Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:2240

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-04-2020
Datum publicatie
20-04-2020
Zaaknummer
C/01/325513 / HA ZA 17-625
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verdeling nagekomen goed; verbeurdverklaring aandeel; revisierente. Geen opzettelijk verzwijgen of verborgen houden. Geen oneerlijk handelen van de man in de zin van oogmerk om andere deelgenoot te benadelen. Alsnog verdelen. Geen rekening gehouden met revisierente

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

zaaknummer / rolnummer: C/01/325513 / HA ZA 17-625

Vonnis van 15 april 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. H.C.M. Schaeken te Eersel ,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. D.P.M.G. van den Boom te Tilburg.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 29 november 2017;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 3 juli 2018;

  • -

    de akte uitlating van de vrouw van 26 september 2018;

  • -

    de akte houdende uitlating van de man van 26 september 2018;

  • -

    de akte uitlaten producties van de man van 3 januari 2019;

  • -

    de antwoordakte van de vrouw van 13 februari 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gewezen echtgenoten. Op 28 februari 2011 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De beschikking is op 7 maart 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [woonplaats 2] .

2.2.

Partijen waren in gemeenschap van goederen getrouwd. In februari 2010 zijn zij feitelijk gescheiden gaan wonen. Bij echtscheidingsconvenant, door partijen beiden ondertekend op 14 februari 2011, hebben partijen afspraken gemaakt over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

2.3.

Partijen hebben gedurende het huwelijk een beleggingsverzekering afgesloten bij ASR Levensverzekering N.V. te Utrecht (hierna: ASR) onder nummer [kenmerk] . De man heeft na de echtscheiding de betaling van de jaarlijkse premie voor deze verzekering,
€ 1.700,00, tot op heden voortgezet.

2.4.

Deze beleggingsverzekering is afgesloten op 10 maart 2003 en loopt tot 10 juni 2025. Het betreft een combinatie van een overlijdensrisicoverzekering die bij overlijden van de man aan de vrouw een maandelijkse uitkering verschaft van € 875,00, uiterlijk tot 1 september 2020, en een kapitaal- annex lijfrenteverzekering die bij leven van de man tot uitkering komt op 10 juni 2025.

2.5.

Omstreeks 2015 / 2016 is de vrouw naar eigen zeggen bekend geraakt met het bestaan van deze beleggingsverzekering.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De vrouw vordert in conventie, kort weergegeven, te bepalen dat de man zijn aandeel in de beleggingsverzekering met nummer [kenmerk] aan de vrouw heeft verbeurd op voet van het bepaalde in artikel 3:194 lid 2 BW, subsidiair te bepalen dat de man gehouden is aan de vrouw 50% te voldoen van het door de man op 10 juni 2025 te ontvangen lijfrentekapitaal, meer subsidiair de man te veroordelen aan de vrouw te betalen € 3.472,92, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 februari 2010, of 7 maart 2011, of de datum van uitbrengen van de dagvaarding, en de man te veroordelen in de kosten van de procedure of de proceskosten te compenseren.

3.2.

De vrouw legt hieraan ten grondslag dat de genoemde beleggingsverzekering buiten de verdeling van de huwelijksgemeenschap is gebleven die partijen in hun echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen. Zij stelt dat zij met het bestaan van deze verzekering niet bekend was en dat de man deze opzettelijk heeft verzwegen of verborgen heeft gehouden. Zij vindt om die reden dat de man zijn aandeel in de beleggingsverzekering daarmee heeft verbeurd. Wanneer de rechtbank haar niet volgt in dat standpunt dan is in de ogen van de vrouw sprake van een overgeslagen goed dat alsnog moet worden verdeeld. Volgens haar moet in dat geval de beleggingsverzekering worden voortgezet tot de overeengekomen datum – 10 juni 2025 – waarna de man de vrouw de helft moet betalen van het op dat moment van ASR te ontvangen bedrag, waarbij de man zolang de bedoelde einddatum nog niet is bereikt, de jaarlijkse premie van € 1.700,00 moet blijven betalen. Meer subsidiair vindt de vrouw dat moet worden aangehaakt bij de verdelingsafspraken uit het echtscheidingsconvenant en maakt zij aanspraak op de helft van de afkoopwaarde per de overeengekomen peildatum van 11 februari 2010.

3.3.

De man heeft verweer gevoerd.

in voorwaardelijke reconventie

3.4.

De man vordert in reconventie, voor het geval de rechtbank oordeelt dat de polis niet uit hoofde van het convenant als tussen partijen verdeeld moet worden beschouwd, de vrouw te veroordelen tot betaling van € 1.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 17 mei 2010 of de datum van dagvaarding, en € 272,25 buitengerechtelijke incassokosten.

3.5.

De vrouw voert verweer.

3.6.

De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover relevant.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

In conventie draait het om de beleggingsverzekering. Tussen partijen staat niet ter discussie dat deze verzekering tijdens het huwelijk is afgesloten en dat zij dus onderdeel is van de huwelijksgemeenschap die tussen partijen heeft bestaan. Ook staat vast dat deze beleggingsverzekering ten tijde van het uiteen gaan van partijen in 2010, of bij de echtscheiding in 2011, niet expliciet betrokken is bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap zoals opgenomen in het echtscheidingsconvenant (productie 1 bij conclusie van antwoord).

Na de echtscheiding heeft de man de verzekering tot heden voortgezet. Hij heeft ook jaarlijks de premie van € 1.700,00 betaald. Het geschil tussen partijen gaat erom wat er nu met deze verzekering en de waarde die deze vertegenwoordigt moet gebeuren.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de volledige verzekering aan haar toekomt. Mocht de rechtbank dat afwijzen, dan maakt zij aanspraak op de helft van de op termijn van de verzekeringsmaatschappij ASR te ontvangen uitkering of op de helft van de afkoopwaarde daarvan ten tijde van de echtscheiding. De man is het niet met de vrouw eens dat de beleggingsverzekering in haar geheel aan haar zou moeten toekomen omdat hij het bestaan ervan bij de afspraken over de financiële afwikkeling tussen partijen zou hebben verzwegen. Daarnaast stelt hij zich op het standpunt dat in het echtscheidingsconvenant partijen elkaar finale kwijting hebben verleend. De vrouw heeft volgens hem om die reden uit hoofde van de huwelijksgemeenschap die tussen hen heeft bestaan niets meer van hem te vorderen.

De rechtbank is van oordeel dat (de waarde van) de beleggingsverzekering alsnog tussen partijen moet worden verdeeld. Hierna gaat de rechtbank nader in op de redenen voor dat oordeel en de vraag hoe die verdeling eruit moet zien.

Heeft de vrouw belang?

4.2.

De man stelt zich op het standpunt, tenminste, zo begrijpt de rechtbank, dat de vrouw geen belang heeft bij haar vorderingen omdat de kinderen van partijen in april 2010 als begunstigden zijn aangewezen, dat was tenminste de bedoeling. Bij overlijden van de man ontvangen dus de kinderen een lijfrente-uitkering, en niet de vrouw.
De rechtbank kan de man in deze visie niet volgen. De polis geeft de vrouw bij overlijden van de man een recht op een maandelijkse uitkering van € 875,00 tot 25 september 2020. Bij leven ontvangt de man op 10 juni 2025 een uitkering ineens ter grootte van het bedrag dat dan in de polis is opgebouwd, onder de verplichting daar een lijfrente van te kopen. Wat er gebeurt als de man overlijdt na september 2020, maar vóór 10 juni 2025 is niet duidelijk. De informatie daarover van ASR (productie 1 bij akte van de vrouw van 26 september 2018) is niet geheel duidelijk, maar de rechtbank houdt het ervoor dat in dat geval de verzekering stopt en dat dan de actuele waarde van de beleggingen aan de nabestaanden van de man worden uitgekeerd. Naar de rechtbank begrijpt uit de brief van ASR van 28 september 2016 (productie 5 van de man) is de wijziging van de begunstiging in april 2010 ten onrechte doorgevoerd en door ASR ongedaan gemaakt.

De rechtbank concludeert uit een en ander dat de polis ten tijde van de echtscheiding van partijen, en ook nu nog, wel degelijk een vermogenswaarde vertegenwoordigde. De vrouw heeft dan ook nog steeds een voldoende te respecteren belang bij haar vorderingen.

Heeft de man zijn aandeel in de beleggingsverzekering verbeurd?

4.3.

Partijen zijn als (gewezen) echtgenoten deelgenoten, ieder voor de helft, in de huwelijksgoederengemeenschap die tussen hen heeft bestaan en dus ook deelgerechtigd in de vermogensbestanddelen die tot die gemeenschap behoren. De aanspraak van de vrouw op de gehele beleggingsverzekering berust op het bepaalde in artikel 3:194 lid 2 BW. Op basis van dit artikel verbeurt de deelgenoot, die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten. Deze bepaling strekt ertoe oneerlijk gedrag van de deelgenoten tegenover elkaar te ontmoedigen, omdat in rechtsverhoudingen waar die bepaling betrekking op heeft de deelgenoten in de regel in hoge mate van elkaar afhankelijk zijn van de juistheid en volledigheid van de over en weer door hen verschafte inlichtingen over het bestaan van tot de gemeenschap behorende goederen (HR 31 maart 2017, NJ 2017, 254). Oneerlijk gedrag omvat méér dan handelen of nalaten met de bedoeling de andere partij te benadelen, zo blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3262. Tegelijkertijd moet niet uit het oog worden verloren dat de regel van artikel 3:194 lid 2 BW een zware sanctie bevat voor degene wiens aandeel verbeurd wordt verklaard. Het is daarom belangrijk de situatie waar dit artikel op ziet duidelijk te onderscheiden van het geval dat bij de verdeling een bestanddeel over het hoofd is gezien, de situatie die is geregeld in artikel 3:179 BW en die alleen tot gevolg heeft dat daarvan een nadere verdeling kan worden gevorderd.

4.4.

De vrouw beroept zich op de werking van de regel van artikel 3:194 BW en daarmee is het aan haar om voldoende feiten en omstandigheden naar voren te brengen waaruit, als deze in rechte komen vast te staan, de rechtbank de conclusie moet kunnen trekken dat de man in dit geval inderdaad oneerlijk tegenover de vrouw heeft gehandeld zoals in artikel 3:194 lid 2 bedoeld.

4.5.

De vrouw heeft daarvoor gesteld dat zij niet bekend was met het bestaan van de beleggingsverzekering, dat de man in april 2010, buiten de vrouw om, aan ASR gevraagd heeft om een wijziging door te voeren in de begunstiging die op naam van de vrouw stond en dat de man de verzekering na de echtscheiding in 2011 heeft voortgezet en de premie heeft betaald. De vrouw zegt daarmee impliciet dat de man destijds het bestaan van de beleggingsverzekering wèl kende. De man heeft dit niet weersproken, maar stelt daar tegenover dat de vrouw bekend was met de beleggingsverzekering of dat in ieder geval kon zijn. Van verzwijgen of verborgen houden van de polis is naar zijn mening geen sprake geweest. De vrouw is indertijd, in 2003, aanwezig geweest bij het gesprek waarin de verzekering is afgesloten. De man heeft een verklaring van die strekking overgelegd van [naam] , de toenmalige verzekeringsagent van partijen (productie 3 van de man). De vrouw heeft, volgens de man, de polis indertijd ook gezien. De post van partijen werd op hun woonadres bezorgd en altijd door de vrouw open gemaakt en gelezen, ook de post van de man. Bovendien had de vrouw tijdens het huwelijk toegang tot alle bankrekeningen van partijen, ook via internet, en tot de bankafschriften. De polis was opgeborgen in een map waarin alle verzekeringspolissen waren opgeborgen. Deze map stond in de woning en de vrouw had daar volledig toegang toe. Zij heeft uit deze map ook stukken gekopieerd voor de voorbereiding van de echtscheiding. Tenslotte heeft de man erop gewezen dat van de verzekering ook melding wordt gemaakt in de aangifte IB 2009 van de man (productie 2 van de man). De vrouw had daarover de beschikking.

4.6.

De rechtbank is van oordeel dat de door de vrouw naar voren gebrachte feiten en omstandigheden niet voldoende zijn om daaruit te kunnen afleiden dat er sprake is geweest van het op een oneerlijke manier door de man verzwijgen of verborgen houden van het bestaan van de beleggingsverzekering. Daarvoor is niet alleen van belang dat de man zich ten tijde van het uiteen gaan van partijen of ten tijde van het afsluiten van het convenant kennelijk wèl wist van het bestaan van de beleggingsverzekering en de vrouw niet. Het gaat er ook om of de man zich dat op dat moment ook heeft gerealiseerd en zich tevens ervan bewust was, of redelijkerwijs had moeten zijn, dat die verzekering een vermogenswaarde vertegenwoordigde die bij de verdeling moest worden betrokken. Hierbij is in aanmerking genomen dat van een opzettelijk handelen als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW eerst sprake is indien het verzwijgen, zoekmaken of verborgen houden geschiedt met het oogmerk om de rechten van deelgenoten (hier: de vrouw) te verkorten.

De vrouw heeft de stellingen van de man waaruit naar voren komt dat informatie over de beleggingsverzekering gedurende het huwelijk gewoon voor haar beschikbaar was niet weersproken. Dat zij gedurende het huwelijk in financiële aangelegenheden veel aan de man overliet, maakt dat niet anders. De vrouw heeft aangegeven dat zij ten tijde van het uiteen gaan van partijen en het afsluiten van het convenant nog niet beschikte over de aangifte IB 2009 van de man. De vrouw heeft verder niet toegelicht wanneer zij die aangifte wel heeft gekregen. Zij heeft op dat moment kennelijk ook geen aanleiding gevonden om, toen zij die aangifte wèl had, de man te vragen naar de beleggingsverzekering.

Daar komt bij dat de beleggingsverzekering een tweeledig karakter heeft. Ter comparitie heeft de man verklaard dat de beleggingsverzekering allereerst was bedoeld als overlijdensrisicoverzekering zodat de vrouw met de kinderen, mocht hij komen te overlijden, in de woning kon blijven wonen omdat zij in dat geval een maandelijkse uitkering van de verzekering zou krijgen. In de tweede plaats was de verzekering bedoeld om iets voor de kinderen te hebben. Bij leven zou er op het moment dat de hypotheek op de woning nagenoeg zou zijn afgelost – september 2020 – een spaarpotje worden opgebouwd dat bij uitkering voor de kinderen was bestemd. Voor zover de rechtbank dat kan nagaan – de in de akte van de man van 2 januari 2019 opgenomen aanvraag tot wijziging van de begunstiging van april 2010 is moeilijk leesbaar – lijkt de wijziging alleen betrekking te hebben op de wijziging van de begunstiging voor de overlijdensrisicoverzekering. In het licht van de (voorgenomen) afspraken van partijen waarbij de man de woning en de hypotheekschuld zou overnemen is dit ook geen onlogische of onredelijke beslissing. De vrouw zou immers uit de hoofdelijke aansprakelijkheid worden ontslagen en er is niet gebleken dat er aan haar kant na de echtscheiding nog enig reëel belang bij het in stand laten van de overlijdensrisicoverzekering bestond.

De rechtbank kan daarom op basis van de door de vrouw verstrekte gegevens niet uitsluiten dat partijen zich geen van beiden hebben gerealiseerd dat de ASR polis ook een beleggingsverzekering was die een vermogenswaarde vertegenwoordigde die bij de verdeling moest worden betrokken. Onder die omstandigheden is er geen ruimte om te oordelen dat de man de sanctie van artikel 3:194 lid 2 BW over zich heeft afgeroepen.

De door artikel 3:194 lid 2 bedoelde opzet kan niet al worden aangenomen indien de desbetreffende deelgenoot (hier: de man) (niet wist, maar wel) behoorde te weten dat het verzwegen goed tot de huwelijksgoederengemeenschap van partijen behoorde. Dit deel van de vordering van de vrouw zal de rechtbank daarom afwijzen.

De kwijtingsbepaling

4.7.

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw in het geheel geen aanspraak kan maken op de waarde die de beleggingsverzekering vertegenwoordigt. Hij beroept zich op de kwijtingsbepaling die is opgenomen onder punt 26 van het echtscheidingsconvenant. Deze bepaling luidt als volgt:

Door bovenstaande verdeling is de boedel naar wederzijds genoegen gedeeld. Geen van partijen heeft daarom aanspraak op enige uitkering wegens onderbedeling behoudens indien hierboven anders is bepaald. Partijen verlenen elkaar finale kwijting, zodat zij niets meer van elkaar te vorderen hebben behoudens nakoming van deze overeenkomst”.

De vrouw heeft erop gewezen dat de beleggingsverzekering niet bij de financiële afwikkeling aan de orde is geweest, zodat het convenant daarop niet van toepassing is.

4.8.

Hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

De rechtbank kijkt dan in de eerste plaats naar de aard van het beding. Kwijting is in beginsel niet meer dan de verklaring dat betaling heeft plaats gevonden en daarin ligt niet zonder meer een kwijtschelding besloten in de zin van een afstand om niet zoals bedoeld in artikel 6:160 lid 2 BW. Het convenant – en dus ook de daarin opgenomen kwijtingsbepaling – ziet op de verdeling van de huwelijksgemeenschap zoals in het convenant onder punt 0.5 omschreven en aangeduid als “de boedel”. De beleggingspolis bij ASR wordt daarin niet vermeld.

De stellingen van de man bieden daarnaast geen enkel concreet aanknopingspunt waaruit kan worden afgeleid dat partijen bij het opstellen of later bij het vaststellen van het convenant over en weer uitdrukkelijk afstand hebben gedaan van eventuele andere, niet in het convenant opgenomen rechten die zij jegens elkaar kunnen ontlenen aan de huwelijksgemeenschap waarin zij waren getrouwd, of dat zij door middel van een vaststellingsovereenkomst iedere (toekomstige) onzekerheid op dat punt hebben willen uitsluiten.

De rechtbank kan de man dan ook niet volgen in zijn uitleg van het convenant, en, meer in het bijzonder, de kwijtingsbepaling. Dat betekent dat de beleggingsverzekering moet worden aangemerkt als een overgeslagen goed in de zin van artikel 3:179 lid 2 BW. De vrouw kan daarvan alsnog verdeling vorderen wat zij, zo begrijpt de rechtbank uit punt 14 van de dagvaarding, ook heeft gevorderd.

4.9.

Partijen verschillen van mening over de manier waarop de polis zou moeten worden verdeeld. De vrouw wil allereerst dat de verzekering op de bestaande polis wordt voortgezet, dat de man de jaarlijkse premies blijft betalen en dat hij wordt veroordeeld om, als de einddatum is bereikt op 10 juni 2025, de helft van de dan opgebouwde en uit te keren waarde aan haar uit te betalen.

Het ontgaat de rechtbank op welke grond de man jegens de vrouw gehouden zou zijn ook na de echtscheiding en de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap de premiebetaling mede te haren gunste voort te zetten om de vrouw vervolgens te laten delen in het aldus na de echtscheiding door hem opgebouwde vermogen. De vrouw heeft daar verder ook niets voor aangevoerd. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom afwijzen.

4.10.

Subsidiair stelt de vrouw voor de verdeling vast te stellen op basis van dezelfde uitgangspunten als partijen in het convenant hebben gehanteerd. Aan ieder van partijen komt dan de helft toe van de afkoopwaarde van de verzekering op de peildatum zoals partijen die zijn overeengekomen, te weten 11 februari 2010. De vrouw stelt deze afkoopwaarde op € 6.845,84 bruto, zodat aan ieder van hen zou toekomen € 3.472,92.

De man heeft de door de vrouw gestelde afkoopwaarde niet betwist, maar heeft erop gewezen dat over de afkoop moet worden afgerekend met de fiscus en dat ook rekening moet worden gehouden met de door de fiscus in rekening gebrachte revisierente (punt 12 t/m 16 conclusie van antwoord). Volgens zijn berekening zou het netto aandeel van de vrouw ten tijde van het convenant circa € 1.300,00 hebben bedragen.

4.11.

De rechtbank overweegt dat de verzekering – naast overlijdensrisicoverzekering – ook een kapitaalverzekering is met als voorwaarde dat met de uitkering op de einddatum een lijfrente moet worden gekocht. Over de te betalen premie wordt een belastingvoordeel genoten waartegenover staat dat aan het eind van de looptijd met de fiscus moet worden afgerekend. Naar vaste rechtspraak moet bij een verdeling met deze toekomstige belastingschuld rekening worden gehouden. Wanneer wordt verdeeld op basis van de afkoopwaarde op de peildatum wordt uitgegaan van de fictie dat op dat moment met de belastingdienst wordt afgerekend naar de op dat moment geldende belastingregels. De rechtbank verwijst naar de rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:281 in samenhang met ECLI:NL:HR:2006:AU6095). De rechtbank houdt rekening met – fictief verschuldigde – Inkomstenbelasting van 52%, maar niet met de revisierente. Anders dan geldt ten aanzien van de Inkomstenbelasting, die onvermijdelijk bij afkoop of bij uitkering van de periodieke lijfrenteuitkeringen verschuldigd wordt, is revisierente immers alleen verschuldigd bij daadwerkelijke tussentijdse afkoop van de polis.

Partijen zijn het erover eens dat moet worden uitgegaan van de afkoopwaarde per 11 februari 2010. Rekening houdend met een latente belastingschuld van 52% van dit bedrag blijft te verdelen over een netto-bedrag van € 3.286,00 (6.845.84 minus € 3.559,83). De rechtbank zal de polis toedelen aan de man onder de verplichting aan de vrouw een bedrag te betalen van € 1.643,00 (€ 3.286,00 : 2).

Voor toekenning van wettelijke rente is pas reden als de verdeling is vastgesteld en de man vervolgens in verzuim blijft het aan de vrouw toekomende te betalen. De rechtbank zal in de zin beslissen.

in (voorwaardelijke) reconventie.

Verrekening geldopname door de vrouw

4.12.

De man vordert in reconventie, voor het geval de rechtbank oordeelt dat de in conventie aan de orde zijnde polis niet uit hoofde van het convenant als tussen partijen verdeeld moet worden beschouwd, dat de vrouw aan hem een bedrag betaalt van € 1.500,00. Het gaat om de helft van een bedrag van € 3.000,00 dat de vrouw op 5 mei 2010 heeft opgenomen van de spaarrekening van partijen. Volgens de man is dit bedrag niet tussen partijen verrekend; volgens de vrouw is dit bedrag indertijd wel in de afrekening tussen partijen betrokken. De man heeft destijds zelf een bedrag van € 5.000,00 opgenomen van een aan partijen gezamenlijk toebehorende rekening bij Allianz. Ook met deze geldopname is indertijd rekening gehouden.

4.13.

De rechtbank komt toe aan de beoordeling en beslissing van de vordering in reconventie, nu aan de voorwaarde waaronder deze is ingesteld, gelet op al het in conventie overwogene, is voldaan.

4.14.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de vordering in reconventie dat in het convenant is uitgegaan van de peildatum van 11 februari 2010. In het convenant zijn de bank- en spaarrekeningen van partijen genoemd die in de verdeling zijn betrokken en de saldi waarmee bij de verdeling rekening is gehouden. Daaruit valt niet op te maken in hoeverre wel of niet rekening is gehouden met het door de vrouw na de peildatum opgenomen geldbedrag. De door de vrouw overgelegde opstelling van haar toenmalige advocaat sluit niet aan op de genoemde saldi en het is ook niet duidelijk geworden of dit een berekening is die indertijd met de man en zijn adviseurs is gedeeld. De rechtbank hecht daar dan ook geen betekenis aan. Wel valt uit de door de man overgelegde emailcorrespondentie van mei 2010 (productie 7 van de man) op te maken dat partijen een discussie hadden waarin de man erop heeft gewezen dat de vrouw een opgenomen geldbedrag zou moeten terug storten. Partijen hebben pas in februari 2011 het echtscheidingsconvenant getekend met daarin een kwijtingsbeding (punt 26 van het convenant). Dat echtscheidingsconvenant is het uiteindelijke resultaat van de onderhandelingen die partijen met elkaar hebben gevoerd over de (financiële) afwikkeling van hun huwelijksgoederengemeenschap en het ligt dan ook voor de hand om aan te nemen dat, gezien de eerdere discussie van partijen, het door de vrouw opgenomen geldbedrag daarin is meegenomen. Het had dan ook op de weg van de man gelegen om nader toe te lichten en met concrete feiten te onderbouwen dat dit toch niet het geval is geweest. De man heeft dit niet gedaan. De man heeft zijn vordering daarmee niet met voldoende feitelijke en juridische argumenten onderbouwd. De rechtbank zal deze daarom afwijzen. Aan bewijslevering komt de rechtbank niet toe.

in conventie en reconventie

proceskostenveroordeling

4.15.

De man wil dat de vrouw wordt veroordeeld in de volledige kosten die hij voor deze procedure heeft moeten maken. Hij vindt dat zij volstrekt nodeloos een procedure is gestart en hem daarmee voor hoge kosten heeft gesteld.

De rechtbank overweegt dat plaats kan zijn voor integrale vergoeding van proceskosten indien sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM (HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828).

Er zijn in deze zaak geen omstandigheden gesteld en/of gebleken waaruit volgt dat sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door de vrouw in voormelde zin. Zoals hiervoor onder punt 4.1 overwogen heeft de vrouw wel degelijk een gerechtvaardigd belang bij deze procedure.

Partijen zijn gewezen echtgenoten. De rechtbank ziet daarin reden de proceskosten tussen hen te compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

5 Beslissing

De rechtbank beslist als volgt:

in conventie

5.1.

stelt de (wijze van) verdeling van de beleggingsverzekeringspolis bij ASR Levensverzekering N.V. te Utrecht (hierna: ASR) onder nummer [kenmerk] vast als volgt:
- deelt deze polis toe aan de man onder de verplichting aan de vrouw een bedrag te betalen van € 1.643,00 wegens overbedeling;

5.2.

veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen het bedrag van € 1.643,00, uiterlijk 14 dagen nadat dit vonnis aan hem zal zijn betekend, te vermeerderen met de rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag te rekenen vanaf dag 15 na betekening van dit vonnis;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst de vordering in conventie voor het overige af;

in reconventie

5.5.

wijst de vordering in reconventie af;

in conventie en in reconventie

5.6.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.M. Effting-Zeguers en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2020.