Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:2182

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-03-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
349327 / FA RK 19-3793
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wijziging kinder- en partneralimentatie. Wijziging van omstandigheden aangenomen. Post-relationele redelijkheid en billijkheid staat aan toewijzing van het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie in de weg. De rechtbank rekent voor de draagkracht voor partneralimentatie met een verdiencapaciteit van € 156.000,00 en volgt verzoeker niet dat met een nihil-inkomen moet worden gerekend. Na herberekening van de partneralimentatie komt de rechtbank tot de conclusie dat er geen sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden, zodat ook het verzoek tot verlaging van de partneralimentatie wordt afgewezen. Verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2020/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/349327 / FA RK 19-3793

Uitspraak : 12 maart 2020

Beschikking betreffende alimentatie in de zaak van

[man] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. L.M. Bakker,

tegen

[vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. M. van Vliet,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de man en de vrouw.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

  • -

    het verzoekschrift van de man (met bijlagen), ontvangen ter griffie op 6 augustus 2019;

  • -

    het verweerschrift van de vrouw;

- de correspondentie, waaronder met name:

  • -

    een F9-formulier (met bijlagen) van mr. Bakker van 7 augustus 2019;

  • -

    een F9-formulier (met bijlagen) van mr. Bakker van 29 januari 2020;

  • -

    een F9-formulier (met bijlagen) van mr. Van Vliet van 30 januari 2020;

  • -

    een F9-formulier (met bijlagen) van mr. Bakker van 2 februari 2020;

  • -

    een F9-formulier (met bijlagen) van mr. Van Vliet van 3 februari 2020

  • -

    een F9-formulier (met bijlagen) van mr. Bakker van 12 februari 2020.

1.2.

De zaak is behandeld ter zitting van 13 februari 2020. Verschenen zijn partijen en hun advocaten.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 29 december 2017 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 21 mei 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van partijen zijn de volgende minderjarigen geboren:

  • -

    [minderjarige 1] , te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

  • -

    [minderjarige 2] te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ;

  • -

    [minderjarige 3] te [geboorteplaats] op [geboortedatum] .

2.3.

Bij beschikking van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 11 april 2019 is de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand bepaald op € 2.715,00 per maand en de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van diezelfde datum op € 538,00 per kind per maand.

2.4.

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de partneralimentatie per vandaag € 2.782,88 per maand en de kinderalimentatie € 551,45 per kind per maand.

3 Het verzoek en verweer

3.1.

De man verzoekt de rechtbank om, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 11 april 2019 te wijzigen voor zover daarbij de kinder- en partneralimentatie is vastgesteld. De man verzoekt de rechtbank om de kinderalimentatie met ingang van 31 mei 2019, althans de datum van het inleidende verzoekschrift, te wijzigen naar € 17,00 per kind per maand, althans op een zodanig bedrag en per zodanige datum als de rechtbank in goede justitie meent te behoren.

Verder verzoekt de man de rechtbank om over de partneralimentatie:

primair te bepalen dat de alimentatieverplichting van de man is geëindigd, dan wel wordt gelimiteerd, dan wel op nihil wordt gesteld per 31 mei 2019 dan wel per datum indiening van het verzoekschrift, dan wel per een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie juist acht;

subsidiair te bepalen dat de alimentatieverplichting van de man na een jaar vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift wordt beëindigd, gelimiteerd dan wel op nihil wordt gesteld, waarbij de alimentatie gedurende dat jaar, dan wel gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn, wordt gewijzigd naar een bedrag van
€ 0,00 per maand, althans na een zodanige termijn en op een zodanig bedrag en per zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

meer subsidiair te bepalen dat de partneralimentatie per 31 mei 2019 dan wel per datum indiening van het verzoekschrift wordt bepaald op nihil, althans op een zodanig bedrag en per zodanige datum als de rechtbank in goede justitie meent te behoren.

3.2.

De vrouw voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de verzoeken met veroordeling van de man in de werkelijke proceskosten aan haar zijde van € 3.500,00.

4 De beoordeling

Wijziging van omstandigheden

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de echtelijke woning is verkocht op [datum] en dat uit de overwaarde die daarbij beschikbaar kwam schulden zijn afgelost. Dit zijn gewijzigde omstandigheden. De man kan worden ontvangen in zijn verzoeken.

4.2.

De vrouw heeft aangevoerd dat de hiervoor genoemde en de andere door de man aangevoerde gewijzigde omstandigheden niet rechtens relevant zijn. De rechtbank zal dat hierna beoordelen. Mocht de rechtbank dit met de vrouw eens zijn, dan leidt dit, anders dan de vrouw heeft aangevoerd, niet tot niet-ontvankelijkheid maar tot afwijzing van de verzoeken van de man.

Post-relationele redelijkheid en billijkheid

4.3.

De vrouw heeft, naar de rechtbank begrijpt, als meest verstrekkende verweer ter zitting aangevoerd dat de post-relationele redelijkheid en billijkheid die tussen partijen als ex-echtelieden geldt aan toewijzing van de verzoeken van de man in de weg staat. De vrouw heeft daarvoor ter zitting en in de stukken het volgende aangevoerd.

4.4.

De man is na de scheiding vertrokken en heeft haar met de drie kinderen van partijen en een forse huwelijkse schuldenlast achtergelaten. De vrouw heeft, ondanks dat zij een zeer goed salaris genoot, geruime tijd een beroep moeten doen op de voedselbank om zichzelf en de kinderen in leven te houden. Dit vanwege een huwelijkse schuld die afgelost moest worden. De man heeft al die tijd geen financiële bijdrage geleverd aan het gezin. De vrouw en de kinderen hebben emotioneel zwaar geleden onder deze situatie en de gevolgen daarvan merken zij nog altijd. Twee van de drie kinderen gaan op dit moment niet naar school en er is hulpverlening ingezet om hen te ondersteunen. Alle zorg voor de kinderen komt neer op de vrouw. De man wil niets betalen en doet er alles aan om onder zijn verplichtingen uit te komen. De vrouw heeft in dit verband gewezen op een door het hof in zijn beschikking van 11 april 2019 aangehaalde passage uit het vonnis in kort geding dat tussen partijen op 4 oktober 2017 is gewezen. In dit vonnis heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de inhoud van de processtukken en het besprokene ter zitting duiden op betalingsonwil van de man en niet betalingsonmacht. De voorzieningenrechter heeft daarom lijfsdwang gerechtvaardigd geacht. De vrouw stelt dat de man misbruik maakt van het systeem en haar kapot aan het maken is. Zij stelt dat het gedrag van de man respectloos is en dat het niet zo kan zijn dat hij naar Spanje vertrekt en haar met alle problemen die verband houden met de gevolgen van de scheiding achterlaat.

4.5.

De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat de post-relationele redelijkheid en billijkheid aan toewijzing van het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie in de weg staat. Dit geldt niet voor het verzoek tot wijziging van de partneralimentatie. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

4.6.

De man voert aan dat het volledig aflossen van de belastingschuld, mede uit de verkoopopbrengst van de echtelijke woning, een gewijzigde omstandigheid is die wijziging van de kinderalimentatie rechtvaardigt. De rechtbank volgt de man daarin niet. Partijen waren in gemeenschap van goederen gehuwd. Dit betekent onder andere dat zij in beginsel de huwelijkse schulden bij helfte moeten dragen. Het hof heeft vastgesteld in zijn beschikking van 11 april 2019 dat er in ieder geval een belastingschuld was van (toen) ruim € 100.000,00. Ook is in die procedure komen vaststaan dat de vrouw daaraan € 3.000,00 per maand afloste. Uit de inhoud van de stukken blijkt dat de man, via beslag op zijn aandeel in de echtelijke woning, pas na verkoop van die woning € 38.500,00, naar de rechtbank aanneemt inclusief beslagkosten en rente, heeft bijgedragen aan aflossing van deze gezamenlijke schuld. De man heeft dus slechts een deel van deze schuld en minder dan zijn aandeel gedragen. De overige aflossingen en de gevolgen daarvan gedurende maanden op een rij in het dagelijks leven van de vrouw en de kinderen zijn alleen door hen en niet door de man gevoeld. Dat de man nu een beroep doet op het aflossen van deze belastingschuld als reden waarom de kinderalimentatie moet worden gewijzigd, acht de rechtbank dan ook in strijd met de post-relationele redelijkheid en billijkheid die de man jegens de vrouw in acht heeft te nemen.

4.7.

De man voert verder aan dat de woonlasten van de vrouw nu lager zijn dan destijds. Hoewel de man hierin moet worden gevolgd, is dat geen relevante wijziging van omstandigheden in het kader van de kinderalimentatie. Daar wordt immers gerekend met een woonlastencomponent op basis van een forfait. De man heeft niet gesteld dat daarop in deze zaak een uitzondering moet worden gemaakt. Nog daargelaten dat voor een dergelijke uitzondering slechts in hele bijzondere omstandigheden plaats is en deze gesteld noch gebleken zijn. Voor het verzoek tot wijziging van de partneralimentatie is deze omstandigheid wel relevant, zodat de rechtbank hierna deze onderhoudsbijdrage opnieuw zal bepalen.

4.8.

De man heeft, zo begrijpt de rechtbank, ook als wijziging van omstandigheden aangevoerd dat aan zijn zijde de schuldenlast toeneemt. De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist. Zij stelt onder andere dat het geen privé-schulden zijn, maar schulden van de vennootschap van de man. Voor deze schulden is de man niet in persoon aansprakelijk. De man heeft dat onvoldoende gemotiveerd betwist. De enkele stelling dat het wel deels privé-schulden zijn, is daartoe in ieder geval onvoldoende. Ook het overleggen van producties met de enkele toelichting dat daaruit de schulden blijken, voldoet niet aan de op de man rustende stelplicht. De rechtbank kan in rechte dus niet vaststellen dat er aan de zijde van de man schulden zijn ontstaan die reden kunnen zijn voor aanpassing van de kinderalimentatie.

4.9.

Verder heeft de man aangevoerd dat inmiddels vaststaat dat hij zich geen DGA-salaris kan toekennen. Deze wijziging van omstandigheden zou volgens de man moeten leiden tot wijziging van de kinderalimentatie. De rechtbank volgt de man daarin niet. Weliswaar heeft de man een brief van de belastingdienst overgelegd (productie 19) waarin staat dat de belastingdienst voor het jaar 2019 instemt met een loon van nihil, maar met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat dit niets zegt over het inkomen dat de man verdient of zich in redelijkheid kan verwerven. De nihilstelling van het DGA salaris voor 2019 ziet alleen op [naam BV] B.V., terwijl de man meerdere ondernemingen heeft en ook andere activiteiten, zoals verhuurbemiddeling van in ieder geval de woning van zijn moeder ontplooit. Ter zitting heeft de man erkend, dat hij daar enige inkomsten uit geniet. De enkele vaststelling dat voor een van de ondernemingen van de man geen DGA salaris geldt, is daarmee geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden.

4.10.

Tot slot heeft de man aangevoerd dat de vrouw inmiddels huurpenningen ontvangt uit de verhuur van de woning van partijen in [woonplaats] . De rechtbank volgt de man niet in deze stelling gezien het debat ter zitting. De vrouw heeft gesteld dat er weliswaar mensen gebruik maken van de bovenwoning (het bedrijfspand op de begane grond staat leeg), maar dat deze mensen niets betalen. Dit heeft volgens haar te maken met de onderhoudsstatus van het totale pand. Deze slechte onderhoudsstatus heeft de man niet betwist. Bovendien heeft de vrouw onbetwist gesteld dat de bewoners per 1 maart aanstaande het pand zullen verlaten en dat de door haar aangezochte aannemer dan eerst aan de slag moet in de woning, voordat deze verhuurbaar is. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat de vrouw op dit moment geen huurpenningen ontvangt noch kan ontvangen.

4.11.

Gezien het voorgaande concludeert de rechtbank dat er geen rechtens relevante wijzigingen van omstandigheden zijn die nopen tot aanpassing van de eerder bepaalde kinderalimentatie. Dit deel van de verzoeken van de man zal worden afgewezen.

Partneralimentatie

Ingangsdatum en meerdere periodes

4.12.

Voor zover de rechtbank van oordeel is dat de partneralimentatie moet worden gewijzigd, zal de rechtbank allereerst bepalen met ingang van welke datum dat moet gebeuren. Deze datum is bepalend voor het antwoord op de vraag of met meerdere periodes moet worden gerekend, zoals door de vrouw is verzocht ter zitting. De achtergrond achter dit verzoek is dat de vrouw met ingang van 1 mei 2020 een nieuwe woning betrekt, zodat haar woonlasten veranderen.

4.13.

De rechtbank ziet geen aanleiding om bij toewijzing van het verzoek van de man de alimentatie per een eerdere datum dan de beschikkingsdatum te wijzigen. De rechtbank weegt daarbij mee hetgeen hiervoor over de aflossing van de schulden is overwogen in het licht van de post-relationele redelijkheid en billijkheid. Daarnaast volgt de rechtbank de man niet in zijn stelling dat de vrouw er vanaf de datum van het verzoekschrift rekening mee kon houden, nu de man op dat moment geen volledige inzage in zijn financiële situatie heeft gegeven.

4.14.

De rechtbank ziet in de korte periode tussen de ingangsdatum en de datum waarop de vrouw haar nieuwe woning betrekt geen aanleiding om met meerdere periodes te rekenen. De rechtbank zal de alimentatie berekenen uitgaande van de situatie vanaf 1 mei 2020, ook voor de korte periode daarvoor.

Behoefte en behoeftigheid

4.15.

Tussen partijen is niet in geschil dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw € 7.158,00 netto per maand bedraagt. Zij strijden over de vraag of de vrouw behoeftig is.

4.16.

De vrouw heeft onder verwijzing naar de uitspraak van het hof gesteld dat haar netto besteedbaar inkomen € 5.102,00 per maand bedraagt, zodat zij behoeftig is. De man heeft uitsluitend aangevoerd dat de vrouw niet behoeftig is. Zij zou met haar eigen inkomen, huurpenningen en de overwaarde uit de woning in haar eigen levensonderhoud kunnen voorzien, althans nog slechts € 246,00 netto per maand tekort komen. De rechtbank stelt voorop dat hiervoor al is geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat de vrouw huurinkomsten geniet. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het aandeel van de vrouw in de overwaarde (gelijk als het aandeel van de man: € 38.500,00) niet dusdanig is dat hierop dient te worden ingeteerd in het kader van het levensonderhoud. Dat de vrouw dus behoeftig is, staat voor de rechtbank vast. De rechtbank stelt die behoefte vast op € 2.056,00 netto per maand (€ 7.158,00 -/- € 5.102,00). Rekening houdend met de voor de vrouw geldende belastingdruk heeft de vrouw behoefte aan een bijdrage van de man van € 5.236,00 per maand. De berekening met als kenmerk `Behoefte vrouw` is aan deze beschikking gehecht.

Draagkracht man

4.17.

Ter zitting is de draagkracht van de man besproken aan de hand van de door de vrouw als productie 18 overgelegde berekening. De rechtbank zal deze berekening volgen. Op de geschilpunten bij deze berekening zal de rechtbank hierna beslissen.

4.18.

Partijen strijden over de hoogte van het inkomen van de man. De man betoogt dat hij geen inkomsten heeft, zodat er met nul inkomen moet worden gerekend. De vrouw gaat uit van een verdiencapaciteit van € 156.000,00 bruto per jaar, zoals het hof ook heeft aangenomen. De rechtbank volgt de vrouw daarin.

4.19.

Bij het bepalen van iemands draagkracht voor alimentatie komt het niet alleen aan op het inkomen dat wordt verworven. Relevant is ook het inkomen dat iemand geacht moet worden zich in redelijkheid te kunnen verwerven. De man heeft weliswaar gezegd dat hij deze verdiencapaciteit niet heeft, maar deze stelling heeft hij onvoldoende nader geconcretiseerd. Dit klemt te meer nu de vrouw zeer gemotiveerd heeft gesteld dat de man wel degelijk activiteiten ontplooit om inkomen te verwerven, dat hij een luxe leven leidt en dat hij waarschijnlijk toch in ieder geval in 2017 een omzet moet hebben gegenereerd van ruim € 333.000,00 gezien de aanslagen omzetbelasting die blijkens productie 32 van de man open staan. Dat deze aanslagen, die een kenmerk hebben dat begint met 2017, zien op het jaar 2013 zoals de man heeft betoogd, acht de rechtbank zonder nadere concretisering, die ontbreekt, onaannemelijk. De rechtbank volgt de vrouw dus in haar stelling dat de man een verdiencapaciteit heeft van € 156.000,00 bruto per jaar en zal op basis van dit inkomen de draagkracht gaan bepalen.

4.20.

In de berekening van de vrouw zijn geen woonlasten aan de zijde van de man opgenomen. De man heeft daartegen geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank de berekening van de vrouw zal volgen.

4.21.

Anders dan de vrouw doet, zal de rechtbank wel rekening houden met de door de man te betalen premie ziektekostenverzekering. Weliswaar heeft de man ter zitting gesteld dat deze lasten (€ 138,50 per maand) op dit moment door zijn moeder worden voldaan, maar de man heeft onbetwist gesteld dat hij dit wel aan zijn moeder moet terugbetalen. De rechtbank acht verder de hoogte van de premie ook redelijk.

4.22.

De rechtbank zal, anders dan de man voorstaat, geen rekening houden met aflossing op schulden. Zoals hiervoor overwogen is in rechte niet komen vaststaan dat de door de man gestelde schulden privé-schulden zijn. Voor zover een deel van deze schulden wel tot die categorie behoren heeft de man nagelaten te concretiseren om welk aflossingsbedrag het gaat.

4.23.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de man draagkracht heeft om € 3.282,00 per maand te betalen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De rechtbank zal de gemaakte berekening, genaamd ‘DRK man’, aan de beschikking hechten.

Draagkracht vrouw

4.24.

De man doet een beroep op de jusvergelijking. De rechtbank zal daarom de draagkracht van de vrouw ook bespreken. Eveneens met de door haar als productie 18 overgelegde berekening als uitgangspunt.

4.25.

Het inkomen waarvan moet worden uitgegaan is tussen partijen in geschil. De vrouw gaat uit van een inkomen op basis van 4 dagen per week (parttime percentage van 80). De man stelt dat moet worden uitgegaan van een inkomen op basis van een voltijds dienstverband. De rechtbank volgt de man daarin niet en is met de vrouw van oordeel dat dit standpunt in strijd is met de post-relationele redelijkheid en billijkheid. De rechtbank weegt daarbij mee dat de vrouw onbetwist ter zitting heeft gesteld dat zij veel zorg heeft voor de kinderen van partijen. De oudste twee gaan niet meer naar school, de kinderen zijn onder toezicht gesteld en er is hulpverlening waar de vrouw elke week met de kinderen heen moet. Deels vanwege de kindeigen problematiek van de kinderen en deels in verband met de echtscheiding en de gevolgen daarvan voor hen. Dit alles maakt het voor de vrouw feitelijk ondoenlijk om voltijds te werken. De rechtbank heeft begrip voor dit standpunt en acht de keuze van de vrouw om vanwege deze zorg voor de kinderen een dag minder te gaan werken in het belang van de kinderen en daarmee aanvaardbaar.

4.26.

De man heeft aangevoerd dat hij door de vrouw buiten spel is gezet als het om de kinderen gaat. Hij wijst erop dat hem zelfs het gezag is afgenomen. Voor zover de man hiermee heeft bedoeld te zeggen dat het voor rekening en risico van de vrouw komt dat ze de zorg voor de kinderen niet met een voltijds baan kan combineren, verwerpt de rechtbank dit betoog van de man. De rechtbank overweegt daarbij dat een rechterlijk oordeel ten grondslag ligt aan het beëindigen van het gezag van de man over de kinderen. In het algemeen is gezamenlijk gezag het uitgangspunt en het bepalen van eenhoofdig gezag na een echtscheiding is uitzonderlijk. De man kan het feit dat dit in zijn situatie wel is gebeurd niet (uitsluitend) op het conto van de vrouw schrijven.

4.27.

De man heeft tot slot betwist dat de vrouw daadwerkelijk minder zal gaan werken. Hij stelt dat zij dit al eerder heeft gezegd, maar nooit heeft gedaan. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat haar verzoek om een dag minder te mogen werken inmiddels is goedgekeurd en waarschijnlijk per 1 februari 2020 zal ingaan. De rechtbank zal daar vooralsnog vanuit gaan. Als later blijkt dat de vrouw toch voltijds is blijven werken, dan kan daarin aanleiding worden gevonden om de alimentatie met terugwerkende kracht te wijzigen. Daardoor kan een terugbetalingsverplichting voor de vrouw ontstaan.

4.28.

De rechtbank zal voor nu uitgaan van het door de vrouw tot uitgangspunt genomen inkomen van € 6.805,00 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

4.29.

De man heeft gesteld dat rekening moet worden gehouden met huurinkomsten. Hiervoor is al geoordeeld dat de rechtbank het aannemelijk acht dat de vrouw op dit moment geen huurinkomsten heeft. De rechtbank houdt dus geen rekening met dergelijke inkomsten. De rechtbank zal wel rekening houden met de door de vrouw opgevoerde kosten voor de woning in [woonplaats] . De man heeft de hoogte van die kosten niet betwist.

4.30.

De vrouw voert extra kosten voor de kinderen op. De man voert verweer hiertegen.

De rechtbank zal rekening houden met de kosten van de bril voor [minderjarige 3] (€ 237,00 per jaar), nu de vrouw ter zitting verklaard heeft, dat deze slechts eenmaal per drie jaar door de zorgverzekering worden vergoed, terwijl [minderjarige 3] in de groei is en daarom vaker een andere bril nodig heeft. Met de kosten van [minderjarige 1] houdt de rechtbank geen rekening. Met de man is de rechtbank van oordeel dat deze kosten verdisconteerd zitten in de behoefte van [minderjarige 1] en niet uitzonderlijk zijn. De rechtbank zal ook geen rekening houden met de kosten van [naam] . De vrouw heeft, rekening houdend met het verweer van de man, niet geconcretiseerd dat er nog altijd sprake is van deze kosten.

4.31.

Tot slot strijden partijen over de door de vrouw opgevoerde advocaatkosten. De vrouw heeft deze kosten voldoende onderbouwd en de advocaat van de vrouw heeft ter zitting verklaard dat de vrouw daarop nog altijd aflost. De rechtbank zal rekening houden met deze kosten. Gezien het groot aantal procedures tussen partijen en de hoogte van de totale kosten acht de rechtbank een aflossing van € 400,00 per maand redelijk.

4.32.

De rechtbank zal de gemaakte berekening, genaamd ‘DRK vrouw’, aan de beschikking hechten.

Jusvergelijking

4.33.

Uitgaande van voormelde draagkracht van de man en vrouw stelt de rechtbank vast dat de vrouw bij een door de man te betalen partneralimentatie van € 2.677,00 per maand, niet wordt bevoordeeld. De rechtbank zal de gemaakte jusvergelijking aan de beschikking hechten.

4.34.

De rechtbank stelt vast dat voornoemd bedrag € 105,88 lager is dan het huidige bedrag dat de man aan partneralimentatie verschuldigd is. Afgezet tegen de draagkracht van de man voor partneralimentatie (€ 3.283,00 per maand) is dit een dusdanig laag bedrag dat de rechtbank dit niet aanmerkt als een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat de man nog altijd in staat wordt geacht om de huidige partneralimentatie te blijven voldoen. Het verzoek van de man tot verlaging van deze bijdrage wordt afgewezen.

Limitering c.q. nihilstelling

4.35.

De man heeft zijn verzoeken die zien op limitering dan wel nihilstelling in het geheel niet onderbouwd, zodat de rechtbank aan de beoordeling van deze verzoeken niet toekomt. Deze verzoeken zullen worden afgewezen.

Proceskosten

4.36.

De vrouw heeft de rechtbank verzocht om de man te veroordelen in de werkelijke proceskosten aan haar zijde gevallen en begroot op € 3.500,00. Nu de man hiertegen geen verweer heeft gevoerd, zal de rechtbank dit verzoek toewijzen.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de verzoeken van de man af;

5.2.

veroordeelt de man in de proceskosten van de vrouw tot een bedrag van € 3.500,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.W. Brunt, rechter, tevens kinderrechter,

en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 12 maart 2020.

Conc: AvD

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op
andere wijze bekend is geworden.