

1.2.

Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

VbV is een stichting, die in het leven is geroepen als gemeenschappelijk initiatief van alle Nederlandse schadeverzekeraars om voertuig-, vaartuig-, werkmaterieel- en transportcriminaliteit te bestrijden. Het doel van de stichting is het voorkomen en beperken van materiële en immateriële schade, veroorzaakt door criminaliteit bij voer- en vaartuigen.

2.2.

Tussen VbV en de Nationale Politie is een convenant tot stand gekomen dat tot doel heeft het verhogen van de heterdaadkracht door het opsporen van daders van diefstal van motorvoertuigen en het verbeteren van de kans op schadeverhaal voor de benadeelden.

2.3.

Ter realisering van de doelen kan de politie een als gestolen geregistreerd voertuig voorzien van een baken. VbV draagt het cascorisico in geval van bebakening en moet kosten maken.

2.4.

Op 8 juni 2018 is tussen 09.30 uur en 13.20 uur een scooter met het kenteken [kenteken] (hierna: de scooter) gestolen vanaf de locatie [adres] te ’s-Hertogenbosch. Dit voertuig werd de dag erna elders in ’s-Hertogenbosch aangetroffen en is door de politie voorzien van een baken. Op 11 juni 2018 ontving de politie een melding dat het gestolen voertuig zich aan het verplaatsen was. De laatste GPS-locatie was de [straatnaam] in ’s-Hertogenbosch, ter hoogte van de nummers [huisnummer] .

2.5.

Ter plaatse kon één van de verbalisanten over de schutting in de achtertuin van perceel [huisnummer] kijken en zag hij de gestolen scooter. In de tuin bij de scooter trof hij [gedaagde] aan, die aan de scooter aan het sleutelen was. [gedaagde] is aangehouden en heeft afstand gedaan van de scooter.

2.6.

Op 10 augustus 2018 heeft het openbaar ministerie aan [gedaagde] een strafbeschikking verstrekt, met parketnummer 01/113054-18. Aan [gedaagde] is ter zake van diefstal van de scooter een geldboete opgelegd van € 400,00. [gedaagde] heeft zich bereid verklaard deze boete te betalen.

3 De vordering en het verweer

3.1.

VbV vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 500,00, te vermeerderen met wettelijke rente over dat bedrag vanaf datum dagvaarding. Verder vordert VbV veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en in de nakosten.

3.2.

VbV legt aan die vordering, kort samengevat, het volgende ten grondslag.

[gedaagde] is aansprakelijk voor de schade die VbV heeft geleden omdat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld. Hij heeft inbreuk gemaakt op de rechten van VbV doordat hij de scooter heeft gestolen. De schade die VbV heeft geleden, bestaat uit kosten die zij heeft moeten maken voor het bieden van ondersteuning bij de opsporing en voor registratie en afhandeling van het strafbare feit. Ook heeft VbV kosten moeten maken voor het verhalen van deze schade. VbV heeft haar schade concreet begroot op een bedrag van € 559,01, inclusief buitengerechtelijke incassokosten. Deze schade is een direct gevolg van de onrechtmatige handelingen van [gedaagde] . Om haar moverende redenen wil VbV haar vordering beperken tot een bedrag van € 500,00 en behoudt ze zich het recht voor om op een later moment het meerdere te vorderen.

3.3.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de vordering. Hij heeft gesteld dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan diefstal van de scooter. Hij trof de oude en slechte scooter aan bij de school van zijn kinderen. Aangezien de scooter daar al een paar dagen stond, dacht [gedaagde] dat hier afstand van was gedaan. Hij heeft de scooter meegenomen vanwege de goede banden die daaronder zaten.

4 De beoordeling

4.1.

In artikel 6:162 van het burgerlijk wetboek (BW) is vermeld dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, die hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander daardoor lijdt, te vergoeden.

4.2.

In de hier voorliggende zaak staat vast dat de scooter door de politie is aangetroffen bij [gedaagde] . Ook staat vast dat [gedaagde] niet de eigenaar was van de scooter. Verder heeft [gedaagde] ter zitting erkend dat hij geen toestemming had van de eigenaar om zich deze scooter toe te eigenen. [gedaagde] heeft de scooter dus zonder daartoe het recht te hebben onder zich genomen om – naar eigen zeggen – zich de banden toe te eigenen. Gebleken is dat hij ter zake van het openbaar ministerie een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen, waarin hij heeft berust. In civielrechtelijke zin kwalificeert het zonder recht of titel onder zich nemen van een scooter die van een ander is, als onrechtmatig handelen. Het verweer van [gedaagde] , dat hij de scooter niet bij de eigenaar daarvan heeft weggenomen, maakt het voorgaande niet anders.

4.3.

De vraag rijst of het handelen van [gedaagde] ook jegens VbV als onrechtmatig handelen heeft te gelden. De kantonrechter vindt dat dit het geval is. Het plegen van een strafbaar feit is naar zijn aard niet alleen onrechtmatig jegens het slachtoffer van dat feit maar ook jegens de maatschappij en in het bijzonder jegens organisaties die zijn belast met de bestrijding van criminaliteit. Deze organisaties zien zich als gevolg van het strafbaar handelen geconfronteerd met kosten die zij niet gehad zouden hebben als het strafbaar handelen niet had plaatsgevonden. VbV heeft ter zitting toegelicht dat zij diverse werkzaamheden moet uitvoeren, zodra zij een verzoek krijgt van de politie om ondersteuning te bieden bij de opsporing van een strafbaar feit. Te denken valt aan het informeren van een verzekeraar dat een gestolen voertuig is getraceerd en is bebakend, het aanleggen van een dossier, het uitwisselen van gegevens met politie en verzekeraars, aansprakelijk stellen van de verdachte etc.

4.4.

Er bestaat geen twijfel over de vraag of het onrechtmatig handelen [gedaagde] kan worden toegerekend. Dit is het geval. Hij heeft immers welbewust de beslissing genomen om zich de scooter toe te eigenen.

4.5.

Tegen de omvang van de door VbV gevorderde schade heeft [gedaagde] geen inhoudelijk verweer gevoerd. De kantonrechter heeft ook ambtshalve geen aanleiding gezien om vraagtekens te zetten bij onderdelen van de op onderhavige zaak toegespitste schade. Ten aanzien van het causaal verband tussen de gevorderde schade en het onrechtmatig handelen van [gedaagde] bestaan evenmin twijfels. [gedaagde] heeft ook op dit punt geen inhoudelijk verweer gevoerd.

4.6.

De slotsom is dat de gevorderde schade toewijsbaar is. Dit geldt ook voor de gevorderde wettelijke rente, waartegen [gedaagde] geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd.

Ter zitting heeft VbV toegezegd dat zij desgewenst een betalingsregeling met [gedaagde] zal sluiten. [gedaagde] heeft namelijk gezegd dat hij het gevorderde bedrag niet in één keer kan betalen. De kantonrechter vertrouwt erop dat VbV zich aan haar toezegging zal houden.

4.7.

[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden tot vandaag aan de kant van VbV begroot op € 227,07 (€ 103,07 wegens explootkosten en € 124,00 wegens griffierecht). Aan VbV zal geen gemachtigden-salaris worden toegekend, aangezien de gemachtigde van VbV tot het kantoor behoort van VbV. Er is geen sprake van een derde die van VbV opdracht heeft gekregen haar in rechte te vertegenwoordigen. Om diezelfde reden worden de gevorderde nakosten afgewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2019 tot de datum van voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten die aan de kant van VbV tot vandaag zijn begroot op € 227,07;

5.3.

verklaart deze veroordeling(en) uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2020.