Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:2048

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
342513 HA ZA 19-77
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

benoeming deskundige en vragen deskundige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

zaaknummer / rolnummer: C/01/342513 / HA ZA 19-77

Vonnis van 8 april 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. H.H.G. Theunissen te Roermond,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. H.M.J. van Boxtel te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 27 november 2019

  • -

    de akte van [eiser]

  • -

    de akte uitlaten deskundigenrapportage van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

Het deskundigenbericht
2.1. In r.o. 5.17. van het tussenvonnis heeft de rechtbank aangekondigd een deskundige te benoemen. Het aangekondigde deskundigenbericht zal nu worden bevolen. De rechtbank heeft kennis genomen van het tussen partijen gevoerde debat omtrent het aantal te benoemen deskundigen, de persoon van de deskundige(n) en de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Mede gelet op dat debat zal de rechtbank een deskundige op het gebied van vochtwering in woningen benoemen, waartoe de rechtbank na deze beslissing de door de rechtbank zelf gekozen persoon zal benaderen.

2.2.

[gedaagde] heeft voorgesteld de volgende vragen toe te voegen:

1. Kan de oorzaak van de vochtigheid in de voorgevel van [eiser] gelegen zijn in de aanwezigheid van puin, cement, die in de spouwmuur is gebleven na verbouwingswerkzaamheden van [eiser] aan de voorgevel in 1984 en 1998 ?
2. Is de oorzaak van de vochtigheid gelegen in de vochtigheid van de spouwmuur als gevolg van het verschil in temperatuur van een koude buitenmuur en een warme binnenmuur ?

3. Is de oorzaak van de vochtigheid het resultaat van het isoleren van de voorgevel en het dichtmetselen van de aanwezige ventilatiesleuven in de voorgevel ?

4. Is de oorzaak van de vochtigheid gelegen in de verharding van de grond, gelegen tegen de voorgevel ?

2.3.

De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] wil dat de deskundige zich uitlaat over de door hem geschetste mogelijke andere oorzaken van de vochtigheid dan de hemelwaterafvoer. De rechtbank dient echter alleen antwoord te verkrijgen op de vraag of de vochtigheid door de hemelwaterafvoer van [gedaagde] is veroorzaakt. Zij heeft daarom geen behoefte aan beantwoording van de overige door [gedaagde] gestelde vragen. [gedaagde] zal te zijner tijd deze vragen eventueel als opmerkingen aan de deskundige kunnen voorleggen. De rechtbank zal haar vraagstelling wel aanvullen in die zin dat of, bij een bevestigend antwoord op vraag 1, er ook nog andere oorzaken van de vochtoverlast aan de voorgevel en aan de scheidsmuur tussen de woningen van partijen zijn en in hoeverre die hebben bijgedragen aan de vochtoverlast.

Aan deze deskundige zullen de in de beslissing vermelde vragen worden voorgelegd.

2.4.

In de vorige beslissing is al aangekondigd door welke partij het voorschot op de kosten van de deskundige moet worden gedeponeerd.

De bewijsopdrachten

2.5.

In r.o. 6.1. van het tussenvonnis heeft de rechtbank [eiser] opgedragen te bewijzen:

1. dat [gedaagde] het talud van de houtwal heeft afgegraven tot tegen de stammen van de bomen, en de aldaar aanwezige klimop en de helft van de rododendron heeft verwijderd, en dat de daarmee gepaard gaande herstelkosten € 1.279,95 bedragen;

2. dat [gedaagde] twee van de drie ijzeren palen heeft verwijderd;

3. dat de houtstapel van [gedaagde] (deels) op het perceel van [eiser] ligt;

4. dat hij met [gedaagde] heeft afgesproken dat voor wat betreft de hoogte van de beukenhaag de hoogte van de bovenzijde van het raamkozijn zou worden aangehouden.

2.6.

[eiser] heeft schriftelijk bewijs geleverd. [gedaagde] heeft zich verder hierover nog niet uitgelaten. Hij zal in de gelegenheid gesteld worden dit bij akte te doen.

Voornemen om terug te komen op bindende eindbeslissing

2.7.

In r.o. 5.32 van het tussenvonnis (met betrekking tot de gevorderde medewerking door [gedaagde] tot het oprichten van een gemeenschappelijke scheidsmuur van twee meter hoog, ter vervanging van de gemeenschappelijke coniferenhaag) heeft de rechtbank het volgende geoordeeld:
Hoewel een eigenaar van een erf op grond van art. 5:49 BW van zijn buurman kan vorderen dat die meewerkt aan een oprichting van een scheidsmuur van twee meter hoog, is het de vraag of [eiser] voldoende belang bij die vordering heeft. De ratio van deze wetsbepaling is immers privacybescherming, en de privacy van [eiser] wordt al in voldoende mate gewaarborgd door de coniferenhaag, die vanuit het (lager liggende) perceel van [gedaagde] , over de gehele lengte bezien, 2 meter of hoger is. Van doorzichtige plekken waarover [eiser] spreekt is de rechter niet gebleken. De haag verkeert voor het overgrote deel in goede staat. Wel is het zo dat de haag aan de voor- en achterzijde enige bruine plekken vertoont, maar daar heeft [eiser] plastic (aan de achterzijde) en een houten schutting (aan de voorzijde) geplaatst, zodat ook daar zijn privacy voldoende gewaarborgd wordt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het plastic zich aan de achterzijde van het perceel van [eiser] bevindt, en dat hij daar geen direct zicht op heeft vanuit zijn tuin en woning. Dit alles leidt tot conclusie dat [eiser] onvoldoende belang bij zijn vordering heeft, zodat die vordering zal worden afgewezen.

2.8.

Na het wijzen van dit tussenvonnis heeft de Hoge Raad echter een arrest gewezen,

waarin is overwogen dat het voorschrift van art. 5:49 BW ertoe strekt de eigenaren van percelen binnen de bebouwde kom van een gemeente de gewenste bescherming van hun persoonlijke levenssfeer te waarborgen. Volgens dit arrest biedt de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunt voor de opvatting dat het door art. 5:49 BW verleende recht niet meer kan worden ingeroepen als een andere erfafscheiding aanwezig is, ook al is dat geen muur die voldoet aan de eisen van art. 5:49 BW in verbinding met art. 5:43 BW. Daarom moet worden aangenomen dat de eigenaar ook in dat geval de betrokken aanspraak geldend kan maken. Het belang van de eigenaar bij de uitoefening van zijn recht is, gelet op de door de wetgever beoogde eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, in beginsel gegeven. Voor een belangenafweging als in het onderdeel bepleit, is geen plaats.

Dat laat onverlet dat ook bij deze bevoegdheid denkbaar is dat een eigenaar daarvan misbruik maakt. In dat geval moet de afweging van art. 3:13 lid 2 BW worden gemaakt. Evenzeer is denkbaar dat het beroep van een eigenaar op zijn uit art. 5:49 BW voortvloeiende recht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. (HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1907)

2.9.

De rechtbank ziet gelet op dit arrest aanleiding om terug te komen van haar eindbeslissing zoals weergegeven in r.o. 5.32 van het tussenvonnis. De eisen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich daarover uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, om te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.

2.10.

Nu de rechtbank het voornemen heeft terug te komen van voornoemde eindbeslissing, zal zij partijen in de gelegenheid stellen zich (desgewenst) daarover uit te laten.

2.11.

Indien de rechtbank zal terugkomen van haar eindbeslissing, zal [gedaagde] tevens moeten bijdragen in de helft in de kosten van de scheidsmuur, waaronder tevens begrepen de kosten van verwijdering van de coniferenhaag. De vordering 5a en 5 b in conventie, eerste onderdeel, zullen in dat geval worden toegewezen.

2.12.

Partijen worden uitgenodigd zich ook hierover uit te laten.

2.13.

Vervanging van de coniferenhaag door een scheidsmuur heeft tot slot mogelijk ook gevolgen voor de vordering van [gedaagde] in reconventie tot verwijdering van de tegen de coniferenhaag geplaatste houten schutting, ijzeren hekwerk en plastic (vordering 5 in reconventie). Partijen worden uitgenodigd zich ook daarover uit te laten.

2.14.

De rechtbank ziet overigens geen aanleiding om terug te komen op haar beslissing tot afwijzing van vordering 5a en 5b in conventie, tweede onderdeel (de medewerking van [gedaagde] aan het oprichten van een gemeenschappelijke scheidsmuur op een deel van de grens tussen percelen van partijen, zoals met pijl is aangegeven op de bij dagvaarding gevoegde productie 12), zoals weergegeven in r.o. 5.34.- 5.37 van het tussenvonnis.

De rechtbank heeft ten aanzien van die vordering in r.o. 5.37 van het tussenvonnis onder meer overwogen dat de ratio van de vordering tot meewerken aan de oprichting van een gemeenschappelijke scheidsmuur gelegen is in het belang van bescherming van privacy, en niet om de eigendomsverhoudingen aan te duiden, en dat gesteld noch gebleken is dat in dit geval oprichting van de muur enig privacybelang van [eiser] dient.

2.15.

De rechtbank overweegt dat, aangezien [eiser] oprichting van die scheidsmuur wenst om de eigendomsverhoudingen aan te geven, hij zijn bevoegdheid gebruikt voor een ander doel waarvoor zij is verleend. Dit komt neer op misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 lid 1 en lid 2 BW). Daarom komt zij niet terug op deze bindende eindbeslissing.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

  1. Veroorzaakt de hemelwaterafvoer van [gedaagde] vochtoverlast aan de voorgevel en aan de scheidsmuur tussen de woningen van partijen ?

  2. (Bij een bevestigend antwoord op vraag 1:) zijn er nog andere oorzaken van de vochtoverlast aan de voorgevel en aan de scheidsmuur tussen de woningen van partijen die los staan van de hemelwaterafvoer en in hoeverre hebben die bijgedragen aan de vochtoverlast?

  3. (Bij een bevestigend antwoord op vraag 1:) welke maatregelen dient [gedaagde] te treffen om de vochtoverlast tegen te gaan ?

  4. (Bij een bevestigend antwoord op vraag 1:) welke vochtwerende maatregelen moet [eiser] in zijn woning treffen en hoe hoog begroot u de kosten daarvan ?

  5. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

3.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 mei 2020 voor het nemen van een antwoordakte door [gedaagde] over hetgeen is vermeld onder r.o. 2.6 van dit vonnis,

in conventie en in reconventie

3.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 mei 2020 voor het nemen van een akte door beide partijen over hetgeen is vermeld onder r.o. 2.10, 2.12 en 2.13 van dit vonnis,

3.4.

bepaalt dat de zaak vervolgens op de parkeerrol van 7 oktober 2020 zal komen in verband met het deskundigenonderzoek,

3.5.

draagt de griffier op de zaak op een eerdere rol te plaatsen zodra een deskundige bereid is gevonden de benoeming als deskundige te aanvaarden,

3.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2020.