Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:1899

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-04-2020
Datum publicatie
02-04-2020
Zaaknummer
19/2745
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

“Invorderen verbeurde dwangsommen, permanente bewoning recreatieverblijf”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/2745

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2020 in de zaak tussen

[naam] te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss, verweerder,

(gemachtigden: mr. P.W.B. Verhoeven en ing. A.A.S.A.M. Zwaans).

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder verbeurde dwangsommen ter hoogte van in totaal € 6.000,00 bij eiser ingevorderd. Eiser dient het bedrag van € 6.000,00 binnen 6 weken over te maken aan de gemeente Oss.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het invorderingsbesluit in stand gelaten. Verweerder heeft eiser een extra termijn gegeven om het bedrag van € 6.000,00 te betalen, te weten binnen twee weken na verzenddatum van deze brief.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2020. Eiser en zijn partner zijn verschenen in persoon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Het college heeft aan eiser op 3 februari 2014 een last onder dwangsom opgelegd om het (laten) gebruiken van zijn recreatieverblijf op de [adres] , objectnummer [nummer] in [woonplaats] , voor permanente bewoning te beëindigen en beëindigd te houden. Het college is toen op grond van verjaring niet tot invordering overgegaan. Op 23 januari 2017 is weer een last onder dwangsom opgelegd om het (laten) gebruiken van dat recreatieverblijf voor permanente bewoning te staken en gestaakt te houden. Het college heeft hierbij de begunstigingstermijn op 2 maanden bepaald. Indien de overtreding vóór 23 maart 2017 niet is beëindigd wordt een dwangsom verbeurd van € 1.000,00 per week met een maximum van € 6.000,00. Op 30 mei 2017 heeft het college het bezwaar van eiser tegen de last van 23 januari 2017 ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen geen beroep ingesteld zodat de last onder dwangsom onherroepelijk is geworden. Op 3 april 2019 heeft het college besloten over te gaan tot invordering van de dwangsommen uit de last van 23 januari 2017 omdat de permanente bewoning van het recreatieverblijf destijds wel tijdelijk is gestaakt, maar niet gestaakt is gehouden (het primaire besluit). In het besluit is aangegeven dat uit controles is gebleken dat mevrouw [naam] vanaf 1 december 2018 in het recreatieverblijf woont. Bij een tweede besluit, eveneens van 3 april 2019, heeft het college wederom een last onder dwangsom opgelegd. Eiser wordt gelast om het laten gebruiken als hoofdverblijf van zijn recreatieverblijf aan de [adres] in [woonplaats] per direct beëindigd te houden.

2. Eiser heeft bezwaar ingediend tegen het besluit tot invordering van 3 april 2019 maar geen bezwaar ingediend tegen de last onder dwangsom van diezelfde datum. Het college heeft het bezwaar tegen de invordering in het bestreden besluit ongegrond verklaard. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft hiertegen beroep ingesteld.

Wat kan de rechtbank beoordelen?

3. De beslissing op bezwaar (het bestreden besluit) gaat over de invordering van het bedrag van € 6000,00 aan verbeurde dwangsommen. Alleen deze invordering ligt ter beoordeling aan de rechtbank voor. De rechtbank kan het besluit van 3 april 2019 tot het opleggen van een nieuwe last onder dwangsom niet beoordelen omdat dit besluit geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit.

Last onder dwangsom 23 januari 2017

4. Eiser heeft in zijn beroep aangevoerd dat de last onder dwangsom van 23 januari 2017 onterecht is opgelegd omdat deze (ook) uitgaat van het laten gebruiken van de recreatiewoning voor permanente bewoning. Op grond van artikel 2.1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kan alleen een last onder dwangsom worden opgelegd aan degene die de onrechtmatige permanente bewoning pleegt. De wettelijke bepaling spreekt alleen over “gebruiken” en niet over “laten gebruiken” omdat in de Wabo alleen het “gebruiken” strafbaar is, is het niet toegestaan om in een bestemmingsplan een bepaling op te nemen die inhoudt dat het “laten” gebruiken niet is toegestaan.

5. De rechtbank kan de bezwaren die betrekking hebben op de rechtmatigheid van de last onder dwangsom in deze zaak niet beoordelen de last onder dwangsom onherroepelijk is. De gronden tegen de last onder dwangsom hadden moeten worden aangevoerd in de procedure tegen het opleggen van die last in 2017. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan dat anders zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval als overduidelijk is dat er geen overtreding is gepleegd en/of eiser geen overtreder is. Dit blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), van 4 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:648). De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van een uitzonderlijk geval omdat het niet overduidelijk is dat er geen overtreding is en het ook niet overduidelijk is dat eiser geen overtreder is. Dat komt omdat al in eerdere rechtspraak is bepaald dat het “laten gebruiken” onder de reikwijdte van het verbod van art. 2.1 lid 1 onderdeel c van de Wabo valt (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1458). Een verhuurder kan derhalve ook als overtreder van het gebruiksverbod worden aangemerkt (zie de uitspraak van de Afdeling van 9 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3757). De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de onherroepelijke last onder dwangsom en zal beoordelen of in dit sprake is van een overtreding van die last die aan eiser te verwijten valt.

Overtreding

6.1.

Eiser heeft aangevoerd dat de dwangsommen niet zijn verbeurd omdat geen sprake is van een overtreding. Het college heeft niet aangetoond dat mevrouw [naam] permanent in de recreatiewoning woonde. In de huurovereenkomst is duidelijk aangegeven dat de te huren recreatiewoning alleen voor recreatieve doeleinden mag worden gebruikt. Tijdens de uitgevoerde controles is door mevrouw [naam] bij het college misschien de indruk gewekt dat zij daar permanent zou wonen maar ze heeft bij de gemeente Oss ook aangegeven dat ze deels inwonend is bij haar zus. Uit de rapportages van de controles ter plaatse op 21 januari 2019, 5 februari 2019 en 25 februari 2019 kan niet worden afgeleid dat het permanente bewoning betreft. Bij de laatste twee controles is bovendien aangegeven dat er geen mensen zijn gezien. Vervolgens is mevrouw [naam] door de gemeente verplicht om zich op het adres van de recreatiewoning in te schrijven in de Basisregistratie personen (BRP), wat zij gedaan heeft op 20 februari 2019. Deze verplichte inschrijving in de BRP heeft ertoe geleid dat eiser een dwangsom dient te betalen, aldus eiser.

6.2.

Het college is van mening dat de recreatiewoning van eiser per 1 december 2018 wordt gebruikt voor permanente bewoning. Mevrouw [naam] heeft op 21 januari 2019 tegen de controleurs gezegd dat zij in verband met haar scheiding en faillissement vanaf 1 december 2018 in de recreatiewoning woont, die zij van eiser huurt. Bij de controles maakt de recreatiewoning regelmatig een bewoonde indruk. Al deze feiten en omstandigheden maken dat aangenomen kon worden dat er sprake is van permanente bewoning en dus een overtreding. Het college is er terecht vanuit gegaan de opgelegde dwangsom van € 6.000,00 (in zes termijnen van € 1.000,00) is verbeurd.

6.3.

De rechtbank moet, zoals gezegd, beoordelen of het college zich op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een overtreding die aan eiser is toe te rekenen. Het college moet dan aan de hand van feiten aannemelijk te maken dat eiser de overtreder is. Het is vervolgens aan eiser om die feiten te weerleggen of nader te verklaren. Als dit niet gebeurt dan gaat de rechter in beginsel uit van de juistheid van de feiten (zie de uitspraak van de Afdeling van 8 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:29).

6.4.

De rechtbank overweegt dat eiser als verhuurder niet heeft beoogd om permanente bewoning toe te staan. Dit blijkt uit de huurovereenkomst van 23 november 2018 die eiser met mevrouw [naam] heeft afgesloten. Daarin is namelijk onder “7. Nadere afspraken” opgenomen dat het gaat om recreatief gebruik. De rechtbank is echter van oordeel dat voor de vraag of sprake is van permanente bewoning niet bepalend is wat in de huurovereenkomst is opgenomen, maar datgene dat feitelijk is geconstateerd. Wat feitelijk is geconstateerd, is onder andere opgenomen in de door de toezichthouder van het college opgemaakte rapportages. Op het “Inventarisatieformulier recreatieobject” van 21 januari 2019 is opgenomen dat mevrouw [naam] heeft gezegd dat zij vanaf 1 december 2018 op het park woont vanwege een scheiding en faillissement. Als hoofdadres is de [adres] in [woonplaats] vermeld, de woning waarin zij woonde voordat zij naar het recreatieverblijf verhuisde. Het formulier is opgemaakt en ondertekend door een medewerker van de gemeente Oss en ook ondertekend door mevrouw [naam] . Door het college zijn verder nog controlerapporten opgemaakt en uitgewerkt van controles op 5 februari 2019 en 25 februari 2019. Hieruit blijkt onder meer dat sprake is van een bewoonde indruk. Er waren binnen lampen aan, er lagen etenswaren en rookwaren en er kwam rook uit de schoorsteen. Ook is gezien dat er twee honden aanwezig waren, er stonden een krat bier, planten, tuinmeubelen en een asbak met peuken op de veranda bij het recreatieverblijf. Op 5 en 25 februari 2019 zijn geen mensen waargenomen. Vervolgens heeft mevrouw [naam] op 21 maart 2019 een mail gezonden aan de gemeente waarin ze schrijft dat ze tegen de eigenaar van het recreatieverblijf had gelogen en had gezegd dat ze daar zou recreëren en niet zou gaan wonen.

6.5

Aan de hand van de hiervoor genoemde feiten stelt de rechtbank vast dat er drie controles hebben plaatsgevonden. Bij één van deze controles is mevrouw [naam] aangetroffen en zij heeft toen aangegeven dat ze sinds 1 december 2018 in het recreatieverblijf woont. Deze verklaring heeft zij ook ondertekend. Uit die verklaring blijkt niet expliciet dat zij er permanent woonde. Bij de andere twee andere controles is zij niet aangetroffen maar is wel geconstateerd dat sprake is van een bewoonde indruk. Op grond van alleen de controlerapporten wordt weliswaar niet duidelijk of mevrouw [naam] permanent woonde in het recreatieverblijf echter de mail van mevrouw [naam] waarin zij heeft aangegeven gelogen te hebben over de aard van haar verblijf, maakt dat door het college in voldoende mate aannemelijk is gemaakt dat er sprake is geweest van permanente bewoning. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat mevrouw [naam] sinds 1 december 2018 permanent woonde in het recreatieverblijf en vervolgens gedurende (in ieder geval) 6 weken permanent in het recreatieverblijf woonde. Deze zes weken na 1 december 2018 zijn voor het verbeuren van de dwangsommen bepalend. Het is dus niet zo dat de dwangsommen zien op de periode nadat mevrouw [naam] zich in de BRP op het adres van het recreatieverblijf heeft laten inschrijven (20 februari 2019), zoals eiser stelt, omdat de dwangsommen toen al volledig waren verbeurd. De beroepsgrond slaag niet.

Verwijtbaarheid

7.1

Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat hem niet verweten kan worden dat mevrouw [naam] in het recreatieverblijf woonde. Hij heeft in het huurcontract duidelijk opgenomen dat er niet gewoond mocht worden, mevrouw [naam] heeft hem ook verteld dat zij dat niet zou gaan doen maar dat zij zich in zou schrijven bij haar zus. Hij heeft met enige regelmaat bij het recreatiewoning gecontroleerd en kunnen waarnemen dat geen sprake is van permanente bewoning. Verwezen wordt naar een uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2872). Eiser stelt dat hij op geen enkele wijze heeft kunnen vaststellen dat er mogelijk toch sprake zou kunnen zijn van permanente bewoning.

7.2

Het college stelt zich op het standpunt dat het de verantwoordelijkheid van eiser is om ervoor te zorgen dat enkel sprake is van recreatief gebruik, hij heeft niet aangetoond dat hij daadwerkelijk controles heeft uitgevoerd zodat er geen reden is om aan te nemen dat hem niets verweten kan worden.

7.3

De rechtbank overweegt dat de bepaling in het huurcontract tussen eiser en [naam] -dat het moet gaan om recreatief gebruik (en dus sprake is van een impliciet verbod om de recreatiewoning permanent te bewonen)- niet voldoende is om tot het oordeel te komen dat eiser voldoende heeft gedaan om de permanente bewoning te voorkomen. Dat mevrouw [naam] niet de waarheid heeft verteld en heeft aangegeven te hebben gelogen over het gebruik van de woning is ook onvoldoende. De eigenaar van een pand moet zich tot op zekere hoogte informeren over het gebruik dat van het door hem verhuurde pand wordt gemaakt, dat blijkt uit de door eiser aangehaalde uitspraak. De enkele stelling van eiser dat hij regelmatig ter plaatse is geweest en geen permanente bewoning heeft geconstateerd, is niet met gegevens onderbouwd en is daarom ook onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Eiser heeft niet aannemelijk kunnen maken dat hij het hem niet verweten kan worden dat het recreatieverblijf in strijd met de last onder dwangsom werd gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college er daarom vanuit kunnen gaan dat sprake is van een aan eiser verwijtbare overtreding. De beroepsgrond slaagt niet.

Op de hoogte stellen

8.1

Eiser heeft tot slot nog aangevoerd dat het college hem ten onrechte niet direct van de overtreding op de hoogte heeft gesteld. Had het college dat wel gedaan dan had hij direct maatregelen kunnen nemen. Eiser is pas op 12 maart 2019 via het “Voornemen invordering dwangsom” op de hoogte gesteld.

8.2

Namens het college is op de zitting aangegeven dat eiser inderdaad niet meteen op de hoogte is gesteld. Het was zorgvuldiger geweest indien dit wel was gebeurd.

8.3

De rechtbank stelt vast dat aan eiser al een keer eerder in 2014 een last onder dwangsom is opgelegd. Hij had er dus vanaf dat moment alert op moeten zijn dat zijn recreatieverblijf niet permanent mocht worden bewoond. Aan hem is op 23 januari 2017 opnieuw een last onder dwangsom opgelegd. Eiser wist dus wederom dat permanente bewoning niet was toegestaan. Naar aanleiding van deze last is al een keer eerder een (poging tot) invordering gestart. Eiser kon er dus van op de hoogte zijn dat er een kans bestond dat de gemeente (weer) zou gaan controleren. Hij heeft als eigenaar een eigen vergewisplicht om aldus zelf permanente bewoning (tijdig) te voorkomen. Het was zorgvuldiger geweest als het college eiser na de eerste controle van 21 januari 2019 op de hoogte had gesteld van de bevindingen maar, gelet op de lange voorgeschiedenis, is de rechtbank van oordeel dat dit onder de gegeven omstandigheden niet maakt dat het besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. van Marle, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 2 april 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier is buiten staat de rechter is buiten staat

deze uitspraak te ondertekenen deze uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.