Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:1891

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
C/01/349919 / HA ZA 19-565
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident tot zekerheidstelling voor proceskosten op grond van artikel 224 Rv. Eisende partij heeft geen woonplaats in Nederland. Documenten die eisende partij in het geding heeft gebracht leiden niet tot de slotsom dat de uitzondering van artikel 224 lid 1 onder a van toepassing is. In dit incident is geen plaats om te bepalen in welke vorm zekerheid gesteld moet worden. Als er tussen partijen een geschil ontstaat over de genoegzaamheid van de (tijdig) gestelde zekerheid dan wordt daarover op grond van artikel 616, lid 1 Rv door de voorzieningenrechter beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/349919 / HA ZA 19-565

Vonnis in incident van 1 april 2020

in de zaak van

[eiser] ,

zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. C.A. Segaar te Amsterdam,

tegen

1. de naamloze vennootschap

FC DEN BOSCH N.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. H. Knotter te 's-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna [eiser] en FCDB c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties,

  • -

    de incidentele conclusie ex artikel 224 Rv, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident, met producties,

  • -

    de akte in incident ex artikel 224 Rv van FCDB c.s.,

  • -

    de akte overlegging producties van [eiser] ,

  • -

    de antwoordakte in incident ex artikel 224 Rv.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

Met een beroep op artikel 224 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv), vordert FCDB c.s. dat [eiser] zekerheid stelt voor de proceskosten. Het bedrag van de zekerheidstelling begroot FCDB c.s. op € 19.454,00. FCDB c.s. legt aan de vordering ten grondslag dat onduidelijk is waar [eiser] zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. Voor zover dat in [land 3] zou zijn, is er geen sprake van een verdrag, EG-verordening of andere omstandigheid op grond waarvan er geen verplichting tot zekerheidstelling is.

2.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] in Nederland geen woon- of gewone verblijfplaats heeft. Hij dient daarom op grond van het eerste lid van artikel 224 Rv in beginsel de gevorderde zekerheid te stellen. In het tweede lid van artikel 224 Rv zijn de gevallen genoemd waarin van voormeld beginsel moet worden afgeweken. In de dagvaarding staat vermeld dat [eiser] zijn woonplaats heeft in [land 1] . Tussen partijen is (nu) niet meer in geschil dat dat in ieder geval niet klopt. [eiser] stelt dat hij zijn woon- en verblijfplaats heeft in de [naam 1] (hierna: [land 2] ). Als verweer tegen de incidentele vordering voert hij aan dat omdat [land 2] en Nederland partij zijn bij het Haags Rechtsvorderingsverdrag van 1954, op grond van artikel 17 van dat verdrag geen verplichting tot zekerheidstelling aan hem kan worden opgelegd. Dat is de uitzondering van artikel 224 lid 1 sub a Rv.

2.3.

Ter onderbouwing van zijn woon- en verblijfplaats heeft [eiser] de volgende documenten overgelegd en toegelicht:

  • -

    een arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en [A] De plaats waar [eiser] zijn werkzaamheden uitvoert is [stad] .

  • -

    een werkvergunning, afgegeven door het [land 2] ministerie van binnenlandse zaken. De werkvergunning is geldig vanaf 9 juli 2019 tot en met 8 juli 2022.

  • -

    een (onderdeel van de) ‘residence registration’ van [eiser] in [land 2] , waaruit volgt dat hij woonachtig is in [stad] .

  • -

    een certificaat van de [naam 2] , waaruit volgt dat [eiser] vanaf 5 juni 2019 is ingeschreven als belastingplichtige in [land 2] .

  • -

    een uittreksel van 12 november 2019, afgegeven door [A] te [stad] , waarin wordt bevestigd dat [eiser] ‘tax residence status’ heeft in [land 2] .

  • -

    een uittreksel van 12 november 2019 uit het [land 2] ‘Uniform state register of legal entities’, waaruit volgt dat [eiser] ‘founder (member)’ is van [A] te [stad] .

  • -

    een Woonplaatsverklaring van de [land 2] belastingdienst, waaruit blijkt dat [eiser] in 2019 woonplaats had in [land 2] .

  • -

    een legal opinion van een [land 2] advocaat over de waarde van de Woonplaats-verklaring.

2.4.

De rechtbank is met FCDB c.s. van mening dat [eiser] met deze documenten niet aantoont dat hij nu in [land 2] woont. Er moet sprake zijn van objectieve gegevens aan de hand waarvan kan worden vastgesteld waar [eiser] zijn woon- of verblijfplaats heeft. De arbeidsovereenkomst en het uittreksel van [A] van 12 november 2019 voldoen daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan. Dat [eiser] founder (member) is van [A] zegt niets over zijn woon- of verblijfplaats. Als de overige documenten die zijn overgelegd al als voldoende objectief zouden kunnen worden beschouwd, kan daaruit naar het oordeel van de rechtbank hooguit worden geconcludeerd dat [eiser] tot 20 december 2019 in [land 2] heeft gewoond. De ‘residence registration’ vermeldt namelijk als vertrekdatum 20 december 2019. [eiser] stelt wel dat het de bedoeling was dat hij daarna ook nog in [land 2] zou blijven, maar dat dat daadwerkelijk is gebeurd is niet met (verifieerbare) feiten onderbouwd. De rechtbank is het verder met FCDB c.s. eens dat het hebben van een werkvergunning voor [land 2] nog niets zegt over de woon- of verblijfplaats.

2.5.

Dat [eiser] in 2019 is geregistreerd als belastingplichtige in [land 2] wil volgens FCDB c.s. nog niet zeggen dat je daarvoor ook een woon- of verblijfplaats in [land 2] moet hebben. Zo is het certificaat gedateerd op 5 juni 2019, toen [eiser] nog in [land 1] woonde. Dit laatste heeft [eiser] niet betwist. [eiser] heeft een legal opinion overgelegd met betrekking tot de betekenis van de ‘tax residency status’. Veronderstellenderwijs uitgaand van de juistheid van de legal opinion, staat daarin dat een persoon voor de [land 2] belastingdienst als inwoner geldt wanneer hij in een periode van twaalf opeenvolgende maanden 183 dagen in [land 2] heeft verbleven. Meer dan dat blijkt daar echter niet uit. Het ‘tax residency certificate’ vermeldt geen woon- of verblijfplaats. Het maakt ook niet duidelijk in welke periode in 2019 [eiser] in [land 2] heeft verbleven. Zoals al is aangegeven, heeft [eiser] niet betwist dat hij in 2019 ook in [land 1] heeft gewoond. Daar komt nog bij dat het ‘tax residency certificate’ betrekking heeft op 2019, en dus niets zegt over de huidige woon- of verblijfplaats.

2.6.

Doel van de regeling van artikel 224 Rv is te voorkomen dat verhaal van proceskosten wordt bemoeilijkt doordat de tot betaling daarvan veroordeelde eisende partij het centrum van zijn sociale en economische activiteiten buiten Nederland heeft. Mede gelet op dit doel moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat een gedaagde partij niet alleen kan verlangen dat zekerheid wordt gesteld indien de eisende partij op het moment dat deze de vordering entameert in het buitenland woont, maar ook nog nadien, gedurende de procedure, indien blijkt dat de eisende partij niet (meer) woont op de plaats die in de dagvaarding is aangegeven. Daardoor ontstaat immers alsnog de situatie waartegen artikel 224 Rv de gedaagde partij beoogt te beschermen, namelijk de moeilijkheden en risico’s die het verhalen van proceskosten in het buitenland mogelijk met zich brengt. Daarom is van belang dat komt vast te staan wat op dit moment de woon- of verblijfplaats van [eiser] is. Aan de hand van de nu bekende gegevens, kan die niet worden vastgesteld. Daarom kan ook niet worden vastgesteld of [eiser] een beroep kan doen op de uitzondering van artikel 224 lid 1 sub a Rv. Dat betekent dat de vordering van FCDB c.s. zal worden toegewezen.

2.7.

Met betrekking tot de hoogte van de zekerheidstelling stelt FCDB c.s. dat het gaat om een bedrag van € 19.454,00. FCDB c.s. is daarbij uitgegaan van het griffierecht van € 4.030,00 en een salaris voor de advocaat op basis van 4 punten van het toepasselijke liquidatietarief van € 3.856,00 per punt. FCDB c.s. gaat daarbij uit van een conclusie van antwoord (1 punt), mondelinge behandeling (1 punt), conclusie na de mondelinge behandeling (0,5 punt) en mogelijk getuigenverhoor aan beide zijden (1,5 punt). [eiser] betwist dat de zaak zo ingewikkeld is dat na de mondelinge behandeling nog een schriftelijke ronde en getuigenverhoren moeten worden gehouden. Volgens [eiser] kan worden volstaan met zekerheidstelling voor een bedrag van € 11.742,00 (2 punten voor salaris advocaat vermeerderd met het griffierecht).

2.8.

De rechtbank begroot de proceskosten tot betaling waarvan [eiser] zou kunnen worden veroordeeld op een bedrag van € 11.742,00. Daarbij wordt (voorlopig) uitgegaan van een procesverloop zonder complicaties en het door FCDB c.s. betaalde vast recht van € 4.030,00. Dat er nu aanleiding is om uit te gaan van een gecompliceerd procesverloop heeft FCDB c.s. wel gesteld, maar niet onderbouwd.

2.9.

Met betrekking tot de vorm van de zekerheid verlangt FCDB c.s. een bankgarantie van een Nederlandse bank. [eiser] stelt geen bankgarantie van een Nederlandse bank te kunnen geven, omdat hij niet bankiert bij een Nederlandse bank. Hij stelt voor om een bedrag onder zijn eigen advocaat te storten, die het geld niet op verzoek van [eiser] zal terugstorten zolang er in deze procedure een proceskostenveroordeling ten laste van [eiser] ligt die onbetaald is gebleven. FCDB c.s. vindt dit onvoldoende zekerheid.

2.10.

De rechtbank stelt hier voorop dat op grond van artikel 6:51 BW de vorm van de zekerheid in beginsel ter keuze van [eiser] zelf staat. Het is daarom nu niet aan de rechtbank om daarover in deze procedure een beslissing te nemen. De vordering van FCDB c.s. op dit punt zal daarom worden afgewezen.

2.11.

Gelet op het bepaalde in artikel 616, lid 3 Rv zal de rechtbank een termijn van drie weken bepalen voor het stellen van zekerheid door [eiser] . De rechtbank zal eenzelfde termijn bepalen waarbinnen FCDB c.s. de gestelde zekerheid moet hebben geweigerd of aanvaard. De rechtbank wijst partijen erop dat zij om verlenging van deze termijnen kunnen vragen, dat het door [eiser] niet binnen de termijn stellen van zekerheid in beginsel leidt tot zijn niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak en dat het door FCDB c.s. niet binnen de gestelde termijn reageren op de zekerheid in beginsel leidt tot het verval van haar bevoegdheid om zekerheid te eisen.

2.12.

De rechtbank wijst partijen ook op het volgende. Indien tussen partijen naar aanleiding van dit vonnis een geschil ontstaat over de vraag of [eiser] tijdig de zekerheid heeft gesteld dan wel de vraag of FCDB c.s. de geboden zekerheid tijdig heeft geweigerd of aanvaard, dan dient dat geschil ter beoordeling aan deze rechtbank (de rolrechter) te worden voorgelegd. In geval van geschil over de genoegzaamheid van de (tijdig) gestelde zekerheid wordt daarover op grond van artikel 616, lid 1 Rv op vordering van de meest gerede partij in kort geding beslist door de voorzieningenrechter van deze rechtbank.

2.13.

De rechtbank ziet in de omstandigheden van dit geval aanleiding om de proceskosten te compenseren op de hierna te vermelden wijze.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

bepaalt dat [eiser] zekerheid zal moeten stellen tot een bedrag van € 11.742,00 voor de proceskosten waarin hij jegens FCDB c.s. in de hoofdzaak zou kunnen worden veroordeeld;

3.2.

bepaalt dat [eiser] de zekerheid moet stellen binnen drie weken na dit vonnis;

3.3.

bepaalt dat FCDB c.s. binnen drie weken na het stellen van zekerheid, die zekerheid moet weigeren of aanvaarden;

3.4.

compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.5.

wijst af het anders of meer gevorderde;

in de hoofdzaak

3.6.

bepaalt dat de hoofdzaak weer op de rol van rol zal komen van 13 mei 2020 voor uitlating van [eiser] en FCDB c.s. over de gestelde zekerheid.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2020.