Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:1612

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
01/865033-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van - kortgezegd- acht (8) overvallen op winkels en bedrijven, één (1) poging tot overval op een persoon in diens garage bij een woning en opzettelijk handelen in strijd met de gedragsaanwijzing ex art. 509hh Sv.

Gevangenisstraf 16 jaar (eis: 16 jaar) met aftrek van voorarrest.

15 benadeelde partijen en beslag afgehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummers: 01/865033-19 en 01/845003-19 (ter terechtzitting gevoegd) [verdachte]

Strafrecht

Parketnummers: 01/865033-19 en 01/845003-19 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 18 maart 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1967] ,

wonende te [woonplaats] , [adres 1] ,

thans gedetineerd te: P.I. Vught, BPG.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 juni 2019, 23 september 2019, 29 november 2019, 29 januari 2020, 26 februari 2020 en 4 maart 2020.

Op de zitting van 23 september 2019 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 23 mei 2019.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 23 september 2019 en 26 februari 2020 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

Zaaksdossier Kinney

hij op of omstreeks 16 maart 2019 te Oss, in elk geval in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot afgifte van ongeveer 20.006 euro, althans een groot geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [casino] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (ongeveer) 20.006 euro, althans een groot geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [casino] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van/door geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bij genoemde diefstal en/of afpersing hierin bestond(en) dat hij, verdachte

-met een bivakmuts, althans gezichtsbedekking, richting [slachtoffer 1] is gelopen (die zich achter de balie bevond) en/of

-een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen lijkend voorwerp, heeft getoond en/of op die [slachtoffer 1] heeft gericht en/of

-daarbij op dreigende toon tegen die [slachtoffer 1] (meermalen) heeft gezegd "geld nu" en/of "rustig blijven" en/of "wil meer geld" en/of "Geld! Geef mij al je geld" of woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en/of

-(enkele minuten) een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen lijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] gericht heeft gehouden, terwijl zij, die [slachtoffer 1] , de kluis moest openen en/of

-(vervolgens) tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat zij op de grond moest gaan liggen en vijf minuten moest blijven liggen

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren waren verlopen sedert een vroegere veroordeling van de verdachte/schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf welke in kracht van gewijsde was gegaan.

2.

Zaaksdossier Inyo

hij op of omstreeks 15 maart 2019 te Eindhoven, in elk geval in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft gedwongen tot afgifte van ongeveer 400 euro, althans een groot geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (ongeveer) 400 euro, althans een groot geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van/door geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bij genoemde diefstal en/of afpersing hierin bestond(en) dat hij, verdachte

-met een muts met daaraan dreadlocks, althans enige gezichtsbedekking/verhulling, naar de medewerker(s) [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] is gelopen en/of

-een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen lijkend voorwerp, heeft getoond en/of heeft doorgeladen en/of op [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft gericht en/of

-daarbij op dreigende toon tegen die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] (meermalen) heeft gezegd "vlug, vlug, vlug, achter de kassa gaan staan" en/of "geld, al het geld" en/of "Ik wil geld hebben" en/of "ik moet geld" en/of "het geld moet in de rugzak/tas" en/of "schiet op, vlugger" en/of "opschieten" en/of " [slachtoffer 5] terugkomen" en/of "ga achteren de kassa staan" en/of "loop naar achteren (naar het magazijn)" of woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en/of

-een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen lijkend voorwerp, op die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] gericht heeft gehouden, terwijl zij, die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , de kassalade(s) moest(en) openen en/of

-(vervolgens) tegen die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] gezegd dat zij naar achteren en/of naar het magazijn moest(en) lopen.

3.

Zaaksdossier Whiteside

hij op of omstreeks 12 maart 2019 te Eindhoven, in elk geval in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] heeft gedwongen tot afgifte van ongeveer 571 euro, althans een groot geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [supermarkt 1] (supermarkt aan de [adres 2] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (ongeveer) 571 euro, althans een groot geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [supermarkt 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van/door geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bij genoemde diefstal en/of afpersing hierin bestond(en) dat hij, verdachte

-met een bivakmuts, naar de medewerker(s) [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] is gelopen en/of

-een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen lijkend voorwerp, heeft getoond en/of op [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] heeft gericht en/of

-die [slachtoffer 6] een duw heeft gegeven met het vuurwapen, in elk geval met een op een vuurwapen lijkend voorwerp en/of

-daarbij op dreigende toon tegen die [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] (meermalen) heeft gezegd "Overval, overval" en/of "geen gekke dingen doen" en/of "andere kassa" en/of "kassa open" en/of "brief, geld" en/of "knielen" of woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en/of

-een klap/slag tegen het hoofd/gezicht en/of linkerslaap van [slachtoffer 6] gegeven met een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen lijkend voorwerp en/of

-een vuurwapen, in elk geval met een op een vuurwapen lijkend voorwerp, op die [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] gericht heeft gehouden, terwijl zij, die [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] , de kassalade(s) moest(en) openen en/of -(vervolgens) tegen die [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] gezegd dat hij/zij op zijn knieën de grond moest(en) gaan zitten en/of

-bij het verlaten van de supermarkt tegen [slachtoffer 8] heeft gezegd "op je knieën", terwijl hij, verdachte, een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen lijkend voorwerp, heeft getoond

4.

Zaaksdossier Carson

hij op of omstreeks 5 maart 2019 te Eindhoven, in elk geval in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] heeft gedwongen tot afgifte van ongeveer 771,95 euro, althans een groot geldbedrag, en/of koopzegels (ter waarde van 83,6 euro) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [supermarkt 1] (gelegen aan [adres 3] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (ongeveer) 771,95 euro, althans een groot geldbedrag, en/of koopzegels (ter waarde van 83,6 euro) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [supermarkt 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van/door geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bij genoemde diefstal en/of afpersing hierin bestond(en) dat hij, verdachte

-met een muts met daaraan dreadlocks, althans enige gezichtsbedekking/verhulling, naar de medewerker(s) [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] is gelopen en/of

-een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen lijkend voorwerp, heeft getoond en/of op die [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] heeft gericht en/of

-daarbij op dreigende toon tegen die [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] (meermalen) heeft gezegd "ik wil geld, ik wil al het geld" en/of "staan blijven, niet bewegen" of woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en/of

-een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen lijkend voorwerp, op die [slachtoffer 9] gericht heeft gehouden, terwijl zij, die [slachtoffer 9] , de kassalade(s) moest openen

5.

Zaaksdossier Pasco

hij op of omstreeks 25 februari 2019 te Eindhoven, in elk geval in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] heeft gedwongen tot afgifte van een (groot) geldbedrag, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (groot) geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van/door geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bij genoemde diefstal en/of afpersing hierin bestond(en) dat hij, verdachte

-een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen lijkend voorwerp, heeft getoond en/of op die [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] heeft gericht en/of

-daarbij op dreigende toon tegen die [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] (meermalen) heeft gezegd "Vullen" en/of "Schiet op mattie, schiet op" en/of "geef mij die" en/of "stop alles in de tas, opschieten" en/of "die kassa ook", of woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en/of

-een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen lijkend voorwerp, op die [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] gericht heeft gehouden, terwijl hij/zij, die [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] , de kassalade(s) moest(en) openen en/of

-(vervolgens) tegen die [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] gezegd dat hij/zij op de grond moest(en) gaan liggen en/of blijven liggen

6.

Zaaksdossier Yuba

hij op of omstreeks 22 februari 2019 te Eindhoven, in elk geval in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 13] heeft gedwongen tot afgifte van ongeveer 240,05 euro, althans een groot geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [tankstation] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (ongeveer) 240,05 euro, althans een groot geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [tankstation] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van/door geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 13] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bij genoemde diefstal en/of afpersing hierin bestond(en) dat hij, verdachte

-die [slachtoffer 13] vastpakte bij een arm en/of

-een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen lijkend voorwerp, heeft getoond en/of op die [slachtoffer 13] heeft gericht en/of -daarbij op dreigende toon tegen die [slachtoffer 13] (meermalen) heeft gezegd "geld" en/of "opschieten", of woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en/of

-een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen lijkend voorwerp, op die [slachtoffer 13] gericht heeft gehouden, terwijl zij, die [slachtoffer 13] , de kassalade(s) moest(en) openen

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren waren verlopen sedert een vroegere veroordeling van de verdachte/schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf welke in kracht van gewijsde was gegaan.

7.

Zaaksdossier Toombs

hij op of omstreeks 21 februari 2019 te Eindhoven, in elk geval in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 14] heeft gedwongen tot afgifte van een (groot) geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (groot) geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van/door geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 14] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bij genoemde diefstal en/of afpersing hierin bestond(en) dat hij, verdachte

-met een bivakmuts, in ieder geval met gezichtbedekking, naar de medewerker [slachtoffer 14] is gelopen en/of

-een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen lijkend voorwerp, heeft getoond en/of op die [slachtoffer 14] heeft gericht en/of

-daarbij op dreigende toon tegen die [slachtoffer 14] (meermalen) heeft gezegd "Maak de kassa leeg" en/of "haal het geld uit de kassa", of woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en/of

-een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen lijkend voorwerp, op die [slachtoffer 14] gericht heeft gehouden, terwijl zij, die [slachtoffer 14] , de kassalade en/of kistje moest openen en/of

-(vervolgens) tegen die [slachtoffer 14] gezegd dat zij op de grond moest gaan liggen en/of blijven liggen

8.

Zaaksdossier Ashley

hij op of omstreeks 8 februari 2019 te Eindhoven, in elk geval in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 15] heeft gedwongen tot afgifte van ongeveer 2.447 euro, althans een groot geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [supermarkt 2] (supermarkt aan de [adres 4] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (ongeveer) 2.447 euro, althans een groot geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [supermarkt 2] (supermarkt aan de [adres 4] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van/door geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 15] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bij genoemde diefstal en/of afpersing hierin bestond(en) dat hij, verdachte

-met een bivakmuts, in ieder geval met gezichtbedekking, naar de medewerker [slachtoffer 15] is gelopen en/of

-een mes, in elk geval een op een scherp puntig voorwerp, heeft getoond en/of op die [slachtoffer 15] heeft gericht en/of

-daarbij op dreigende toon tegen die [slachtoffer 15] (meermalen) heeft gezegd "Maak de kassalade open en geef me het geld" en/of "haal het geld uit de kassa", of woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking

9.

Zaaksdossier Renchen

Hij op of omstreeks 27 december 2018 te Eindhoven, in elk geval in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 16] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen naar zijn gading, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 16] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

door op die [slachtoffer 16] af te lopen en/of doe [slachtoffer 16] een duw te geven en/of een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen lijkend voorwerp, te tonen en/of die [slachtoffer 16] een klap/slag/stoot tegen zijn hoofd/gezicht te geven (met dat wapen/goed in zijn, verdachtes, hand)

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01/845003-19 tenlastegelegd dat:

Hij op of omstreeks 02 januari 2019 te Oss,

opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten een gedragsaanwijzing d.d. 1 januari 2019 opgemaakt door de officier van justitie te Oost Brabant, uitgereikt aan verdachte d.d. 2 januari 2019,

kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, zich niet op mag houden in of ronden de woningen aan de [adres 5] te Oss, en de [adres 6] te Nuland en dat hij, verdachte, zich dient te onthouden van contact met [persoon 1] en [persoon 2] ,

immers heeft verdachte de achtertuin van de woning gelegen aan de [adres 5] te Oss betreden;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Inleiding.

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in de periode van eind december 2018 tot 16 maart 2019 negen overvallen en/of diefstallen met geweld heeft gepleegd (parketnummer 01/865033-19, feiten 1 t/m 9). Daarnaast is aan verdachte een opzettelijke schending van een gedragsaanwijzing, gepleegd op 2 januari 2019, ten laste gelegd (parketnummer 01/845003-19).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen op grond van hetgeen verwoord in zijn schriftelijk requisitoir. De officier van justitie maakt in zijn bewijsconstructie op onderdelen gebruik van schakelbewijs.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsman is vrijspraak bepleit ten aanzien van alle diefstallen met geweld en/of overvallen die aan zijn cliënt ten laste zijn gelegd. Hiertoe is door de raadsman, zo begrijpt de rechtbank - kort gezegd - aangevoerd dat er geen gebruik kan worden gemaakt van een schakelbewijsconstructie omdat de feiten onderling op essentiële kenmerken onvoldoende overeenkomen om van een herkenbaar patroon te kunnen spreken, terwijl ook overigens voldoende bewijs voor een of meer van deze feiten ontbreekt.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank verwijst voor wat betreft de inhoud van de relevante bewijsmiddelen naar de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage, die als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, en overweegt voorts het navolgende.

Inleiding.

Op 16 maart 2019 ontvangt de politie een melding dat er zojuist een overval heeft plaatsgevonden op [casino] in Oss waarbij een groot geldbedrag is buitgemaakt. Het signalement van de dader vertoont overeenkomsten met het signalement van de dader van een hele reeks overvallen in voornamelijk het noordelijk deel van Eindhoven, gepleegd in de periode vanaf eind december 2018. De dader van de overvallen wordt veelal omschreven als een (wat) langere, negroïde man met een slank postuur die zich per fiets verplaatst. Bij meerdere van de overvallen verklaren de aangevers over (nep) dreadlocks bij de overvaller.

Kort na de overval op [casino] in Oss wordt op camerabeelden van de NS op station ‘s-Hertogenbosch een man gezien die uit de trein komende uit de richting van Oss stapt en verder reist richting station Eindhoven. In Eindhoven, waar op dat moment een actie gaande is in het onderzoek naar de dader van de reeks overvallen, wordt gezien dat de verdachte bij een supermarkt boodschappen doet die hij met briefjes van 50 euro afrekent. Verder wordt gezien dat hij zich verplaatst op een fiets die voldoet aan de beschrijving van de fiets van de dader van een van de eerder in Eindhoven gepleegde overvallen. De verdachte wordt hierna verder geobserveerd en later die avond aangehouden. De aangehouden persoon is [verdachte] . Bij zijn aanhouding blijkt verdachte in het bezit te zijn van een groot geldbedrag dat zich gedeeltelijk bevindt in bakjes van [casino] . Verdachte rijdt op dat moment op een fiets met een zogenaamde dubbele bagagedrager. Bij de doorzoeking in de woning van verdachte worden vervolgens meerdere goederen in de woning, in de berging en in de kruipruimte bij de berging gevonden, die overeenkomsten vertonen met de kleding van de dader van de in Eindhoven gepleegde overvallen in de periode vanaf eind december 2018 tot de overval op [casino] . De goederen uit de kruipruimte betreffen meerdere donkere kledingstukken waaronder handschoenen, een grijze muts met aan deze muts bevestigde “dreadlocks”, een grijze pluizige bol en een donkerkleurige jas met een opvallende donkere streep op de capuchon die lijkt te zijn gemaakt van een ander type stof. In de jaszak van deze jas zit een op een vuurwapen lijkend voorwerp. Op meerdere van deze goederen uit de kruipruimte is bij onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut het DNA van verdachte aangetroffen.

t.a.v. 01/865033-19 feit 1 (zaaksdossier Kinney, [casino] )

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen op grond van met name de aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 17] , de beschrijving van de camerabeelden van de overval, het aantreffen van een zeer groot geldbedrag (deels nog in bakjes van [casino] ) bij verdachte enkele uren na de overval en de overeenkomsten tussen de kleding die de overvaller ten tijde van de overval droeg en de kleding die bij verdachte in diens woning/berging en kruipruimte bij de berging is aangetroffen. In het bijzonder wijst de rechtbank hierbij op de rugzak van verdachte, de beige schoenen met zwarte zool die hij op 16 maart 2019 tijdens de staande houding bij de [supermarkt 3] droeg, de muts met “dreadlocks” en de jas met het (nep)vuurwapen in de jaszak die in kruipruimte zijn aangetroffen en waarop het DNA van verdachte is aangetroffen. De rechtbank gaat er op grond van de DNA-onderzoeksresultaten van uit dat alle in de kruipruimte aangetroffen voorwerpen toebehoren aan verdachte. De verklaring van verdachte, inhoudende dat hij het geld en de jas om ongeveer 19.30 uur in de buurt van de [bedrijf 4] te Eindhoven heeft gekregen van een Afrikaanse man wiens naam hij niet kent om dit voor hem te bewaren, wordt door de rechtbank als onaannemelijk terzijde geschoven. Uit het proces-verbaal van verhoor van NS-medewerker [persoon 3] , die aan verdachte een uitstel van betaling heeft uitgeschreven op station Oss, en de processen-verbaal van bevindingen betreffende de camerabeelden van station ’s-Hertogenbosch en station Eindhoven blijkt dat verdachte omstreeks 19.25 uur in Oss op de trein is gestapt waarna hij - na te zijn overgestapt op station ’s-Hertogenbosch - pas na 20.00 uur op station Eindhoven is aangekomen. Gelet hierop is het niet mogelijk dat verdachte om ongeveer 19.30 uur in Eindhoven het geld en de jas heeft ontvangen.

(bewijsmiddelen in de bewijsbijlage: 1 t/m 19)

t.a.v. 01/865033-19 feit 2 (zaaksdossier Inyo, [bedrijf 1] )

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op de grond van met name de aangiftes van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 18] en [slachtoffer 3] , de beschrijving van de camerabeelden van de [bedrijf 1] winkel en de flat aan de [adres 1] waar verdachte woont, en de overeenkomsten tussen de kleding die de overvaller bij de overval droeg en de kleding die bij verdachte in diens woning/berging en kruipruimte bij de berging is aangetroffen. De rechtbank wijst hierbij in het bijzonder op de beschrijvingen van de muts zoals deze door de aangevers en in het proces-verbaal van bevindingen betreffende de camerabeelden van de overval worden gegeven en de grijze muts met rastahaar plus de losse grijze bol die in de kruipruimte van de flat aan de [adres 1] zijn gevonden. Op deze muts is het DNA van verdachte aangetroffen. De rechtbank gaat er op grond van de DNA-onderzoeksresultaten van uit dat alle in de kruipruimte aangetroffen voorwerpen toebehoren aan verdachte. Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat de man die enkele uren voor de overval te zien is op de camerabeelden van de [adres 1] en de [bedrijf 1] winkel (op dat moment met bril en gekleed in een groene jas) wordt herkend op de beelden van de [adres 1] terwijl hij kort voor de overval kleding draagt die overeenkomt met de kleding van de overvaller. Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij de man met bril en groene jas is die enkele uren voor de overval in de [bedrijf 1] winkel te zien is. Op de beelden is ook te zien dat deze man zich verplaatst op een damesfiets met dubbele aluminiumkleurige bagagedrager. Onder verdachte is een fiets die aan deze omschrijving voldoet in beslag genomen.

(bewijsmiddelen in de bewijsbijlage: 11, 12, 13, 15 t/m 19, 20 t/m 28 en 66)

t.a.v. 01/865033-19 feit 1 (zaaksdossier Kinney, [casino] ) en

t.a.v. 01/865033-19 feit 6 (zaaksdossier Yuba, [tankstation] )

De rechtbank stelt op grond van het uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte vast dat verdachte door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland van 1 november 2013 (parketnummer 19-810539-12) wegens twee gevallen van afpersing tot een gevangenisstraf van zeven jaren is veroordeeld. Deze veroordeling is op 23 oktober 2015 in kracht van gewijsde gegaan (parketnummer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-008897-13), nadat verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard in hoger beroep. Ten tijde van het plegen van de feiten 1 en 2 waren derhalve nog geen vijf jaren verlopen sinds een vroegere veroordeling van verdachte wegens een soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan, zoals bedoeld in artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht.

(bewijsmiddel in de bewijsbijlage: 68)

t.a.v. 01/865033-19 feit 3 (zaaksdossier Whiteside, [supermarkt 1] [adres 2] )

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen op grond van met name de aangiftes van [slachtoffer 19] en [slachtoffer 6] , de beschrijving van de beelden van de overval en de overeenkomsten tussen de kleding die de overvaller ten tijde van de overval droeg en de kleding die bij verdachte in diens woning/berging en kruipruimte bij de berging is aangetroffen. In het bijzonder wijst de rechtbank hierbij op de broek met lichtkleurige (bleek)vlekken, de handschoen met lichte streep ter hoogte van de knokkels, de muts en de bodywarmer en het (nep)vuurwapen die bij verdachte in beslag zijn genomen. Aan de binnenzijde van de handschoen en op de houder van het vuurwapen is het DNA van verdachte aangetroffen. De rechtbank gaat er op grond van de DNA-onderzoeksresultaten van uit dat alle in de kruipruimte aangetroffen voorwerpen toebehoren aan verdachte. Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat de overvaller zich op een damesfiets verplaatste met een bagagedrager met tussenruimte tussen het frame. Onder verdachte is een fiets in beslag genomen die aan deze beschrijving voldoet.

(bewijsmiddelen in de bewijsbijlage: 11, 12, 13, 15 t/m 19, 29 t/m 35, 65)

t.a.v. 01/865033-19 feit 4 (zaaksdossier Carson, [supermarkt 1] [adres 3] )

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigen bewezen op grond van met name de aangiftes van [slachtoffer 20] en [slachtoffer 9] , de verklaring van [getuige] , de beschrijving van de beelden van de overval en de overeenkomsten tussen de kleding die de overvaller ten tijde van de overval droeg en de kleding die bij verdachte in diens woning/berging en kruipruimte bij de berging is aangetroffen. De rechtbank wijst hier in het bijzonder op de omschrijving van de muts met dreadlocks/touw zoals die door aangeefster [slachtoffer 9] en [getuige] wordt gegeven, en de muts met rastahaar en die in de kruipruimte van de berging aan de [adres 1] is aangetroffen. Op deze muts is het DNA van verdachte aangetroffen. De rechtbank gaat er op grond van de DNA-onderzoeksresultaten van uit dat alle in de kruipruimte aangetroffen voorwerpen toebehoren aan verdachte. Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat de overvaller zich op een damesfiets verplaatste met een dubbele bagagedrager en twee opvallende zilverkleurige veren onder het zadel. Onder verdachte is een fiets in beslag genomen die aan de beschrijving van deze fiets voldoet.

(bewijsmiddelen zoals in de bewijsbijlage genummerd 11, 12, 13, 15 t/m 19, 36 t/m 39, 65 en 66)

t.a.v. 01/865033-19 feit 5 (zaaksdossier Pasco, [bedrijf 2] )

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van met name de aangiftes van [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] en de processen-verbaal met betrekking tot de fotobewijsconfrontatie waaruit blijkt dat aangever [slachtoffer 11] verdachte herkent als de dader van de overval. Tevens wordt verdachte op een screenshot van de bewakingsbeelden die gemaakt zijn tijdens de overval herkend door zijn ex-vriendin [persoon 4] . Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat de overvaller zich op een damesfiets verplaatste met een vierkante witte sticker op het spatbord en een dubbele bagagedrager. Onder verdachte is een fiets in beslag genomen die aan de beschrijving van deze fiets voldoet.

(bewijsmiddelen zoals in de bewijsbijlage genummerd 40 t/m 43, 66 en 67)

t.a.v. 01/865033-19 feit 6 (zaaksdossier [tankstation] )

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen op grond van met name de aangifte door [slachtoffer 13] , de bevindingen met betrekking tot het buitgemaakte bedrag en de uitslag van het onderzoek naar de aanwezigheid van Selecta-DNA op de onder verdachte bij zijn aanhouding in beslag genomen blauwe Fila schoenen. Hieruit blijkt dat de DNA code van de DNA-spray uit het busje van het [tankstation] volledig overeenkomt met het Selecta-DNA dat op de neuzen van beide schoenen van verdachte is aangetroffen. Gelet op de plaats waarop het Selecta-DNA is aangetroffen en het gegeven dat DNA-spray wanneer deze wordt geactiveerd van boven naar beneden valt, ziet de rechtbank geen aanleiding om te veronderstellen dat de spray op een ander moment op de schoenen terecht zou kunnen zijn gekomen, zoals de raadsman heeft gesuggereerd.

(bewijsmiddelen zoals in de bewijsbijlage genummerd 44 t/m 49)

t.a.v. 01/865033-19 feit 7 (zaaksdossier Toombs, [bedrijf 3] )

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen op grond van met name de aangifte van [slachtoffer 14] , de beschrijving van de camerabeelden van de overval en de camerabeelden van de [bedrijf 5] en de overeenkomsten tussen de kleding die de overvaller ten tijde van de overval droeg en de kleding die bij verdachte in diens woning/berging en kruipruimte bij de berging is aangetroffen. De rechtbank wijst hierbij in het bijzonder op de overeenkomsten tussen de schoenen, de handschoenen, het vuurwapen en de fiets van de overvaller en de goederen die bij verdachte in beslag zijn genomen.

Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat de dader van de overval een donkerkleurige parkajas draagt met capuchon met daarop een band vanaf de kruin naar de nek en zilverkleurige drukknopen boven op de capuchon. De rechtbank gaat er daarbij op grond van de DNA-onderzoeksresultaten van uit dat alle in de kruipruimte aangetroffen voorwerpen toebehoren aan verdachte. Getuige [persoon 1] heeft op een screenshot waarop de dader van de overval op [bedrijf 6] op 8 februari 2019 is te zien, de dader herkend als zijnde [verdachte] . Op dat moment draagt hij een jas met dezelfde kenmerken als de jas van de overvaller op [bedrijf 3] , te weten een donkerkleurige jas voorzien van een capuchon waarop aan de bovenzijde een band zit van de kruin tot aan de nek met daarop een voorwerp lijkend op een drukknop.

(bewijsmiddelen zoals in de bewijsbijlage genummerd 11, 12, 13, 15 t/m 19, 50 t/m 54, 65 t/m 67)

t.a.v. 01/865033-19 feit 8 (zaaksdossier Ashley, [bedrijf 6] )

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen op grond van met name de aangiftes van [slachtoffer 15] en [slachtoffer 21] , de beschrijving van de camerabeelden en de herkenning van verdachte door getuige [persoon 1] op het screenshot van de camerabeelden, waarop de overvaller te zien is terwijl hij kort voor de overval buiten staat te wachten.

(bewijsmiddelen zoals in de bewijsbijlage genummerd 11, 12, 13, 15 t/m 19, 55 t/m 57, 65 en 67)

t.a.v. 01/865033-19 feit 9 (zaaksdossier Renchen, poging beroving)

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van met name de aangifte van [slachtoffer 16] , het feit dat het DNA van verdachte is aangetroffen op een onderdeel van het (nep)vuurwapen dat na de poging tot beroving is achtergebleven en het aanstralen van de telefoon van verdachte in de buurt van de plaats delict kort voor de overval. Bovendien komen de achtergebleven onderdelen van de door de overvaller gebruikte BB-gun overeen met de gebruiksaanwijzing van de BB-gun van het merk Umarex type Walther P99 die bij verdachte in diens woning is aangetroffen.

(bewijsmiddelen zoals in de bewijsbijlage genummerd 58 t/m 64 en 67)

Algemene overwegingen over het bewijs

Zoals uit de hierboven per feit aangehaalde bewijsmiddelen blijkt, acht de rechtbank de feiten wettig en overtuigend bewezen zonder dat hiertoe gebruik wordt gemaakt van zogeheten schakelbewijs. Hetgeen over schakelbewijs door de raadsman is aangevoerd behoeft dan ook geen nadere bespreking.

Door de raadsman is aangevoerd dat voorzichtig omgegaan dient te worden met de verklaring van getuige [persoon 4] , gelet op het verleden dat zij met verdachte heeft. De rechtbank ziet in deze enkele suggestie van de raadsman dat de getuige mogelijkerwijs een motief zou hebben om belastend te verklaren geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van getuige [persoon 4] . Te meer niet nu de getuige op de foto’s die haar worden getoond niet steeds verdachte herkent of aanwijst en er in haar verklaring duidelijk over is wanneer zij hem juist niet herkent. Dit draagt naar het oordeel van de rechtbank bij aan de betrouwbaarheid van haar verklaring.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de resultaten van de (meervoudige) fotobewijsconfrontatie niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. De raadsman heeft ter onderbouwing hiervan ten eerste gesteld dat de verdediging niet is betrokken bij de samenstelling van de fotoselectie en bij de daadwerkelijke confrontatie. Ten tweede heeft de raadsman aangevoerd dat de bij de fotoconfrontatie gebruikte foto’s niet in het dossier zijn gevoegd, zodat niet kan worden gecontroleerd of de daarop afgebeelde personen voldoende gelijkenissen vertonen met verdachte, waarbij de verdediging als concrete factoren heeft genoemd leeftijd en etnische achtergrond.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Het eerste argument van de raadsman kan niet leiden tot het beoogde doel bij gebrek aan feitelijke grondslag. De rechtbank verwijst daarbij naar pagina 594 van bron I, waar is vermeld dat de toenmalige raadsvrouwe van verdachte in de gelegenheid is gesteld opmerkingen te maken over de fotoselectie en van deze gelegenheid ook gebruik heeft gemaakt, alsmede naar pagina 595 van bron I, waarin is vermeld dat de toenmalige raadsvrouwe van verdachte is uitgenodigd om de fotoconfrontatie bij te wonen. Het tweede argument kan evenmin leiden tot honorering van het verweer. De rechtbank verwijst daarbij naar de inhoud van de over de bewijsconfrontatie opgemaakte processen-verbaal, in het bijzonder naar pagina 2 daarvan (pagina 594 van het dossier), voor zover daarin is gerelateerd dat 12 foto’s van figuranten zijn geselecteerd die qua etnische afkomst, huidskleur, geslacht, leeftijd, gelaatskenmerken, haarkleur en haardracht gelijkenis vertoonden met een foto van verdachte. Het in het dossier voegen van de bij een fotoconfrontatie gebruikte foto’s is niet rechtens voorgeschreven en maakt in het licht van de inhoud van de desbetreffende processen-verbaal niet dat deze processen-verbaal onbetrouwbaar moet worden geacht. Het verweer wordt daarom verworpen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de aan dit vonnis aangehechte bewijsbijlage, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

Zaaksdossier Kinney

op 16 maart 2019 te Oss, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot afgifte van een groot geldbedrag, toebehorende aan [casino]

en

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een groot geldbedrag, toebehorende aan [casino] , welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van/door bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren,

welke bedreiging met geweld bij genoemde diefstal en afpersing hierin bestonden dat hij, verdachte

-met een bivakmuts richting [slachtoffer 1] is gelopen (die zich achter de balie bevond) en

-een op een vuurwapen lijkend voorwerp, heeft getoond en op die [slachtoffer 1] heeft gericht en

-daarbij op dreigende toon tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd "geld nu" en "rustig blijven" en "wil meer geld" en/of woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en

-(enkele minuten) een op een vuurwapen lijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] gericht heeft gehouden, terwijl zij, die [slachtoffer 1] , de kluis moest openen en

- vervolgens tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat zij op de grond moest gaan liggen en vijf minuten moest blijven liggen,

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren waren verlopen sedert een vroegere veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf welke in kracht van gewijsde was gegaan.

2.

Zaaksdossier Inyo

op 15 maart 2019 te Eindhoven, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot afgifte van ongeveer 400 euro toebehorende aan [bedrijf 1] ,

welke bedreiging met geweld bij genoemde afpersing hierin bestond dat hij, verdachte

-met een muts met daaraan dreadlocks naar de medewerkers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] is gelopen en

-een op een vuurwapen lijkend voorwerp heeft getoond en heeft doorgeladen en op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft gericht en

-daarbij op dreigende toon tegen die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] (meermalen) heeft gezegd "vlug, vlug, vlug, achter de kassa gaan staan" en/of "geld, al het geld" en/of "ik wil geld hebben" en/of "ik moet geld" en/of "het geld moet in de rugzak/tas" en/of "schiet op, vlugger" en/of "opschieten" en tegen [slachtoffer 5] heeft gezegd " [slachtoffer 5] terugkomen" en/of "ga achter de kassa staan" en

-een op een vuurwapen lijkend voorwerp, op die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gericht heeft gehouden, terwijl zij, die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] de kassalades moesten openen.

3.

Zaaksdossier Whiteside

op 12 maart 2019 te Eindhoven, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] heeft gedwongen tot afgifte van ongeveer 571 euro, toebehorende aan [supermarkt 1] (supermarkt aan de [adres 2] ),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bij genoemde afpersing hierin bestonden dat hij, verdachte

-met een bivakmuts naar de medewerkers [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] is gelopen en

-een op een vuurwapen lijkend voorwerp heeft getoond en op [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] heeft gericht en

-die [slachtoffer 6] een duw heeft gegeven met het op een vuurwapen lijkend voorwerp en

-daarbij op dreigende toon tegen die [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] heeft gezegd "Overval, overval" en "geen gekke dingen doen" en "andere kassa" en "kassa open" en "brief, geld" en "knielen" of woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en

-een klap/slag tegen de linkerslaap van [slachtoffer 6] gegeven met een op een vuurwapen lijkend voorwerp en

-een op een vuurwapen lijkend voorwerp op die [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] gericht heeft gehouden, terwijl zij, die [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] , de kassalade moest(en) openen en -(vervolgens) tegen die [slachtoffer 6] gezegd dat hij op zijn knieën de grond moest gaan zitten.

4.

Zaaksdossier Carson

op 5 maart 2019 te Eindhoven, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 9] heeft gedwongen tot afgifte van ongeveer 771,95 euro en koopzegels (ter waarde van 83,60 euro) toebehorende aan [supermarkt 1] supermarkt (gelegen aan [adres 3] ),

welke bedreiging met geweld bij genoemde afpersing hierin bestond dat hij, verdachte

-met een muts met daaraan dreadlocks naar de medewerkers [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] is gelopen en

-een op een vuurwapen lijkend voorwerp heeft getoond en op die [slachtoffer 9] heeft gericht en

-daarbij op dreigende toon tegen die [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] (meermalen) heeft gezegd "ik wil geld, ik wil al het geld" en/of "staan blijven, niet bewegen" en

-een op een vuurwapen lijkend voorwerp op die [slachtoffer 9] gericht heeft gehouden, terwijl zij, die [slachtoffer 9] , de kassalade moest openen.

5.

Zaaksdossier Pasco

op 25 februari 2019 te Eindhoven, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] heeft gedwongen tot afgifte van een (groot) geldbedrag, toebehorende aan [bedrijf 2] ,

welke bedreiging met geweld bij genoemde afpersing hierin bestond dat hij, verdachte

-een op een vuurwapen lijkend voorwerp heeft getoond en op die [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] heeft gericht en

-daarbij op dreigende toon tegen die [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] heeft gezegd "Vullen" en "Schiet op mattie, schiet op" en "geef mij die" en "stop alles in de tas, opschieten" en "die kassa ook”, en

-een op een vuurwapen lijkend voorwerp, op die [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] gericht heeft gehouden, terwijl zij, die [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] , de kassalades moesten openen.

6.

Zaaksdossier Yuba

op 22 februari 2019 te Eindhoven met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 13] heeft gedwongen tot afgifte van ongeveer 240,05 euro toebehorende aan [tankstation] ,

welke bedreiging met geweld bij genoemde afpersing hierin bestond dat hij, verdachte

-die [slachtoffer 13] vastpakte bij een arm en

-een op een vuurwapen lijkend voorwerp heeft getoond en op die [slachtoffer 13] heeft gericht en

-daarbij op dreigende toon tegen die [slachtoffer 13] heeft gezegd "geld" en "opschieten", en

- een op een vuurwapen lijkend voorwerp, op die [slachtoffer 13] gericht heeft gehouden, terwijl zij, die [slachtoffer 13] , de kassalade moest openen.

7.

Zaaksdossier Toombs

op 21 februari 2019 te Eindhoven, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 14] heeft gedwongen tot afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan [bedrijf 3] ,

welke bedreiging met geweld bij genoemde afpersing hierin bestond dat hij, verdachte

-met een bivakmuts naar de medewerker [slachtoffer 14] is gelopen en

-een op een vuurwapen lijkend voorwerp heeft getoond en op die [slachtoffer 14] heeft gericht en

-daarbij op dreigende toon tegen die [slachtoffer 14] (meermalen) heeft gezegd "Maak de kassa leeg" en "haal het geld uit de kassa", of woorden van soortgelijke dreigende aard en strekking en

-een op een vuurwapen lijkend voorwerp op die [slachtoffer 14] gericht heeft gehouden, terwijl zij, die [slachtoffer 14] , de kassalade en een kistje moest openen.

8.

Zaaksdossier Ashley

op 8 februari 2019 te Eindhoven, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 15] heeft gedwongen tot afgifte van ongeveer 2.447 euro, toebehorende aan [supermarkt 2] (supermarkt aan het [adres 4] ),

welke bedreiging met geweld bij genoemde afpersing hierin bestond dat hij, verdachte

-met een bivakmuts naar de medewerker [slachtoffer 15] is gelopen en

-een mes heeft getoond en op die [slachtoffer 15] heeft gericht en

-daarbij op dreigende toon tegen die [slachtoffer 15] heeft gezegd "Maak de kassalade open en geef me het geld" en "haal het geld uit de kassa".

9.

Zaaksdossier Renchen

op 27 december 2018 te Eindhoven, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 16] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen naar zijn gading, toebehorende aan die [slachtoffer 16] ,

door op die [slachtoffer 16] af te lopen en die [slachtoffer 16] een duw te geven en een op een vuurwapen lijkend voorwerp te tonen en die [slachtoffer 16] een klap tegen zijn hoofd te geven (met dat wapen/goed in zijn, verdachtes, hand),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

T.a.v. parketnummer 01/845003-19:

op 02 januari 2019 te Oss, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten een gedragsaanwijzing d.d. 1 januari 2019, opgemaakt door de officier van justitie te Oost Brabant, uitgereikt aan verdachte d.d. 2 januari 2019,

kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, zich niet op mag houden in of rondom de woningen aan de [adres 5] te Oss en de [adres 6] te Nuland en dat hij, verdachte, zich dient te onthouden van contact met [persoon 1] en [persoon 2] ,

immers heeft verdachte de achtertuin van de woning gelegen aan de [adres 5] te Oss betreden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat in deze zaak, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 43a en artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht, een strafmaximum geldt van 16 jaren gevangenisstraf. De officier van justitie heeft gevorderd dat deze straf aan verdachte zal worden opgelegd met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht zal worden opgelegd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft bepleit bij strafoplegging in matigende zin rekening te houden met de persoon van verdachte omdat er, ondanks dat verdachte meent dat er niets met hem aan de hand is, toch aanwijzingen zijn die reden geven daarover anders te oordelen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan, kortweg, het plegen van acht overvallen op winkels of bedrijven en één poging tot overval op een persoon in de garage van zijn woning. Bij acht overvallen heeft verdachte gedreigd met een op een vuurwapen lijkend voorwerp, eenmaal heeft hij gebruik gemaakt van een groot mes. In twee gevallen heeft verdachte bovendien fysiek geweld gebruikt, als gevolg waarvan de slachtoffers letsel hebben opgelopen.

De ervaring leert dat gewapende overvallen grote gevolgen hebben voor de slachtoffers daarvan. Ook in deze zaak is dat aan de orde, zoals is gebleken uit het door enkele slachtoffers uitgeoefende spreekrecht en de toelichtingen op de ingediende vorderingen tot schadevergoeding. In het bijzonder benoemt de rechtbank daarbij dat meerdere slachtoffers als gevolg van wat verdachte hen heeft aangedaan PTSS hebben opgelopen of dat zij hun baan niet hebben weten te behouden. De slachtoffers zullen, naar kan worden verwacht, ook in de toekomst nog de gevolgen ondervinden van wat hen is overkomen.

De door verdachte gepleegde overvallen hebben ook buiten de kring van de slachtoffers en hun naasten gevolgen gehad. De overvallen hebben geleid tot gevoelens van onrust en angst bij medewerkers van winkels en bedrijven in Eindhoven en bij anderen, onder wie de bewoners van de wijken waar de overvallen werden gepleegd. Ook hebben de overvallen ertoe geleid dat extra inzet van de politie nodig werd.

Verdachte heeft zich kennelijk niets aangetrokken van de belangen van de slachtoffers en anderen en zijn behoefte aan geld laten voorgaan. De feiten getuigen steeds van gewetenloos egoïsme bij verdachte.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het overtreden van een eerder aan hem opgelegde gedragsaanwijzing.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank voor zover voorhanden aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten zoals neergelegd in het document “Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken” (hierna: de oriëntatiepunten), gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank beschouwt de onder parketnummer 01/865033-19 onder 1 tot en met 8 bewezenverklaarde feiten telkens als een overval op een winkel, waarbij sprake is van ‘licht geweld of bedreiging met geweld’ in de zin van de oriëntatiepunten. Uitgangspunt hierbij is een gevangenisstraf van twee jaar per feit.

Het onder 9 bewezenverklaarde feit levert naar het oordeel van de rechtbank gelet op de ernst van het daarbij gebruikte geweld een overval op waarbij sprake is van ‘ander geweld’. Anderzijds betreft het geen voltooid feit, maar een poging. Al met al acht de rechtbank voor dit feit als uitgangspunt eveneens een gevangenisstraf van twee jaar passend.

De eveneens bewezenverklaarde overtreding van een gedragsaanwijzing heeft naast de andere bewezenverklaarde feiten voor de straftoemeting geen toegevoegde waarde.

De rechtbank heeft zich er voorts rekenschap van gegeven dat het in deze zaak geldende strafmaximum - gelet op de artikelen 312, 317, 43a en 57 van het Wetboek van Strafrecht, in samenhang bezien - 16 jaar gevangenisstraf bedraagt.

De rechtbank zal vervolgens beoordelen of er feiten of omstandigheden aanwezig zijn die maken dat er in het voordeel of in het nadeel van verdachte van het uitgangspunt van twee jaar per bewezenverklaarde overval moet worden afgeweken.

De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte reeds vele malen eerder onherroepelijk is veroordeeld, ook tot langdurige gevangenisstraffen. De rechtbank volstaat hier met het noemen van de veroordelingen waar meer dan twee jaar gevangenisstraf is opgelegd:

- 2015: zeven jaar gevangenisstraf voor twee gewelddadige woningovervallen;

- 2011: 36 maanden gevangenisstraf voor vijf gevallen van afpersing of diefstal met geweld;

- 2004: acht jaar gevangenisstraf voor het medeplegen van moord;

- 2001: drie jaar gevangenisstraf voor twee diefstallen met bedreiging met geweld en een mishandeling;

- 1993: drie jaar gevangenisstraf voor het medeplegen van een poging tot doodslag, openlijke geweldpleging en bedreiging.

Deze eerdere veroordelingen, telkens voor geweldsfeiten of feiten met een geweldscomponent (hierna tezamen kortweg geweldsdelicten te noemen), weegt de rechtbank in sterke mate in het nadeel van verdachte mee bij de strafoplegging.

De rechtbank heeft de over verdachte opgemaakte rapporten door [deskundige 1] , psychiater, en [deskundige 2] , psycholoog, gezien. De psychiater is tot de conclusie gekomen dat het risico op herhaling bij verdachte hoog is. De psycholoog is niet tot een inschatting van het recidiverisico kunnen komen. De rechtbank weegt de conclusie van de psychiater mee in het nadeel van verdachte.

Feiten of omstandigheden die een strafmatigend effect zouden moeten hebben zijn door de verdediging niet gesteld en zijn ook overigens niet aannemelijk geworden.

De conclusie van de rechtbank is dat er wel strafverzwarende feiten of omstandigheden aanwezig zijn, maar geen strafmatigende feiten of omstandigheden.

Het plegen van één overval zoals hier aan de orde is op zich een ernstig strafbaar feit te noemen, waarvoor normaal gesproken al een aanmerkelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. In dit geval heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan acht overvallen en een poging daartoe. Dit aantal kan als een uitzonderlijk groot worden aangemerkt. Ook de hiervoor genoemde eerdere veroordelingen van verdachte zijn van een uitzonderlijke ernst te noemen. Op grond van deze eerdere veroordelingen en de genoemde inschatting van het recidiverisico door de psychiater schat de rechtbank de kans dat verdachte opnieuw geweldsdelicten zal plegen in als hoog.

Bij de bepaling van de aan verdachte op te leggen straf hebben de strafdoelen van vergelding en speciale preventie op de voorgrond gestaan. Vastgesteld kan worden dat dit laatste doel niet is behaald. De aan verdachte op te leggen straf dient een adequate vergelding te zijn voor de zeer ernstige reeks aan feiten waaraan verdachte zich schuldig heeft gemaakt. Daarom dient de maatschappij nu maximaal te worden beschermd tegen verdachte.

Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd de maximaal op te leggen gevangenisstraf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaar. Dit met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Met een lagere straf zoals door de verdediging bepleit kan niet worden volstaan.

De rechtbank zal aan verdachte niet de door de officier van justitie gevorderde maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opleggen. Ingevolge het bepaalde in het tweede lid van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht dient de officier van justitie, als hij deze maatregel vordert, een advies over te leggen van een reclasseringsinstelling. In de zaak van verdachte ontbreekt een dergelijk advies.

De vordering van de benadeelde partij [casino] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht toewijsbaar een bedrag van € 1.103,40 inclusief wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. Door de benadeelde partij is vergoeding van het weggenomen geld (€ 20.006,00) gevorderd. Bij verdachte is een groot geldbedrag

(€ 18.902,60) aangetroffen en in beslag genomen. Dit geldbedrag is bij een voorlopige beslissing teruggegeven aan de benadeelde partij, zodat voor de benadeelde partij een schade resteert van € 1.103,40, welk bedrag voor vergoeding in aanmerking komt.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsman is primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, subsidiair dient deze te worden afgewezen, dan wel gematigd.

Beoordeling. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een materiële schadevergoeding van € 1.103,40, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening. Dit bedrag betreft het schadebedrag dat resteert na teruggave van het onder verdachte in beslag genomen geld aan de benadeelde partij. Voor het meerdere heeft de benadeelde partij geen schade meer, zodat de rechtbank de meer gevorderde materiële schadevergoeding zal afwijzen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door het slachtoffer ingevulde formulier geen vordering in de zin van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering betreft nu er geen bedragen zijn ingevuld.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsman is primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, subsidiair dient deze te worden afgewezen, dan wel gematigd.

Beoordeling. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank in het feit dat er geen bedragen zijn ingevuld geen grond de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] buiten beschouwing te laten nu de benadeelde partij wel een schriftelijke toelichting heeft gegeven op de gevolgen die het strafbare feit voor haar hebben gehad. De rechtbank acht de vordering voor wat betreft de immateriële schade, gelet op de door de benadeelde partij gestelde gevolgen en aansluitend bij wat in vergelijkbare gevallen in andere zaken is toegewezen, tot een bedrag van € 1.500,00 naar billijkheid toewijsbaar. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel uit de onderbouwing niet blijkt dat er geestelijk letsel is vastgesteld, aangenomen kan worden dat er sprake is van aantasting in persoon ‘op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Dit gelet op de aard en de ernst van de normschending en de geschetste gevolgen daarvan voor de benadeelde. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de gehele vordering toewijsbaar.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsman is primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, subsidiair dient deze te worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing, dan wel gematigd.

Beoordeling. De rechtbank acht de vordering voor wat betreft de immateriële schade, gelet op de door de benadeelde partij gestelde gevolgen en aansluitend bij wat in vergelijkbare gevallen in andere zaken is toegewezen, tot een bedrag van € 2.500,00 naar billijkheid toewijsbaar. Hierbij heeft rechtbank in het bijzonder in aanmerking genomen dat uit de bewijsstukken blijkt dat bij de benadeelde partij geestelijk letsel in de vorm van PTSS is geconstateerd waarvoor zij een behandeling heeft ondergaan. De rechtbank acht tevens toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een materiële schadevergoeding van € 22,79 (betreffende reiskosten). Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de meer gevorderde immateriële schade. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de gehele vordering toewijsbaar.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsman is primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, subsidiair dient deze te worden afgewezen, dan wel gematigd. De raadsman acht de vordering onredelijk nu er geen PTSS is vastgesteld bij benadeelde en er geen aansluiting gezocht kan worden bij de ter onderbouwing aangehaalde uitspraak.

Beoordeling. De rechtbank acht de vordering voor wat betreft de immateriële schade, gelet op de door de benadeelde partij gestelde gevolgen en aansluitend bij wat in vergelijkbare gevallen in andere zaken is toegewezen, tot een bedrag van € 1.500,00 naar billijkheid toewijsbaar.

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel uit de onderbouwing niet blijkt dat er geestelijk letsel is vastgesteld, aangenomen kan worden dat er sprake is van aantasting in persoon ‘op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Dit gelet op de aard en de ernst van de normschending en de geschetste gevolgen daarvan voor de benadeelde. De rechtbank acht tevens toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een materiële schadevergoeding van € 20,55 (betreffende reiskosten). Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de meer gevorderde immateriële schade. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de gehele vordering toewijsbaar.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsman is primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, subsidiair dient deze te worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing, dan wel gematigd.

Beoordeling. De rechtbank acht de vordering voor wat betreft de immateriële schade, gelet op de door de benadeelde partij gestelde gevolgen en aansluitend bij wat in vergelijkbare gevallen in andere zaken is toegewezen, tot een bedrag van € 2.500,00 naar billijkheid toewijsbaar. Hierbij heeft rechtbank in het bijzonder in aanmerking genomen dat uit de bewijsstukken blijkt dat bij de benadeelde partij geestelijk letsel in de vorm van PTSS is geconstateerd waarvoor zij nog steeds onder behandeling staat. De rechtbank acht tevens toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade een materiële schadevergoeding van € 389,04 (betreffende reiskosten en medicijnen). Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de meer gevorderde immateriële schade. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1]

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht een bedrag van € 2.507,31 toewijsbaar, bestaande uit de vergoeding van het weggenomen geldbedrag en de trajectkosten van het verzuim- en re-integratietraject van een medewerker. De overige materiële schade dient niet-ontvankelijk te worden verklaard nu deze onvoldoende is onderbouwd. De gevorderde immateriële schade dient te worden afgewezen, nu niet blijkt welke werknemer dit betreft en de benadeelde partij een B.V. betreft.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsman is primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, subsidiair dient deze te worden afgewezen, dan wel gematigd.

Beoordeling. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade een materiële schadevergoeding van € 214,31 betreffende een vergoeding voor het weggenomen geld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren ten aanzien van de posten loondoorbetalingsverplichting, de kosten van het re-integratietraject en de immateriële schade werknemer. Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of deze schade rechtstreeks door het bewezen verklaard feit is toegebracht, onder meer omdat de bewijstukken thans ontbreken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van (dit deel van) de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht toewijsbaar ten aanzien van de post verlies verdienvermogen een bedrag van € 4.066,25, gebaseerd op het gemiddelde inkomen uit het verleden en een periode van vijf maanden waarin benadeelde niet heeft gewerkt. Daarnaast acht de officier van justitie de gevorderde immateriële schadevergoeding toewijsbaar. Voor het overige is de vordering onvoldoende onderbouwd. Als proceskosten kunnen worden toegewezen een bedrag van € 2.000,00.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsman is primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, subsidiair dient deze te worden afgewezen, dan wel gematigd.

Beoordeling. De rechtbank acht de vordering voor wat betreft de immateriële schade, gelet op de door de benadeelde partij gestelde gevolgen en aansluitend bij wat in vergelijkbare gevallen in andere zaken is toegewezen, tot een bedrag van € 3.000,00 naar billijkheid toewijsbaar. Hierbij heeft rechtbank in het bijzonder in aanmerking genomen dat uit de bewijsstukken blijkt dat bij de benadeelde partij geestelijk letsel in de vorm van PTSS is geconstateerd waarvoor hij een EMDR behandeling heeft ondergaan. Tevens heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat benadeelde tijdens de overval van verdachte een klap met het wapen heeft gehad, als gevolg waarvan hij letsel heeft opgelopen. De rechtbank acht tevens toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade een materiële schadevergoeding van € 100,00 (betreffende reiskosten). Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren ten aanzien van de meer gevorderde materiële schade. Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of deze schade rechtstreeks door het bewezen verklaard feit is toegebracht onder meer aangezien voldoende bewijstukken thans ontbreken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van (dit deel van) de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 1.390,00, ter zake van kosten rechtsbijstand overeenkomstig het liquidatietarief rechtbankzaken (twee punten, € 695,- per punt).

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht een immateriële schadevergoeding van € 2.000,00 passend.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsman is primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, subsidiair dient deze te worden afgewezen, dan wel gematigd.

Beoordeling. De rechtbank acht de vordering voor wat betreft de immateriële schade, gelet op de door de benadeelde partij gestelde gevolgen en aansluitend bij wat in vergelijkbare gevallen in andere zaken is toegewezen, tot een bedrag van € 1.500,00 naar billijkheid toewijsbaar.

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel uit de onderbouwing niet blijkt dat er geestelijk letsel is vastgesteld, aangenomen kan worden dat er sprake is van aantasting in persoon ‘op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Dit gelet op de aard en de ernst van de normschending en de geschetste gevolgen daarvan voor de benadeelde. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de gevraagde affectieschade afwijzen nu de wettelijke regeling niet voorziet in een vergoeding van affectieschade in een geval als het onderhavige, waarbij er geen sprake is van een overlijden of ernstig en blijvend letsel van het slachtoffer.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering in haar geheel toewijsbaar.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsman is primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, subsidiair dient deze te worden afgewezen, dan wel gematigd. De ter onderbouwing aangehaalde uitspraak mist aansluiting bij onderhavig feit.

Beoordeling. De rechtbank acht de vordering voor wat betreft de immateriële schade, gelet op de door de benadeelde partij gestelde gevolgen en aansluitend bij wat in vergelijkbare gevallen in andere zaken is toegewezen, tot een bedrag van € 1.500,00 naar billijkheid toewijsbaar.

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel uit de onderbouwing niet blijkt dat er geestelijk letsel is vastgesteld, aangenomen kan worden dat er sprake is van aantasting in persoon ‘op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Dit gelet op de aard en de ernst van de normschending en de geschetste gevolgen daarvan voor de benadeelde. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de meer gevorderde immateriële schade. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 12] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering geheel toewijsbaar.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsman is primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, subsidiair dient deze te worden afgewezen, dan wel gematigd. De raadsman acht de vordering onredelijk nu er geen PTSS is vastgesteld bij benadeelde en er geen aansluiting gezocht kan worden bij de ter onderbouwing aangehaalde uitspraak.

Beoordeling. De rechtbank acht de vordering voor wat betreft de immateriële schade, gelet op de door de benadeelde partij gestelde gevolgen en aansluitend bij wat in vergelijkbare gevallen in andere zaken is toegewezen, tot een bedrag van € 1.500,00 naar billijkheid toewijsbaar.

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel uit de onderbouwing niet blijkt dat er geestelijk letsel is vastgesteld, aangenomen kan worden dat er sprake is van aantasting in persoon ‘op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Dit gelet op de aard en de ernst van de normschending en de geschetste gevolgen daarvan voor de benadeelde. De rechtbank acht tevens toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een materiële schadevergoeding van € 19,60 (betreffende reiskosten). Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de meer gevorderde immateriële schade. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 13] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering geheel toewijsbaar.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsman is primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, ubsidiair dient deze te worden afgewezen, dan wel gematigd.

Beoordeling. De rechtbank acht de vordering voor wat betreft de immateriële schade, gelet op de door de benadeelde partij gestelde gevolgen en aansluitend bij wat in vergelijkbare gevallen in andere zaken is toegewezen, tot een bedrag van € 2.500,00 naar billijkheid toewijsbaar. Hierbij heeft rechtbank in het bijzonder in aanmerking genomen dat uit de bewijsstukken blijkt dat bij de benadeelde partij geestelijk letsel is opgetreden waarbij zij de hulp heeft ingeroepen van een psycholoog en waarvoor zij onder andere 2 EMDR sessies heeft ondergaan. De rechtbank acht tevens toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een materiële schadevergoeding van € 33,15 (betreffende reiskosten). Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de meer gevorderde immateriële schade. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 7]

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering geheel toewijsbaar.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsman is primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, subsidiair dient deze te worden afgewezen, dan wel gematigd.

Beoordeling. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade een materiële schadevergoeding van € 1.449,05 (betreffende het weggenomen kasgeld, de kosten van traumaopvang en de administratiekosten). Hierbij merkt de rechtbank op dat gelet op artikel 6:96, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek onder materiële schade tevens dient te worden verstaan de redelijke kosten gemaakt ter vaststelling van de schade, welke door de benadeelde partij als administratiekosten zijn opgevoerd onder proceskosten. De rechtbank zal in die zin de vordering dan ook verbeterd lezen. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 14] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schadevergoeding dient te worden gematigd tot € 3.000,00. De reiskosten acht de officier van justitie volledig toewijsbaar.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsman is primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, subsidiair dient deze te worden afgewezen, dan wel (fors) gematigd. Onvoldoende duidelijk is of benadeelde daadwerkelijk de diagnose PTSS gesteld heeft gekregen. De raadsman heeft zich verzet tegen toewijzing van de ter zitting mondeling verzochte proceskosten.

Beoordeling. De rechtbank acht de vordering voor wat betreft de immateriële schade, gelet op de door de benadeelde partij gestelde gevolgen en aansluitend bij wat in vergelijkbare gevallen in andere zaken is toegewezen, tot een bedrag van € 2.500,00 naar billijkheid toewijsbaar. Hierbij heeft rechtbank in het bijzonder in aanmerking genomen dat uit de bewijsstukken genoegzaam blijkt dat bij de benadeelde partij geestelijk letsel in de zin van PTSS is geconstateerd waarvoor zij is doorverwezen naar een psycholoog om EMDR te volgen. De rechtbank acht tevens toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een materiële schadevergoeding van € 34,63 (betreffende reiskosten). Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de meer gevorderde immateriële schade. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 1.390,00, ter zake van kosten rechtsbijstand overeenkomstig het liquidatietarief rechtbankzaken (2 punten a € 695,- per punt).

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 3]

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht een bedrag van € 3.859,57 toewijsbaar, bestaande uit de vergoeding van de loonkosten werknemer en de kosten van de verzekering. De gevorderde immateriële schade dient te worden afgewezen nu de benadeelde partij een V.O.F. betreft en de eigenaar niet zelf de overval heeft meegemaakt.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsman is primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, subsidiair dient deze te worden afgewezen, dan wel gematigd. De beoordeling van de bonus-malus kosten zijn te ingewikkeld voor het strafproces en de immateriële schade van de eigenaresse van de zaak is geen direct gevolg van de overval.

Beoordeling. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een materiële schadevergoeding van € 3.388,27 betreffende een vergoeding van de loonkosten van de werknemer en de kosten van de bonus-malus, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de meer gevorderde materiële schade (betreffende de kosten voor de inzet van een extra medewerker) afwijzen nu dit geen kosten betreft die een rechtstreeks gevolg zijn van het bewezen verklaarde feit. De kosten hebben meer de strekking om herhaling van een dergelijk feit te voorkomen en hebben daarmee onvoldoende verband met het al gepleegde feit. De gevorderde immateriële schade zal eveneens worden afgewezen nu de benadeelde partij een rechtspersoon, een V.O.F., betreft. Rechtspersonen komen als zodanig niet voor vergoeding van immateriële schade in aanmerking.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 15] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering geheel toewijsbaar.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsman is primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, subsidiair dient deze te worden afgewezen, dan wel gematigd. De raadsman acht de vordering onredelijk, dan wel onvoldoende onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit toegebrachte schade een immateriële schadevergoeding van € 2.000,00 en een materiële schadevergoeding van € 197,56 (betreffende reiskosten). Hierbij heeft rechtbank in het bijzonder in aanmerking genomen dat uit de bewijsstukken blijkt dat bij de benadeelde partij geestelijk letsel in de vorm van PTSS is geconstateerd waarvoor zij een EMDR behandeling heeft ondergaan. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslag.Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen verzocht overeenkomstig de door hem op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen gemaakte aantekeningen (waarvan hij afschrift heeft overgelegd) te beslissen tot respectievelijk onttrekking aan het verkeer, verbeurdverklaring en teruggave aan de redelijkerwijs rechthebbende van de in beslag genomen goederen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft namens zijn cliënt verzocht om teruggave van de in beslag genomen kleding en mobiele telefoon aan verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorden.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De rechtbank zal verder de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan de redelijkerwijs rechthebbende, c.q. verdachte, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van deze inbeslaggenomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 36f, 43a, 45, 55, 57, 184a, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven :

T.a.v. 01/865033-19 feit 1:diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld,gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te makenen om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk temaken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,in eendaadse samenloop begaan metafpersing,

terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sinds een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan. T.a.v. 01/865033-19 feit 2: afpersing. T.a.v. 01/865033-19 feit 3: afpersing. T.a.v. 01/865033-19 feit 4: afpersing. T.a.v. 01/865033-19 feit 5: afpersing. T.a.v. 01/865033-19 feit 6: afpersing,

terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sinds een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

T.a.v. 01/865033-19 feit 7:afpersing. T.a.v. 01/865033-19 feit 8:afpersing. T.a.v. 01/865033-19 feit 9:poging tot afpersing. T.a.v. 01/845003-19 feit 1:opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtensartikel 509hh van het Wetboek van Strafvordering.Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

T.a.v. 01/865033-19 feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6, feit 7, feit 8, feit 9 en 01/845003-19 feit 1: Gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. 01/865033-19 feit 1:Maatregel van schadevergoeding van € 1.103,40 subsidiair 21 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [casino] van een bedrag van € 1.103,40, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit een vergoeding van materiële schade.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [casino] , van een bedrag van € 1.103,40, te weten een vergoeding van materiële schade.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Wijst de vordering voor het overige af.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. 01/865033-19 feit 1:Maatregel van schadevergoeding van € 1.500,00 subsidiair 25 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van € 1.500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit een vergoeding van immateriële schade.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 1.500,00, te weten een immateriële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. 01/865033-19 feit 2:Maatregel van schadevergoeding van € 2.522,79 subsidiair 35 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van € 2.522,79, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 2.500,00 immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 22,79 materiële schadevergoeding.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , van een bedrag

van € 2.522,79 , te weten € 2.500,00 immateriële schadevergoeding en € 22,79

materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. 01/865033-19 feit 2:Maatregel van schadevergoeding van € 1.520,55 subsidiair 25 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] van een bedrag van € 1.520,55, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.500,00 immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 20,55 materiële schadevergoeding.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] , van een bedrag

van € 1.520,55, te weten € 1.500,00 immateriële schadevergoeding en € 20,55 materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. 01/865033-19 feit 2:Maatregel van schadevergoeding van € 2.889,04 subsidiair 38 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] van een bedrag van € 2.889,04, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 38 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 2.500,00 immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 389,04 materiële schadevergoeding.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] , van een bedrag

van € 2.889,04 , te weten € 2.500,00 immateriële schadevergoeding en € 389,04

materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. 01/865033-19 feit 2:Maatregel van schadevergoeding van € 214,31 subsidiair 4 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf 1] van een bedrag van € 214,31, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 214,31 materiële schadevergoeding.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 1] ,

van een bedrag van € 214,31, te weten een materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. 01/865033-19 feit 3:Maatregel van schadevergoeding van € 3.100,00 subsidiair 41 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] van een bedrag van € 3.100,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 41 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 3.000,00 immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 100,00 materiële schadevergoeding.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] ,

van een bedrag van € 3.100,00, te weten € 3.000,00 immateriële schadevergoeding en € 100,00 materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op € 1.390,00.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. 01/865033-19 feit 3:Maatregel van schadevergoeding van € 1.500,00 subsidiair 25 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7] van een bedrag van € 1.500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit een immateriële schadevergoeding.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 7] , van een bedrag van € 1.500,00, te weten een immateriële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Wijst de vordering voor het overige af.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. 01/865033-19 feit 5:Maatregel van schadevergoeding van € 1.500,00 subsidiair 25 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 11] van een bedrag van € 1.500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit een immateriële schadevergoeding.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 11] , van een bedrag

van € 1.500,00, te weten een immateriële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. 01/865033-19 feit 5:Maatregel van schadevergoeding van € 1.519,60 subsidiair 25 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 12] van een bedrag van € 1.519,60, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.500,00 immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 19,60 materiële schadevergoeding.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 12] , van een bedrag

van € 1.519,60, te weten € 1.500,00 immateriële schadevergoeding en € 19,60

materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. 01/865033-19 feit 6:Maatregel van schadevergoeding van € 2.533,15 subsidiair 35 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 13] van een bedrag van € 2.533,15, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 dagen gijzeling.

Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 2.500,00 immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 33,15 materiële schadevergoeding.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2019

tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 13] ,

van een bedrag van € 2.533,15, te weten € 2.500,00 immateriële schadevergoeding en € 33,15 materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. 01/865033-19 feit 6:Maatregel van schadevergoeding van € 1.449,05 subsidiair 24 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve

van het slachtoffer [bedrijf 7] van een bedrag van € 1.449,05, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 24 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit een materiële schadevergoeding.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2019 tot aan

de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 7] , van een bedrag van € 1.449,05, te weten een materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. 01/865033-19 feit 7:Maatregel van schadevergoeding van € 2.534,63 subsidiair 35 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 14] van een bedrag van € 2.534,63, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 2.500,00 immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 34,63 materiële schadevergoeding.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2019 tot

aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 14] , van een bedrag

van € 2.534,63, te weten € 2.500,00 immateriële schadevergoeding en € 34,63 materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op € 1.390,-.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zij n verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. 01/865033-19 feit 7:Maatregel van schadevergoeding van € 3.388,27 subsidiair 43 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf 3] van een bedrag van € 3.388,27, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 43 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit een materiële schadevergoeding.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [bedrijf 3] , van een bedrag van € 3.388,27, te weten een materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Wijst de vordering voor het overige af.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. 01/865033-19 feit 8:Maatregel van schadevergoeding van € 2.197,56 subsidiair 31 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 15] van een bedrag van € 2.197,56, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 dagen gijzeling. Het bedrag

bestaat uit een bedrag van € 2.000,00 immateriële schadevergoeding en een bedrag van 197,56 materiële schadevergoeding.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 15] , van een bedrag van € 2.197,56, te weten € 2.000,00 immateriële schadevergoeding en € 197,56 materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten:60. 1 stk. Wapen, G1447598/onderd. imitatiewapen

46. 1 stk. Wapen, G1483066

50. 1 stk. Munitie, G1483169

Verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten:5. 1 stk. Rugzak, G1482958

6. 1 stk. Kleding, G1482973

7. 1 stk. Fiets, G1482974

8. 1 stk. Pet, G1482979

13. 1 stk. Jas, G1482988

14. 1 stk. Tas, G1482992

15. 1 stk. Kleding, G1482993

17. 1 stk. Kleding, G1483012

18. 1 stk. Kleding, G1483019

19. 1 stk. Kleding, G1483021

20. 1 stk. Kleding, G1483024

27. 1 stk. Kleding, G1483034

28. 1 stk. Kleding, G1483038

29. 1 stk. Kleding, G1483038

30. 1 stk. Pet, G1483040

31. 1 stk. Kleding, G1483041

32. 1 stk. Handschoen, G1483042

33. 1 stk. Kleding, G1483043

34. 1 stk. Kleding, G1483044

35. 1 stk. Handschoen, G1483046

37. 1 stk. Kleding, G1483050

38. 1 stk. Kleding, G1483047

39. 1 stk. Document, G1483061

40. 1 stk. Kleding, G1483054

41. 1 stk. Kleding, G1483056

42. 1 stk. Kleding, G1483058

43. 1 stk. Document, G1483062

44. 1 stk. Kleding, G1483063

45. 1 stk. Kleding, G1483065

47. 5 stk. Mes, G1483095

48. 1 stk. Kleding, G1483931

51. 1 stk. Kleding, G1484829

52. 1 stk. Bril, G1510718

53. 1 stk. Kleding, G1510727

54. 1 stk. Kleding, G1510728

55. 1 stk. Kleding, G1510729

56. 1 stk. Pet, G1510733

57. 1 stk. Rugzak, G1510736

58. 1 stk. Kleding, 1510740

59. 1 stk. Kleding, G1510744

Teruggave inbeslaggenomen goederen

De rechtbank gelast de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: 61. 1 stk. Bril, G1447595 aan [slachtoffer 16] , die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De rechtbank gelast de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: 62. 1 stk. Selecta DNA Spray, G1487469 aan [tankstation] / [bedrijf 7] , die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De rechtbank gelast de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

1. Geldbedrag € 8.245,00, G1483018 2. Geldbedrag € 5.550,00, G1483022

3. Geldbedrag € 252,60, G1483025

4. Geldbedrag € 4.855,00, G1483014

16. 9 stk. Geldlade, G1483003

aan [casino] Oss, die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De rechtbank gelast de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

9. 2 stk. Rookwaar, G1482980 10. 1 stk. Rookwaar, G1482981

11. 1 stk. Rookwaar, G1482982

12. 2 stk. Medicijn, G1482985

21. 1000 ml. Chemicaliën, G1483005

22. 2 stk. Drank, G1483006

23. 70 cl. Drank, G1483007

24. 150 ml. Deodorant, G1483010

25. 0,5 ltr. Drank, G1483011

26. 1 stk. Telefoonkaart, G1483032

aan verdachte, [verdachte] , die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging, voorzitter,

mr. I.L.A. Boer en mr. T. van de Woestijne, leden,

in tegenwoordigheid van S. Nuyens, griffier,

en is uitgesproken op 18 maart 2020.