Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:1764

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-03-2020
Datum publicatie
30-03-2020
Zaaknummer
01/860521-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Verdachte heeft zijn 16-jarig nichtje dat bij hem logeerde, aangerand.

Taakstrafverbod is van toepassing.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken waarvan 8 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met bijzondere voorwaarden daaraan gekoppeld. Verdachte dient zich onder meer te laten behandelen bij een Forensische Polikliniek.

Daarnaast wordt een taakstraf van 100 uren opgelegd, subsidiair 50 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: 01/860521-18 [verdachte]

Strafrecht

Parketnummer: 01/860521-18

Datum uitspraak: 30 maart 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te Eindhoven op [1985] ,

wonende te [postcode] , [straatnaam] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 maart 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 februari 2020.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 03 juni 2018 te Eindhoven, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door het onverhoeds omhoog doen van de pyama van [slachtoffer] en/of het vastpakken/terugpakken van haar voet/voeten terwijl zij in zijn, verdachtes, woning in bed lag en/of aan het slapen was,

die [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten:

-het kussen en/of likken van haar voet/voeten en/of been/benen, en/of

-het met zijn penis aanraken van haar voet/voeten, en/of

-het op en neer bewegen van haar voet/voeten en/of zijn hand om zijn penis, althans het op en neer bewegen met zijn penis tussen haar voet/voeten en/of zijn hand, en/of

-het ejaculeren op haar voet/voeten en/of been/benen,

terwijl voornoemde [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachoffer] en zijnde minderjarig, aan zijn zorg of waakzaamheid was toevertrouwd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie concludeert tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte bepleit op gronden zoals verwoord in de door hem overgelegde pleitnota verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde. Kort gezegd stelt de raadsman dat er geen sprake was van opzet op het tenlastegelegde bij verdachte en dat er geen sprake van was dat verdachte aangeefster heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen.

I. Het einddossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche,

zaaknummer 2018114467, afgesloten 14 november 2018, voor zover inhoudende:

- relaas verbalisanten, p. 5:

Op 12 juni 2018 verscheen [slachtoffer] met haar moeder aan het hoofdbureau van politie. Zij vertelde dat ze van zaterdag 2 juni 2018 tot zondag 3 juni 2018 bij haar neef [verdachte] , wonende [straatnaam] te Eindhoven, logeerde.

- proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] op 19 juni 2018:

Ik ben geboren op [geboortedatum slachoffer] 1.

De aanranding door mijn neef is gebeurd in de nacht van een zaterdag op zondag. In het huis van mijn neef [verdachte] . In de slaapkamer van [naam dochter] , zijn oudste dochter. Ik bleef die bewuste avond met mijn broertje, [naam broertje] , bij mijn neef slapen. We gingen rond 23.30 uur slapen. Ik werd in de nacht wakker. Ik zag dat de deur van de kamer openstond. Ik zag dat er iemand in de kamer stond. Toen ben ik weer in slaap gevallen. Kort daarna ben ik nog een keer wakker geworden. Toen zat [verdachte] aan het voeteinde van het bed op een stoel. Ik voelde iets aan mijn voet. Ik vroeg aan [verdachte] wat hij deed. [verdachte] zei toen dat hij nog even naar beneden moest om het licht uit te doen en de deur dicht te doen. Ik heb toen mijn telefoon gepakt en mijn vriend [vriend slachtoffer] geappt. 2

Ik heb [vriend slachtoffer] geappt rond 01.00 uur want dat appje staat nog op mijn telefoon. 3

Ik deed toen net alsof ik aan het slapen was. Ik hoorde beneden de deur dicht gaan. [verdachte] kwam naar boven. Hij kwam de slaapkamer binnen. Ik zag dat hij heel rustig liep. 4

[verdachte] bleef in deuropening staan alsof hij aan twijfelen was. Daarna is hij naar de stoel bij het voeteneinde van mijn bed gelopen en ging daarop zitten. Ik hoorde het geluid van het schuiven van de stoel. Ik voelde dat hij over het dekbed heen aan mijn voet voelde. 5

Hij voelde met zijn hand aan de onderkant van mijn rechtervoet. Ik voelde dat hij met zijn hand wreef over de onderkant van mijn voet. Ik voelde dat hij met zijn tong over de onderkant van mijn voet likte. Ik trok mijn voet toen terug. Hij pakte toen mijn voet weer terug en toen heeft hij zich met mijn voet afgetrokken. Ik voelde zijn hand bij mijn voet. Ik voelde iets tussen zijn hand en de onderkant van mijn voet. Toen voelde ik dat hij heel snel op en neer ging mijn voet. Ik voelde dat hij mijn voet op en neer bewoog. Het voelde als iets zachts. Ik weet niet precies maar wel iets wat groot was in de lengte. Het voelde voor mij op dat moment alsof het een geslachtsdeel was. Toen ik daarna nattigheid voelde op mijn voet wist ik zeker dat het zijn geslachtsdeel was. Ik hoorde hem op de achtergrond kreunen. Het stopte opeens. Toen voelde ik die nattigheid. Op de onderkant van mijn voet. Dat heeft hij toen afgeveegd en daarna is hij weggelopen. 6

Daarna heb ik [vriend slachtoffer] gebeld. Ik vertelde wat er zojuist gebeurd was. [vriend slachtoffer] zei dat ik naar huis moest gaan. Ik heb toen [naam broertje] wakker gemaakt. 7

Toen zijn wij naar beneden gelopen. [verdachte] zat achter de computer. Hij droeg nog steeds dezelfde kort broek die ik ook gezien had toen hij in mijn kamer kwam. Hij schrok volgens mij want ik zag dat hij een verbaasde blik in zijn ogen had, zo van ‘hoezo ga je nu ineens naar huis’. Het was omstreeks 03.00-03.30 uur toen we naar huis zijn gegaan. Ik heb toen ook nog op mijn telefoon gekeken omdat ik mama moest bellen want we hadden geen sleutel bij ons. 8

Toen wij bij het huis van mama kwamen, heb ik aan mama verteld wat er gebeurd was 9

Verbalisant: In het informatieve gesprek heb je iets verteld over plakken.

Nu weet ik het weer. Dat voelde ik aan mijn voet toen ik liep en in mijn schoen. Het voelde plakkerig toen mijn voet tegen de grond kwam. 10

- proces-verbaal van verhoor van getuige [moeder slachtoffer] op 21 juni 2018, p. 49 e.v.:

Verbalisant: Getuige betreft de moeder van het slachtoffer [slachtoffer] . 11

[verdachte] is mijn neef en hij woont in de [straatnaam] in Eindhoven. Zaterdag zijn [slachtoffer] en [naam broertje] gaan logeren bij mijn neef [verdachte] . In de nacht van zaterdag op zondag rond 02:50 uur belde [slachtoffer] dat ik de deur open moest maken. Ik zag dat [slachtoffer] huilde, ze gaf aan dat haar benen vies waren en dat ze die schoon wilde maken. Zij is toen gaan douchen. [slachtoffer] probeerde mij van alles te vertellen maar ze huilde zo dat mij niet duidelijk werd wat ze nou precies bedoelde. [slachtoffer] vertelde huilend en boos aan mijn man dat [verdachte] aan haar benen zat en haar jurk boven haar knie had gedaan. [slachtoffer] bleef maar aangeven dat haar voet vies was. 12

De dag na het incident vertelde [slachtoffer] mij dat [verdachte] aan haar benen had gezeten, ze vertelde me dat ze voelde dat er iemand haar kuste op haar benen. Ze vertelde: ze was aan het slapen bij [verdachte] in huis. Rond 00:00 uur lag ze in bed in de slaapkamer van [naam dochter] . Zij voelde dat iemand de deken vanaf haar benen af haalde. Toen kwam hij weer in haar kamer en tilde de deken op en kuste haar benen. Haar jurk was tot aan haar knie opgetild en hij deed haar benen bij aan haar knie uit elkaar. Er zat toen iemand aan haar voet. [slachtoffer] zag een schaduw bij de deur en zag dat [verdachte] op de trap zat. [slachtoffer] heeft haar vriend geappt en deze gaf aan dat ze naar huis moest gaan.

[slachtoffer] gaf aan dat hij haar been vies gemaakt had en dat hij een kreunend geluid maakte en hierna haar been schoongemaakt had met iets. 13

- proces-verbaal van verhoor van [vriend slachtoffer] op 8 oktober 2018, p. 53 e.v.:

[slachtoffer] sliep bij haar neef [verdachte] , samen met haar broertje. Die avond rond 01.00 uur of 02.00 uur werd ik door haar gebeld. Ze klonk wel paniekerig. Ze zei dat hij, [verdachte] , iets gedaan had. Ik zei haar dat ze naar haar broertje moest gaan en samen met hem weg moest gaan. Ze is toen samen met haar broertje weggegaan. De volgende dag of mogelijk nog een dag later heeft ze het echt besproken met mij. 14 Toen ze belde, hoorde ik huilen en paniek in haar stem. Het was iets met [verdachte] , dat weet ik nog wel. Ze zei iets in de richting van dat hij aan haar had gezeten. Ze klonk echt alsof ze in een shock verkeerde. Ik hoorde van [slachtoffer] wat er was gebeurd die nacht. [verdachte] was bij haar in de kamer gekomen. [verdachte] zou aan de voet van [slachtoffer] hebben gezeten. Hij heeft gemasturbeerd terwijl hij daarbij de voet van [slachtoffer] vasthield. [verdachte] begon met het aanraken van haar voeten, daarna ook de benen en kuiten van [slachtoffer] . Daarna heeft [verdachte] zijn broek uitgedaan. Daarna begon hij te masturberen. Gelijktijdig raakte hij de voeten van [slachtoffer] aan met zijn handen en zijn geslachtsdeel. [verdachte] was op de gang en zou eerst een keertje naar binnen zijn gekomen en weer zijn vertrokken. De tweede keer dat hij binnenkwam wist ze zeker dat hij het was. Toen hij aan haar voeten ging zitten en begon te masturberen was [slachtoffer] wel wakker maar durfde zich niet te bewegen. 15

II. de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 maart 2020, voor

zover inhoudende:

In het weekend van 2 juni 2018 tot 3 juni 2018 is [slachtoffer] met haar broertje komen logeren in mijn woning aan de [straatnaam] te Eindhoven.

Ik herinner me slechts dat [slachtoffer] en haar broertje ’s nachts zijn weggegaan, toen heb ik de deur opengemaakt en weer afgesloten. Ik hoorde de volgende dag van mijn opa wat er gebeurd zou zijn. Drie weken later werd ik door [slachtoffer] gebeld en ze wilde met me praten. Ik heb toen met haar over gesproken over wat er volgens haar gebeurd zou zijn die nacht. Ik heb een specifieke seksuele voorkeur, ik heb een voetfetisj. Maar die handelingen die [slachtoffer] beschrijft, masturberen op haar voet, herinner ik me niet. Ik had die avond veel bier gedronken. Als het is gebeurd is, is mij dat te verwijten.

Bewijsoverwegingen.

De raadsman stelt dat er geen sprake was van opzet op het tenlastegelegde bij verdachte. Verdachte zou hebben gehandeld in een totale black-out veroorzaakt door een combinatie van oververmoeidheid, overmatig alcoholgebruik en stress. Verder was er geen sprake van dat verdachte aangeefster heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen. Aangeefster had immers kunnen opstaan, had kunnen laten blijken dat ze wakker was of had iets kunnen zeggen. Dit alles dient te leiden tot vrijspraak.

De rechtbank overweegt het volgende.

Opzet.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte ‘s nachts drie keer heimelijk de slaapkamer van het slachtoffer binnen is gekomen, terwijl het slachtoffer sliep of zich slapende hield. Hij heeft onverhoeds het dekbed waaronder zij lag opzij geschoven en haar pyjama over haar benen omhoog gedaan. Verdachte hield zich daarbij stil en rustig, heeft op een stoel bij haar bed gezeten en kennelijk het juiste moment afgewacht om haar te kunnen betasten en ontuchtige handelingen te plegen.

Uit deze gecontroleerde gedragingen van verdachte en het feit dat de handelingen passen bij zijn seksuele voorkeur (voetfetisj) leidt de rechtbank af dat verdachte opzet had op de uitvoering van de tenlastegelegde aanranding.

Dwang.

Met betrekking tot het verweer dat niet bewezen kan worden dat er sprake was van dwang, overweegt de rechtbank als volgt. Er is sprake van door een feitelijkheid of feitelijkheden dwingen tot het dulden van handelingen als in artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht bedoeld indien de verdachte door die feitelijkheid of feitelijkheden opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn of haar wil heeft ondergaan. Aangeefster lag in bed te slapen of hield zich (niet waarneembaar voor verdachte) slapende. Verdachte heeft haar onder deze omstandigheden onverwacht bij de voeten gepakt en de voor aangeefster vreemde seksuele handelingen verricht nog voordat zij zich hiertegen kon verzetten. Aangeefster heeft eerst nog haar voet teruggetrokken, maar verdachte pakte haar voet opnieuw vast en zij werd daarna door de ontuchtige handelingen overvallen en zo en aldus gedwongen de handelingen – het brengen en op en neer bewegen van zijn ontblote penis tegen haar voet– te dulden. De verdediging miskent in het verweer het onverhoedse, heimelijke en onverwachte karakter van het handelen van verdachte. De tenlastegelegde dwang kan worden bewezen.

De rechtbank concludeert dat het tenlastegelegde kan worden bewezen en verwerpt het verweer.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

op 03 juni 2018 te Eindhoven, door feitelijkheden, te weten door het onverhoeds omhoog doen van de pyjama van [slachtoffer] en het vastpakkenterugpakken van haar voet, terwijl zij in zijn, verdachtes, woning in bed lag en/of aan het slapen was,

die [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten:

- het kussen en likken van haar voet en been en

- het met zijn penis aanraken van haar voet en

- het op en neer bewegen van haar voet met zijn penis tussen haar voet en zijn hand en

- het ejaculeren op haar voet,

terwijl voornoemde [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachoffer] en zijnde minderjarig, aan zijn zorg of waakzaamheid was toevertrouwd.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, reclasseringstoezicht en een verplichte ambulante behandeling bij de forensische polikliniek ‘De Omslag’. Daarnaast vordert de officier van justitie een taakstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis.

De officier van justitie stelt dat het taakstrafverbod als bedoeld in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) niet van toepassing is aangezien geen sprake is van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Mede gelet daarop ziet de officier van justitie geen reden een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf te vorderen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte stelt dat in geval van strafoplegging verdachte zich kan vinden in een voorwaardelijke vrijheidsstraf met een meldplicht, reclasseringstoezicht en een ambulante behandeling. Een belemmering voor het opleggen van een taakstraf ziet de raadsman niet.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zijn zestienjarig nichtje dat op dat moment bij verdachte logeerde aangerand. Het slachtoffer was aan de zorg en waakzaamheid van verdachte toevertrouwd. Verdachte heeft dit vertrouwen ernstig geschaad.

Het slachtoffer bevond zich in een afhankelijke positie van verdachte en was gelet op haar jeugdige leeftijd weinig weerbaar.

Verdachte neemt nauwelijks verantwoordelijkheid voor zijn gedrag.. Hij stelt zich door geheugenverlies als gevolg van alcoholgebruik en stress niet te herinneren wat er is gebeurd. Maar verdachte herinnert zich wel dat het slachtoffer en haar broertje ’s nachts de woning hebben verlaten en herinnert zich ook voor hen op dat moment de buitendeur te hebben opengemaakt. Dit roept bij de rechtbank vraagtekens op omtrent zijn gestelde geheugenverlies.

Verdachte stelt zich terdege bewust te zijn van zijn specifieke seksuele behoeften en het had op de weg van verdachte gelegen zich daar rekenschap van te geven. Verdachte heeft zich echter in zijn gedrag jegens het jeugdige slachtoffer laten leiden door zijn seksuele behoeften en heeft zich niet om de gevolgen voor het slachtoffer bekommerd.

Verdachte heeft een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en haar lichamelijke integriteit aangetast.

Uit de slachtofferverklaring die het slachtoffer ter terechtzitting heeft voorgedragen blijkt dat zij nog steeds veel last ondervindt van de herinnering aan de seksuele handelingen die verdachte met haar in die nacht van 2 tot 3 juni 2018 heeft verricht.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat uit het reclasseringsrapport van 3 december 2019 betreffende verdachte blijkt dat de reclassering het risico dat verdachte opnieuw een soortgelijk feit zal begaan, als laag inschat.

Ook neemt de rechtbank in het voordeel van verdachte in aanmerking dat verdachte zich bereid toont aan een ambulante behandeling mee te werken en zegt hulp nodig te hebben voor zijn psychische en sociale problemen.

Verdachte is in Nederland niet eerder met politie en justitie in aanraking gekomen, zoals blijkt uit een Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte van 12 februari 2020. Verdachte heeft schulden, heeft geen werk en heeft als gevolg van het bewezenverklaarde gedurende enige tijd geen omgang met zijn eigen kinderen mogen hebben. Verdachte heeft inmiddels weer de gedeelde zorg over zijn kinderen in het kader van een omgangsregeling.

De rechtbank weegt verder mee dat sinds het tijdstip waarop het door hem gepleegde strafbare feit heeft plaatsgehad geruime tijd (bijna twee jaar) is verstreken, terwijl verdachte, voor zover nu bekend, in deze periode geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het taakstrafverbod als bedoeld in artikel 22b Sr van toepassing. Een taakstraf wordt ingevolge genoemd artikel niet opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld (hetgeen zich hier voordoet) en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad.

De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak sprake is van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, dit gelet op de aard van het delict - een aanranding waarna verdachte op het lichaam van het slachtoffer heeft geëjaculeerd- en de gevolgen die dit voor het slachtoffer heeft gehad. De rechtbank betrekt daarbij met name dat het slachtoffer gezien haar leeftijd in een fase van haar seksuele ontwikkeling verkeerde waarin gedwongen seksuele handelingen als hier aan de orde een nog grotere impact hebben dan dat deze normaal gesproken al hebben.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt en dat die straf ook passend en geboden is om verdachte van de ernst van het feit te doordringen. Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf van na te melden duur opleggen.

De rechtbank zal de gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Aan deze voorwaardelijke straf zal zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. Verdachte heeft zich bereid verklaard de te stellen voorwaarden na te leven.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 246.

Wetboek van Strafvordering art. 6:3:14.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf:

- een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken waarvan 8 weken voorwaardelijk met

een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden

gegeven door de reclassering;

- zich binnen drie werkdagen na het onherroepelijk worden van deze uitspraak meldt bij

Reclassering Nederland, afdeling Novadic-Kentron, op het adres Dr. Poletlaan 74-76 te

Eindhoven (telefoonnummer 040-2171200). Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de

reclassering het nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

- zich ambulant laat behandelen door de Forensische Polikliniek "De Omslag" of een

soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, gedurende de gehele proeftijd of

zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en

de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling,

waarbij de Reclassering Nederland, Regio Zuid, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, waarbij heeft te gelden dat veroordeelde:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen

van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de

Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 6:3:14 van het

Wetboek van Strafvordering, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- een taakstraf voor de duur van 100 uur subsidiair 50 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. H.M. Hettinga en mr. A.M. Bossink, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier,

en is uitgesproken op 30 maart 2020.

Mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. H.M. Hettinga zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 P. 32

2 P. 33

3 P. 38

4 P. 34

5 P. 34, 40

6 P. 41

7 P. 34

8 P. 43

9 P. 34

10 P. 44

11 P. 49

12 P. 50

13 P. 51

14 P. 53

15 P. 54