Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:2263

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-04-2020
Datum publicatie
20-04-2020
Zaaknummer
8119481
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenvatting:

Zorgplicht eigenaar beplanting. Onrechtmatig handelen door onvoldoende onderhoud te plegen. Artikel 6:171 BW geldt niet als de overheid de opdrachtgever is. Artikel 6:99 BW meerdere gebeurtenissen; schade moet worden vergoed nu niet is aangetoond dat de schade niet het gevolg is van het onvoldoende onderhoud aan de beplanting. Eigen schuld en verjaringsverweer. Artikel 6:97 BW, omstandigheden aanwezig voor een concrete schadeberekening bij zaakschade. Latere gebeurtenissen kunnen hierbij van belang zijn (Hoge Raad 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9830 ([partijen]).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2020/196
NTHR 2020, afl. 3, p. 133
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer: 8119481 / CV EXPL 19-10019

Uitspraak van 9 april 2020

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

gemachtigde: mr. M.J.G. Pennings,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon gemeente [gemeente],

zetelend te [plaats] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.J. Jacobse.

Partijen zullen verder worden aangeduid als [eiser] en de gemeente.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

  • -

    het tussenvonnis van 16 januari 2020 waarbij een zitting is bepaald om de zaak met partijen te bespreken en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de stukken die namens [eiser] bij brief van 3 februari 2020 in het geding zijn gebracht;

  • -

    de stukken die namens de gemeente bij brief van 4 februari 2020 in het geding zijn gebracht;

  • -

    de aantekeningen die de griffier heeft gemaakt tijdens de zitting op 11 februari 2020 en de tijdens deze zitting namens [eiser] ingebrachte spreekaantekeningen.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is sinds 28 februari 2018 eigenaar van de woning gelegen aan [adres] te [woonplaats] . De tuin van [eiser] grenst aan een groenstrook die op 28 februari 2018 aan de gemeente toebehoorde. In deze groenstrook stonden een aantal bomen (bolacacia’s) en een aantal lage heesters. Op het perceel van [eiser] bevindt zich een scheidsmuur, die de tuin van [eiser] van de gemeentelijke groenstrook scheidde.

2.2.

In het najaar van 2018 (september/oktober) heeft de gemeente de bomen die zich in de groenstrook bevonden gerooid en uit de groenstrook verwijderd. Kort na het rooien van de bomen zakte de muur naar een kant door.

2.3.

In opdracht van de gemeente heeft de heer [medewerker] van [Renovatiebedrijf] op
29 oktober 2018 de situatie ter plaatse bekeken, waarover hij op 31 oktober 2018 een mail heeft verstuurd aan zowel de gemeente als [eiser] . Op 7 mei 2019 heeft de heer
[medewerker expertisebureau] van [expertisebureau] ter plaatse onderzoek verricht. Dit heeft hij vastgelegd in het rapport van 4 juli 2019.

2.4.

Vanaf 2018 hebben partijen onderhandeld over de verkoop van de groenstrook van de gemeente aan [eiser] . De koopovereenkomst is op 13 december 2018 door [eiser] en op 30 januari 2019 door de gemeente ondertekend. De overdracht van de groenstrook aan [eiser] is per 2 oktober 2019 ingeschreven in het Kadaster.

2.5.

Partijen hebben vanaf 2018 gecorrespondeerd over de aansprakelijkheid van de gemeente voor de schade aan de muur.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert:

  • -

    voor recht te verklaren dat de gemeente zich onrechtmatig heeft gedragen jegens [eiser] en dat de gemeente gehouden is de daardoor door [eiser] geleden schade te vergoeden;

  • -

    de gemeente te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 9.068,79, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;

  • -

    de gemeente te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de termijn voor voldoening plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf de termijn voor voldoening;

  • -

    het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Aan deze vorderingen legt [eiser] het volgende ten grondslag. Als eigenaar van de groenstrook en de daarop aanwezige beplanting was de gemeente verplicht om die maatregelen te treffen die voorkomen dat schade wordt toegebracht aan eigendommen van derden. Er rustte op de gemeente in dat verband een zorgplicht. De gemeente heeft deze zorgplicht geschonden door geen deugdelijk onderhoud te plegen aan de wortels en takken van de beplanting in de groenstrook. Vervolgens heeft de gemeente onzorgvuldig gehandeld door de bomen te verwijderen zonder passende voorzorgsmaatregelen. Daarmee heeft zij zich onrechtmatig jegens [eiser] gedragen en moet zij de schade voor het stutten van de muur en het verwijderen en vervangen van de muur (tezamen € 8.279,80) vergoeden. Daarnaast is zij buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd van € 788,99.

3.3.

De gemeente is het hier niet mee eens.

3.4.

Bij de beoordeling zal op de stellingen van partijen, voor zover relevant, worden ingegaan.

4 De beoordeling

Onrechtmatig handelen

4.1.1.

[eiser] stelt dat de gemeente maatschappelijk onzorgvuldig heeft gehandeld door de groenstrook ondeugdelijk te onderhouden en de bomen te verwijderen zonder passende voorzorgsmaatregelen. Omdat de bomen op maar 90cm afstand van de erfgrens stonden, had de gemeente een verzwaarde zorgplicht om maatregelen ten aanzien van de wortels en takken van die bomen te nemen. De gemeente had de bomen veel eerder moeten terugsnoeien dan wel verwijderen.

4.1.2.

De gemeente betwist dat zij de bomen niet goed heeft onderhouden. Door de gemeente is tijdens de zitting toegelicht dat de bomen één keer in de tien jaar geknot zijn en dat ook de lagere begroeiing is onderhouden. Desgevraagd heeft de gemeente toegelicht dat hoveniers voor controles door de wijk reden en als ze iets zagen wat niet in orde is, ze de kant van de bomen richting het trottoir snoeiden. Aan de kant van de muur is geen onderhoud gepleegd, omdat de hoveniers daar 15 jaar geleden zijn weggestuurd door een vorige bewoner. De hoveniers hebben geen wortelopdruk in het trottoir gezien. Na de melding van [eiser] over hinder door de bomen heeft de gemeente deze snel verwijderd. Een vorige bewoner heeft overigens expliciet verzocht om plaatsing van de bomen op 90cm van de muur.

De gemeente geeft daarnaast aan dat zij de bomen niet door eigen hoveniers, maar door huisaannemer Bomenrooibedrijf [bomenrooibedrijf] heeft laten rooien. Zij geeft aan dat hierbij door [bomenrooibedrijf] niet onzorgvuldig is gehandeld, maar dat als dit wel zo zou zijn, de gemeente hiervoor niet aansprakelijk is.

4.1.3.

Uit vaste jurisprudentie blijkt dat op de eigenaar van een groenstrook of andere beplanting een zorgplicht rust om het risico te beperken dat de beplanting schade aan eigendommen van anderen toebrengt. Deze zorgplicht wordt aan de hand van de volgende criteria ingevuld. De gemeente diende, ter beperking van het risico dat schade zou worden toegebracht, maatregelen te treffen die van haar als zorgvuldig handelend eigenaar van deze groenstrook op deze plaats redelijkerwijze mochten worden verlangd. Of de gemeente in dit geval voldoende maatregelen heeft getroffen, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, en meer in het bijzonder van de mate van waarschijnlijkheid dat de takken en wortels in en onder de muur zouden groeien, de kans dat daardoor scheuren in de muur zouden ontstaan en deze ontwricht zou worden, de aard en de ernst van de schade en als laatste de mate van bezwaarlijkheid en de gebruikelijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen, in dit geval het terugsnoeien van de bomen en het nemen van voorzorgsmaatregelen bij het rooien van de bomen.

4.1.4.

[eiser] betoogt allereerst dat er onvoldoende onderhoud heeft plaatsgevonden. Hij leidt dit af uit de omvang van de bomen en de onbekendheid van de groenstrook in het gemeentelijk beheerssyteem. Ook geeft [eiser] aan dat het een feit van algemene bekendheid is dat wortels en takken, indien niet periodiek gesnoeid, schade kunnen toebrengen aan muren. Ten slotte heeft [eiser] onbetwist gesteld dat de beplanting over en door de muur heen aan zijn kant van de muur verder groeide.

Gelet op de argumenten van [eiser] had van de gemeente een gemotiveerd verhaal mogen worden verwacht, dat er wèl onderhoud is gepleegd. Dat verhaal is uitgebleven. De gemeente kan niet concretiseren wanneer, hoe en door wie er precies controles zijn uitgevoerd. Daarbij komt dat de hoveniers tijdens controles in hun auto langs de groenstrook reden. Niet valt in te zien hoe zij de toestand van de begroeiing aan de kant van de muur vanaf de weg konden inspecteren, zeker niet nu de bomen op maar 90cm van de muur geplaatst waren.

Bovendien geeft de gemeente toe dat gedurende de afgelopen 15 jaar aan de kant van de bomen richting de muur geen onderhoud is gepleegd. De gemeente merkt wel op dat als er sprake was van wildgroei of wortelontwikkeling zij uiteraard onderhoud gepleegd had, maar dat er geen zichtbare problemen waren. Zij onderbouwt dit niet met bijvoorbeeld verslagen van de hoveniers, terwijl dit ook niet aannemelijk is omdat de beplanting door en over de muur heen groeide hetgeen als wildgroei aan te merken is.

De kantonrechter oordeelt gezien deze omstandigheden dat de gemeente haar zorgplicht heeft geschonden. In dit geval had van de gemeente verwacht mogen worden dat zij de groenstrook (deugdelijk) zou onderhouden, omdat dit een gebruikelijke maatregel is, zij had moeten inzien dat er een aanzienlijke kans was dat de wortels en takken schade zouden toebrengen aan de muur van [eiser] en deze maatregel voor haar niet bezwaarlijk was.

Voor zover de gemeente bedoelt dat zij haar onderhoudsplicht gedurende enige periode contractueel had overgedragen aan een voorgaande eigenaar van het perceel van [eiser] , slaagt dit niet, omdat de gemeente niet heeft gesteld welke afspraken er met welke vorige bewoner gemaakt zouden zijn en hoelang die zouden hebben gegolden.

4.1.5.

Ten aanzien van het vermeende onzorgvuldig handelen bij het rooien van de bomen wordt het volgende overwogen. [eiser] heeft ter zitting gesteld dat de gemeente de werkzaamheden uitbesteedt aan een vaste aannemer, die een hulppersoon is waarvoor de gemeente verantwoordelijkheid draagt. Met de gemeente is de kantonrechter het eens dat de aansprakelijkheid voor hulppersonen, op grond van artikel 6:171 Burgerlijk Wetboek, niet van toepassing is op de overheid als opdrachtgever. De overheid als opdrachtgever valt namelijk buiten het bestek van artikel 6:171 BW, uit vrees voor onvoorziene consequenties (Hof ’s-Gravenhage 20 mei 1999, ECLI:NL:GHSGR:1999:AD3054 ( [partijen] )). Door [eiser] zijn geen omstandigheden gesteld op grond waarvan een eventuele fout bij de sloopwerkzaamheden wel aan de gemeente zou zijn toe te rekenen. Om die reden valt niet in te zien waarom de gemeente voorzorgsmaatregelen had moeten nemen toen zij het rooien van de bomen uitbesteedde aan Bomenrooibedrijf [bomenrooibedrijf] .

Schadeoorzaak

4.2.1.

[eiser] voert aan dat de schade aan zijn muur is ontstaan doordat de wortels en takken de muur jarenlang hebben aangetast en vervolgens onzorgvuldig zijn verwijderd. Er is dus een causaal verband tussen het onrechtmatig handelen door de gemeente en de door hem geleden schade.

4.2.2.

De gemeente heeft dit betwist. De muur bevindt zich al lange tijd in een gebrekkige toestand en was voorafgaand aan het rooien al zeer onstabiel.

4.2.3.

In het rapport van [expertisebureau] staat, voor zover relevant, het volgende.

Bij onze opname van de schade viel op dat de muur in een slechte staat verkeert. Deels is dit een gevolg van ouderdom, maar wij troffen ook een aantal brede voegen aan. Het betreft oude breuken die gevuld werden met specie. Aangezien wederpartij verklaarde tijdens zijn bewoningsperiode geen reparaties aan de muur te hebben verricht, moeten deze dateren van de periode voorafgaand aan de koop in 2017. Verder viel ons op dat de beplanting in het verleden op enkele plaatsen door openingen in de muur gegroeid was en niet (tijdig) verwijderd werd. Het metselwerk raakte ook daardoor beschadigd. Tot slot bleek dat de muur overhelt in de richting van de openbare weg. De fundering van de muur was niet te onderzoeken , omdat deze zich onder het maaiveld bevindt.

In het rapport van de [Renovatiebedrijf] is vermeld:

Na het verwijderen van de groenstrook langs de schansmuur is de steun die is ontstaan te komen vervallen. De wortels hebben eerst gezorgd voor ontwrichting van de schansmuur. Maar waren naar verloop van tijd ook tevens de steun voor de muur.

4.2.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter is op grond van deze rapporten komen vast te staan dat de gebrekkige toestand van de muur in ieder geval mede veroorzaakt is door aantasting door wortels en takken vanaf de groenstrook. Geconstateerd wordt immers dat de beplanting door de muur heen is gegroeid en niet tijdig verwijderd werd waardoor het metselwerk is beschadigd en dat de wortels voor ontwrichting van de muur hebben gezorgd. De gemeente heeft daarnaast geen andere omstandigheden aangevoerd die de gebrekkige toestand van de muur zouden kunnen verklaren. Het argument dat de leeftijd van de muur, zo’n 50 jaar, de oorzaak is van de gebrekkige toestand, wordt bij gebrek aan nadere onderbouwing gepasseerd. Die onderbouwing was nodig, nu [eiser] heeft aangevoerd dat muren in hun algemeenheid bedoeld zijn langer dan 50 jaar te blijven staan en dat vergelijkbare muren, die zich in de directe omgeving van de woning van [eiser] bevinden en uit dezelfde periode dateren, zich wel alle in deugdelijke toestand bevinden.

Ook indien de slechte toestand van de muur mede te wijten is aan de rooiwerkzaamheden door Bomenrooibedrijf [bomenrooibedrijf] , is de gemeente op grond van artikel 6:99 BW in beginsel gehouden de gehele schade aan [eiser] te vergoeden. De gemeente heeft, zoals hierboven overwogen, niet voldoende toegelicht dat de schade niet het gevolg is van het onvoldoende onderhoud aan de beplanting.

Hoogte schade – eigen schuld

4.3.1.

De gemeente voert als verweer dat [eiser] niet schadebeperkend heeft gehandeld en daarom een gedeelte van de schade zelf zou moeten dragen.

4.3.2.

[eiser] brengt hiertegen in dat hij, toen hij het perceel met daarop de muur kocht, de beplanting aan zijn kant van de muur heeft verwijderd en de gemeente heeft verzocht de bomen te rooien in verband met overlast.

4.3.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de gemeente onvoldoende omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de schade mede aan [eiser] zou kunnen worden toegerekend. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat hij, na de aankoop van het perceel in februari 2018, al in maart 2018 contact heeft opgenomen met de gemeente om de beplanting te verwijderen. Hij heeft de beplanting aan zijn zijde van de muur verwijderd en hiermee gebruik gemaakt van zijn kaprecht. Dit kaprecht omvat echter niet de beplanting aan de kant van de groenstrook. [eiser] heeft het dus terecht aan de gemeente overgelaten om de beplanting op de groenstrook, die niet zijn eigendom was, te onderhouden. Niet valt in te zien wat [eiser] nog meer had kunnen en moeten doen.

Hoogte schade – concrete schadeberekening

4.4.1.

[eiser] geeft aan dat de schade aan de muur moet worden vastgesteld op de kosten van herstel. Hij eist een volledige schadevergoeding, van de schade toegebracht door het onzorgvuldige onderhoud aan de bomen door de jaren heen en de schade die is ontstaan bij het rooien van de bomen. De vorige eigenaar heeft geen schade meer, want hij heeft zijn huis en perceel overgedragen. De muur was daarnaast in prima staat, totdat de gemeente de beplanting ging verwijderen.

4.4.2.

De gemeente geeft aan dat het niet aannemelijk is dat [eiser] de muur gaat herstellen, omdat hij inmiddels ook eigenaar van de groenstrook is en hij deze bij zijn tuin zal willen trekken. Daarnaast is [eiser] op grond van de koopovereenkomst verplicht een erfafscheiding aan te brengen op de plaats van de nieuwe erfgrens. De gemeente is van mening dat zij niet gehouden is het gehele schadebedrag aan [eiser] te vergoeden, nu de gestelde schade grotendeels is ontstaan toen [eiser] nog geen eigenaar was. De muur was ten slotte al instabiel voordat de bomen gerooid werden.

4.4.3.

Op grond van artikel 6:97 BW dient de rechter schade te begroten op de wijze die het meest met de aard daarvan in overeenstemming is. Bij de berekening van zaakschade, zoals hier de schade aan de muur, is het uitgangspunt dat het nadeel dat geleden wordt, gelijk is aan de waardevermindering van de zaak. De schade wordt dan abstract berekend, dat wil zeggen dat niet gekeken wordt naar de omstandigheden van dat specifieke geval. Van dit beginsel kan worden afgeweken in gevallen die sterk door eigen bijzonderheden worden gekenmerkt. Daarvan is hier sprake. Gezien de bijzondere omstandigheden die spelen tussen [eiser] en de gemeente, met name de koopovereenkomst die [eiser] met de gemeente heeft gesloten met betrekking tot de groenstrook en de gebrekkige staat van de muur op het moment van aankoop door [eiser] , ziet de kantonrechter aanleiding om de schade concreet te berekenen. Hieruit volgt dat de schade moet worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het geval.

4.4.4.

In dit geval staat vast dat [eiser] de muur niet heeft laten herstellen (dan wel vervangen). De vraag die voorligt is of herstel zinvol is (Hoge Raad 6 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2387 ( [partijen] )). De kantonrechter oordeelt dat de gemeente dit voldoende heeft betwist. [eiser] is op grond van de koopovereenkomst immers verplicht een erfafscheiding te maken op de nieuwe erfgrens. Aangezien deze erfafscheiding op zo’n 1,5 meter achter de muur langs zou lopen, is het - zonder nadere toelichting van de zijde van [eiser] - niet aannemelijk dat de muur hersteld zal worden. [eiser] heeft geen argumenten aangevoerd waarom hij belang heeft bij een muur naast de door hem te plaatsen nieuwe erfafscheiding, terwijl een dergelijke onderbouwing wel van hem verwacht mocht worden. Het argument dat [eiser] geen geld heeft om een afrastering te maken op de nieuwe erfgrens, en daarom belang heeft bij herstel van de muur, is onvoldoende om een rechtens te respecteren belang aan te nemen. Hij heeft namelijk zelf ingestemd met de verplichting in de koopovereenkomst om op de nieuwe grens met het openbaar gebied een erfafscheiding te plaatsen. Dat hij hier geen geld voor zou hebben is niet onderbouwd en komt bovendien voor zijn eigen risico. In verband met de voorgenomen (verplichte) aanbouw van een erfafscheiding op 1,5 meter van de muur, is herstel van de muur - althans zonder verdere toelichting zijdens [eiser] - zinloos en komen de kosten hiervoor niet voor vergoeding in aanmerking. Dat de koopovereenkomst, met daarin de verplichting voor [eiser] om een nieuwe erfafscheiding te construeren, pas (kort) na het schade toebrengend handelen is gesloten, is hier niet relevant. Ten eerste niet omdat de gemeente onbetwist heeft gesteld dat de onderhandelingen hiervoor al wel gevoerd werden. Daarnaast kunnen uit de latere gebeurtenissen gevolgtrekkingen gemaakt worden met betrekking tot de situatie die bestond op het tijdstip waarom de schade werd geleden (Hoge Raad 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9830 ( [partijen] )).

[eiser] heeft gesteld dat hij de muur zou hebben laten staan als deze niet zou zijn beschadigd. De gemeente heeft dit betwist. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat ook de sloop van de muur niet voor rekening van de gemeente dient te komen.

Op grond van de overeenkomst die [eiser] met de gemeente heeft gesloten, ligt in de rede dat de muur hoe dan ook zou zijn afgebroken. Althans, zonder nadere toelichting van [eiser] valt niet in te zien dat hij de muur zou laten staan, terwijl hij hierdoor de groenstrook niet bij zijn tuin kon betrekken en er een gang van 1,5 meter zou ontstaan tussen de muur en de nieuwe erfafscheiding. Deze onderbouwing is uitgebleven.

4.4.5.

De uitleg van [eiser] dat de volledige herstelkosten vergoed moeten worden (wat een abstracte schadeberekening is), acht de kantonrechter in dit geval ook gezien de gebrekkige staat van de muur op het moment van aankoop door [eiser] niet redelijk. Gezien de opmerking van de gemeente dat haar hoveniers 15 jaar geleden zijn weggestuurd door een vorige bewoner, gaat de kantonrechter ervan uit dat de groenstrook vanaf dat moment niet goed is onderhouden en de schade vanaf dat moment kan zijn ontstaan. Uit het rapport van [expertisebureau] valt op te maken dat de schade over langere tijd is veroorzaakt. Al voordat [eiser] de muur in eigendom had verkregen, is de muur op verschillende plekken gerepareerd nadat er breuken in waren ontstaan. Daarnaast geeft het rapport aan dat de beplanting in het verleden op enkele plaatsen door openingen in de muur gegroeid was en niet (tijdig) verwijderd werd, terwijl [eiser] op het moment van het onderzoek pas een relatief korte periode eigenaar van de muur was en hij de beplanting aan zijn kant van de muur zeer snel heeft verwijderd. De gemeente heeft hiermee de stelling van [eiser] , dat de muur in prima staat was toen hij hem kocht, voldoende onderbouwd betwist. Dat de muur niet scheef stond op het moment dat [eiser] de muur in eigendom verkreeg, wil niet zeggen dat de muur zich in prima staat bevond. Dit heeft [eiser] (naar eigen zeggen) ten tijde van de koop ook niet kunnen constateren, omdat de muur begroeid was met beplanting vanaf de groenstrook. [eiser] spreekt zichzelf daarnaast tegen op het punt van de oorzaak van de schade. Als wortels en takken de muur jarenlang hebben aangetast (randnummer 33 van de dagvaarding), kan de muur op het moment van de aankoop niet meer in prima staat hebben verkeerd. Bij een vergoeding van herstelkosten zou daarom een aftrek voor nieuw voor oud op zijn plaats zijn. Nu de vergoeding van de herstelkosten in het geheel wordt afgewezen, is dit niet langer relevant.

4.4.6.

[eiser] heeft wel recht op vergoeding van de kosten van het stutten ter hoogte van
€ 586,85. Ten eerste omdat hierdoor de muur tijdelijk weer dienst kan doen als erfafscheiding totdat de nieuwe erfafscheiding deze functie kan vervullen. Daarnaast zou anders een gevaarlijke situatie blijven bestaan, met het gevaar van omvallen van de muur, zoals in het rapport van [Renovatiebedrijf] wordt aangegeven.

Verjaring

4.5.1.

De gemeente voert het verweer dat de vordering van [eiser] is verjaard, omdat de bomen al meer dan 20 jaar geleden zijn geplant. Door verjaring van de rechtsvordering tot het opheffen van de onrechtmatige toestand, is tevens de rechtsvordering tot het betalen van schadevergoeding vanwege deze toestand verjaard.

4.5.2.

[eiser] betwist dat de bomen al meer dan 20 jaar gelden zijn geplant.

4.5.3.

De gemeente voert als onderbouwing aan dat er zich op de groenstrook “onder andere een aantal bolacacia’s van een jaar of 20/25 oud” bevonden. Tijdens de zitting is toegelicht dat “waarschijnlijk de eigenaar voor [naam] ” ( [naam] zijnde de verkoper van de woning met perceel aan [eiser] ) hier toestemming voor heeft gegeven. Deze onderbouwing is onvoldoende gespecifieerd tegenover de betwisting van [eiser] waarin hij verwijst naar het rapport van [expertisebureau] . In dit rapport staat dat de heer [medewerker expertisebureau] vermoedt dat de begroeiing in de periode 2000-2005 is aangeplant, wat niet meer dan 20 jaar geleden is. Nu de gemeente geen voldoende concrete feiten heeft gesteld, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

Nevenvorderingen

4.6.

[eiser] maakt aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten.

Hij heeft naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gesteld en onderbouwd om te concluderen dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Dat deze werkzaamheden zijn verricht, wordt bovendien niet betwist. Aangezien een deel van de gevorderde hoofdsom wordt afgewezen, worden de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten toegewezen tot € 106,51, zijnde het toepasselijke tarief op grond van het rapport Voor-werk II dat hoort bij het aan hoofdsom toegewezen bedrag van € 586,85.

4.7.

Aangezien partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd in die zin dat elke partij zijn eigen kosten draagt. De vordering tot vergoeding van de nakosten wordt afgewezen, omdat er geen kostenveroordeling wordt uitgesproken.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

verklaart voor recht dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] zoals onder 4.1.4. is bepaald en daardoor de door [eiser] geleden schade moet vergoeden;

5.2.

veroordeelt de gemeente om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 693,36 als zijnde schadevergoeding, waaronder begrepen een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten;

5.3.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.S. Verstraelen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2020.