Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:1615

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
01/879133-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Gustrow.

Veroordeling voor drie woninginbraken. Verklaringen van medeverdachte betrouwbaar en bruikbaar voor bewijs.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden met aftrek van voorarrest.

Twee van de drie slachtoffers hebben een vordering tot schadevergoeding ingediend. Deze vorderingen zijn toegewezen voor zover deze betreffen gevorderde materiele schade. Een van de twee benadeelde partijen is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering wat betreft de gevorderde immateriële schade, nu er geen voldoende concrete gegevens zijn aangevoerd waaruit kan volgen dat door deze woninginbraak psychische schade is ontstaan.

Naast de toewijzingen van de civiele vorderingen heeft de rechtbank tevens de maatregel tot schadevergoeding ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht opgelegd met bijbehorende gijzeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/879133-19

Datum uitspraak: 17 maart 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1998] ,

wonende te [woonplaats 1] , [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 juni 2019, 16 augustus 2019, 25 oktober 2019, 16 januari 2020, 13 februari 2020 en

3 maart 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 april 2019.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 25 oktober 2019 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 02 november 2018 te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (ongeveer 200 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [cafetaria] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s)

- - met bedekt(e) gezicht(en) die cafetaria is/zijn binnengegaan en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer 2] heeft/hebben vastgepakt en/of

- achter de toonbank naar de kassa is/zijn gelopen en/of

- meermalen tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd: "Kassa open maken", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of - (daarbij) een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer 2] heeft/hebben getoond, in elk geval (daarbij) dreigend zijn, verdachtes, hand voor zijn, verdachtes, broeksband en/of buik heeft/hebben gehouden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of één of meer andere personen op of omstreeks 02 november 2018 te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (ongeveer 200 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [cafetaria] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s)

- met bedekt(e) gezicht(en) die cafetaria is/zijn binnengegaan en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer 2] heeft/hebben vastgepakt en/of

- achter de toonbank naar de kassa is/zijn gelopen en/of

- meermalen tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd: "Kassa open maken", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of - (daarbij) een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer 2] heeft/hebben getoond, in elk geval (daarbij) dreigend zijn, verdachtes, hand voor zijn, verdachtes, broeksband en/of buik heeft/hebben gehouden

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 02 november 2018 te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of één of meer andere personen te vervoeren en/of op de uitkijk te staan;

2. hij op of omstreeks 17 december 2018 te Valkenswaard, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 800 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [supermarkt] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s),

- met bedekt(e) gezicht(en) die [supermarkt] is binnengegaan en/of

- naar de servicebalie van die [supermarkt] is gelopen en/of

- (vervolgens) tegen die [slachtoffer 3] heeft gezegd: "La open en geld" en/of "Geef mij het kastje" en/of "meer, nog meer", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- (daarbij) een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer 3] heeft getoond;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of één of meer andere personen op of omstreeks 17 december 2018 te Valkenswaard, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 800 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [supermarkt] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s),

- met bedekt(e) gezicht(en) die [supermarkt] is binnengegaan en/of

- naar de servicebalie van die [supermarkt] is gelopen en/of

- (vervolgens) tegen die [slachtoffer 3] heeft gezegd: "La open en geld" en/of "Geef mij het kastje" en/of "meer, nog meer", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- (daarbij) een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer 3] heeft getoond

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 17 december 2018 te Valkenswaard opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of één of meer andere personen te vervoeren en/of op de uitkijk te staan;

3. hij op of omstreeks 15 januari 2019 te Best, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een geldbedrag (ongeveer 15.000 euro) en/of een (grote) hoeveelheid (gouden) sieraden en/of een Playstation en/of een Playstation controller en/of een Playstation spel en/of een harde schijf en/of een of meer (schrijf)mappen en/of een (Swarovski) pen en/of een of meer Albert Heijn zegelboeken en/of een navigatiesysteem en/of een of meer telefoons en/of een of meer sloffen sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door middel van het gebruik van een (door hem/hun, verdachte(n)) (gereproduceerde/gekopieerde) (huis)sleutel en/of door zonder toestemming van die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] gebruik te maken van de sleutel van zijn/haar/hun woning;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 3] en/of één of meer andere personen op of omstreeks 15 januari 2019 te Best, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een geldbedrag (ongeveer 15.000 euro) en/of een (grote) hoeveelheid (gouden) sieraden en/of een Playstation en/of een Playstation controller en/of een Playstation spel en/of een harde schijf en/of een of meer (schrijf)mappen en/of een (Swarovski) pen en/of een of meer Albert Heijn zegelboeken en/of een navigatiesysteem en/of een of meer telefoons en/of een of meer sloffen sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door middel van het gebruik van een (door hem/hun, verdachte(n)) (gereproduceerde/gekopieerde) (huis)sleutel en/of door zonder toestemming van die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] gebruik te maken van de sleutel van zijn/haar/hun woning bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 01 december 2018 tot en met 15 januari 2019 te Best opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door [medeverdachte 3] een (huis)sleutel aan te leveren en/of een voorverkenning uit te voeren en/of [medeverdachte 3] en/of één of meer andere personen te vervoeren en/of de dochter van die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] uit die woning weg te lokken;

4. hij op of omstreeks 24 januari 2017 te Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 3] heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid (merk)kleding en/of een of meer tablets en/of telefoons en/of telefoonopladers en/of een of meer Nintendo DS spelcomputers en/of een hoofdtelefoon en/of een of meer auto beeldschermen en/of een verrekijker en/of een zakmes en/of een geldbedrag (totaal ongeveer 70 euro) en/of een hoeveelheid sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door middel van het gebruik van een (door hem/hun, verdachte(n)) (gereproduceerde/gekopieerde) (huis)sleutel en/of door zonder toestemming van die [slachtoffer 6] gebruik te maken van de sleutel van haar/hun woning;

5. hij in of omstreeks de periode van 28 juli 2018 tot en met 29 juli 2018 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 4] heeft weggenomen een of meer horloges en/of een of meer bankpassen en/of een Playstation en/of een of meer Playstation controllers en/of een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

6. hij in of omstreeks de periode van 22 december 2018 tot en met 24 december 2018 te Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen

aan de [adres 5] heeft weggenomen een geldbedrag (enkele duizenden euro's), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 8] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

7. hij op of omstreeks 08 januari 2019 te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 6] heeft weggenomen een computer (Apple iMac) en/of een of meer laptops (Aces Aspire en/of Apple MacBook pro) en/of een laptoptas en/of een horloge en/of een rugzak en/of een zonnebril en/of een geldbedrag (ongeveer 25 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsbeslissing.

De bron.

Een dossier van de regiopolitie Eenheid Oost-Brabant, District Recherche Helmond, met zaaknummer OB3R018099, onderzoek “Gustrow” afgesloten d.d. 22 juli 2019, aantal doorgenummerde bladzijden: 2702. Dit dossier bevat een verzameling processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden.

Inleiding.

In de periode van 1 november 2018 tot en met 9 februari 2019 hebben meerdere gewapende overvallen plaatsgevonden op cafetaria’s, supermarkten en benzinestations in de regio Helmond, Beek en Donk, Aarle-Rixtel, Nuenen en Valkenswaard. Dit heeft er toe geleid dat onder leiding van de officier van justitie het opsporingsonderzoek Gustrow werd gestart.

Bij het opsporingsteam werd al vrij snel duidelijk dat bij de overvallen veelal twee negroïde personen betrokken waren die het gemunt hadden op geld en sigaretten en daarbij niet schuwden om geweld te gebruiken dan wel daarmee te dreigen. Aan de hand van een vergelijking van de signalementen van de betrokken daders, de modus operandi en de herkenning van [medeverdachte 1] bij een van de overvallen, ontstond het vermoeden dat hij samen met anderen verantwoordelijk was voor meerdere overvallen in deze regio.

Om een compleet beeld te kunnen krijgen van [medeverdachte 1] en zijn netwerk, werden diverse opsporingsmiddelen toegepast, waardoor het opsporingsteam onder meer de beschikking kreeg over veel gevoerde communicatie en ook over steeds meer feitelijke gegevens. Zo kwamen ook andere personen en telefoonnummers in beeld, waarop vervolgens een tap werd aangesloten en waarvan de historische gegevens en/of mastgegevens werden opgevraagd. Op deze wijze kwamen meerdere personen in beeld en werd het onderzoek naar deze personen uitgebreid.

Uiteindelijk heeft het onderzoek geleid tot de aanhouding van verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , die onderworpen zijn aan meerdere verhoren. Op grond van de door hen afgelegde verklaringen rees bij het opsporingsteam de verdenking dat deze groep verdachten – al dan niet samen – ook verantwoordelijk was voor diverse woninginbraken die in de periode van januari 2017 tot en met januari 2019 hebben plaatsgevonden in Best, Aarle-Rixtel, Nuenen en Beek en Donk.

Het Openbaar Ministerie is tot de conclusie gekomen dat verdachte binnen deze groep verantwoordelijk is voor een aantal woninginbraken alsmede overvallen en maakt hem thans het verwijt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

  • -

    het medeplegen van een overval op [cafetaria] op 2 november 2018 in Nuenen (feit 1 primair) dan wel de medeplichtigheid daaraan (feit 1 subsidiair);

  • -

    het medeplegen van een overval op de [supermarkt] op 17 december 2018 in Valkenswaard (feit 2 primair) dan wel de medeplichtigheid daaraan (feit 2 subsidiair);

  • -

    het medeplegen van een woninginbraak aan de [adres 2] in Best op 15 januari 2019 (feit 3 primair) dan wel de medeplichtigheid daaraan (feit 3 subsidiair);

  • -

    het medeplegen van een woninginbraak aan de [adres 3] in Aarle-Rixtel op 24 januari 2017 (feit 4);

  • -

    het medeplegen van een woninginbraak aan de [adres 4] in Beek en Donk in de periode van 28 juli 2018 tot en met 29 juli 2018 (feit 5);

  • -

    het medeplegen van een woninginbraak aan de [adres 5] in Aarle-Rixtel in de periode van 22 december 2018 tot en met 24 december 2018 (feit 6);

  • -

    het medeplegen van een woninginbraak aan de [adres 6] in Nuenen op 8 januari 2019 (feit 7).

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring zal komen van het ten laste gelegde onder feit 2 primair, feit 3 primair, feit 4, feit 5, feit 6 en feit 7 en dat verdachte van het ten laste gelegde onder feit 1 primair/subsidiair zal worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte integraal zal worden vrijgesproken van hetgeen hem is ten laste gelegd.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen inleidende opmerkingen.

Aan de rechtbank ligt de vraag voor of op grond van de door de officier van justitie gepresenteerde bewijsmiddelen, ontleend aan de inhoud van het procesdossier, geoordeeld kan worden dat verdachte de hem verweten strafbare feiten heeft begaan. De rechtbank kan eerst dan tot het oordeel komen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, indien zij uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen. Met andere woorden: dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan moet boven elke redelijke twijfel verheven zijn. Indien deze juridische lat niet wordt gehaald, behoort de verdachte vrijgesproken te worden van hetgeen hem wordt verweten.

Aan verdachte worden een tweetal gewapende overvallen en een vijftal woninginbraken ten laste gelegd. Dat deze overvallen en woninginbraken hebben plaatsgevonden, staat niet ter discussie. De vraag is of verdachte aan deze feiten een strafrechtelijk relevante bijdrage heeft geleverd, die gekwalificeerd kan worden als (mede)plegen van of medeplichtig zijn bij/tot deze feiten.

De officier van justitie komt tot de conclusie dat verdachte een strafrechtelijk relevante bijdrage heeft geleverd aan de ten laste gelegde gewapende overval onder feit 2 én de woninginbraken onder feit 3 tot en met feit 7, waarbij de officier van justitie met name gewicht heeft toegekend aan de jegens verdachte afgelegde belastende verklaringen door medeverdachte [medeverdachte 3] alsook aan enkele tapgesprekken die verdachte gevoerd heeft met [medeverdachte 3] , zijn (ex-)vriendin [persoon 1] en/of anderen.

Door de verdediging is op de terechtzitting verweer gevoerd ten aanzien van de betrouwbaarheid van de door medeverdachte [medeverdachte 3] afgelegde verklaringen alsook aan de interpretatie van de in de ogen van de officier van justitie belastende tapgesprekken.

Voordat de rechtbank de haar voorliggende vraag zal beantwoorden, zal zij hierna eerst aandacht besteden aan de bewijswaarde van de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 3] alsook aan de onderschepte tapgesprekken en wat dit betekent bij de beoordeling van de feiten in de onderhavige zaak.

De verklaring van de medeverdachte.

De rechtbank stelt vast dat medeverdachte [medeverdachte 3] ten overstaan van de politie belastend heeft verklaard over het aandeel dat verdachte zou hebben gehad bij de ten laste gelegde gewapende overvallen en de woninginbraken. De vraag is of deze verklaringen als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Bij de beantwoording van die vraag neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft bij de politie een aantal verklaringen afgelegd. In zijn eerste verklaringen ontkent de medeverdachte. In zijn verhoor bij de politie op 28 maart 2019 en de daarop volgende verhoren heeft hij echter openheid van zaken gegeven. In die verklaringen belast de medeverdachte, naast verdachte, zichzelf in grote mate. Hij bekent dan de aan hem ten laste gelegde feiten. Van het afschuiven van verantwoordelijkheid op de medeverdachte is geen sprake. De rechtbank stelt verder vast dat de belastende verklaringen van de medeverdachte steun vinden in het dossier.

Verdachte en zijn medeverdachte (wiens zaken gelijktijdig hebben gediend) hebben op de terechtzitting over en weer elkaar beschuldigd dan wel elkaar tegengesproken. Hoewel de strafzaken tegen hen niet gevoegd zijn behandeld, kan de rechtbank haar ogen niet sluiten voor deze feiten en omstandigheden. Dat de vriendenrelatie voorbij lijkt te zijn en dat verdachte en zijn medeverdachte thans in onmin leven, is daarmee dan ook een gegeven.

De betrouwbaarheid van de door de medeverdachte afgelegde verklaringen kan beïnvloed worden door motieven die de medeverdachte, om welke reden dan ook, kan hebben om belastend over verdachte te verklaren. Als mogelijk motief heeft verdachte tijdens de terechtzitting gesuggereerd dat zijn medeverdachte in de veronderstelling verkeert/verkeerde dat hij, verdachte, een liefdesrelatie heeft (gehad) met de zus van de medeverdachte, hetgeen bij hem, medeverdachte, niet in goede aarde is gevallen. De rechtbank merkt op dat deze suggestie van verdachte geen steun vindt in het dossier. Dat de medeverdachte om de reden zoals door verdachte is gesuggereerd belastend over hem heeft verklaard, is daarom niet aannemelijk geworden en raakt de betrouwbaarheid van de verklaringen van de medeverdachte niet.

Van andere omstandigheden die de betrouwbaarheid van de verklaringen van de medeverdachte aantasten, is de rechtbank niet gebleken.

Op basis van het voorgaande merkt de rechtbank de verklaringen van de medeverdachte aan als betrouwbaar. Dat betekent dat deze verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Dat neemt niet weg dat voor de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten voldoende ondersteunend bewijs noodzakelijk is.

Het vorenstaande betekent concreet dat de rechtbank bij de ten laste gelegde feiten waarvan de verklaring van de medeverdachte een belangrijk onderdeel uitmaakt van het bewijs slechts dan tot het wettig en overtuigend bewijs zal kunnen komen indien de belastende verklaringen van de medeverdachte in belangrijke mate steun vinden in overige bewijsmiddelen. Als de verklaringen van de medeverdachte niet of in mindere mate worden ondersteund door enig ander bewijsmiddel dient de rechtbank verdachte – bij gebrek aan overtuigend bewijs – vrij te spreken van hetgeen hem wordt verweten.

Voorts overweegt de rechtbank dat met de zogenoemde verklaringen “van horen zeggen” uiterst behoedzaam dient te worden omgegaan. De kans is namelijk aanzienlijk dat dergelijke verklaringen onnauwkeurig zijn in de weergave van hetgeen is vernomen, van wie dit precies is vernomen en de context waarin het belastende is gezegd.

De tapgesprekken.

De rechtbank overweegt in algemene zin over tapgesprekken dat meestal niet zonder meer aangenomen kan worden dat opgenomen en afgeluisterde gesprekken over bepaalde strafbare gedragingen gaan als dat door verdachte wordt ontkend. Dat kan dan als die gesprekken maar voor één uitleg vatbaar zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval als de verdachte daarin zelf met zoveel woorden zegt dat hij die strafbare gedragingen heeft gepleegd. Als dat niet zo is, zijn die gesprekken dus voor meerdere uitleg vatbaar. Dat hoeft die gesprekken niet onbruikbaar te maken voor het bewijs, maar wel moet de rechtbank dan voorzichtig zijn bij het interpreteren van die gesprekken. Die voorzichtigheid brengt mee dat goed moet worden gekeken naar de inhoud en het onderling verband van die gesprekken en naar het verband met andere bewijsmiddelen.

De beantwoording van de vraag of de ten laste gelegde feiten zijn bewezen.

De vraag of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is, zal hierna per ten laste gelegde feit worden besproken, uitmondende in een conclusie of tot een bewezenverklaring of tot een vrijspraak wordt gekomen.

ten aanzien van feit 1 primair/subsidiair:

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de verdediging, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 primair én subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

ten aanzien van feit 2:

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Daartoe overweegt de rechtbank in het bijzonder dat op grond van de inhoud van dit procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte wetenschap heeft gehad van de door zijn medeverdachte [medeverdachte 1] gepleegde overval en daarin welbewust een strafrechtelijk relevante rol heeft gespeeld.

De rechtbank heeft bij haar oordeel meegewogen dat medeverdachte [medeverdachte 1] ten aanzien van het ten laste gelegde onder meer heeft verklaard dat het zijn idee was om die overval te plegen en ten behoeve daarvan medeverdachte [medeverdachte 3] een voorverkenning heeft laten doen in de betreffende supermarkt. [medeverdachte 3] heeft die verklaring van [medeverdachte 1] bevestigd en in aanvulling daarop verdachte belast door te verklaren dat verdachte er die avond ook bij was, wetenschap had van de snode plannen van [medeverdachte 1] en hen na de betreffende overval met de auto heeft vervoerd. [medeverdachte 1] heeft deze verklaring van [medeverdachte 3] evenwel weersproken en verdachte heeft ten stelligste ontkend dat hij ter plaatse is geweest en wetenschap heeft gehad van deze overval.

Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier onvoldoende steunbewijs voor de belastende verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] . Daarover overweegt zij het volgende.

Dat verdachte die bewuste avond in Valkenswaard is geweest, staat naar het oordeel van de rechtbank vast. Uit de zendmastgegevens blijkt immers dat verdachtes telefoon, waarover hij op zitting heeft verklaard deze altijd bij zich te hebben, in ieder geval in de tijdspanne dat de overval werd gepleegd zendmasten in Valkenswaard heeft aangestraald. De rechtbank volgt verdachte daarom niet in zijn stelling dat hij daar niet ter plaatse is geweest. [medeverdachte 1] lijkt met zijn verklaring verdachte bewust uit de wind te willen houden. Deze omstandigheid levert naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende steunbewijs op voor het aan verdachte ten laste legde. Hieruit volgt immers nog niet dat verdachte wetenschap had van het plegen van de overval door [medeverdachte 1] en daarbij een strafrechtelijk verwijtbare rol heeft gehad.

De officier van justitie heeft als steunbewijs gewicht toegekend aan de onderschepte tapgesprekken tussen verdachte en zijn (ex-)vriendin enerzijds en tussen verdachte en [medeverdachte 3] anderzijds. Met inachtneming van de algemene overwegingen die de rechtbank hiervoor heeft gewijd aan tapgesprekken komt de rechtbank tot het oordeel dat deze tapgesprekken niet het nodige steunbewijs kunnen opleveren, aangezien verdachte op geen enkel moment in die gesprekken met zoveel woorden heeft gezegd dat hij betrokken is geweest bij de overval. Tijdens het gesprek dat verdachte heeft gehad met zijn (ex-)vriendin ontkent hij met zoveel woorden enige betrokkenheid te hebben gehad bij de betreffende overval. Dit maakt dat de gesprekken voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Kortom, de belastende verklaring van [medeverdachte 3] wordt niet in belangrijke mate gesteund door enig ander bewijsmiddel, zodat de rechtbank niet tot het oordeel kan komen dat buiten redelijke twijfel verheven is dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken.

ten aanzien van feit 3:

De rechtbank acht op grond van de navolgende feiten en omstandigheden, bezien in het licht van hetgeen de rechtbank hierna zal overwegen, wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 3 primair is ten laste gelegd.

De redengevende feiten en omstandigheden.

een proces-verbaal van aangifte, opgemaakt d.d. 15 januari 2019, dossierpagina’s 1400-1401, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4] :

(p. 1400) Ik doe aangifte van diefstal uit mijn woning op de [adres 2] in Best. Mijn dochter heeft op 15 januari 2019 omstreeks 15.00 uur de woning verlaten en geheel afgesloten. Om 16.20 uur kwam ik thuis bij de voordeur en merkte dat deze niet open ging. Ik ben omgelopen naar de achterzijde van de woning en zag dat de poort open stond, terwijl deze normaal is afgesloten. Ik zag ook dat de achterdeur openstond. Ik zag dat de woonkamer overhoop was gehaald. Ik ben naar boven gelopen en zag op de eerste etage dat diverse kamers doorzocht waren en overhoop gehaald. Ik weet niet hoe ze binnen zijn gekomen. Ik zie nergens sporen van de inbraak. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

een geschrift, te weten een bijlage gestolen goederen behorende bij voornoemd aangifte, opgemaakt d.d. 21 januari 2019, dossierpagina’s 1403-1404, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

(p. 1403) een Sony Playstation 4 + controller en Fifa 19, een Western Digital harde schijf 1 TB, een TomTom GO Essential 6 + tas/case, (p. 1404) een Apple iPhone 5S smartphone en

een Apple iPhone X smartphone.

een geschrift, te weten een overzicht van gestolen goederen behorende bij voornoemde aangifte, ongedateerd, dossierpagina’s 1406, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

(p. 1406) twee schrijfmappen, een Swarovski pen, 12 zegelboeken Albert Heijn, drie sloffen Marlboro sigaretten, een geldbedrag van € 15.000, drie sets goud 14 karaat (ketting/oorbel/schakelarmband), tien goudmunten 22 karaat, twee gouden trouwringen 14 karaat, hoeveelheid goud (bruidsschat), 30 oorbellen, drie kettingen, vijf armbanden.

een proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt d.d. 28 maart 2019, dossierpagina’s 1411-1416 , voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende de verklaring van [persoon 2]:

(p. 1412) Op de dag van de inbraak werd ik rond 12.00/13.00 uur door [verdachte] [de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte]] gebeld. Hij zei steeds: “Kom naar buiten, we gaan iets leuks doen”. Uiteindelijk ben ik rond 15.00 uur naar buiten gegaan om de trein te pakken. Ik heb op station Eindhoven [verdachte] ontmoet die daarna weer is weggegaan. Ik was toen alleen met [naam 1] en hebben toen de bus naar [naam 1] ’s huis gepakt, omdat [naam 2] bij hun thuis zat.

een proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 28 maart 2019, dossierpagina’s 2530-2544, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] :

(p. 2540) [verdachte] en ik hadden van tevoren de woning in Best geobserveerd. [verdachte] heeft dat meisje van de woning [de rechtbank begrijpt: [persoon 2]] naar Eindhoven gelokt. Hij heeft haar gebeld en vroeg aan haar of ze naar Eindhoven kwam. Dat deed ze. Ik heb van [verdachte] de sleutel van de woning, die hij eerder had gekopieerd, gekregen en ben daar binnen geweest. Ik ging op alle kamers kijken. Ik zag in de kledingkast speelgoed en kleding. Ik zag een doekje met plastic zakje. (p. 2541) Ik zag dat het geld was, veel geld, in briefjes van 50, 200 en 500 euro. Ik heb dat allemaal meegenomen. Ik nam veel sieraden mee. Ook het goud waar [verdachte] het over had. Toen we het geld gingen verdelen, wist ik dat het ongeveer 15.000 euro was. Wij zouden die sieraden door de helft delen. [verdachte] zei dat die sieraden in Valkenswaard zouden blijven. Een dag later hoorde ik dat [verdachte] die sieraden in had geleverd. Ik heb niks van die sieraden gezien.

een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 19 maart 2019, dossierpagina’s 1498-1501, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende het relaas van [verbalisant 1] :

opmerking rechtbank vooraf:

[verbalisant 1] heeft de onderzoeksbevindingen, daar waar het gaat om de tapgesprekken, in samenvattende vorm weergegeven in een relaas van bevindingen. De rechtbank heeft de samenvattende onderzoeksbevindingen van de verbalisant gecontroleerd aan de hand van onderliggende bewijsmiddelen (de letterlijke weergave van de tapgesprekken) en heeft hierin geen noemenswaardige verschillen geconstateerd. De rechtbank neemt de samenvattende weergave van de tapgesprekken daarom als uitgangspunt en volstaat hierna telkens met de vermelding en vindplaats van de onderliggende brondocumenten.

Binnen onderzoek Gustrow zijn diverse taplijnen aangesloten waaronder het telefoonnummer: [telefoonnummer 1] . De tenaamgestelde van dit nummer betreft [verdachte] woonachtig op de [adres 1] te [woonplaats 1] . Het genoemde telefoonnummer is op 1 februari 2019 gewijzigd naar het telefoonnummer: [telefoonnummer 2] . De tapgesprekken waarbij gesproken wordt over de inbraak in Best zijn hierna uitgewerkt.

(p. 1499)

Sessienummer: 172. Datum/tijdstip: 28-01-2019 / 21:02:08 Gebelde nummer: [telefoonnummer 3] .

[medeverdachte 1] zegt dat [verdachte] niet in de problemen komt dat de sleutel gegeven werd. Ze denken dat alleen [medeverdachte 3] gaat praten en vragen zich af of hij dat gedaan heeft. [brondocument: p. 1504-1505]

Sessienummer: 308. Datum/tijdstip: 28-01-2019 / 21:40:30 Gebelde nummer: [telefoonnummer 3]

[verdachte] belt met [telefoonnummer 3] , in eerdere gesprekken wordt hij [medeverdachte 1] genoemd. NNM vraagt of [verdachte] het ook gehoord heeft, 16 doezoe cash en 20 doezoe gold. [verdachte] zegt niet 20 doezoe en dat hij niet weet hoe duur die shit is. [medeverdachte 1] zegt dat [verdachte] moet zorgen dat [medeverdachte 3] safe en rustig blijft dan is [verdachte] ook safe en dat [verdachte] degene is die alles kan bepalen. [brondocument: p. 1509]

Sessienummer: 315 Datum/tijdstip: 28-01-2019 / 21:56:36 Gebelde nummer: [telefoonnummer 4]

[verdachte] belt met [telefoonnummer 4] .Inmiddels is bekend dat dit nummer in gebruik is bij [medeverdachte 3] . [verdachte] zegt dat degene had gebeld van de 20 doezoe (straattaal voor 1000) [de rechtbank begrijpt met “degene”: aangever [slachtoffer 4]]. Ze spreken af dat ze niet over elkaar praten. [medeverdachte 3] vraagt of [verdachte] die shit nog heeft verkocht. [verdachte] zegt nog niet. Ze hebben het erover dat [medeverdachte 3] is afgeperst en heeft het over 16 kop en 20 doezoe goldies. [medeverdachte 3] vraagt of hij die goldies nog heeft. [verdachte] zegt van wel. [medeverdachte 3] wil dat [verdachte] die goldies en die shit met hem deelt. [brondocument: p. 1510]

(p. 1501)

Sessienummer 5725 Datum/tijdstip 14-02-2019 / 12:40:06 Wordt gebeld door [telefoonnummer 5]

[verdachte] wordt gebeld door [persoon 1] . [verdachte] vertelt tegen [persoon 1] dat hij gisteren, nee eergisteren, dinsdag in Antwerpen was. Dat hij daar horloge en goud ging verkopen. [brondocument: p. 1525-1526]

(p. 1501)

Sessienummer 3914 Datum/tijdstip 19-02-2019 / 15:52:21 Gebelde nummer: [telefoonnummer 5]

[verdachte] belt met [persoon 1] . [verdachte] zegt dat hij 5000 geeft aan haar. Hij zegt dat hij meer dan 30.000 euro heeft. [verdachte] zegt dat [persoon 1] het tegen niemand mag zeggen maar hij heeft 55 duizend. [brondocument: p. 1527]

Sessienummer 6519 Datum/tijdstip 21-02-2019 / 12.06.31 Gebelde nummer: [telefoonnummer 5]

[verdachte] belt met [persoon 1] . [verdachte] zegt dat hij vorige week in Antwerpen was en dat hij daar 10.000 euro had gekregen en in Nederland hadden ze hem maar 5 willen geven. [brondocument: p. 1529]

Sessienummer 4553 Datum/tijdstip 19-02-2019 / 23:16:14 Gebelde nummer: [telefoonnummer 4]

[verdachte] belt uit met het nummer waar [medeverdachte 3] gebruik van maakt. [verdachte] vraagt of ze nog matties zijn. [medeverdachte 3] zegt van niet omdat [verdachte] hem nog wat moet geven. [verdachte] zegt dat hij het nog goed maakt met hem. [verdachte] zegt dat hij hem volgende week 5 donnies kan geven en dat hij volgende week alles heeft. [verdachte] zegt dat hij zijn bek dicht moet houden. [brondocument: p. 1528]

een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 20 maart 2019, dossierpagina’s 1533-1534, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende het relaas van [verbalisant 2] :

(p. 1533) Op 19 maart 2019 werd [verdachte] aangehouden in de woning aan de [adres 1] in [woonplaats 1] . In zijn slaapkamer werd een visitekaartje aangetroffen van [juwelier] te Antwerpen.

een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 15 mei 2019, dossierpagina 1539, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende het relaas van [verbalisant 3]:

(p. 1539) Op 13 mei 2019 werden door de [bank] de bankgegevens verstrekt op naam van [verdachte] , geboren op [1998] , wonende [adres 1] in [woonplaats 1] , te weten (onder meer) [bankrekeningnummer] . Uit de verstrekte gegevens bleek van twee betalingen op 6 februari 2019 bij MPA Grote Markt 1 in Antwerpen (België) om 14.26 uur en 15.21 uur van respectievelijk € 1,- en € 1,10. Volgens Google betreft MPA Antwerpen: Mobiliteit en Parkeren Antwerpen. Onder de Grote Markt in Antwerpen ligt parkeergarage Parking Grote Markt.

een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 10 mei 2019, dossierpagina’s 1564-1571, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :

(p. 1564) Tijdens de zoeking in de woning [adres 1] in [woonplaats 1] werd onder verdachte een telefoon in beslag genomen en veiliggesteld. De telefoon was in gebruik bij verdachte. Ons vielen de volgende zaken op:

  • -

    op 5 januari 2019 werd een sms ontvangen waarin stond: “Welkom in Duitsland”

  • -

    een foto van een zoekslag in Google Maps naar “Schlüssel kopieren Lunenburg” waarbij twee sleutelmakers werden getoond: [sleutelmaker 1] en [sleutelmaker 2] ;

  • -

    een foto van het [kenteken] . De tenaamgestelde van dit kenteken is [slachtoffer 4] , bewoner van [adres 2] in Best.

(p. 1565)

- een filmpje waarop een man, herkend als [medeverdachte 3] van 13 juli 1997, veel geld in zijn hand heeft en dit trots laat zien;

(p. 1566)

- uit de telefoongegevens van [verdachte] bleek dat er locatiegegevens in zijn telefoon werden opgeslagen. Uit de locatiegegeven bleek dat zijn telefoon op 12 februari 2019 om 13.23.41 uur de coördinaten 51.216751,4.418674 opgeslagen heeft en om 14.34.15 uur de coördinaten 51.216173,4.421000. Deze locaties waren beiden gesitueerd in het gebied in Antwerpen waar de meeste juweliers gelegen zijn (Diamantwijk).

Nadere bewijsoverwegingen.

De verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 3] maakt ook ten aanzien van het onderhavige ten laste gelegde een belangrijk onderdeel uit van het bewijs tegen verdachte. Op de gronden zoals hiervoor in algemene zin is overwogen, dient die verklaring echter in belangrijke mate gesteund worden door enig ander bewijsmiddel. Het bestaan van steunbewijs is door de verdediging betwist, maar de rechtbank is een ander oordeel toegedaan.

De rechtbank stelt vast dat de verklaring van [medeverdachte 3] op meerdere punten wordt gesteund. In dat kader wijst de rechtbank op de verklaring van de dochter des huizes, [persoon 2] , dat zij door verdachte is gevraagd om naar Eindhoven te komen, hetgeen past in de verklaring van [medeverdachte 3] dat verdachte de dochter des huizes uit de woning heeft gelokt. Verder wijst de rechtbank op het feit dat bij de betreffende woninginbraak geen braakschade is geconstateerd, hetgeen past in de verklaring van [medeverdachte 3] dat hij met een sleutel de woning van aangever heeft betreden. Ook de aangetroffen zoekslag in de mobiele telefoon van verdachte naar sleutelmakers in Duitsland en het gegeven dat hij tien dagen voorafgaand aan de inbraak in Duitsland is geweest, passen in de verklaring van [medeverdachte 3] dat verdachte de sleutel van de betreffende woning op een eerder moment heeft laten kopiëren. Opvallend en veelzeggend is verder dat bij de inbraak veel geld en goud is weggenomen en dat in de mobiele telefoon van verdachte een filmpje is aangetroffen waarin [medeverdachte 3] veel geld in zijn hand heeft. Dit is een opmerkelijke omstandigheid die niet past bij de levensfase van een jeugdige persoon die geen legaal betaalde baan heeft. Maar ook de inhoud van de tapgesprekken waar [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [persoon 1] en verdachte aan deel hebben genomen is veelzeggend. Het is duidelijk dat in die gesprekken wordt gesproken over (grote sommen) geld en goud, het verkopen van goud in Antwerpen en het delen van de opbrengst, maar ook dat [medeverdachte 3] van verdachte zijn mond dicht moet houden. Dat kan in deze context niet anders worden uitgelegd dan dat [medeverdachte 3] niet met de politie moet praten. Ook is uit de tapgesprekken evident op te maken dat verdachte in Antwerpen is geweest en daar goud – naar de rechtbank aanneemt het bij de woninginbraak buit gemaakte goud – heeft verkocht.

De op de terechtzitting door verdachte gegeven toelichting ten aanzien van de tapgesprekken en de reden waarom hij in Antwerpen was, overtuigen de rechtbank – gelet op de overvloed aan bewijs – geenszins.

Het voorgaande maakt dan ook dat de verklaring van [medeverdachte 3] naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het ten laste gelegde is dan ook wettig en overtuigend bewezen als na te melden. Ook de voor het medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 3] is op grond van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen in voldoende mate komen vast te staan. Naar het oordeel van de rechtbank is de bijdrage van verdachte aan het primair ten laste gelegde van voldoende gewicht geweest.

ten aanzien van feit 4:

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 4 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Daartoe overweegt de rechtbank in het bijzonder dat op grond van de inhoud van dit procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet buiten redelijke twijfel is verheven dat verdachte de dader is geweest van deze woninginbraak waar met name dure merkkleding is weggenomen.

De rechtbank heeft bij haar oordeel meegewogen dat de verklaringen van aangeefster en haar beide zonen berusten op vermoedens en speculaties, die niet worden ondersteund door enig ander bewijsmiddel in dit procesdossier. Het gegeven dat verdachte over de vloer is geweest bij aangeefster, interesse heeft getoond in de kleding van haar zonen en na de woninginbraak vragen daarover heeft gesteld, wijzen onvoldoende op strafrechtelijk relevante betrokkenheid van verdachte bij deze woninginbraak. Verdachte en de zonen van aangeefster waren immers vrienden en trokken met elkaar op. De omstandigheid dat verdachte enkele dagen na deze woninginbraak met personen is gezien, van wie één soortgelijke kleding droeg als de kleding die bij de woninginbraak was weggenomen, levert evenmin het bewijs voor betrokkenheid van verdachte bij deze woninginbraak op.

Het enige directe en meest belastende bewijs voor strafrechtelijke betrokkenheid van verdachte komt uit de verklaring van [medeverdachte 3] , inhoudende dat [medeverdachte 1] en verdachte deze woninginbraak hebben gepleegd. Op de gronden zoals hiervoor in algemene zin is overwogen, dient die verklaring echter in belangrijke mate gesteund te worden door enig ander bewijsmiddel. Het bestaan van steunbewijs is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [medeverdachte 3] geen inzicht heeft gegeven in de redenen van wetenschap van hetgeen door hem is gesteld, terwijl verdachte het ten laste gelegde ten stelligste ontkent.

Kortom, de belastende verklaring van [medeverdachte 3] wordt niet in belangrijke mate gesteund door enig ander bewijsmiddel. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom niet buiten redelijke twijfel verheven dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

ten aanzien van feit 5:

De rechtbank acht op grond van de navolgende feiten en omstandigheden, bezien in het licht van hetgeen de rechtbank hierna zal overwegen, wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 5 is ten laste gelegd.

De redengevende feiten en omstandigheden.

een proces-verbaal van aangifte, opgemaakt d.d. 30 juli 2018, dossierpagina’s 1723-1724, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende de aangifte van [slachtoffer 11] :

(p. 1723) Ik doe namens mijn zoon [slachtoffer 7] aangifte van diefstal uit de woning aan de [adres 4] te Beek en Donk, binnen de gemeente Laarbeek. Ik ben namens mijn zoon gerechtigd tot het doen van aangifte. Mijn zoon is met zijn gezin op vakantie. Op 29 juli 2018 omstreeks 10.00 uur bevond ik mij in de woning aan de [adres 4] [de rechtbank begrijpt: [adres 4] en zag ik dat de tuindeur/schuifdeur op een kiertje stond en dat een raam op de begane grond vernield was. Er lag een steen op de grond tegen de badkamerdeur. (p. 1724) Alle kamers in de woning zijn bezocht, kasten en lades stonden open. Omstreeks 11.30 uur kwam een kennis van mij een horlogebox van het merk Tommy Hilfiger, pasjes van mijn kleinzoon en diverse muntstukken brengen die hij in Aarle-Rixtel langs het kanaal had gevonden. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

MO-gegevens:

Middels het gooien van een steen door de ruit aan de achterzijde van de woning ontstond er een gat in de ruit en werd de woning binnengeklommen. Alle ruimtes zijn bezocht, kasten en laden zijn opengetrokken.

een geschrift, te weten een “bijlage goederen”, opgemaakt d.d. 18 augustus 2018, dossierpagina 1725, behorende bij het proces-verbaal van aangifte d.d. 30 juli 2018, voor zover – zakelijk weergegeven inhoudende:

(p. 1725) twee Playstation controllers (een blauwe en een zwarte), een horloge van het merk Tissot, een horloge van het merk Tommy Hilfiger en een (Rabo)bankpas.

een proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 28 maart 2019, dossierpagina’s 2530-2544, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] :

(p. 2542) Op de vraag of ik nog bij andere zaken betrokken, zeg ik: bij een vrijstaande woning in Beek en Donk, vlakbij een voetbalclub, ongeveer een jaar geleden samen met [verdachte] . [verdachte] wist dat die mensen op vakantie waren. Ik had dat raam kapot gemaakt met een baksteen. Door het gat in het raam ben ik gekropen en heb de deur voor [verdachte] opengemaakt. Wij hadden een Playstation en een horloge meegenomen. (p. 2543) In Weert is een telefoonwinkel en daar hebben wij die Playstation verkocht. Die winkel is van een vriend van [verdachte] . Wij hadden ook een filmcamera verkocht. Die was ook bij die woning weggehaald.

een proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 2 april 2019, dossierpagina’s 2557-2564, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] :

(p. 2563) Dat was op de [adres 4] . Ik ben langs de garage naar achter gelopen en daar heb ik een raam ingegooid. Die mensen waren op vakantie, dat wist ik van [verdachte] . Ik ben met [verdachte] binnen geweest in de woning. Wij hebben daar een horloge, een Playstation en een camera meegenomen. We hebben ook nog papiergeld met een vreemde valuta meegenomen. We hadden alle spullen in een tas gedaan. Wat niet waardevol is, wilden we dumpen. De spullen hebben we gedumpt in Aarle-Rixtel, langs het kanaal bij de bossen. Dit is een wandelroute waar we door een man zijn gezien.

een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 10 mei 2019, dossierpagina’s 1736-1743, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :

(p. 1736) Op 20 maart 2019 werd [verdachte] aangehouden. Tijdens de zoeking op zijn woonadres [adres 1] in Aarle-Rixtel werd onder andere een telefoon, in gebruik van [verdachte] , in beslag genomen. De inhoud van de telefoon werd veiliggesteld en door ons bekeken. (p. 1740) Op de telefoon werd het volgende WhatsApp gesprek gevonden met de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 6] . Dit contact stond onder de naam “ [naam 3] ”. Uit de politiesystemen bleek dat het nummer was gekoppeld aan [persoon 3] , [adres 7] in [woonplaats 2] .

verzender

datum en tijdstip

verzonden bericht

[persoon 3]

18 augustus 2018 om 11.13.16

Nee mijn klanten controleren ook, maar straks gebeurt iets, dan ben ik de pineut. Jouw horloge staat hier zonder dat die het doet. Ik heb zelfs nieuwe batterij voor gehaald maar nee hoor !

[verdachte]

18 augustus 2018 om 11.54.22

Bij mee deed die het

18 augustus 2018 om 11.54.33

Ik pak die wel terug

[persoon 3]

18 augustus 2018 om 11.55.36

Maar ja zo zij het dan, wollah bro is een teken van boven, deze dingen gaan niet bij mij

18 augustus 2018 om 11.55:44

Alles moet eerlijk en klaar

18 augustus 2018 om 11.56.59

Maar je kan het van mij terugnemen, ik ga niet meer zulke dingen kopen, alleen eerlijke dingen

[verdachte]

18 augustus 2018 om 11.56.59

ja

Nadere bewijsoverwegingen.

De verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 3] maakt ook ten aanzien van het onderhavige ten laste gelegde een belangrijk onderdeel uit van het bewijs tegen verdachte. Op de gronden zoals hiervoor in algemene zin is overwogen, dient die verklaring in belangrijke mate gesteund te worden door enig ander bewijsmiddel. Het bestaan van steunbewijs is door de verdediging betwist, maar de rechtbank is een ander oordeel toegedaan.

De rechtbank weegt bij haar oordeel in het bijzonder mee dat in de telefoon van verdachte een WhatsApp-gesprek tussen hem en de in [woonplaats 2] woonachtige [persoon 3] is onderschept. Uit dit gesprek leidt de rechtbank af dat verdachte een horloge heeft verkocht aan [persoon 3] en dat [persoon 3] zijn onvrede uit over het door verdachte verkochte horloge, omdat deze niet bleek te werken. Hij geeft verdachte daarom aan dat hij het horloge kan terugnemen en dat hij in het vervolg van hem alleen “eerlijke dingen” wil kopen. Dit gesprek past in de verklaring van [medeverdachte 3] dat uit de woning van aangever onder meer een Playstation en een horloge is weggenomen en dat de Playstation is verkocht aan een vriend van verdachte die in [woonplaats 2] een eigen onderneming heeft. Deze feiten en omstandigheden wijzen in de richting van de hiervoor genoemde [persoon 3] en dat bij die gelegenheid (of op enig ander moment) ook de uit de woning ontvreemde horloge aan hem is verkocht. Verdachte heeft op de terechtzitting over het WhatsApp-gesprek verklaard dat het ging om zijn eigen horloge. Op de vraag van de rechtbank wat [persoon 3] bedoelt te zeggen met dat hij voortaan “eerlijke dingen” van hem wil kopen, is de verdachte het antwoord schuldig gebleven. Bij deze stand van zaken hecht de rechtbank dan ook geen geloof aan de verklaring van verdachte dat het zijn eigen horloge betrof.

Het voorgaande maakt dan ook dat de verklaring van [medeverdachte 3] in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Naar het oordeel van de rechtbank is het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen als na te melden. Ook de voor het medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverachte [medeverdachte 3] is op grond van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen in voldoende mate komen vast te staan. Naar het oordeel van de rechtbank is de bijdrage van verdachte aan het ten laste gelegde van voldoende gewicht geweest.

ten aanzien van feit 6:

De rechtbank acht op grond van de navolgende feiten en omstandigheden, bezien in het licht van hetgeen de rechtbank hierna zal overwegen, wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 6 is ten laste gelegd.

De redengevende feiten en omstandigheden.

een proces-verbaal van aangifte, opgemaakt d.d. 24 december 2018, dossierpagina’s 1767-1768, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende de aangifte van [slachtoffer 8] :

(p. 1767) Ik doe aangifte van een gekwalificeerde diefstal uit mijn woning aan de [adres 5] in Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek. Op 22 december 2018 om 16.00 uur heb ik mijn woning verlaten. Alles in en aan de woning was intact en onbeschadigd. De deuren en ramen heb ik allemaal afgesloten. Op 24 december 2018 om 12.00 uur kwam ik thuis. Ik zag dat er glas en een klinker (in stukken) op de grond in de keuken lag en dat de ruit in de achterdeur ingegooid was. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

(p. 1768)

MO-gegevens:

Betreft een twee onder een kap woning waarvan van de achterdeur de ruit is ingegooid met een stoeptegel. Deze stoeptegel kwam uit de achtertuin van aangever. Deze stoeptegel is in de keuken op de vloer terecht gekomen. In de woonkamer werden diverse kasten en lades geopend. Op de eerste verdieping bevinden zich de slaapkamers van aangever en zijn zoon. In deze kamers werden ook diverse lades van kasten geopend.

een proces-verbaal van verhoor aangever, opgemaakt d.d. 27 april 2019, dossierpagina’s 1775-1776, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende de verklaring van [slachtoffer 8] :

(p. 1775) In aanvulling op mijn aangifte kan ik vertellen dat bij de inbraak in mijn woning geld van mijn zoon [naam 4] is weggenomen. Dit betrof een bedrag van enkele duizenden euro’s. Hoeveel geld dat precies was, wist [naam 4] niet want het was zijn fooienpot, met daarin fooi dat hij van zijn werk als kok in de horeca had verdiend. Dat geld lag op zijn slaapkamer op de eerste verdieping. Het betrof zowel munt- als briefgeld dat hij in een ronde trommel bewaarde. In die trommel zaten ook enveloppen met geld. (p. 1776)
Tussen mijn huis en dat van [nummer] zit een stenen muur als erfafscheiding. Boven op die muur zat een houten schot van de overkapping aan de achterzijde van mijn woning. Dat houten schot is weg. Ik heb dat schot niet weggehaald en dit kan alleen zijn weggehaald door de buren van [nummer] . Verder is er nagenoeg niet achter mijn woning te komen.

een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 28 juni 2019, dossierpagina’s 1780-1783, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende het relaas van [verbalisant 1] :

(p. 1780) Van het telefoonnummer [telefoonnummer 7] , in gebruik bij [verdachte] , werden de historische printgegevens verkregen over de periode van 3 augustus 2018 tot 2 februari 2019. Van het telefoonnummer [telefoonnummer 8] van [medeverdachte 3] werden de historische printgegevens verkregen over de periode van 31 juli 2018 tot 31 januari 2019.

Uit de historische printgegevens blijkt dat [verdachte] op de volgende datum en tijdstippen in Aarle-Rixtel verblijft:

22 december 2018 te 22.03.52 uur;

23 december 2018 te 09.26.27 uur tot en met 20.02.38 uur;

23 december 2018 te 21.18.01 uur tot 22.52.56 uur.

Uit de historische printgegevens blijkt dat [medeverdachte 3] op de volgende datum en tijdstippen in Aarle-Rixtel is:

22 december 2018 te 21.44.43 uur tot en met 23.28.55 uur

23 december 2018 te 19.31.26 uur tot en met 19.58.33 uur.

Uit de historische printgegevens blijkt dat [medeverdachte 3] en [verdachte] op twee momenten samen in Aarle-Rixtel zijn, namelijk op 22 december 2018 omstreeks 22.00 uur en 23 december 2018 van 19.31.26 uur tot 19.58.33 uur. De gegevens van de masten die zij op dat moment aanstraalden zijn opgevraagd via de landelijke interceptie organisatie, hieruit bleek het volgende:

Mastgegevens 22 december 2018

[verdachte] : locatie [adres 8] , [postcode] Aarle-Rixtel,

X = 173318, Y = 391324, Richting = 250

[medeverdachte 3] : locatie [adres 9] , [postcode] Aarle-Rixtel

X = 172470, Y = 391280, Richting = 265

Mastgegevens 23 december 2018

[verdachte] : locatie [adres 8] , [postcode] Aarle-Rixtel

X = 173318, Y = 391324, Richting = 250

[medeverdachte 3] : locatie [adres 9] , [postcode] Aarle-Rixtel

X = 172470, Y = 391280, Richting = 265

(p. 1782) Op basis hiervan is te zien dat de woning [adres 5] Aarle-Rixtel, waar is ingebroken, in het gebied ligt waar de masten van de verdachten aanstraalden.

Op 22 december 2018 om 19.23 uur zijn beide verdachten in Eindhoven en hebben ze een aantal keren telefonisch contact. Vanaf dat moment bellen ze niet meer met elkaar en stralen ze beide een mast aan in Eindhoven tot 20.19 uur. Om 21.44 uur straalt [medeverdachte 3] een mast aan in Aarle-Rixtel en om 22.03 uur straalt [verdachte] een mast aan in Aarle-Rixtel. Omstreeks 23.30 uur verplaatsen beide zich naar Nuenen en daarna verplaatsen zij zich samen naar Helmond en daarna naar Eindhoven.

Op 23 december 2018 om 17.53 uur en 18.31 straalt [verdachte] een mast aan in Aarle-Rixtel en [medeverdachte 3] in Nuenen. Beide masten stralen ze aan als ze op hun thuisadres zijn. Vanaf 19.30 uur straalt [medeverdachte 3] een mast aan in Aarle-Rixtel. [verdachte] heeft geen andere mast aangestraald dan in Aarle-Rixtel. Dit is in de periode van 19.31 uur tot en met 20.02 uur. Vanaf dat moment verplaatsen beide verdachten zich naar Lieshout en vervolgens naar Nuenen. Ze gaan dan korte tijd naar Nuenen en daarna verplaatst [verdachte] zich naar Aarle-Rixtel en [medeverdachte 3] naar Eindhoven.

Resumerend:

In de periode waarin de inbraak heeft plaatsgevonden in de woning aan de [adres 5] in Aarle-Rixtel zijn [verdachte] en [medeverdachte 3] twee keer samen, waarbij de mast aanstraalt die behoort bij het plaats delict. (p. 1783) Op 22 december 2018 verplaatsen [verdachte] en [medeverdachte 3] zich samen en zijn ook tegelijk in Aarle-Rixtel. Op 23 december 2018 blijft [verdachte] een mast aanstralen in Aarle-Rixtel en daarna gaat [medeverdachte 3] richting Aarle-Rixtel. Nadat ze samen in Aarle-Rixtel zijn, verplaatsen ze zich richting Nuenen. Op de momenten dat [verdachte] en [medeverdachte 3] samen in Aarle-Rixtel waren, straalden ze de mast aan waar de [adres 5] in Aarle-Rixtel ook onder valt.

een proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 2 april 2019, dossierpagina’s 2557-2564, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] :

(p. 2564) Op de [adres 5] in Aarle-Rixtel heeft [verdachte] een steen door het raam aan de achterkant van de woning van zijn buurman gegooid. Wij waren daar met z’n tweeën en zijn samen in de woning geweest. Wij hebben alleen geld meegenomen. Dat geld lag in de woonkamer in een kast. Dit geld zat in een envelop en er zat in een bakje ook muntgeld. Het was ongeveer 5000 euro. Dit geld hebben we gedeeld.

Nadere bewijsoverweging.

De verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 3] maakt ook ten aanzien van het onderhavige ten laste gelegde een belangrijk onderdeel uit van het bewijs tegen verdachte. Op de gronden zoals hiervoor in algemene zin is overwogen, dient die verklaring in belangrijke mate gesteund te worden door enig ander bewijsmiddel. Het bestaan van steunbewijs is door de verdediging betwist, maar de rechtbank is een ander oordeel toegedaan.

De rechtbank weegt bij haar oordeel in het bijzonder de zendmastgegevens en de verklaring van aangever mee. Uit de zendmastgegevens van de bij de verdachten in gebruik zijnde telefoontoestellen is gebleken dat zij in de periode waarin de inbraak heeft plaatsgevonden in elkaars bijzijn waren en dat zij beiden de mast aanstralen die behoort bij het plaats delict. Dit in combinatie met de verklaring van aangever dat het houten schot van de overkapping op de stenen muur, die als erfafscheiding diende tussen de woning van verdachte en aangever, was verwijderd en dat dit alleen door de buren weggehaald kon zijn, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de verklaring van [medeverdachte 3] in voldoende mate wordt ondersteund.

Naar het oordeel van de rechtbank is het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen als na te melden. Ook de voor het medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 3] is op grond van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen in voldoende mate komen vast te staan. Naar het oordeel van de rechtbank is de bijdrage van verdachte aan het ten laste gelegde van voldoende gewicht geweest.

ten aanzien van feit 7:

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 7 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Daartoe overweegt de rechtbank in het bijzonder dat op grond van de inhoud van dit procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet buiten redelijke twijfel is verheven dat verdachte de dader is geweest van deze woninginbraak.

De rechtbank heeft bij haar oordeel meegewogen dat het enige directe en meest belastende bewijs voor een strafrechtelijke betrokkenheid van verdachte uit de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 3] komt, inhoudende dat hij van verdachte heeft gehoord dat hij, verdachte, met anderen deze woninginbraak heeft gepleegd. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat met de zogenaamde verklaringen “van horen zeggen” uiterst behoedzaam dient te worden omgegaan alsook dat de verklaring van [medeverdachte 3] in belangrijke mate gesteund moet worden door enig ander bewijsmiddel.

De rechtbank beantwoordt de vraag of de verklaring van [medeverdachte 3] in belangrijke mate wordt gesteund ontkennend. Het enige steunbewijs aan de verklaring van [medeverdachte 3] is dat vastgesteld kan worden dat verdachte op de dag van de inbraak tussen 11.49 uur en 13.17 uur zendmasten in Nuenen heeft aangestraald. Met andere woorden: vastgesteld kan worden dat verdachte zich in Nuenen heeft bevonden, aangezien hij op de zitting heeft verklaard zijn mobiele telefoon altijd bij zich te hebben. Buiten dit bevat het procesdossier geen ander steunend bewijsmiddel. De verklaringen van getuige Jonker en de onbekend gebleven buurtbewoner kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet bijdragen aan het bewijs. Getuige Jonker spreekt namelijk over een incident dat omstreeks 13.45 uur – en derhalve nadat verdachte zich in Nuenen heeft bevonden – heeft plaatsgehad, terwijl het signalement van de jongens die deze getuige heeft gezien en de auto waarmee zij zijn weggereden niet overeenkomen met de uiterlijke kenmerken van verdachte en ook niet met het voertuig die hij toen in zijn bezit had. Bovendien spreekt de onbekend gebleven buurtbewoner over kennelijk een ander incident dat tussen 16.15 uur en 16.30 uur – wederom nadat verdachte zich in Nuenen heeft bevonden – plaatsgevonden zou hebben, terwijl hij/zij geen signalement van de persoon heeft opgegeven en de auto waarover hij/zij verklaart en waarmee die persoon zou zijn weggereden niet overeenkomt met het voertuig dat verdachte toen in zijn bezit had.

Kortom, de belastende verklaring van [medeverdachte 3] wordt niet in belangrijke mate gesteund door enig ander bewijsmiddel, zodat voldoende wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom niet buiten redelijke twijfel verheven dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen – bezien in het licht van hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen – komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

3. op 15 januari 2019 te Best, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een geldbedrag (15.000 euro) en een hoeveelheid (gouden) sieraden en een Playstation en een Playstation controller en een Playstation spel en een harde schijf en (schrijf)mappen en een (Swarovski) pen en Albert Heijn zegelboeken en een navigatiesysteem en telefoons en sloffen sigaretten, toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of

[slachtoffer 5] , terwijl zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel, te weten door middel van het gebruik van een (door hem/hun, verdachte(n)) (gereproduceerde/gekopieerde) (huis)sleutel.

5. in de periode van 28 juli 2018 tot en met 29 juli 2018 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres 4] heeft weggenomen horloges en een bankpas en Playstation controllers en een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 7] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

6. in de periode van 22 december 2018 tot en met 24 december 2018 te Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres 5] heeft weggenomen een geldbedrag (enkele duizenden euro's), toebehorende aan [slachtoffer 8] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregelen.

De eis van de officier van justitie.

De vordering van de officier van justitie strekt tot veroordeling van verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemene overwegingen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Feiten waarop de straf is gebaseerd.

Verdachte en zijn medeverdachte hebben in een tijdsbestek van zes maanden zich schuldig gemaakt aan drie woninginbraken. Dit zijn nare feiten, omdat zij nog lange tijd voor gevoelens van angst en onveiligheid zorgen bij de betreffende bewoners, terwijl de woning bij uitstek een plek moet zijn waar men zich veilig moet kunnen voelen. Daarnaast veroorzaken dergelijke feiten, naast schade en overlast, onrust bij de buurtbewoners. Verdachte en zijn medeverdachte hebben hun eigen financiële motieven telkens voorop laten staan en hebben geen enkel oog gehad voor de ellende die zij bij de slachtoffers aanrichtten. Met zijn ontkennende proceshouding heeft verdachte ook ter terechtzitting op geen enkele wijze blijk gegeven van inzicht in de gevolgen voor de slachtoffers.

De rechtbank rekent verdachte in het bijzonder de woninginbraak in de [adres 2] in Best zwaar aan, nu alles er op wijst dat verdachte zonder medeweten van de bewoners de sleutels van de betreffende woning heeft bemachtigd, gekopieerd en de dochter des huizes de woning heeft uitgelokt, zodat zijn medeverdachte onopgemerkt en ongestoord de inbraak kon plegen. Bij deze inbraak is veel geld en goud weggenomen. Met name het goud, dat de vrouw des huizes als bruidsschat had gekregen, heeft grote emotionele waarde. Dat deze woninginbraak nog altijd veel impact op het gezin heeft, volgt uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij. De rechtbank zal een en ander daarom tot uitdrukking brengen in de straf die aan verdachte behoort te worden opgelegd.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 10 januari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten als thans is bewezenverklaard. Dit heeft daarom geen strafverzwarende invloed.

De aan verdachte op te leggen straf.

De ernst van de door verdachte begane feiten rechtvaardigen zonder meer de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten.

De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf en geven als uitgangspunt voor één voltooide woninginbraak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden.

Gelet op de ten laste van verdachte bewezenverklaarde feiten zou op grond van deze oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden gepast en geboden zijn. Dit doet echter onvoldoende recht aan de bewezenverklaarde feiten.

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in het bijzonder over de woninginbraak in Best heeft overwogen en het feit dat haar geen omstandigheden zijn gebleken die in het voordeel van verdachte zouden moeten meewegen, komt de rechtbank alles afwegende tot het oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is.

De rechtbank zal hiermee een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf. Een wezenlijke factor hierin is dat de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen van minder feiten dan waar de officier van justitie bij haar requisitoir van is uitgegaan en haar vordering op heeft gebaseerd. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de straf die zij zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

Algemeen inleidende opmerkingen.

De rechtbank zal hierna over gaan tot de bespreking van de vorderingen van de benadeelde partijen. Voordat de rechtbank daartoe overgaat, acht zij het van belang om in algemene zin enkele opmerkingen te maken over vorderingen benadeelde partij in het strafproces. Daarna zal de rechtbank per vordering van de benadeelde partij een beslissing nemen.

Uitgangspunten beoordeling vorderingen benadeelde partij in het strafprocesrecht.

Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit kan zich als benadeelde partij voegen in het strafproces met een vordering tot vergoeding van die schade. Op die vordering van de benadeelde partij is het materiële burgerlijk recht van toepassing. Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze schade kan bestaan uit vermogensschade en ander nadeel (immateriële schade). Op de benadeelde partij die een vordering instelt rust in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden.

In het geval de verdediging de vordering van de benadeelde partij betwist, zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.

In het geval de verdediging de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

Indien de omvang van de schade zonder nader onderzoek, dat een onevenredige vertraging van het strafgeding zou opleveren, niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, kan die omvang in veel gevallen worden geschat. De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval.

Met de mogelijkheid tot het indienen van een vordering door benadeelde partijen heeft de wetgever beoogd binnen het strafproces te voorzien in – kort gezegd – een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. Indien echter de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechter een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechter bepalen dat die vordering in het geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De bespreking van de vorderingen van de benadeelde partijen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] .

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 13.750,00 aan materiële schadevergoeding en een bedrag van € 300,00 aan immateriële schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De door de benadeelde partij gevorderde materiële schadevergoeding bestaat uit het contante geld dat bij de woninginbraak is weggenomen.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de vordering van de benadeelde partij integraal zal toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren, omdat hij vrijspraak heeft bepleit en de vordering, zowel ten aanzien van de gevorderde materiële als immateriële schade, onvoldoende is onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het ten laste van verdachte bewezen verklaarde onder feit 3 primair rechtstreekse schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde bedrag aan materiële schadevergoeding door de verdediging onvoldoende gemotiveerd is betwist, terwijl het gevorderde naar het oordeel van de rechtbank een redelijk bedrag is, dat ook is onderbouwd. Uit de woning is heel veel geld weggenomen. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft daarover verklaard dat het ging om ruim € 15.000,00. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate komen vast te staan dat op zijn minst het door de benadeelde partij gevorderde bedrag zich in de woning van de benadeelde partij heeft bevonden. De vordering zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 13.750,00 als materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Dat geldt echter niet voor het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding. Zoals hiervoor in algemene zin is overwogen, is bij de beoordeling van een vordering van de benadeelde partij het materiële burgerlijk recht van toepassing. Artikel 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, waaronder aantasting in de persoon “op andere wijze”. Van dit laatste is sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van een aantasting in zijn persoon “op andere wijze” sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon “op een andere wijze” is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij weliswaar heeft gesteld geestelijk letsel te hebben opgelopen, doch er zijn geen voldoende concrete gegevens aangevoerd waaruit kan volgen dat door deze woninginbraak psychische schade is ontstaan. De vordering is op dit punt onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij zal voor dit gedeelte van zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard en kan dit deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

Verder zal verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor wat betreft de materiële schade.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] .

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 3.250,00 aan materiële schadevergoeding

gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De door de benadeelde partij gevorderde materiële schadevergoeding bestaat uit een bedrag van € 3.000,00 voor het weggenomen geld, € 100,00 voor extra stookkosten, € 100,00 voor een snipperdag en € 50,00 voor het schoonmaken van de woning.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de vordering van de benadeelde partij deels zal toewijzen, waarbij voor wat betreft de hoogte gerefereerd is aan het oordeel van de rechtbank, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van deze vordering geen standpunt ingenomen.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde onder feit 5 rechtstreekse schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 3.250,00 aan materiële schadevergoeding door de verdediging niet is betwist, terwijl het gevorderde naar het oordeel van de rechtbank een redelijk bedrag is, dat ook is onderbouwd. De vordering zal dan ook worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 22 december 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

Verder zal verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 60a, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair, feit 1 subsidiair, feit 2 primair, feit 2 subsidiair, feit 4 en feit 7 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

verklaart het ten laste gelegde onder feit 3 primair, feit 5 en feit 6 bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

ten aanzien van feit 3 primair: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel ten aanzien van feit 5: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak ten aanzien van feit 6:diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf en maatregelen.

ten aanzien van feit 3 primair, feit 5 en feit 6:

 een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

ten aanzien van feit 3 primair:

maatregel van schadevergoeding van EUR 13.750,00 subsidiair 103 dagen gijzeling.

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] van een bedrag van EUR 13.750,00 (zegge: dertienduizendzevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 103 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit een materiële schadevergoeding.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] van een bedrag van EUR 13.750,00 (zegge: dertienduizendzevenhonderdvijftig euro). Het bedrag bestaat uit een materiële schadevergoeding.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

ten aanzien van feit 6:

maatregel van schadevergoeding van EUR 3.250,00 subsidiair 42 dagen gijzeling.

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 8] van een bedrag van EUR 3.250,00 (zegge: drieduizendtweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 42 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit een materiële schadevergoeding.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 december 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 8] van een bedrag van EUR 3.250,00 (zegge: drieduizendtweehonderdvijftig euro). Het bedrag bestaat uit een materiële schadevergoeding.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 december 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J. Bokhorst, voorzitter,

mr. C.J. Sangers-de Jong en mr. N. Flikkenschild, leden,

in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier,

en is uitgesproken op 17 maart 2020.