Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:2275

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
16-04-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
C/01/357118 / KG ZA 20-186
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Verkrijgende verjaring. Ondubbelzinnig bezit van de betreffende stroken grond gedurende 20 jaar onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/357118 / KG ZA 20-186

Vonnis in kort geding van 16 april 2020

in de zaak van

1 [eis sub 1] ,

2. [eis sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. M.F.J. Martens te 's-Hertogenbosch,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.J.T. Ebisch te Venlo.

Partijen zullen hierna de ouders en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 8 producties waarop [gedaagde] vrijwillig is verschenen

  • -

    de brief van mr. Ebisch van 14 april 2020 met 9 producties

  • -

    de brief van mr. Martens van 14 april 2020 met aanvullende producties 9 tot en met 13

  • -

    de mondelinge behandeling via een skype verbinding op 15 april 2020

  • -

    de pleitnota van de ouders

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is eigenaar van een drietal aan elkaar grenzende percelen, kadastraal bekend als gemeente [kadastraal nummer] , percelen [kadastraal nummer] , [kadastraal nummer] en [kadastraal nummer] (hierna te noemen [kadastraal nummer] , [kadastraal nummer] en [kadastraal nummer] ). Het perceel [kadastraal nummer] betreft de woning aan het adres [adres] , waar de ouders van [gedaagde] wonen. Zij wonen naast hun dochter, de zus van [gedaagde] en [naam partner zus] . [gedaagde] heeft tot begin 2019 bij zijn ouders gewoond.

2.2.

Op 4 november 1993 hebben de ouders aan [gedaagde] de twee percelen cultuurgrond met de daarop aanwezige opstallen gelegen te [plaats] aan het [adres] (thans kadastraal bekend als [kadastraal nummer] en [kadastraal nummer] ) verkocht voor een bedrag van fl 55.000,00, waarvan een bedrag van fl 35.000,00 door de ouders aan [gedaagde] is kwijtgescholden.

2.3.

Bij akte van levering van 14 december 1993 hebben de ouders de eigendom van de twee percelen grond geleverd aan [gedaagde] .

2.4.

Op 1 mei 1999 hebben [gedaagde] en [naam partner zus] een koopovereenkomst ondertekend, waarin is opgenomen dat [naam partner zus] het perceel [kadastraal nummer] koopt van [gedaagde] voor een bedrag van

f 11.250,00. Levering van het perceel heeft tot op heden niet plaatsgevonden.

2.5.

In juli 2016 heeft [gedaagde] een relatie gekregen met [naam partner gedaagde] .

2.6.

In de loop van 2018 zijn de verhoudingen tussen [gedaagde] en [naam partner gedaagde] aan de ene kant en de familie van [gedaagde] , zijn ouders en zijn zus aan de andere kant, in toenemende mate verslechterd. In maart 2019 is de situatie zodanig geëscaleerd dat [gedaagde] het ouderlijk huis heeft verlaten en definitief bij [naam partner gedaagde] is gaan wonen.

2.7.

In december 2019 hebben [gedaagde] en [naam partner gedaagde] besloten de percelen [kadastraal nummer] en [kadastraal nummer] te koop te zetten. Zij zijn voornemens samen een woning te kopen. [naam partner gedaagde] heeft haar woning inmiddels verkocht en de levering van de woning is voorzien op 1 september 2020.

2.8.

De percelen [kadastraal nummer] en [kadastraal nummer] zijn in de verkoop gezet bij makelaar [naam makelaar] van makelaarskantoor Van den Berk & Kerkhof voor een vraagprijs van € 180.000,00.

2.9.

Op 24 december 2019 hebben [naam partner zus] en de zus van [gedaagde] bij makelaar [naam makelaar] een bod uitgebracht op de betreffende percelen van € 150.000,00.

2.10.

[gedaagde] heeft dit bod niet geaccepteerd en heeft de percelen op 6 februari 2020 verkocht aan de heer [naam koper] . In de koopovereenkomst zijn de volgende - voor zover hier van belang - bepalingen opgenomen:

10.1 Indien een der partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig blijft in de nakoming van zijn uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, zal deze overeenkomst van rechtswege zonder rechterlijke tussenkomst ontbonden zijn, tenzij de wederpartij alsnog uitvoering van de overeenkomst verlangt.

10.2

Bij ontbinding van de overeenkomst zal de nalatig partij ten behoeve van de wederpartij een zonder ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete van € 45.000,00 zegge vijfenveertigduizend euro verbeuren, onverminderd het recht op verdere schadevergoeding en vergoeding van kosten en verhaal.(…)”

2.11.

Op 14 februari 2020 heeft [naam partner zus] de koopovereenkomst van 1 mei 1999 laten inschrijven in het Kadaster door notaris Kruijsdijk te Veldhoven. In de notariële verklaring is opgenomen dat het verkochte perceel [kadastraal nummer] bij notariële akte door [gedaagde] zal worden geleverd aan [naam partner zus] op 13 augustus 2020, of zoveel eerder of later als partijen nader zullen overeenkomen.

2.12.

Op 17 maart 2020 hebben [gedaagde] en [naam partner gedaagde] met de verkopers de koopovereenkomst getekend voor hun nieuwe woning. Uit hoofde van deze koopovereenkomst dienen [gedaagde] en [naam partner gedaagde] - onder andere - op 15 april 2020 een bankgarantie te stellen van 10 % van de koopsom.

2.13.

Levering van de percelen [kadastraal nummer] en [kadastraal nummer] uit hoofde van de koopovereenkomst van 6 februari 2020 aan [naam koper] was aanvankelijk voorzien op 10 april 2020. Op 6 april is daartoe een concept leveringsakte opgesteld.

2.14.

De levering op 10 april 2020 heeft geen doorgang gevonden.

2.15.

Bij e-mailbericht van 10 april 2020 heeft de heer [naam koper] [gedaagde] in gebreke gesteld en [gedaagde] gesommeerd de koopovereenkomst van 6 februari 2020 onverkort na te komen, bij gebreke waarvan hij aanspraak maakt op de in de koopovereenkomst overeengekomen boete.

2.16.

Bij vonnis in kort geding van 14 april 2020 (C/01/356821 / KG ZA 20-168) heeft deze voorzieningenrechter [gedaagde] gemachtigd om met onmiddellijke ingang namens [naam partner zus] opdracht te geven aan een notaris of deurwaarder om de inschrijving van de koopovereenkomst van 14 februari 2020 in de openbare registers betreffende het registergoed, [adres] , kadastraal bekend gemeente [kadastraal nummer] , door te (laten) halen c.q. uit te (laten) schrijven,

2.17.

Levering van de percelen [kadastraal nummer] en [kadastraal nummer] door [gedaagde] uit hoofde van de koopovereenkomst van 6 februari 2020 aan [naam koper] is thans voorzien op 17 april 2020 om 10.00 uur.

3 Het geschil

3.1.

De ouders vorderen samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

[gedaagde] te verbieden om medewering te verlenen aan de (verkoop) en levering van de onroerende zaken: een loods met ondergrond, erf- en landbouwgrond, plaatselijk bekend [adres] ,

  • -

    kadastraal bekend gemeente [kadastraal nummer]

  • -

    kadastraal bekend gemeente [kadastraal nummer] , op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2.

Zij leggen daaraan ten grondslag dat zij op grond van bevrijdende verjaring eigenaar zijn geworden van (gedeeltes) van de betreffende percelen. Al jaren voor de verkoop en levering van de percelen aan [gedaagde] gebruikten de ouders het achterste gedeelte van het perceel [kadastraal nummer] voor de houtkap. Het betreft een gedeelte van ongeveer 22 meter bij ongeveer 50 meter en is te bereiken via een pad van ongeveer 2,5 meter breed vanaf de voorzijde van het perceel. In 1996 hebben de ouders een haag geplaatst over bijna de gehele breedte en op 22 meter vanaf de achterzijde van het perceel om het gedeelte waarop de houtkap plaatsvindt uitdrukkelijk af te scheiden. Het perceel [kadastraal nummer] werd door de ouders al voór 1999 gebruikt voor het houden van kippen en bijenvolken. Dit deel van het perceel, verder aangeduid als de bloementuin, is permanent ingericht voor het houden van kippen en bijen en wordt door niemand anders dan de ouders en hun eventuele bezoek betreden. De ouders bereiken dit deel van het perceel via een poort op het perceel dat door [naam partner zus] in 1999 van [gedaagde] is gekocht en een klein stukje over de grond van [gedaagde] en kunnen zo van hun huis naar de bloementuin lopen. Na de verkoop en levering van de percelen zijn de ouders de hiervoor beschreven gedeeltes van de percelen altijd blijven gebruiken. De verkoop en levering van de percelen had enkel tot doel om in de toekomst hoge erfbelasting te voorkomen. Na 2007/2008 zijn de ouders ook het voorste gedeelte van het perceel [kadastraal nummer] gaan gebruiken voor het houden van paarden. De ouders zijn op grond van het bepaalde in de artikelen 3:105 BW jo 3:306 BW (opnieuw) door bevrijdende verjaring eigenaar geworden van de (gedeeltes) van de percelen [kadastraal nummer] en [kadastraal nummer] . Er is sprake van ondubbelzinnig bezit aan de zijde van de ouders. Zij hebben zich jegens [gedaagde] altijd gedragen als eigenaar.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

4 De beoordeling

4.1.

De ouders hebben ter onderbouwing van hun vordering aangevoerd dat zij op grond van art. 3:105 jo 3:306 BW (wederom) eigenaar zijn geworden (als gevolg van 20 jaar durend ongestoord bezit) van de hier in het geding zijnde (gedeeltes van) percelen grond. Deze stelling faalt.

4.2.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben de ouders onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van ondubbelzinnig bezit van de betreffende stroken grond gedurende 20 jaar. Vast staat dat de ouders de eigendom van de betreffende percelen op 14 december 1993 hebben geleverd aan [gedaagde] . Zij hebben zich weliswaar op het standpunt gesteld dat zij de percelen grond al voor de eigendomsoverdracht in gebruik hadden en dat zij dit gebruik daarna onafgebroken hebben voortgezet maar deze stelling is onvoldoende om aan te nemen dat zij zich met betrekking tot de betreffende percelen grond zodanig hebben gedragen dat [gedaagde] daaruit niet anders kon afleiden dan dat zij pretendeerden eigenaar te zijn. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat hij tezamen met zijn ouders gebruik maakte van de betreffende percelen grond. Hij hield met zijn vader bijen en kippen en [gedaagde] leverde hout met zijn hoveniersbedrijf of liet hout leveren voor de warmtevoorziening van zijn ouders. Gezien de familiaire verhoudingen was het logisch dat [gedaagde] zijn ouders gebruik liet maken van gedeelten van zijn grond en [gedaagde] heeft uitdrukkelijk betwist dat niemand anders dan zijn ouders de betreffende percelen grond gebruikten. Onder meer uit de verklaring van de heer [naam] , productie 5 van [gedaagde] , volgt dat [gedaagde] ook op de percelen aanwezig was, onder andere voor houtkap.

4.3.

Het ligt op de weg van de ouders om aannemelijk te maken dat zij gedurende 20 jaar het exclusieve gebruik, met uitsluiting van de eigenaar en derden, van de betwiste stroken grond hebben gehad. Zij zijn daarin, tegenover het gemotiveerde verweer van [gedaagde] , niet geslaagd. Zij hebben onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan zou kunnen wordt geconcludeerd dat zij bezitter zijn geworden van de strook grond. De omstandigheid dat zij de betreffende gedeeltes van de percelen grond met toestemming van [gedaagde] gebruikten is daarvoor in ieder geval onvoldoende.

4.4.

De als productie 10 door de ouders overgelegde verklaringen van buurtbewoners terzake het gebruik door de ouders van de betreffende percelen grond leiden, in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, niet tot een ander oordeel. Immers het enkele feit dat de ouders gebruik maakten (met toestemming van [gedaagde] ) van de betreffende percelen grond leidt nog niet tot de conclusie dat zij daarvan het ondubbelzinnige bezit hebben gehad.

4.5.

Het voorgaande leidt reeds tot de conclusie dat de vorderingen van de ouders moeten worden afgewezen, zodat de overige verweren van [gedaagde] (onder andere dat de ouders geen belang hebben bij hun vordering) verder onbesproken kunnen blijven.

4.6.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2020.