Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:2273

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
20-04-2020
Datum publicatie
20-04-2020
Zaaknummer
01/009473-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing en een poging tot afpersing. De rechtbank legt verdachte de maatregel op van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders en bepaalt dat uiterlijk negen maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel aan de rechtbank wordt bericht over de noodzaak van voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.009473.20
Parketnummers vorderingen: 01.126313.18 en 01.845044.19

Datum uitspraak: 20 april 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedatum] 1985,

wonende te [adres 1] ,

thans gedetineerd in penitentiaire inrichting “Dordtse Poorten” te Dordrecht.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 april 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde (hierna: verdachte) naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 4 maart 2020.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

T.a.v. feit 1:

hij op of omstreeks 9 januari 2020 te Eindhoven, op de openbare weg, (te weten op de PSV-laan) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van vier euro, in elk geval enig goed of geldbedrag, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] of aan een ander toebehoorde, door aan mes ter hand te nemen en/of dat mes aan die [slachtoffer 1] te tonen en/of (daarbij) aan die [slachtoffer 1] om geld te vragen en/of aan die [slachtoffer 1] vragen om aan hem, verdachte, te bewijzen dat die [slachtoffer 1] geen geld bij zich zou hebben;

T.a.v. feit 2:

hij op of omstreeks 10 januari 2020 te Eindhoven

op de openbare weg, te weten De [straatnaam 2] ,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot afgifte van een GSM, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan deze of aan een derde, te weten aan die [slachtoffer 2] toebehoorde, met voormeld oogmerk (met kracht) aan een arm van die [slachtoffer 2] heeft getrokken en/of die [slachtoffer 2] (dreigend) heeft toegeroepen : "your phone, give me your phone", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vorderingen na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01.126313.18 is aangebracht bij vordering van 7 februari 2020. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter bij de rechtbank

Oost-Brabant, locatie Eindhoven, van 10 augustus 2018.

De zaak met parketnummer 01.845044.19 is aangebracht bij vordering van 7 februari 2020. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter bij de rechtbank

Oost-Brabant, te 's-Hertogenbosch van 27 mei 2019.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie concludeert tot bewezenverklaring van beide tenlastegelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 1 aan het oordeel van de rechtbank. Voor wat betreft feit 2 acht de raadsman onvoldoende bewijs aanwezig voor bewezenverklaring van een poging afpersing. Het tenlastegelegde trekken aan de arm van aangeefster en het daarbij roepen van “geef je telefoon” door verdachte is daarvoor niet toereikend.

Het oordeel van de rechtbank.

Bronnen.

  1. Een eindproces-verbaal van de politie-eenheid Oost-Brabant, Districtsrecherche Eindhoven, met [onderzoeksnummer] , afgesloten op 21 januari 2020 (hierna: eindproces-verbaal).

  2. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting.

De rechtbank stelt wat betreft feit 1 het volgende vast.

De aangifte van [slachtoffer 1] houdt onder meer in dat hij op 9 januari 2010 omstreeks 22:50 uur samen met [getuige 1] op de [straatnaam] te Eindhoven liep, toen een man bij hen kwam lopen. Hij zag dat de man een mes in zijn rechterhand vast had. Hij hoorde dat de man vroeg of hij geld bij zich had. Hij heeft geantwoord dat dit niet het geval was. De man had het mes inmiddels ter hoogte van zijn eigen gelaat en de man zei hem dan maar eens te bewijzen dat hij geen geld bij zich had. Aangever heeft toen zijn portemonnee gepakt. Daar zat muntgeld in ter waarde van 4 euro. Hij heeft dit geld aan de man gegeven. Het signalement dat aangever heeft gegeven van de man komt overeen met het uiterlijk van de verdachte. 1

[getuige 1] verklaart dat de man naar hen kwam toegelopen en vroeg of ze wat geld voor hem hadden. Ze zag dat de man zich rechterarm omhoog haalde en dat hij een mes vast had. De man wilde dat aangever [slachtoffer 1] zijn portemonnee liet zien. Ze zag dat aangever het muntgeld uit de portemonnee haalde en aan de man overhandigde. 2

Aangever en [getuige 1] benoemen specifiek de tatoeages van verdachte in diens gezicht en nek. De rechtbank heeft ter terechtzitting via de videobeeld-verbinding waargenomen dat verdachte die tatoeages ook heeft. 3

Verdachte heeft na zijn aanhouding op 10 januari 2020 jegens de politie-ambtenaren verklaard dat hij op 9 januari 2020 twee mensen had beroofd.

Op 11 januari 2020 verklaarde verdachte dat hij een persoon een mes heeft getoond, zo dat het slachtoffer het heeft gezien Verdachte heeft toen verklaard: “Ik zeg: heb je kleingeld. Hij zei: dat heb ik niet. Laat me nu zien, zei ik. Ik kreeg 2,49 euro”.

Op de vraag of hij toen dat scherpe voorwerp vast had verklaarde verdachte: “Sowieso! Dat is mijn strategie”. En op de vraag of hij het scherpe voorwerp naar de man gebruikt had, antwoordde verdachte: “Als dwangmiddel zeker” en hij voegde daar aan toe dat zijn bedoeling was daarmee geld te verdienen. 4

Ter terechtzitting erkent verdachte dat hij aan een persoon gevraagd heeft of hij geld bij zich had en tegen die persoon heeft gezegd “laat mij je portemonnee zien”. Ook verklaart verdachte dat hij daarbij iets scherps in zijn handen had.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde.

De rechtbank stelt wat betreft feit 2 het volgende vast.

Aangeefster [slachtoffer 2] verklaarde dat zij op 10 januari 2020 omstreeks 17.45 uur over de [straatnaam 2] te Eindhoven liep. Zij had haar telefoon in haar hand. Zij voelde dat haar rechterarm met kracht naar achteren werd getrokken. Zij zag een man die in de Engelse taal met luide stem zei dat hij haar telefoon wilde hebben. Hij riep “Give me your phone”. De man had diverse tattoos in zijn gezicht. Ze begon te gillen en was bang dat de man haar iets aan wilde doen. Ze rende toen weg. 5

De verklaring van aangeefster wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 2] . Hij hoorde op 10 januari 2020 omstreeks 17.50 uur een vrouw gillen en zag een vrouw wegrennen. Hij zag verder dat er vanaf de plek waar de vrouw wegliep, een man in zijn richting kwam gelopen. Die man was verward en liep te vloeken en te schelden. Deze man verdween uit het zicht op het parkeerterrein. Kort daarna kwamen er twee hem onbekende mannen vanaf het parkeerterrein aanlopen die hem aanspraken en vertelden zojuist met een mes te zijn bedreigd. [getuige 2] heeft toen de politie gebeld en zijn waarnemingen doorgegeven. Hierna werd de getuige nog aangesproken door een onbekende man in kleding van Ergon die hem wist te vertellen dat de verwarde man bij hem bekend was onder de voornaam [verdachte] . 6

Op 10 januari 2020 omstreeks 18.00 uur kregen verbalisanten het verzoek te gaan naar de [straatnaam 3] , waar een man op het parkeerterrein zou lopen. In de melding zagen zij als signalement onder meer staan dat de man tattoos had in zijn gezicht. Verbalisanten kregen het vermoeden dat het zou gaan om de bij hen ambtshalve bekende [verdachte] . Ter plaatse op de [straatnaam 3] werden zij aangesproken door de melder, die vertelde dat de persoon was weggelopen.

De verbalisanten zijn in de omgeving gaan uitkijken naar [verdachte] en zagen kort daarna in het [straatnaam 4] de hen bekende [verdachte] lopen, die daarop is aangehouden. Verbalisant hoorde verdachte zeggen dat hij met een mes aan mensen had gevraagd of hij geld mocht hebben. Een van deze mensen was gelijk weggerend en de andere had hem geld gegeven. Ook verklaarde verdachte dat hij niet snapte dat sommige mensen hun portemonnee niet gewoon aan hem afgaven. 7

Verdachte heeft bij de politie onder meer verklaard, nadat hij was geconfronteerd met de aangifte van poging tot beroving van [slachtoffer 2] : “Ik was in die staat. Ik kan me er iets bij voorstellen. Ik heb het idee dat het zou kunnen zijn dat ik die intentie heb gehad.” 8

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat verdachte degene is geweest die met kracht aan de arm van aangeefster [slachtoffer 2] heeft getrokken en daarbij dreigend heeft geroepen “give me your phone” met de bedoeling aangeefster te dwingen haar telefoon aan hem af te geven. Deze gedragingen van verdachte zijn naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders op te vatten dan als de toepassing van geweld en bedreiging met geweld begaan met het oogmerk om die [slachtoffer 2] te dwingen haar telefoon aan verdachte af te geven.

De rechtbank acht ook dit tenlastegelegde feit bewezen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

1.

op 9 januari 2020 te Eindhoven, op de openbare weg, (te weten op de [straatnaam] ) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van enig geldbedrag, toebehorende aan die [slachtoffer 1] , door een mes ter hand te nemen en dat mes aan die [slachtoffer 1] te tonen en daarbij aan die [slachtoffer 1] geld te vragen en aan die [slachtoffer 1] te vragen om aan hem, verdachte, te bewijzen dat die [slachtoffer 1] geen geld bij zich zou hebben;

2.

op 10 januari 2020 te Eindhoven op de openbare weg, te weten De [straatnaam 2] ,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot afgifte van een GSM, toebehorende aan die [slachtoffer 2] , met voormeld oogmerk met kracht aan een arm van die [slachtoffer 2] heeft getrokken en die [slachtoffer 2] dreigend heeft toegeroepen: "your phone, give me your phone", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van de maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert oplegging van de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar. Zij vordert dat de rechtbank bepaalt dat uiterlijk na negen maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel, op de voet van artikel 38s eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, een toetsing zal plaatsvinden van de noodzaak van de voortzetting van deze tenuitvoerlegging.

Voorts vordert de officier van justitie de afwijzing van de beide vorderingen tenuitvoerlegging, nu deze tenuitvoerleggingen - in het geval een ISD-maatregel wordt opgelegd - geen toegevoegde waarde hebben.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte verzoekt de officier van justitie te volgen in haar eis.

De raadsman voert aan dat zijn cliënt vreest voor een terugval in zijn ingesleten gedrag en voorziet dat het hem zonder hulp niet lukt om drugsvrij een plaats in de maatschappij te vinden en aan zijn psychische problematiek te werken. Zijn cliënt accepteert dat hulp en behandeling van zijn problematiek en drugsverslaving binnen het kader van een

ISD-maatregel zal dienen plaats te vinden.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat aan verdachte de door de officier van justitie gevorderde ISD-maatregel moet worden opgelegd.

Bij deze beslissing heeft de rechtbank allereerst gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in dit verband in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing en een poging tot afpersing.

Hij heeft ’s avonds een willekeurige voorbijganger op straat gedwongen hem geld te geven door die persoon een mes te tonen en woordelijk te bedreigen en de volgende dag in de namiddag bij en ander willekeurige voorbijganger gepoogd ook die persoon enig goed afhandig te maken, waarbij hij die persoon daarbij aan haar arm heeft getrokken en dreigend woorden heeft gebruikt.

Het is algemeen bekend dat de door verdachte gepleegde feiten een grote impact op de slachtoffers hebben en dat de slachtoffers nog lange tijd gevoelens van angst en onveiligheid kunnen ervaren. Ook veroorzaken feiten als deze, alleen al omdat diverse omstanders hiervan getuige zijn geweest, gevoelens van onveiligheid bij die omstanders maar ook in algemene zin binnen de samenleving.

De gedragingen van verdachte laten zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om geweld tegen andere mensen te gebruiken of andere mensen te imponeren en te bedreigen om op deze manier, ten koste van een ander, snel aan geld te komen teneinde drugs te kunnen kopen.

Verdachte heeft zich bij zijn strafbaar handelen op geen enkele wijze bekommerd om de mogelijke gevolgen daarvan en heeft zich slechts laten leiden door zijn zucht naar drugs.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank verder rekening met de omstandigheid dat verdachte al meerdere malen eerder, in 2018, 2019 en ook nog in 2020, voor soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld tot deels voorwaardelijke en ook onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. Verdachte liep ook in twee proeftijden.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel met name acht geslagen op het reclasseringsadvies van de reclasseringsinstelling GGZ Antes van 18 maart 2020. Daaruit blijkt onder meer dat de reclassering het recidiverisico hoog inschat.
De reclassering constateert op bijna alle leefgebieden problemen, zoals het ontbreken van huisvesting en structurele dagbesteding, problemen met financiën, het grotendeels ontbreken van een corrigerend en ondersteunend sociaal netwerk, frequent en excessief middelen-gebruik, problemen op het gebied van psychosociaal functioneren (schizofrenie, autismespectrumstoornis).

De reclassering ziet onder de beschermende omstandigheden van detentie het enigszins ontstaan van probleembesef en -inzicht, leidend tot een dringende behandelwens en een veranderende houding van verdachte (meewerkend en aandringend op een justitieel kader voor zorg).

De reclassering concludeert dat een voorwaardelijk kader voor hulpverlening op dit moment onderbiedend is aan de problematiek en maatschappelijke desintegratie en dat slechts het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel resteert om verdachte de kans te bieden om mee te werken aan klinische diagnostiek en een behandeling die voorbereidend is op een aansluitend nazorgtraject met woonbegeleiding, dagbesteding en zorg.

Ook heeft de rechtbank gelet op de inhoud van het verslag van een consult, gedateerd 15 januari 2020, van [gezondheidszorgpsycholoog] , die verdachte zag in het kader van een zogeheten ISD-consult. De psycholoog concludeert dat er is geen sprake van is van een psychiatrisch toestandsbeeld bij verdachte, die een lange verslavingsgeschiedenis kent en dat op basis van alle beschikbare gegevens er geen contra-indicaties gezien worden voor het opleggen van een ISD-maatregel.

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting en uit het adviesrapport van de reclassering van 18 maart 2020 blijkt dat verdachte de ernst van de door hem gepleegde feiten onvoldoende inziet.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en de voorliggende rapportages blijkt naar het oordeel van de rechtbank van een ambivalente houding bij verdachte tegenover eerdere begeleiding door de reclassering.

De rechtbank concludeert dat alleen via de weg van het opleggen van de ingrijpende

ISD-maatregel kan worden voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt en de gezondheid en veiligheid van anderen en de veiligheid van goederen in gevaar brengt.

Een hulpverleningstraject binnen een minder dwingend kader zal het gevaar voor herhaling van het door verdachte plegen van soortgelijke strafbare feiten als bewezenverklaard, onvoldoende kunnen beteugelen.

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de vereisten, gesteld in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van de bewezen verklaarde misdrijven geldt dat het feiten betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

Tegen verdachte zijn de afgelopen vijf jaren processen-verbaal opgemaakt voor meer dan tien misdrijffeiten (verdachte is een 'zeer actieve veelpleger' in de zin van de vorderingsrichtlijn van het Openbaar Ministerie).

Ten minste één van de tien bovengenoemde misdrijffeiten is gepleegd in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.

Verdachte is verder blijkens het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie van
3 maart 2020 en het onderzoek ter terechtzitting, in de vijf jaren voorafgaande aan het bewezen verklaarde (dus na 9 januari 2015), ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of taakstraf veroordeeld en het bewezen verklaarde is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Daarnaast moet er, mede gelet op het hiervoor genoemde rapport van de reclassering, ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

De veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van de maatregel, gezien het feit dat verdachte telkens opnieuw strafbare feiten pleegt en de oplegging van (deels voorwaardelijke) vrijheidsstraffen, al dan niet met reclasseringsbegeleiding, hem daar kennelijk niet van weerhoudt.

De rechtbank is van oordeel dat de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders van groot belang is, zowel voor de maatschappij als voor verdachte zelf, nu de maatregel er mede toe strekt een bijdrage te leveren aan het voorkomen van het opnieuw plegen van strafbare feiten door verdachte.

Bij verdachte is sprake van een drugsverslaving en er bestaat bij verdachte andere specifieke problematiek waarmee het plegen van strafbare feiten samenhangt. De maatregel strekt er voorts toe een bijdrage te leveren aan de oplossing van zijn verslavingsproblematiek dan wel van die andere problematiek.

Verdachte heeft er ter terechtzitting blijk van gegeven gemotiveerd te zijn om te stoppen met het gebruik van harddrugs. Hij vindt het belangrijk dat zijn leefpatroon wordt doorbroken, hij wil niet terugkeren naar de gebruikerswereld in Eindhoven en begrijpt dat de uitvoering van een ISD-maatregel daarbij kan helpen.

Gezien de houding en de problematiek van verdachte is op voorhand niet te overzien hoeveel tijd nodig zal zijn om het gedrag van verdachte zodanig te beïnvloeden, dat de kans op recidive is teruggedrongen. Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan het voorkomen van recidive alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het noodzakelijk dat voldoende tijd wordt genomen om de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

Nu zowel de officier van justitie als de raadsman gemotiveerd hebben aangegeven het wenselijk te achten dat over 9 maanden een tussentijdse toetsing plaatsvindt, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.

Motivering van de beslissing op de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling.

De vorderingen voldoen aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vorderingen. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

De rechtbank zal de gevorderde tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 01.126313.18 en in de zaak met parketnummer 01.845044.19 echter afwijzen, zoals gevorderd door de officier van justitie, omdat de rechtbank het alsnog tenuitvoerleggen van de voorwaardelijk opgelegde straffen (een taakstraf van 10 uren subsidiair 5 dagen hechtenis respectievelijk 2 maanden gevangenisstraf) niet aangewezen acht nu de ISD-maatregel wordt opgelegd en het onwenselijk is dat door de tenuitvoerlegging van die straf het ISD-traject wordt doorkruist.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

38m, 38n, 45, 57, 317 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Feit 1:

afpersing.

Feit 2:

poging tot afpersing.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende maatregel:

T.a.v. feit 1, feit 2:

- plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Beslist tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Bepaalt dat het Openbaar Ministerie uiterlijk negen maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel, op de voet van artikel 38s eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, aan de rechtbank bericht over de noodzaak van de voortzetting van deze tenuitvoerlegging.

Beslissing op de vorderingen na voorwaardelijke veroordelingen.

Wijst af de vordering met parketnummer 01-845044-19 van de officier van justitie d.d.

7 februari 2020.

Wijst af de vordering met parketnummer 01-126313-18 van de officier van justitie d.d.

7 februari 2020.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.F. Koolen, voorzitter,

mr. H.M. Hettinga en mr. J. Donkersloot, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier,

en is uitgesproken op 20 april 2020.

Mr. W.F. Koolen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Eindproces-verbaal, p. 31, 32

2 Eindproces-verbaal, p. 34, 35

3 Eindproces-verbaal, p. 32, 35

4 Eindproces-verbaal, p. 22, 57, 58

5 Eindproces-verbaal, p. 37, 38

6 Eindproces-verbaal, p. 39, 40

7 Eindproces-verbaal, p. 29

8 Eindproces-verbaal, p. 60