Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:1643

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
02/145845-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor tweemaal feitelijke aanranding van de eerbaarheid (feiten 1 en 2 subsidiair) en voor diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

Uit de handelingen van verdachte blijkt onvoldoende dat sprake is geweest van een begin van uitvoering van verkrachting, zodat van het primair ten laste gelegde onder de feiten 1 en 2 wordt vrijgesproken.

Opgelegd is een gevangenisstraf voor de duur van 269 dagen met aftrek van voorarrest.

Naar het oordeel van de rechtbank is in verband met het ondergane voorarrest géén strafrechtelijke ruimte meer voor de oplegging van een voorwaardelijk strafdeel met daaraan een locatie- en/of contactverbod gekoppeld.

Aan het slachtoffer van feit 1 dient schade te worden vergoed. In dat verband heeft de rechtbank ook de schadevergoedingsmaatregel opgelegd met daaraan gekoppeld gijzeling indien veroordeelde de schade niet vergoedt.

De proeftijd bij een eerder voorwaardelijk opgelegde straf wordt met een jaar verlengd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT


Parketnummer vordering: 0282146516 Parketnummer: 02.145845. [verdachte]

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 02/145845-19
Parketnummer vordering: 02/821465-16

Datum uitspraak: 19 maart 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te Curaçao op [1999] ,

wonende te [postcode] , [straatnaam 1] ,

thans preventief gedetineerd te: P.I. Rotterdam, locatie De Schie.

De strafzaak is bij beslissing van 9 oktober 2019 door de rechtbank Zeeland/West-Brabant verwezen naar de rechtbank Oost-Brabant.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 oktober 2019, 12 december 2019 en 5 maart 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 september 2019.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 12 december 2019 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

T.a.v. feit 1 primair:

hij op of omstreeks 7 april 2019 te Tilburg,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid

[slachtoffer 1] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , immers heeft/is hij, verdachte:

- de woning van die [slachtoffer 1] betreden en/of vervolgens de slaapkamer van die [slachtoffer 1] betreden en/of

- vervolgens met kracht aan de korte broek van die [slachtoffer 1] getrokken, althans getracht de broek naar beneden te trekken en/of uit te trekken en/of

- de borst van die [slachtoffer 1] betast

- een hand op de mond en/of neus van die [slachtoffer 1] gelegd/gedrukt en/of (vervolgens) de mond en/of neus dichtgedrukt en/of dichtgedrukt te houden en/of

- voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale protesten van die [slachtoffer 1] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

T.a.v. feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 7 april 2019 te Tilburg,

door geweld en/of andere feitelijkheden te weten door

- onverhoeds de woning en/of slaapkamer van [slachtoffer 1] te betreden en/of

- vervolgens met kracht aan de korte broek van die [slachtoffer 1] te trekken, althans trachten haar broek naar beneden te trekken en/of uit te trekken en/of

- onverhoeds de borst van die [slachtoffer 1] te betasten

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het betasten van de borst van die [slachtoffer 1] ;

T.a.v. feit 2 primair:

hij op of omstreeks 8 mei 2019 te Tilburg,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid

[slachtoffer 2] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , immers heeft/is hij, verdachte:

- die [slachtoffer 2] onverhoeds van achteren benaderd en vervolgens met zijn handen de billen van die [slachtoffer 2] betast en/of

- getracht om de broek van die [slachtoffer 2] uit te trekken

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

T.a.v. feit 2 subsidiair:

hij op of omstreeks 8 mei 2019 te Tilburg,

door geweld en/of andere feitelijkheden te weten het onverhoeds vastpakken en/of betasten van de billen

[slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het vastpakken en/of betasten van de billen van die [slachtoffer 2] ;

T.a.v. feit 3 primair:

hij op of omstreeks 6 januari 2019 te Tilburg

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [straatnaam 2] heeft weggenomen een laptop, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te hebben gebracht door inklimming, te weten door die woning via een openstaand raam te betreden;

T.a.v. feit 3 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 6 januari 2019 tot en met 25 juni 2019 te Tilburg

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een goed, te weten een laptop heeft verworven, in elk geval op 25 juni 2019 voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van de verwerving of het voorhanden

krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten

vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 02/821465-16 is aangebracht bij vordering van 17 september 2019. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland/West-Brabant d.d. 27 november 2017. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft voor alle primair tenlastegelegde feiten voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig geacht en op gronden zoals verwoord in het requisitoir gerekwireerd tot een bewezenverklaring.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft, vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs, vrijspraak van de onder 1 primair en subsidiair, 2 primair en subsidiair en 3 primair tenlastegelegde feiten bepleit.

Wat betreft feit 3 subsidiair is door de raadsvrouw gesteld dat verdachte het vermoeden had moeten hebben dat de laptop mogelijk van diefstal afkomstig was, zodat een bewezenverklaring van de tenlastegelegde schuldheling kan volgen.

Het oordeel van de rechtbank. 1

T.a.v. feit 1 primair (vrijspraak) en feit 1 subsidiair:

Op 7 april 2019 omstreeks 16:19 uur werd door de politie een melding ontvangen om naar de [straatnaam 3] te Tilburg te gaan. Slachtoffer [slachtoffer 1] werd overstuur in de woning aangetroffen. Zij meldde dat een voor haar onbekende man zojuist had getracht om haar broek uit te trekken en dat zij hem van zich af had geschopt en geslagen. In de woning werden sporen aangetroffen die wezen op een mogelijke vechtpartij2.

Op zondag 7 april 2019 heeft [slachtoffer 1] aangifte3 gedaan tegen verdachte van poging verkrachting, gepleegd in haar woning aan de [straatnaam 3] te Tilburg.

Zij verklaarde, samengevat, dat ze op 7 april 2019 omstreeks 16.00 uur topless aan het zonnen was in haar tuin. Op een gegeven moment ging ze naar haar slaapkamer toe , toen ze zag dat er een voor haar onbekende man gehurkt in haar achtertuin zat. Ze riep ‘wat is dat’, en zag dat de man haar woning binnen kwam. Hij liep direct naar haar toe, pakte haar short vast en trok deze naar beneden tot op haar bovenbenen. . Hij zei daarbij “I see you". Ze gilde en sloeg en schopte de man tegen zijn borst en bovenbenen. Ze wilde uit de woning vluchten en rende richting haar voordeur. De man greep haar vast. Ze worstelden op de bank in de woonkamer. Daarbij kneep hij in haar borst. Vanaf de bank vluchtte ze weer naar de voordeur. Hij pakte haar vast en deed zijn hand voor haar mond. Hij probeerde haar short met kracht omhoog te trekken. Ze was erg bang. Ze dacht dat ze zou stikken en dat ze verkracht zou gaan worden. Ze kwam op de grond terecht en trapte de man in zijn kruis, waarna hij naar buiten rende. Ze volgde de man en zag hem over de schutting van haar achtertuin klimmen.4 Aangeefster is door een forensisch geneeskundige onderzocht en deze heeft geconstateerd dat zij schrammen op onder andere de linkerwang, de neus, de linker onderarm en de rug had, evenals bloeduitstortingen op de rechter bovenarm en de linker heup.5

Volgens de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting6 als ook ten overstaan van de politie7 en de rechter-commissaris8, heeft hij op 7 april 2019 in Tilburg aan de [straatnaam 3] een vrouw met ontblote borsten in een tuin zien lopen. Verdachte bekeek haar vanaf de galerij van de flat waar hij op dat moment verbleef. Hij is dichterbij gaan kijken en heeft de vrouw met zijn telefoon gefilmd. Hij zag dat zij haar woning inliep en is toen over de schutting van de vrouw geklommen en haar woning binnen gegaan. Daar heeft hij haar inderdaad gezegd “I see you” om haar te waarschuwen en duidelijk te maken dat iedereen haar kon zien . Vervolgens ontstond een worsteling, waarbij aangeefster hem bij de haren heeft gegrepen. Verdachte ontkent dat hij de door aangeefster beschreven handelingen bij haar heeft verricht.

Door de verdediging is aangevoerd dat de belastende verklaring van aangeefster niet met betrouwbaar bewijs wordt ondersteund. De verdediging trekt de verklaring van aangeefster in twijfel, gezien de uitslag van het DNA-onderzoek aan de broek. Ook het GGD-rapport, waarin de kleine verwondingen van aangeefster zijn beschreven, kan niet als overtuigend aanvullend bewijs worden meegenomen omdat aangeefster de toedracht van het ontstaan van het letsel niet precies kon verklaren.

Anders dan door de verdediging is bepleit, heeft de rechtbank geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de door aangeefster afgelegde verklaringen. Haar verklaringen zijn consistent, authentiek en geloofwaardig en worden - op onderdelen - voldoende ondersteund door de overige bewijsmiddelen.

Zo zijn in de woning van aangeefster sporen aangetroffen die er op duiden dat een worsteling heeft plaatsgevonden. Ook de verwondingen van aangeefster duiden daarop. Aangeefster is aldus op een ontoelaatbare wijze seksueel aangevallen door verdachte.

Om het primaire feit te kunnen bewijzen moeten de door aangeefster beschreven handelingen van verdachte voldoen aan het juridische criterium dat zij naar hun uiterlijke verschijningsvorm een poging tot verkrachting opleveren. Hoewel de rechtbank zich de vrees van aangeefster dat zij verkracht zou gaan worden, goed kan voorstellen, blijkt uit de handelingen van verdachte onvoldoende dat dat sprake is geweest van een begin van uitvoering van verkrachting. Verdachte heeft weliswaar het broekje van aangeefster in haar slaapkamer omlaag getrokken, maar heeft vervolgens in de woonkamer juist dat broekje omhoog getrokken. Die laatste handeling van verdachte vormt naar het oordeel van de rechtbank een contra-indicatie voor een poging tot verkrachting. Ook uit de opmerking van verdachte “I see you”, en zijn verklaring hierbij dat hij aangeefster wilde waarschuwen, blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat verdachte de intentie had om het slachtoffer te dwingen tot het ondergaan van handelingen die (mede) zouden bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

Verdachte zal daarom van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Uit het bovenstaande volgt dat de subsidiair tenlastegelegde feitelijke aanranding van de eerbaarheid wel bewezen kan worden.

Dat verdachte aangeefster heeft gedwongen tot het ondergaan van zijn handelingen blijkt naar het oordeel van de rechtbank meer dan voldoende uit de aangifte alsmede uit het hiervoor genoemde steunbewijs .

De rechtbank acht de tenlastegelegde aanranding dan ook wettig en overtuigend bewezen.

T.a.v. feit 2 primair (vrijspraak) en feit 2 subsidiair:

Op 8 mei 2019 omstreeks 13:20 uur werd door de politie een melding ontvangen om naar de [adres] te Tilburg te gaan. Aldaar troffen zij [slachtoffer 2] aan. Zij verklaarde9 dat ze zojuist langs het Wilhelminapark te Tilburg fietste toen ze ter hoogte van de bushalte aan haar billen werd betast door een voor haar onbekende man. Ze dacht dat deze man haar per ongeluk had aangeraakt bij het passeren. Op de gemeenschappelijke binnenplaats achter haar woning werd ze vervolgens door dezelfde man met twee handen bij haar billen gegrepen, waarbij hij in haar billen kneep. De man hijgde in haar nek en fluisterde dat hij nu wist waar ze woont. Ze probeerde vervolgens om bij de slagerij, die zich onder haar woning bevindt, naar binnen te gaan maar de man trok haar naar achteren. Hij pakte met beide handen haar legging vast en probeerde deze naar beneden te trekken. Dit lukte niet. Op dat moment wist het slachtoffer de achterdeur van de slagerij te openen en viel ze naar binnen. De man ging toen weg. .

Binnen is zij door de zoon van de slager, genaamd [betrokkene 1] , opgevangen.

Getuige [betrokkene 1]10 verklaarde op 10 mei 2019 samengevat dat hij ten tijde van het incident aan het werk was in de slagerij. Omstreeks 12.50 uur hoorde hij geschreeuw vanuit de achterplaats. Hij herkende het slachtoffer aan haar stem . Hij hoorde dat zij riep: "Blijf van me af, ga weg". Hij zag dat het slachtoffer geëmotioneerd de achteringang van de slagerij in rende. Voordat het slachtoffer hem vastpakte, zag hij dat er ook een man achter haar aankwam. Hij kwam niet volledig binnen, en ging toen hij hem zag meteen weer weg

Op 14 mei 2019 werd namens slachtoffer [slachtoffer 2] door haar vader11 aangifte gedaan van aanranding en poging verkrachting.

Verdachte heeft ter zitting12, ten overstaan van de rechter-commissaris13 en bij de politie14 aangegeven dat hij betrokken is geweest bij het onderhavige incident.

Hij fietste uit verveling door de buurt en zag een vrouw fietsen. Hij gaf haar een tik op haar billen. Ze zei niets. Korte tijd later stond de vrouw bij een poortje, naast haar fiets. Toen gaf hij haar nogmaals een tik tegen haar billen. Op dat moment schreeuwde ze dat hij dat niet moest doen, en dat ze dat niet wilde. Daarop fietste hij weg. Verdachte ontkent dat hij getracht heeft de broek van de vrouw uit te trekken. Ook zegt hij niet op de gemeenschappelijke binnenplaats bij de slagerij te zijn geweest.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verklaringen van het slachtoffer ten aanzien van wat er is gebeurd op de binnenplaats innerlijk tegenstrijdig zijn, en dat de getuige te weinig heeft gezien. Om die reden is geen sprake van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op seksueel binnendringen. Daarnaast kan volgens de raadsvrouw ook geen sprake zijn van het subsidiair tenlastegelegde nu het vastpakken en betasten van de billen geen aanranding kan opleveren.

Anders dan de raadsvrouw, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van het slachtoffer. Deze zijn consistent en geloofwaardig. Tevens worden de verklaringen op onderdelen bevestigd door getuige [betrokkene 1] .

Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm, echter geen sprake van een begin van uitvoering van verkrachting. Uit het trekken aan de legging van het slachtoffer kan volgens de rechtbank onvoldoende worden afgeleid dat verdachte het voornemen had om het slachtoffer te dwingen tot het ondergaan van handelingen die (mede) zouden bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Verdachte zal dan ook van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

De door verdachte verrichte handelingen kwalificeren naar het oordeel van de rechtbank wel als een feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, moet, gelet op de context en de wijze waarop het is gebeurd, het opzettelijk vastpakken en betasten van de billen als ontuchtig worden aangemerkt.

Verdachte is, nadat hij al eenmaal haar billen had betast, het slachtoffer bewust op de fiets gevolgd richting een stille binnenplaats om haar daar stiekem van achter te naderen. Hij heeft haar billen stevig vastgepakt en erin geknepen, terwijl hij haar toefluisterde dat hij nu wist waar ze woonde. Daarna heeft hij ook nog aan haar legging getrokken, nadat ze toen al zeer duidelijk had aangegeven niet van zijn handelingen gediend te zijn. Gelet hierop zijn de handelingen van verdachte op zodanige wijze en met zodanige bedoeling verricht dat zij als ontuchtig moeten worden aangemerkt.

De rechtbank acht de tenlastegelegde aanranding daarmee wettig en overtuigend bewezen.

T.a.v. feit 3 primair:

Op 7 januari 2019 werd door [slachtoffer 3] aangifte15 gedaan van diefstal van een laptop uit zijn studentenkamer aan de [straatnaam 2] te Tilburg. Hij was in de nacht van 5 januari 2019 rond 04.00 uur naar bed gegaan en had zijn laptop op het voeteneinde gelegd. De deur naar zijn kamer was op slot geweest. Hij had het bovenste raam zoals altijd open staan. De volgende morgen had hij gemerkt dat zijn laptop weg was. Hij had geen verbrekingen gezien bij de deur, dus de dief moest via het raam naar binnen en naar buiten zijn gegaan.

Op 25 juni 2019 is er bij de doorzoeking16 in de woning van verdachte een laptop van het merk Lenovo aangetroffen, inclusief oplader. Op 02 juli 2019 is er onderzoek gedaan naar deze laptop en toen bleek dat deze afkomstig was van aangever ‘“ [slachtoffer 3] ”.

Diezelfde dag is door de politie ingelogd in het volgsysteem en geconstateerd dat de laptop voor het laatst op 5 januari 2019 omstreeks 06:36 uur actief was op de [straatnaam 4] te Tilburg17.

Naar aanleiding van bovenstaande is een onderzoek ingesteld naar de veiliggestelde gegevens van de telefoon van verdachte [verdachte]18. Op de telefoon werd onder andere een whatsappgesprek tussen “ [telefoonnummer 1] [whatsapp-adres ] [verdachte] ” en “ [telefoonnummer 2] [whatsapp-adres ] [betrokkene 2] ” op 5 januari 2019 gezien. Het nummer + [telefoonnummer 1] is afkomstig van verdachte . In deze chat stonden onder andere de volgende relevante passages in het Papiamento:

Op 3 juli 2019 heeft een vertaler van het Tolkencentrum deze WhatsApp berichten vertaald naar het Nederlands 19.

Verdachte heeft ten overstaan van de politie verklaard20 dat hij de laptop, met oplader en al, met zijn vriendin gevonden heeft aan de kant van de weg in Tilburg. De laptop was niet kapot, maar hij had niet de code om erin te komen. Ter terechtzitting verklaart verdachte dat hij de laptop ‘gepakt’ heeft langs de weg. Hij dacht dat deze kapot was. Volgens verdachte moet ‘nee ma horte ayera’ dan ook worden vertaald als ‘ik heb het gisteren gepakt’21.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte ter terechtzitting volstrekt ongeloofwaardig, gelet op de inconsistentie van de verklaringen en het feit dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat verdachte een goed werkende laptop met oplader langs de kant van de weg aantreft. Anders dan de raadsvrouw, acht de rechtbank de vertaling van het bericht ‘nee ma horte ayera’ betrouwbaar en juist, nu deze vertaling is geschied door een geregistreerde tolk.

Gezien de relatief korte tijdspanne tussen de diefstal van de laptop en het door verdachte verzonden whatsapp bericht “ik heb hier een laptop. (-) “Ik heb het gisteren gestolen” , acht de rechtbank bewezen dat verdachte degene is geweest die de laptop heeft gestolen.

Gelet op de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank de primair tenlastegelegde diefstal dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

T.a.v. feit 1 subsidiair:

op 7 april 2019 te Tilburg, door geweld en andere feitelijkheden te weten door

- onverhoeds de woning en slaapkamer van [slachtoffer 1] te betreden en

- vervolgens met kracht aan de korte broek van die [slachtoffer 1] te trekken, en- onverhoeds de borst van die [slachtoffer 1] te betasten

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, te weten het betasten van de borst van die [slachtoffer 1] .

T.a.v. feit 2 subsidiair:

op 8 mei 2019 te Tilburg, door feitelijkheden te weten het onverhoeds vastpakken en betasten van de billen, [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten het vastpakken en betasten van de billen van die [slachtoffer 2] .

T.a.v. feit 3 primair:

op 6 januari 2019 te Tilburg met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [straatnaam 2] heeft weggenomen een laptop, toebehorende aan [slachtoffer 3] , zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft door inklimming, te weten door die woning via een openstaand raam te betreden.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaar wordt opgelegd. Als bijzondere voorwaarden dient reclasseringstoezicht, een contact- en locatieverbod, en een ambulante behandeling bij forensische kliniek Fivoor of een soortgelijke instelling gedurende de proeftijd of zolang de reclassering het noodzakelijk acht, te worden opgelegd.

Daarnaast dient ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer 1] ook een contact- en locatieverbod ex artikel 38v lid Sv te worden opgelegd voor de duur van 5 jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Gezien het pleidooi om vrijspraak van in ieder geval de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten acht de verdediging, indien de subsidiair tenlastegelegde feiten wel bewezen zouden worden geacht, een gevangenisstraf van negen maanden, gelijk aan de duur van het voorarrest, nog steeds buitenproportioneel hoog. Oplegging van een werkstraf of veel kortere gevangenisstraf is in soortgelijke gevallen gebruikelijk. Ook indien feit 1 primair bewezen zou worden geacht is, gelet op hetgeen in soortgelijke gevallen wordt opgelegd, de persoonlijke omstandigheden van verdachte alsmede het psychologische- en reclasseringsrapport, een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden te hoog. De bijzondere omstandigheden van verdachte dienen nadrukkelijk op strafmatigende wijze mee te wegen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich - kortgezegd – schuldig gemaakt aan twee aanrandingen en één woninginbraak.

Ontuchtige handelingen, van welke aard en intensiteit en onder welke omstandigheden ook, vormen een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van slachtoffers. Verdachte heeft door zijn handelen een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. De slachtoffers hebben zich bang gevoeld en zij hebben gevreesd voor (verdergaande) aantasting van hun lichamelijke integriteit. Verdachte heeft zich hierbij ogenschijnlijk laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en geen rekening gehouden met de gevoelens van de slachtoffers. . Verdachte is notabene de woning van aangeefster [slachtoffer 1] binnen gegaan en heeft zich aan haar opgedrongen. De woning is bij uitstek de plaats waar men zich veilig moet kunnen voelen. De rechtbank neemt dit verdachte, ondanks dat hij ter zitting zijn excuses heeft aangeboden aan aangeefster [slachtoffer 1] , zeer kwalijk.

Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden vaak nog lange tijd last van wat hen is overkomen en worden daardoor gehinderd in hun dagelijks bestaan. Dat [slachtoffer 1] dit ook zo ervaart blijkt uit de ter zitting door haar voorgedragen slachtofferverklaring. Haar gevoel van veiligheid is aangetast, waardoor zij in haar bewegingsvrijheid wordt beperkt. Ze heeft een trauma opgelopen door die gebeurtenis, waarvoor ze moest worden behandeld.

Daarnaast is verdachte een woning binnen geklommen om vervolgens een laptop weg te nemen. . Een inbraak in de woning veroorzaakt gevoelens van angst en onveiligheid bij de bewoners in het bijzonder en in de samenleving in het algemeen. Ook brengt een woninginbraak voor de benadeelden materiële schade en overlast met zich mee. Verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken. Hij heeft zich enkel laten leiden door financiële motieven.

De rechtbank heeft kennis genomen van het door psycholoog J.M. Oudejans betreffende de persoon van verdachte opgemaakt Pro Justitia rapport d.d. 8 oktober 2019.

In dat rapport komt - zakelijk weergegeven - naar voren dat verdachte ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde zedendelicten niet lijdende was aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Deze feiten kunnen hem, indien bewezen, volledig worden toegerekend. Er bestaan daarnaast geen argumenten in de persoonlijkheid en/of ontwikkeling die aanleiding geven om het minderjarigenstrafrecht toe te passen. Er bestaan voorts, aldus de deskundige, geen gronden om verdachte te begeleiden en/of te behandelen binnen een strafrechtelijk kader. Het risico op recidive wordt als laag ingeschat door de deskundige.

De rechtbank neemt de conclusies en het advies van de deskundige over en maakt deze tot de hare.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

Doorgaans wordt ter zake een insluiping in een woning een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden opgelegd. Voor “aanranding” zijn evenwel geen oriëntatiepunten aanwezig.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van na te noemen duur.

Gelet op de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht is er naar het oordeel van de rechtbank géén strafrechtelijke ruimte meer voor de oplegging van een voorwaardelijk strafdeel met daaraan een locatie- en/of contactverbod gekoppeld.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van feit 1 primair en feit 2 primair en van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering ad € 822,68 aan materiële schade en € 2.500 aan immateriële schade voldoende onderbouwd en heeft verzocht deze integraal toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft - kortgezegd - bepleit dat de materiële schadeposten niet als vermogensschade kwalificeren nu deze kosten op een andere manier verhaald (hadden) kunnen worden, zoals via de verzekeraar of werkgever. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw primair bepleit dat onvoldoende causaal verband bestaat tussen deze geclaimde schade en hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat het gevorderde bedrag aan smartengeld gematigd moet worden.

Beoordeling.

Ten aanzien van de materiële schadeposten is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast komen staan dat deze posten redelijke kosten betreffen ter beperking van de door de benadeelde partij geleden schade. [slachtoffer 1] heeft immers toegelicht ter zitting dat de psychologische onderzoeken onder haar eigen risico vallen, en niet haar aanvullende verzekering, en uit de onderbouwing van haar vordering blijkt dat zij de verlofuren als vakantiedagen heeft opgenomen.

Omtrent de gevorderde reiskosten en verlofuren voor het bijwonen van de terechtzittingen op 9 oktober 2019, 12 december 2019 en 5 maart 2020 ad € 198,85 overweegt de rechtbank ambtshalve dat deze kosten niet als schadepost kunnen worden toegewezen, maar moeten worden geschaard onder de proceskosten als bedoeld in artikel 592a Sv. De rechtbank zal daarom die kosten toekennen als proceskosten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is volgens de rechtbank voorts voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1, subsidiair bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Anders dan de raadsvrouw stelt, heeft de benadeelde partij voldoende onderbouwd dat zij door het bewezen verklaarde feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij daarom recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. Op grond van de door [slachtoffer 1] gestelde omstandigheden en rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, ziet de rechtbank geen aanleiding om de vordering van de benadeelde partij te matigen.

De rechtbank acht de vordering daarom in haar geheel toewijsbaar met uitzondering van de kosten ten aanzien van het bijwonen van de zittingen, vermeerderd met de wettelijke rente ten aanzien van de materiële schade vanaf 19 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, en ten aanzien van de immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 07 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente ten aanzien van de materiële schade vanaf 19 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, en ten aanzien van de immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 07 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer opgelegde straf zal gelasten, voor zover voorwaardelijk opgelegd, op grond van het feit dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht om de vastgestelde proeftijd met een jaar te verlengen, en subsidiair om de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat het huidige reclasseringstoezicht door de William Schrikker stichting goed is verlopen.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 02/821465-16.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.

In hetgeen ter terechtzitting aan de orde is gekomen, ziet de rechtbank aanleiding thans geen tenuitvoerlegging te gelasten, doch de vastgestelde proeftijd te verlengen met één jaar.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

57, 246, 311 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

T.a.v. feit 1 primair, feit 2 primair:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2 subsidiair en feit 3 primair:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 subsidiair:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid

T.a.v. feit 2 subsidiair:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid

T.a.v. feit 3 primair:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel:

T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2 subsidiair, feit 3 primair:

 Een gevangenisstraf voor de duur van 269 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1 subsidiair:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 3.123,83 euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 43 dagen gijzeling. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit 623,83 euro materiële schade en 2.500,00 euro immateriële schade.

De materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 07 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 3.123,83 euro, bestaande uit 623,83 euro materiële schade en 2.500,00 euro immateriële schade.

De materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 07 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op 198,85 euro , en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Verlengt de proeftijd, bepaald bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland/West-Brabant te Breda d.d. 27 november 2017, gewezen onder parketnummer 02/821465-16, met één jaar.

Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.A. Waals, voorzitter,

mr. M.L.W.M. Viering en mr, A.A.M. Janssen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,

en is uitgesproken op 19 maart 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Zeeland- West Brabant, team zeden, genummerd 2019080474/ 2019106503/ 2019073390/ 2019107114/ 2019005987, afgesloten d.d. 2 december 2019, aantal doorgenummerde bladzijden: 301.

2 Proces-verbaal van bevindingen p. 65

3 Aangifte door [slachtoffer 1] , p. 69-71

4 Eerste verhoor aangeefster d.d. 12 april 2019, p. 78

5 Geneeskundige verklaring d.d. 13 mei 2019, p. 72, 73

6 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 5 maart 2020

7 Verklaring verdachte d.d. 3 juli 2019, p. 85-89

8 Verklaring verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 28 juni 2019

9 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 mei 2019 p. 112; informatief gesprek zeden d.d. 9 mei 2019.

10 Verklaring getuige [betrokkene 1] d.d. 10 mei 2019, p. 140

11 Aangifte door [vader slachtoffer 2] namens [slachtoffer 2] d.d. 14 mei 2019, p. 117-125

12 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 5 maart 2019

13 Verklaring verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 28 juni 2019

14 Verklaring verdachte ten overstaan van de politie d.d. 3 juli 2019, p. 90-91

15 Aangifte door [slachtoffer 3] d.d. 7 januari 2019, p. 220

16 Proces-verbaal van bevindingen p. 242-244

17 Proces-verbaal van bevindingen p. 243

18 Proces-verbaal van bevindingen p. 245

19 Proces-verbaal van bevindingen p. 246

20 Verklaring verdachte ten overstaan van de politie d.d. 3 juli 2019, p. 90-91.

21 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 5 maart 2020