Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:2241

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
06-03-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
C/01/345393 / FA RK 19-1759
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nietigverklaring huwelijk. Nederlandse rechter heeft geen rechtsmacht omdat de gewone verblijfplaats van verzoeker zich niet in Nederland bevindt.

Artikel 3, lid 1 onder f Brussel IIbis

Wetsverwijzingen
Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2020/5477
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/345393 / FA RK 19-1759

Uitspraak : 6 maart 2020

Beschikking betreffende nietigverklaring huwelijk in de zaak van

[verzoeker]

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. E.L. Garnett.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [verweerster], wonende in [buitenland] , hierna te noemen de vrouw;

- de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [X], hierna te noemen de ambtenaar.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- het verzoekschrift (met bijlagen), ter griffie van deze rechtbank ingekomen op 22 maart 2019;

- de stukken van de vrouw, ingebracht ter griffie op 27 september 2019 toen zij in Nederland was in verband in verband met de behandeling ter zitting die op die datum oorspronkelijk gepland stond, maar geen doorgang vond;

- de brief met bijlage van mr. Garnett van 4 december, ontvangen ter griffie op 4 december 2019.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 december 2019.

Daarbij waren aanwezig de man met zijn advocaat. Namens de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [X] waren aanwezig [naam] en [naam] . De vrouw is niet ter zitting verschenen. Door de zoon van de vrouw zijn namens de vrouw nog voor de zitting stukken overgelegd.

1.3.

Omdat de man nog geen kennis had kunnen nemen van de stukken die de vrouw had overlegd, heeft de rechtbank de man in de gelegenheid gesteld om alsnog schriftelijk op deze stukken te reageren. Bij brief van 16 januari 2020 heeft mr. Garnett van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Verder is nog op 21 januari 2020 een brief overgelegd van de correspondentie van de man met zijn [buitenlandse] advocaat. Tevens is op 14 januari 2020 nog een schriftelijke zienswijze van de ambtenaar van de gemeente [X] ontvangen, die gelet op de hierna te nemen beslissing verder niet inhoudelijk bij de beoordeling is betrokken.

2 De beoordeling

Het verzoek van de man strekt tot nietigverklaring van het huwelijk van de man met [de vrouw] . Dit huwelijk is gesloten op [datum] in [plaats] .

Rechtsmacht

Aan de orde is allereerst of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om van het verzoek tot nietigverklaring van het huwelijk kennis te nemen.

Uit artikel 3, lid 1, Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2003 (Brussel II-bis) volgt dat ten aanzien van het verzoek tot nietig verklaring het gerecht bevoegd is van de lidstaat op het grondgebied waarvan:

a. a) de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben; of

b) zich de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten bevindt, indien een van hen daar nog verblijft; of

c) de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft; of

d) in geval van een gemeenschappelijk verzoek, zich de gewone verblijfplaats van een van de echtgenoten bevindt; of

e) zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft;

of

f) zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek

verblijft en hetzij onderdaan van de betrokken lidstaat is, hetzij, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, daar zijn „domicile” (woonplaats) heeft;

g) beide echtgenoten de nationaliteit bezitten of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, waar beide echtgenoten hun „domicile” (woonplaats) hebben.

De man beroept zich op artikel 3 lid 1, onder f van Brussel II-bis. De rechtbank stelt vast dat de vrouw in [buitenland] woont en dat de man ten tijde van het verzoek net zes maanden in het BRP in Nederland stond ingeschreven en dat dit dus ook het enige artikellid is op grond waarvan rechtsmacht voor de Nederlandse rechter zou kunnen ontstaan. Bepalend daarbij is echter niet alleen de inschrijving in het BRP, maar ook de vraag of de man gedurende deze zes maanden zijn gewone verblijfsplaats in Nederland heeft gehad.

De rechtbank dient dit te beoordelen aan de hand van de door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen gehanteerde definitie voor het begrip ‘gewone verblijfplaats’: de plaats waar de betrokkene het permanente centrum van zijn of haar belangen heeft gevestigd met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen, waarbij voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats rekening moet worden gehouden met de feitelijke omstandigheden die voor dat begrip bepalend zijn.

Op grond van de door de man gepresenteerde feiten is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat de gewone verblijfplaats van de man niet in Nederland is gelegen. De man heeft de rechtbank er niet van overtuigd dat de man zijn permanente centrum van belangen in Nederland heeft gevestigd met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen.

Daarvoor is het volgende redengevend.

De vrouw woont in [buitenland] . Uit het uittreksel uit het BRP blijkt dat de man sinds [datum] in [plaats] staat ingeschreven. De man heeft daarvoor, blijkens de door hem overgelegde uitschrijving uit het BRP, vanaf [datum] in [buitenland] gewoond. De man onderbouwt in zijn verzoekschrift niet dat zijn gewone verblijfplaats in Nederland is gelegen. Hij wijst enkel op zijn inschrijving in het BRP en de termijn van zes maanden. Een inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie is echter slechts één van de feitelijke omstandigheden waarbij kan worden aangeknoopt wanneer het de definitie van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ betreft en is geen doorslaggevende omstandigheid (ECLI:NL:GHARL:2018:10183). Daarom heeft de rechtbank de man op de zitting gevraagd naar zijn intenties met betrekking tot zijn verblijf in Nederland en zijn vertrek uit [buitenland] . De man verklaart ter zitting hierover dat hij naar Nederland is teruggekeerd omdat zijn inmiddels overleden moeder ziek was. De man geeft ter zitting aan dat het zijn intentie is om hier te blijven, dat hij de zorg draagt over zijn vader en dat hij economisch gezien geen bestaansrecht had in [buitenland] omdat hij geen verblijfsvergunning had.

In de schriftelijke reactie van mr. Garnett van 21 januari 2020 naar aanleiding van de door de vrouw ingebrachte stukken over de echtscheidingsprocedure in [buitenland] , blijkt echter een ander standpunt dat niet alleen haaks staat op de verklaringen van de man ter zitting, maar ook feiten vermeldt die de man niet eerder onder de aandacht van de rechtbank heeft gebracht. De man blijkt namelijk over de [buitenlandse] nationaliteit en bijbehorend paspoort te beschikken. Dit feit heeft de man in zijn verzoekschrift niet vermeld. De man stelt daar namelijk dat de vrouw over de [buitenlandse] en [buitenlandse] nationaliteit beschikt en hij (slechts) over de Nederlandse. De man kent in zijn verzoekschrift, net als hij ter zitting doet, betekenis toe aan de lastige positie waarin hij verkeerde doordat hij in [buitenland] in de problemen kwam met het niet verkrijgen van een verblijfsvergunning. Nog daargelaten dat de man daarvan geen stukken heeft overgelegd, moet de rechtbank vaststellen dat de door man gestelde verblijfrechtelijke problemen van de man in [buitenland] gerelativeerd moeten worden omdat hij al enige tijd over de [buitenlandse] nationaliteit beschikt. Daarmee is dus eens te meer onduidelijk geworden waarom de man [buitenland] heeft verlaten en wat zijn intenties zijn in Nederland. Wat in dit verband ook niet in het voordeel van de man spreekt, is het feit dat de man in zijn verzoekschrift (ook) onvermeld heeft gelaten dat in [buitenland] een echtscheidingsprocedure gaande was van het huwelijk waarvan de man nu nietigverklaring vraagt op grond van door hem gestelde feiten en omstandigheden die niet pas na de echtscheidingsprocedure zijn gerezen.

De vrouw heeft stukken overgelegd waaruit het bestaan van deze procedure volgt en waaruit blijkt dat inmiddels ook de echtscheiding van het huwelijk is uitgesproken. De man heeft ter zitting geen overtuigende verklaring gegeven waarom hij bij zijn verzoek de rechtbank niet heeft geïnformeerd over het bestaan van deze procedure en waarom hij zich niet in [buitenland] op de nietigheid van zijn huwelijk heeft beroepen. Uit de later ingekomen stukken lijkt de man zich op het standpunt te stellen dat hij niet op de hoogte was van het bestaan van deze echtscheidingprocedure en dat de vrouw snel deze procedure zou zijn gestart toen de man onderhavige procedure in Nederland al had gestart. De rechtbank gaat daar bij gebrek aan bewijsstukken niet in mee. Wat de rechtbank in de ter beschikking staande stukken leest is dat er sprake zou zijn van een omvangrijk echtscheidingsvonnis van meer dan duizend pagina’s. De rechtbank heeft daar slechts een zeer summier deel van. Uit de overlegde stukken valt niet op te merken wanneer deze procedure is gestart, terwijl uit de wel beschikbare stukken valt af te leiden dat er een verhoor zou zijn geweest en dat namens de man eisen zijn geformuleerd die blijkens het vonnis zijn geweigerd.

De rechtbank moet dan ook vaststellen dat zij door de man niet van meet af aan volledig en juist geïnformeerd wordt en dat daardoor het vermoeden rijst dat het verblijf van de man in Nederland specifiek samenhangt met zijn wens om in Nederland een procedure te starten. De man benadrukt ter zitting ook dat hij wel zes maanden in Nederland ingeschreven moest staan om een procedure te kunnen starten, dus kennelijk was dit ook een voornaam doel voor zijn verblijf van meet af aan. Daarbij komt ten slotte dat de man in zijn schriftelijke reactie na de zitting aangeeft dat hij het plan had en heeft om in [buitenland] een ecologisch toeristenproject op te zetten. Alle voorgaande feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat de man er niet in geslaagd is aannemelijk te maken dat zijn gewone verblijfplaats in Nederland is gelegen.

Ingevolge artikel 7 van Brussel II-bis wordt in elke lidstaat de bevoegdheid beheerst door de wetgeving van die lidstaat indien geen gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3,4 en 5 bevoegd is. Naar het oordeel van de rechtbank kan de Nederlandse rechter ook aan de relevante artikelen uit het wetboek van Burgerlijke rechtsvordering, meer in het bijzonder artikel 9, geen rechtsmacht ontlenen. Nog daargelaten dat de man daar geen expliciet beroep op doet, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de man zich kenmerkt door een grotere mate van verbondenheid met de [buitenlandse] rechtssfeer dan met die van Nederland en dat onvoldoende gesteld of gebleken is dat in [buitenland] geen behoorlijke rechtsgang mogelijk is. Kortom, de rechtbank gaat er vanuit dat de man, zoals hij ter zitting heeft aangegeven, in [buitenland] zijn grieven terzake de gestelde bigamie en nietigheid van het huwelijk onder de aandacht zal brengen van de hoger beroepsrechter in het kader van de echtscheidingsprocedure.

De rechtbank zal zich onbevoegd verklaren om van het verzoek van de man kennis te nemen.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart zich onbevoegd van het verzoek kennis te nemen.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.L. Wijnen, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 6 maart 2020.

Conc: mja

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op
andere wijze bekend is geworden.