Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:1616

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
01/879797-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van poging tot moord en verboden wapenbezit.

Overwegingen betrouwbaarheid getuigenverklaringen, medeplegen, opzet op levensberoving en voorbedachte raad.

Rechtbank acht de rol van de bestuurder en de bijrijder (schutter) inwisselbaar. Verdachte was de schutter.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest. Op klaarlichte dag zijn in een woonwijk en nabij een winkelcentrum op het slachtoffer verschillende schoten afgevuurd. Ook kinderen waren getuige van de schietpartij.

Verdachte heeft op geen enkele wijze verantwoordelijkheid willen nemen voor zijn daden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879797-19

Datum uitspraak: 17 maart 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1994] ,

wonende te [woonplaats] , [adres 1] ,

thans gedetineerd te: P.I. Zuid Oost, locatie Roermond.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 oktober 2019, 9 januari 2020 en 3 maart 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding 9 september 2019.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 04 juli 2019 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade van het leven te beroven met een vuurwapen, in elk geval met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een of meer kogels heeft afgevuurd op, althans in de richting van, die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 04 juli 2019 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen ,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een of meer kogels heeft afgevuurd op, althans in de richting van, die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 04 juli 2019 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een vuurwapen van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten een pistool kaliber 7.65 mm, en/of munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten een of meer kogelpatronen kaliber 7.65 mm voorhanden heeft gehad;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

De verdachte wordt naar aanleiding van een schietpartij - kort gezegd - beschuldigd van:

- het medeplegen van poging tot moord op [slachtoffer] , dan wel poging tot doodslag, dan wel poging tot zware mishandeling (feit 1);

- het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie (feit 2).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 1 acht de officier van justitie het (impliciet primair) ten laste gelegde medeplegen van poging tot moord wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft primair vrijspraak bepleit, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de persoon is geweest die op 4 juli 2019 in de auto zat vanuit welke auto is geschoten. De raadsman heeft - op gronden als in zijn pleitnota verwoord - aangevoerd dat de verklaringen van personen die verdachte aanwijzen als de bestuurder van de personenauto onvoldoende betrouwbaar zijn en derhalve niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Deze personen kennen elkaar en hebben hun verklaringen op elkaar afgestemd.

Subsidiair heeft de raadsman - op gronden als in zijn pleitnota verwoord - aangevoerd dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor de ten laste gelegde poging tot moord tot dan wel poging tot doodslag. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van poging tot zware mishandeling en het onder 2 ten laste gelegde medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.

Het oordeel van de rechtbank. 1

De bewijsmiddelen:

1. het relaas-proces-verbaal, opgemaakt door [verbalisant 1] op 30 september 2019, pag. 12, voor zover inhoudende:

Uit de gegevens vastgelegd bij de Rijksdienst voor wegverkeer blijkt dat het [kenteken] op naam staat van [medeverdachte] , geboren op [1992] te [geboorteplaats] .

2. een proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer] , opgemaakt door [verbalisant 2] op dinsdag 9 juli 2019, pag. 94 tot en met 97, voor zover inhoudende:

Afgelopen donderdag (…) zijn wij (…) doorgereden richting de Groote Wielen. (…) toen wij in de straat aankwamen werden wij beschoten. Dit was van dichtbij. We reden de stoep op en kwamen bijna aan bij de brandgang. Ik zag dat een Volkswagen Golf Plus kwam aangereden. Ik zag die jongens al zitten. Ik zag het vuurwapen al meteen. Ik wist ook meteen wie de jongen waren, namelijk [medeverdachte] en [verdachte] . Ik ken die jongens al jaren. De hele familie kent elkaar. De auto is de auto waarin [medeverdachte] dagelijks rijdt. (…) Toen ik het vuurwapen zag probeerde ik weg te rennen. Ik rende de brandgang in, richting de achterkant van mijn huis. Het enige wat ik toen nog hoorde was gegil en schoten. (…) Toen keek ik langs de brandgang en zag ik hun nog staan.

3. een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , opgemaakt door [verbalisant 3] , pag. 140, voor zover inhoudende:

Op donderdag 4 juli verhoorde ik de getuige (…) De getuige verklaarde: Ik ben getuige geweest van een schietpartij. Ik was (…) in mijn woning aan de [adres 2] te Rosmalen. Ik (…) hoorde 3 harde knallen. (…) Ik zag een donker kleurige Volkswagen voor mijn woning met daarin twee bekende personen namelijk [medeverdachte] en [verdachte] .

4. een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 24 juli 2019, opgemaakt door [verbalisant 4] , pag. 439, voor zover inhoudende:

Ik ken [medeverdachte] en [verdachte] al heel lang, al 15 of 16 jaar terug. Ik ben bevriend met hun ouders.

5. een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [verbalisant 3] Os op 4 juli 2019, pag. 147, voor zover inhoudende:

Ik kwam op 4 juli 2019 omstreeks 17.45 uur bij de woning van de moeder van [slachtoffer] aan de Groote Wielen. Moeder werd gebeld door haar zoon [slachtoffer] . Moeder gaf mij de telefoon. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat hij [medeverdachte] en [verdachte] in de donkere Volkswagen zag zitten. Dat hij zag dat [verdachte] vanuit de donkere Volkswagen meerdere schoten loste. Dat hij niet wist waarom er op hem geschoten werd. Dat hij niet gewond was.

6. een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [verbalisant 5] op 4 juli 2019, pag. 146, voor zover inhoudende:

Op donderdag 4 juli 2019 (…) was ik (…) aan de [adres 2] te Rosmalen. (…) Op genoemde dag (…) werd ik aangesproken door de bewoner van [adres 3] , [getuige 2] . Ik hoorde hem zeggen dat hij camerabeelden had van de zojuist gebeurde schietpartij. Hierop heb ik (…) genoemde camerabeelden bekeken (…) Ik zag (…) een Volkswagen Golf Plus (…) donker van kleur. Ik zag dat dit voertuig langzamer reed vlakbij de woning [adres 2] . Ik zag dat aan de bijrijderszijde (voorstoel) een hand uit het raam kwam. Ik zag dat in deze hand een op een vuurwapen gelijkend voorwerp werd vastgehouden. Ik zag dat terwijl deze hand met het voorwerp uit het raam stak, het voertuig langzaam bleef rollen. (…) Getuige heeft vervolgens met zijn telefoon ingezoomd op het kenteken, ik zag dat het kenteken van het voertuig [kenteken] betrof.

7. een proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] , opgemaakt door [verbalisant 6] op 4 juli 2019, pag. 156 voor zover inhoudende:

Op 4 juli 2019 omstreeks 17.10 uur kwam ik uit de Albert Heijn lopen. Ik hoorde drie schoten. Ik zag een moeder en zoon. Ik weet dat zij [slachtoffer] heten. Ik zag de zoon wegrijden op een scooter. Ik vroeg [slachtoffer] wie geschoten had. Ik hoorde [slachtoffer] zeggen [verdachte] .

8. een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 7] , op 6 juli 2019, pag. 203 tot en met 208, voor zover inhoudende:

Aan een woning aan de [adres 5] , is een camera bevestigd. (…) Op zaterdag 6 juli 2019 werden de beschikbare gestelde opnamen door mij (…) bekeken. (…) Door mij werd het navolgende bevonden:

Op de camerabeelden is een voertuig te zien. (…) de verdachten van het voertuig omschreven als verdachte 1 als zijnde de bijrijder en verdachte 2 als zijnde de bestuurder.

17:02:48 Slachtoffers komen op meerdere scooters aangereden. (…)

17.02:50 Er verschijnt een auto in beeld. (…)

17:02:51 Vanuit het geopende raam aan de bijrijder zijde, wordt een arm en hand met daarin een op een vuurwapen gelijkend voorwerp uitgestoken.

17:02:52 Er springt een persoon die achterop een van de scooters zat van de scooter af en verdwijnt uit beeld van de camera. (…)

17:02:52 Verdachte 1 hangt met zijn bovenlichaam uit het raam aan de bijrijders zijde. In zijn hand heeft de verdachte nog steeds een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. (…)

17:02:57 Verdachte 2 zet de auto in de achteruit stand te zien aan de verlichting die gaat branden en rijdt een stuk achteruit. Verdachte 1 heeft nog steeds zijn arm uit het geopende raam met in de hand van verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. (…)

17:02:59 De auto met daarin verdachten 1 en 2 rijdt weer vooruit.

9. een proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] , opgemaakt door [verbalisant 4] op 8 juli 2019, pag. 222, 223 en 225, voor zover inhoudende:

V: Wij vermoeden dat jij getuige bent geweest van een schietpartij, die zich heeft afgespeeld op donderdag 4 juli 2019 omstreeks 17.00 uur aan de [adres 2] te Rosmalen (…) Wat kan je vertellen wat er is gebeurd afgelopen donderdag? (…) Wat gebeurde er op de [adres 2] ?

A: Ik ben ruim drie jaar de vriendin van [slachtoffer] . Ik was met mijn nicht [persoon 2] en een vriendin [persoon 3] . Aan de overkant is de stoep laag, dus daar wilden we de stoep op, om daar de brandgang in te gaan, om naar de tuin van [slachtoffer] te gaan. (…) Toen we de stoep opreden zag ik direct een auto in de straat, die steeds langzamer ging rijden. (…) hij deed ook zijn raam open, de bijrijder en die kwam met zijn hoofd een beetje uit het raam gehangen. Ik dacht ik rijd gewoon door, maar toen ze ongeveer ter hoogte van ons waren, toen schoot hij.

V: Wie schoot?

A: [verdachte] . En [medeverdachte] die reed. (…)

V: Wat is de achternaam van [medeverdachte] ?

A: (…) op facebook heet hij [medeverdachte] .

V: Op welk moment zag je dat [medeverdachte] in de auto zat?

A: Toen ze ter hoogte van ons waren, toen keken wij hen aan. En op het moment dat [verdachte] schoot, zagen wij hem ook goed, want hij hing best ver uit het raam. (…) [slachtoffer] sprong achter van mijn scooter af toen [verdachte] schoot (…)

Ik ken [verdachte] van zien. Ik zag hem wel eens op het balkon staan als hij bij zijn vriendin was op de [adres 6] . Dat is twee deuren verder van [persoon 3] . Op dezelfde manier ken ik [medeverdachte] en omdat [medeverdachte] erbij is als [verdachte] bij zijn vriendin is.

V: [slachtoffer] springt van de scooter af. Wat gebeurde er toen?

A: [slachtoffer] rent de brandgang in. (…)

10. een proces-verbaal van verhoor getuige [persoon 3] (woonadres: [adres 7] ) , opgemaakt door [verbalisant 4] op 10 juli 2019, pag. 256, 258 tot en met 260, voor zover inhoudende:

V: je hebt je gisteren gemeld (…) als zijnde getuige van de schietpartij op de [adres 2] te Rosmalen (…) 4 juli 2019, rond de klok van 17.00 uur. (…) Wat is er op de [adres 2] gebeurd?

A: Wij rijden de stoep op, bij [slachtoffer] voor de woning. En voor ons zie ik en auto op de weg, die staat of stil of rijdt langzaam ons tegemoet. (…) Toen we de weg overstaken zag ik de auto in de straat bij [slachtoffer] . Ik zag dat die auto toen voor de woning bij [slachtoffer] was. (….) Ik zag een donkerblauwe dan wel grijze Volkswagen Golf Plus.

V: Herkende jij die auto meteen?

A: Ja want die jongen komt altijd twee deuren naast mij. (…) Ik wist dat die auto van die jongen was.

V: Waarom wist je dat zo zeker?

A: Omdat ik hem zag zitten. Het is gewoon herkenning, want zijn vriendin woont twee deuren verder bij mij. Ik heb wel eens een praatje met hem gemaakt. (…) Ik wist niet hoe hij heette, maar nu hoor ik van iedereen dat hij [medeverdachte] heet. (…) en toen direct nadat het gebeurd was kwam de moeder van [slachtoffer] naar buiten en die hoorde ik direct roepen ‘ [verdachte] ’. (…)

V: Hoe vaak werd er geschoten? (….)

A: (….) Volgens mij eerst een paar en toen vloog [slachtoffer] van de scooter af en vluchtte naar achteren en toen volgens mij nog een paar. (…) Ik zag dat de bijrijder daar richtte daar waar [slachtoffer] heen ging.

11. een proces-verbaal van verhoor [persoon 2] , opgemaakt door [verbalisant 8] op 10 juli 2019, pag. 264, 266 en 267, voor zover inhoudende:

Op donderdag 4 juli 2019, omstreeks 17.04, is er geschoten (…) aan de [adres 2] te Rosmalen. Uit onderzoek is gebleken dat jij daar ten tijde van het incident aanwezig was. (…) V: Toen jullie bij de woning van [slachtoffer] waren, wat is daar gebeurd?

A: Ik zag dat [slachtoffer] en [getuige 4] ter hoogte van de woning en de brandgang stopte. Ik zag dat er een auto aan kwam rijden. Ik herkende de auto dat deze gebruikt wordt door [verdachte] en [medeverdachte] . [persoon 3] woont in de [straat] . Ik zie vaak de auto daar staan en ik zie hen daarin vaak rijden. Ik zag dat [medeverdachte] de auto reed en dat [verdachte] er naast zat als bijrijder. (…) Daarna hoorde ik een drietal harde klappen. (…) Toen ik goed keek zag ik dat [verdachte] een pistool had. (…)

V: Op wie werd er gemikt vanuit de auto?

A: [slachtoffer] .

12. een proces-verbaal van verhoor verdachte [persoon 4] , opgemaakt door [verbalisant 9] op 12 juli 2019, pag. 303, 310 en 311 voor zover inhoudende:

V: Waar woon je?

A: [straat] .

V: Wie is [medeverdachte] ?

A: Een kennis van mij

V: Kom [medeverdachte] wel eens bij jou thuis op de [straat] ?

A: Soms

VA: Ik zie [verdachte] regelmatig. Buiten of hij komt langs. Ik heb niet echt veel contact met [verdachte] of zo. Ik zie [medeverdachte] vaker dan [verdachte] .

13. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , opgemaakt door [verbalisant 9] op 11 juli 2019, pag. 285, voor zover inhoudende:

Ik was donderdag 4 juli boodschappen aan het doen bij de Albert Heijn gelegen aan de [adres 2] in Rosmalen. Toen ik wegreed hoorde ik een harde knal. Ik zag een aantal meisjes met een scooter voor een woning. Vervolgens hoorde ik nog een aantal schoten. Ik dacht twee of drie. Ik zag een donker grijze auto, volgens mij een Volkswagen Golf, langzaam langs dat huis rijden waar ook die meisjes stonden. Ik zag dat de auto vol gas achteruit reed en toen weer langzaam langs dat huis af. Ik hoorde toen de auto dus wederom langs het huis reed weer een aantal schoten.

14. een proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, opgemaakt door [verbalisant 10] , [verbalisant 11] en [verbalisant 12] op 9 juli 2019, pag. 371 en 372, voor zover inhoudende:

Op donderdag 4 juli 2019 kwamen wij (…) aan op de locatie [adres 2] ter hoogte van [huisnummer] (…) te Rosmalen, binnen de gemeente ’s-Hertogenbosch. (…) Tijdens ons PD-onderzoek op de openbare weg zagen wij (…) op het wegdek van de rijbaan, ter hoogte van de woning [adres 2] te Rosmalen, een huls. Deze huls werd (…) voorzien van SIN AAMT3260NL. (…) in de eerste groenstrook van de openbare weg ter hoogte van de woning [adres 2] te Rosmalen een huls aan getroffen. (…) Deze huls (…) voorzien van SIN AAMT3261NL. (…) Gezien van de openbare weg en kijkend in de richting de woning [adres 2] te Rosmalen was links van deze woning een brandgang gesitueerd. Links van deze brandgang bevond zich de muur van een appartementencomplex. Deze muur was bekleed met meerdere metalen hekken. In het eerste metalen hek zagen wij (…) een schotbeschadiging. (…) Op de stenen van de brandgang ter hoogte van de schotbeschadiging in het hek werd de mantel van een kogelpunt aangetroffen.

15. een schriftelijk bescheid, te weten een rapport Wapen- en munitieonderzoek van het NFI opgemaakt door ing. R.A.G. Hees d.d. 26 september 2019, pag. 3, 4 en 6, voor zover inhoudende:

Tabel 1 overzicht te onderzoeken materiaal

SIN

Omschrijving SVO’s zoals op aanvraag

AAMT3260NL

Munitie (huls)

AAMT3261NL

Munitie (huls)

Deze twee hulzen zijn voorzien van het bodemstempel ‘S&B 7,65 Br. 18’. Gezien dit bodemstempel; en de afmetingen zijn de hulzen van het kaliber 7,65mm Browning. (…) De hulzen (…) zijn vermoedelijk verschoten met een semiautomatisch werkend pistool van het kaliber 7,65mm Browning.

16. een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 13] betreft belangrijke tapgesprekken pag. 568 en pag 576 voor zover inhoudende:

Tap [telefoonnummer] , sessie 4 (pag. 576)

Uit onderzoek is gebleken dat in dit gesprek moeder [slachtoffer] in gesprek is met een NNvrouw die [alias] wordt genoemd.

Deel gesprek:

NNv Wie reed er?

Moeder: [medeverdachte] .

NNv Ze zeiden dat het [naam]

Moeder Nee [medeverdachte] reed en [verdachte] heeft geschoten.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

De feiten en omstandigheden.

De rechtbank stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen het volgende vast.

Op 4 juli 2019 rond 17.00 uur vindt er op de [adres 2] in Rosmalen een schietpartij plaats. Kort daarvoor is [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) de [adres 2] ingereden. [slachtoffer] zit bij zijn vriendin achterop een scooter. [slachtoffer] woont bij zijn moeder in een woning aan de [adres 2] . Zij willen de scooter in de tuin behorende bij die woning neerzetten. Achter hen rijden, ieder op een eigen scooter, twee vriendinnen: [persoon 3] en [persoon 2] . Op de [adres 2] gaan zij op het voetpad rijden. Wanneer zij de [adres 2] inrijden, komt er vanuit de andere richting een Volkswagen Golf met [kenteken] aanrijden. Deze Volkswagen Golf gaat steeds langzamer rijden. De bijrijder steekt een arm uit het raam en heeft in zijn hand een pistool. Wanneer de auto ter hoogte is van [slachtoffer] schiet de bijrijder in de richting van [slachtoffer] . Uit de bewijsmiddelen blijkt dat op die plek in ieder geval één schot is gelost. [slachtoffer] springt van de scooter af en rent de brandgang in die naast de woning aan de [adres 2] ligt. De bestuurder van de auto rijdt achteruit en stopt ter hoogte van die brandgang. De bijrijder schiet dan nogmaals in de richting van [slachtoffer] . Vanuit de brandgang wordt ook eenmaal door [slachtoffer] geschoten. Vervolgens rijdt de Volkswagen Golf weg. Bij de schietpartij is niemand gewond geraakt.

Daderschap verdachte.

Diverse getuigen hebben verklaard dat [medeverdachte] ten tijde van de schietpartij de bestuurder was van de Volkswagen Golf met [kenteken] en dat [verdachte] de schutter was. De raadsman heeft aangevoerd dat deze verklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn en derhalve niet bruikbaar zijn voor het bewijs.

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid en juistheid van deze verklaringen heeft de rechtbank betrokken dat:

- de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [slachtoffer] (2) en de getuigen (3,9,10 en 11) in hoofdlijnen eensluidend zijn en elkaar aldus ondersteunen.
- uit het dossier blijkt dat [slachtoffer] kort na het incident tegen verschillende personen de namen van de verdachten heeft genoemd. Zo zegt hij op straat tegen [getuige 3] dat [verdachte] de schutter was (7). Ook in een telefoongesprek dat [slachtoffer] kort na het incident voert met een verbalisant geeft [slachtoffer] aan dat hij [medeverdachte] en [verdachte] in de Volkswagen zag zitten (5).

- de tot het bewijs gebezigde verklaring van [getuige 1] (3) kort nadat de schietpartij heeft plaatsgevonden is afgelegd en dat zij deze verklaring op een later moment nogmaals bevestigt. Daarnaast bevat het dossier een uitgewerkt (heimelijk opgenomen) tapgesprek waarin zij eveneens zegt dat [medeverdachte] reed en dat [verdachte] schoot (16).

In tegenstelling tot de raadsman komt de rechtbank gelet op het voorgaande tot de conclusie dat de voor het bewijs gebezigde verklaringen betrouwbaar zijn.

De rechtbank weegt ten aanzien van de vraag of verdachte de schutter was verder het volgende mee.

De gebezigde bewijsmiddelen wijzen zodanig op de betrokkenheid van verdachte bij het delict, dat van hem een redelijke verklaring mag worden verlangd om die te weerleggen. Verdachte heeft enkel verklaard dat hij onschuldig is, heeft zich verder op het zwijgrecht beroepen en heeft deze verklaring niet willen geven, hoewel hij daartoe wel in de positie verkeerde. Dit betrekt de rechtbank in het nadeel van verdachte bij de selectie en waardering van het voorhanden bewijsmateriaal.

Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte op 4 juli 2019 de bijrijder is geweest van de Volkswagen Golf met [kenteken] en dat hij heeft geschoten in de richting van [slachtoffer] .

Medeplegen.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.

Verdachte is met de medeverdachte naar de woning van [slachtoffer] gereden. De medeverdachte is bij het naderen van [slachtoffer] langzaam gaan rijden en heeft, nadat verdachte de eerste keer op [slachtoffer] geschoten had en op het moment dat [slachtoffer] de brandgang in vlucht, de auto achteruit gereden om vervolgens de auto ter hoogte van de brandgang stil te zetten. De medeverdachte heeft door het verrichten van deze handelingen mogelijk gemaakt dat zijn bijrijder meerdere malen in de richting van [slachtoffer] heeft kunnen schieten.

De verdachte heeft vanuit de auto meerdere malen geschoten in de richting van [slachtoffer] . Gelet hierop heeft de verdachte een wezenlijke materiële bijdrage van voldoende gewicht geleverd aan het delict.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Opzet op de levensberoving.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of er sprake was van opzet op de dood van [slachtoffer] .

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood van [slachtoffer] - aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedragingen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat door verdachte op korte afstand meermalen in de richting van [slachtoffer] is geschoten. Ook op het moment dat [slachtoffer] de brandgang in vlucht, volharden verdachte en de medeverdachte in hun poging het slachtoffer van het leven te beroven. Het schieten met een vuurwapen op een persoon is naar de uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht op het doden van die persoon dat verdachte - minst genomen - de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood van deze persoon heeft aanvaard. Dat de dood van [slachtoffer] niet is ingetreden, is uitsluitend te danken aan omstandigheden buiten de wil van de verdachte en zijn medeverdachte.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte - minst genomen - voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .

Voorbedachte raad.

De rechtbank dient tot slot de vraag te beantwoorden of verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechtbank het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachten rade pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Voor de beoordeling of er sprake is geweest van handelen met voorbedachte raad acht de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

Verdachte is samen met zijn medeverdachte in een auto en met een vuurwapen met bijpassende munitie naar de [adres 2] gegaan waar [slachtoffer] woont. Op het moment dat [slachtoffer] de [adres 2] in komt rijden, komen de verdachten direct in actie. De medeverdachte rijdt in de richting van [slachtoffer] en gaat langzaam rijden, verdachte steekt zijn arm uit het raam zodat hij met het vuurwapen in de richting van [slachtoffer] kan schieten. Wanneer [slachtoffer] vervolgens de brandgang in vlucht, rijdt de medeverdachte achteruit en stopt ter hoogte van die brandgang. Verdachte schiet dan nogmaals in de richting van [slachtoffer] .

Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte en zijn medeverdachte het vooropgezette plan hadden het slachtoffer van het leven te beroven. [slachtoffer] rijdt de [adres 2] in en de verdachten gaan vervolgens direct over tot handelen. Er vindt tussen [slachtoffer] en de verdachten op de [adres 2] geen enkele interactie plaats voorafgaande aan het schieten. Ook op het moment dat [slachtoffer] vlucht, volharden verdachten in hun poging het slachtoffer van het leven te beroven. De rechtbank neemt op grond hiervan als vaststaand aan dat verdachten een gezamenlijk plan hadden, dat zij vóór de uitvoering van hun daad hebben nagedacht over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en dat zij zich daarvan daadwerkelijk rekenschap hebben gegeven. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachten zouden hebben gehandeld is niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachten met voorbedachte raad hebben gehandeld.

Conclusie.

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte, tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte, met voorbedachten rade heeft gepoogd [slachtoffer] om het leven te brengen. Daarnaast heeft hij, tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte, een vuurwapen en munitie voorhanden gehad.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

op 4 juli 2019 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met een vuurwapen, kogels heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 4 juli 2019 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander, een vuurwapen van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten een pistool kaliber 7.65 mm, en munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten kogelpatronen kaliber 7.65 mm voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

In het geval dat de rechtbank tot een bewezenverklaring en een strafoplegging mocht komen, heeft de raadsman de rechtbank verzocht de duur van de gevangenisstraf te matigen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft tezamen met zijn broer, de mededader, met een vooropgezet plan geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven. Hij heeft daartoe op klaarlichte dag in een woonwijk en nabij een winkelcentrum op [slachtoffer] verschillende schoten afgevuurd. Verdachte heeft daarbij niet alleen voor [slachtoffer] een levensgevaarlijke situatie doen ontstaan, maar ook voor de vele omstanders, onder wie de vriendinnen die in de directe nabijheid van [slachtoffer] waren en de toevallige passanten. Met deze poging tot moord heeft verdachte blijk gegeven van een volkomen gebrek aan respect voor het leven van een medemens. Het is slechts door gelukkig toeval dat niemand gewond is geraakt of in het ergste geval is gedood.

De door verdachte gepleegde strafbare feiten leveren niet alleen voor de direct betrokkenen een traumatische ervaring op, maar ook voor de vele omstanders – onder wie ook kinderen  die getuige zijn geweest van de schietpartij. Het gebruik van vuurwapens brengt ook meer in het algemeen gevoelens van angst en onveiligheid met zich mee. Dat geldt in dit geval temeer nu de schietpartij op klaarlichte dag en midden in een woonwijk heeft plaatsgevonden.

De rechtbank betrekt in zijn overweging ook uitdrukkelijk de straffen die doorgaans voor soortgelijke misdrijven worden opgelegd.

Poging tot moord behoort tot de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en is naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een zeer lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Het opleggen van langdurige gevangenisstraffen heeft daarbij verschillende doelen. Uiteraard geldt daarbij het aspect van vergelding voor het leed dat de slachtoffers is aangedaan. Van groot belang is echter ook de beveiliging van de samenleving. Oplegging van een forse straf is noodzakelijk om tot uitdrukking te brengen dat het absoluut onaanvaardbaar is dat in de openbare ruimte op klaarlichte dag, in een druk bezocht gebied, met een vuurwapen wordt geschoten waardoor allerlei onschuldige voorbijgangers het risico lopen op dodelijk letsel. Met een langdurige gevangenisstraf beoogt de rechtbank te voorkomen dat anderen dergelijke feiten begaan én dat deze verdachte hiertoe in de toekomst nogmaals overgaat.

De rechtbank overweegt verder dat in dit geval de handelingen van de bestuurder en de schutter in gelijke mate verwijtbaar zijn. De rechtbank is van oordeel dat medeverdachte, als bestuurder van de Volkswagen Golf, het schieten door verdachte mogelijk heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is het onder deze omstandigheden voor de strafmaat niet relevant wie feitelijk heeft geschoten. Hun rollen bij de totstandkoming van het delict waren naar het oordeel van de rechtbank volstrekt inwisselbaar.

Tot slot neemt de rechtbank het de verdachte kwalijk dat hij niets heeft willen verklaren. Hieruit blijkt dat verdachte op geen enkele wijze verantwoordelijkheid wil nemen voor zijn daden. De onverschillige houding van verdachte en het ogenschijnlijke gemak waarmee verdachte een ander van het leven heeft willen beroven, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Er zijn geen bijzondere persoonlijke omstandigheden gebleken die de rechtbank aanleiding geven hiervan af te wijken. De verdachte heeft immers ook geen informatie omtrent zijn persoon willen prijs geven.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan door de officier van justitie geëist, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 27, 45, 47, 57, 289.

Wet wapens en munitie art. 26, 55.

DE UITSPRAAK

De rechtbank verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:Medeplegen van poging tot moord.T.a.v. feit 2:Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.enMedeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

De rechtbank legt op de volgende straf:

T.a.v. feit 1 primair, feit 2:Gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,

mr. A. Bernsen en mr. A.M. Kooijmans-de Kort, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.P.M. van de Wouw, griffier,

en is uitgesproken op 17 maart 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, genummerd 2019138291 met onderzoeksnaam Antrim, aantal pagina’s: 617. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.