Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:1605

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
01/879041-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van kortgezegd een zestal gewapende overvallen op supermarkten, cafetaria en een tankstation, in vereniging gepleegd.

Verminderd toerekeningsvatbare verdachte.

Gevangenisstraf van zes jaar (na eis tien jaar) met aftrek van voorarrest.

Uitgangspunten beoordeling van vorderingen benadeelde partijen uitgebreid besproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/879041-19

Datum uitspraak: 17 maart 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Somalië) in het jaar [1999] ,

wonende te 5361 ME Grave, Muntlaan 1,

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 mei 2019, 16 augustus 2019, 8 november 2019, 16 januari 2020, 13 februari 2020 en 3 maart 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 april 2019.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 8 november 2019 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 09 februari 2019 te Helmond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 494,70 euro) en/of een pakje sigaretten (merk Marlboro red XXL), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam supermarkt 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s),

- naar de servicebalie van de [naam supermarkt 2] is gelopen en/of

- (vervolgens) tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd: "Ik heb een pistool" en/of - (daarbij) (dreigend) zijn, verdachtes, hand in zijn, verdachtes, tas heeft gehouden en/of

- (vervolgens) tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd: "Geld" en/of "geld hierin doen of ik schiet" en/of "ik wil Marlboro", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;

2. hij op of omstreeks 02 november 2018 te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (ongeveer 200 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [cafetaria 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s)

- met bedekt(e) gezicht(en) die cafetaria is/zijn binnengegaan en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer 3] heeft/hebben vastgepakt en/of

- achter de toonbank naar de kassa is/zijn gelopen en/of

- meermalen tegen die [slachtoffer 3] heeft/hebben gezegd: "Kassa open maken", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of - (daarbij) een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer 3] heeft/hebben getoond, in elk geval (daarbij) dreigend zijn, verdachtes, hand voor zijn, verdachtes, broeksband en/of buik heeft/hebben gehouden;

3. hij op of omstreeks 09 november 2018 te Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A.

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen hoeveelheid geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [cafetaria 2] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

B.

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] te dwingen tot afgifte van een hoeveelheid geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [cafetaria 2] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met dat oogmerk tezamen en in vereniging met zijn, verdachtes, mededader(s)

- (met kracht) de deur van die cafetaria heeft/hebben opengeduwd, althans heeft/hebben getracht open te duwen en/of

- die [slachtoffer 5] heeft/hebben vastgegrepen en/of vastgepakt en/of - een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer 5] heeft/hebben gedrukt en/of gericht (gehouden) en/of

- (vervolgens) met een vuurwapen, althans met een hard en/of zwaar voorwerp meermalen, althans eenmaal met (aanzienlijke) kracht op/tegen het (voor)hoofd van die [slachtoffer 5] heeft/hebben geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4. hij op of omstreeks 17 december 2018 te Valkenswaard, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 800 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam supermarkt 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s),

- met bedekt(e) gezicht(en) die [naam supermarkt 1] is binnengegaan en/of

- naar de servicebalie van die [naam supermarkt 1] is gelopen en/of

- (vervolgens) tegen die [slachtoffer 6] heeft gezegd: "La open en geld" en/of "Geef mij het kastje" en/of "meer, nog meer", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- (daarbij) een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer 6] heeft getoond;

5. hij op of omstreeks 19 december 2018 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (ongeveer 200 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [cafetaria 3] en/of [slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 8] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s)

- met bedekt(e) gezicht(en) die cafetaria is/zijn binnengegaan en/of

- (vervolgens) een mes, in elk geval een schep en/of puntig voorwerp aan die [slachtoffer 8] heeft/hebben voorgehouden en/of getoond en/of met dit voorwerp zwaaiende bewegingen naar en/of in de richting van die [slachtoffer 8] heeft/hebben gemaakt en/of

- tegen die [slachtoffer 8] heeft/hebben geschreeuwd/geroepen: "Kassa, kassa" en/of

- (vervolgens) over de kassabalie is/zijn gesprongen en/of

- meermalen tegen die [slachtoffer 8] heeft/hebben geschreeuwd/geroepen: "Kassa" en/of "Geweer", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

6. hij op of omstreeks 08 januari 2019 te Helmond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A.

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (tot op heden onbekend) geldbedrag en/of een of meer pakjes sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam tankstation] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 9] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

B.

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 9] heeft gedwongen tot de afgifte van een (tot op heden onbekend) geldbedrag en/of een of meer pakjes sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam tankstation] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), als volgt heeft/hebben gehandeld, hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s),

- met bedekt(e) gezicht(en) dat tankstation is/zijn binnengegaan en/of

- tegen die [slachtoffer 9] heeft/hebben gezegd: "Geld, geld" en/of "sigaretten, sigaretten", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of

- (daarbij) een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer 9] heeft/hebben voorgehouden en/of getoond en/of

- een mes, in elk geval een schep en/of puntig voorwerp aan die [slachtoffer 9] heeft/hebben voorgehouden en/of getoond.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

De geldigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft betoogd dat de dagvaarding ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde nietig moet worden verklaard, omdat het Openbaar Ministerie er voor heeft gekozen om de delicten poging tot afpersing en poging tot diefstal met (bedreiging met) geweld zowel cumulatief als alternatief ten laste te leggen, waardoor het voor de verdediging niet duidelijk is waartegen verdachte zich dient te verdedigen.

De officier van justitie is van mening dat de dagvaarding geldig is.

Gezien de inhoud van het complete strafdossier en het geheel van de aan verdachte ten laste gelegde strafbare feiten – in onderling verband en samenhang bezien – alsmede het feit dat verdachte er tijdens zijn verhoren bij de politie en het onderzoek ter terechtzitting blijk van heeft gegeven te weten waartegen hij zich moet verdedigen (hij heeft immers een bekennende verklaring afgelegd), is de rechtbank van oordeel dat het voor verdachte onmiskenbaar duidelijk was waartegen hij zich dient te verdedigen. Gelet hierop verwerpt de rechtbank het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot nietigheid van de dagvaarding. De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is geldig.

De bevoegdheid van de rechtbank.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen.

Schorsing van de vervolging.

Er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsbeslissing.

De bronnen.

Een dossier van de regiopolitie Eenheid Oost-Brabant, District Recherche Helmond, met zaaknummer OB3R018099, onderzoek “Gustrow” afgesloten d.d. 22 juli 2019, aantal doorgenummerde bladzijden: 2702. Dit dossier bevat een verzameling processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden;

2. Een (aanvullend) proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 3 januari 2020.

Inleiding.

In de periode van 1 november 2018 tot en met 9 februari 2019 hebben meerdere gewapende overvallen plaatsgevonden op cafetaria’s, supermarkten en benzinestations in de regio Helmond, Beek en Donk, Aarle-Rixtel, Nuenen en Valkenswaard. Dit heeft er toe geleid dat onder leiding van de officier van justitie het opsporingsonderzoek Gustrow werd gestart.

Bij het opsporingsteam werd al vrij snel duidelijk dat bij de overvallen veelal twee negroïde personen betrokken waren die het gemunt hadden op geld en sigaretten en daarbij niet schuwden om geweld te gebruiken dan wel daarmee te dreigen. Aan de hand van een vergelijking van de signalementen van de betrokken daders, de modus operandi en de herkenning van verdachte bij een van de overvallen, ontstond het vermoeden dat hij samen met anderen verantwoordelijk was voor meerdere overvallen in deze regio.

Om een compleet beeld te kunnen krijgen van verdachte en zijn netwerk, werden diverse opsporingsmiddelen toegepast, waardoor het opsporingsteam onder meer de beschikking kreeg over veel gevoerde communicatie en ook over steeds meer feitelijke gegevens. Zo kwamen ook andere personen en telefoonnummers in beeld, waarop vervolgens een tap werd aangesloten en waarvan de historische gegevens en/of mastgegevens werden opgevraagd. Op deze wijze kwamen meerdere personen in beeld en werd het onderzoek naar deze personen uitgebreid.

Uiteindelijk heeft het onderzoek geleid tot de aanhouding van verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , die onderworpen zijn aan meerdere verhoren. Op grond van de door hen afgelegde verklaringen rees bij het opsporingsteam ook de verdenking dat deze groep verdachten – al dan niet samen – ook verantwoordelijk waren voor diverse woninginbraken die in de periode van januari 2017 tot en met januari 2019 hebben plaatsgevonden in Best, Aarle-Rixtel, Nuenen en Beek en Donk.

Het Openbaar Ministerie is tot de conclusie gekomen dat verdachte binnen deze groep verantwoordelijk is voor de overvallen en maakt hem thans het verwijt dat hij – al dan niet met een ander – zich schuldig heeft gemaakt aan:

  • -

    een overval op de [naam supermarkt 2] op 9 februari 2019 in Helmond (feit 1);

  • -

    een overval op [cafetaria 1] op 2 november 2018 in Nuenen (feit 2);

  • -

    een poging tot een overval op [cafetaria 4] op 9 november 2018 in Aarle-Rixtel (feit 3);

  • -

    een overval op de [naam supermarkt 1] op 17 december 2018 in Valkenswaard (feit 4);

  • -

    een overval op [cafetaria 3] op 19 december 2018 in Beek en Donk (feit 5) en;

  • -

    een overval op [naam tankstation] op 8 januari 2019 in Helmond (feit 6).

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring zal komen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen hem onder feit 3 is ten laste gelegd. Voor het overige zijn er geen bewijsverweren gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank.

De vraag of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is, zal hierna per ten laste gelegd feit worden besproken, uitmondende in een conclusie of tot een bewezenverklaring of tot een vrijspraak wordt gekomen.

ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 4, feit 5 en feit 6:

De rechtbank komt tot de bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder feit 1, feit 2, feit 4, feit 5 en feit 6 op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

ten aanzien van feit 1:

 een proces-verbaal van verhoor aangeefster, opgemaakt d.d. 13 februari 2019, bron 1, dossierpagina’s 144-145, inhoudende de verklaring van aangeefster [naam aangeefster] ;

  • -

    een proces-verbaal van verhoor aangeefster, opgemaakt d.d. 9 februari 2019, bron 1, dossierpagina’s 150-151, inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] ;

  • -

    een proces-verbaal van verhoor aangeefster, opgemaakt d.d. 13 februari 2019, bron 1, dossierpagina’s 153-159, inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] ;

  • -

    een proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 21 februari 2019, bron 1, dossierpagina’s 1952-1963, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.

De rechtbank overweegt hierbij dat zij met de verdediging van oordeel is dat de voor het medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een ander of anderen niet is komen vast te staan, zodat verdachte van het ten laste gelegde medeplegen zal worden vrijgesproken.

ten aanzien van feit 2:

 een proces-verbaal van aangifte, opgemaakt d.d. 2 november 2018, bron 1, dossierpagina’s 427-429, inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer 2] :

 een proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 3 januari 2020, bron 2, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.

ten aanzien van feit 4:

  • -

    een proces-verbaal van aangifte, opgemaakt d.d. 17 december 2018, bron 1, dossierpagina’s 828-829, inhoudende de verklaring van aangever [naam aangever] :

  • -

    een proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt d.d. 18 december 2018, bron 1, dossierpagina’s 833-834, inhoudende de verklaring van getuige [slachtoffer 6] ;

  • -

    een proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 3 januari 2020, bron 2, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.

ten aanzien van feit 5:

  • -

    een proces-verbaal van aangifte, opgemaakt d.d. 20 december 2018, bron 1, dossierpagina’s 961-964, inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer 8] ;

  • -

    een proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 3 januari 2020, bron 2, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.

ten aanzien van feit 6:

  • -

    een proces-verbaal van aangifte, opgemaakt d.d. 8 januari 2019, bron 1, dossierpagina’s 1151-1153, voor zover inhoudende de verklaring van [slachtoffer 9] ;

  • -

    een proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 3 januari 2020, bron 2, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.

ten aanzien van feit 3:

De rechtbank acht op grond van de navolgende feiten en omstandigheden, bezien in het licht van hetgeen de rechtbank hierna zal overwegen, ook wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 3 is ten laste gelegd.

De redengevende feiten en omstandigheden.

een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 9 november 2018, bron 1, dossierpagina’s 550-551, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende het relaas van verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] :

(p. 550) Op 9 november 2018 omstreeks 22.00 uur kregen wij de melding dat er gepoogd was om een overval te plegen op [cafetaria 4] , gelegen aan de [straatnaam] in Aarle-Rixtel. Ter plaatse gekomen spraken wij [slachtoffer 5] (man) [de rechtbank begrijpt. [slachtoffer 5]] en [slachtoffer 4] (vrouw), de eigenaren van de cafetaria. Wij hoorden de man tegen ons zeggen dat hij op 9 november 2018 om 21.30 uur de cafetaria had gesloten. Wij hoorden dat de man zei dat hij hoorde dat er op de ruit van de cafetaria werd geklopt. Wij hoorden dat [slachtoffer 5] zei dat de onbekende man vervolgens met kracht de deur open drukte. Ook zag hij dat er op dat moment een tweede voor hem onbekende man met een Afrikaans uiterlijk naar de deur van de cafetaria kwam lopen. Wij hoorden dat [slachtoffer 5] zei dat hij zag dat een zwart handvuurwapen en een mes werd getrokken. Wij hoorden dat [slachtoffer 5] zei dat hij vervolgens met kracht met de kolf van het vuurwapen tegen zijn voorhoofd werd geslagen door de eerste onbekende man. Wij zagen dat er een rode, licht gezwollen plek op het voorhoofd van [slachtoffer 5] te zien was. Wij hoorde dat [slachtoffer 5] zei dat hij de twee onbekende mannen met kracht de deur van de cafetaria uitgewerkt heeft en dat de mannen vanuit de cafetaria linksaf wegvluchtten.

een proces-verbaal van verhoor aangeefster, opgemaakt d.d. 11 november 2018, bron 1, dossierpagina’s 552-556, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4] :

(p. 552) Ik doe aangifte van een poging overval welke gepleegd is op 9 november 2018 om 21.35 uur. (p. 553) Op 9 november 2018 om 21.35 uur deed mijn man de deur van onze zaak [cafetaria 4] in Aarle-Rixtel op slot en deed het rolgordijntje bij de ramen en bij het raam van de voordeur naar beneden. Meteen toen het rolgordijn naar beneden was, werd op het raam van de voordeur geklopt. Ik deed het rolgordijn iets open en zag toen een zwarte jongen staan. (p. 554) De jongen maakte een gebaar met zijn hand alsof hij bedoelde dat hij wat drinken wilde. Ik deed het rolgordijn omhoog en maakte de deur open. De deur was een stukje open en de jongen duwde meteen de deur open. Op hetzelfde ogenblik stapt mijn man naar voren en ging voor de jongen staan. Mijn man duwde die jongen weg, maar hij voelde dat de jongen, die hij naar buiten duwde, hem met zijn linkerhand vast pakte. De arm van mijn man werd omarmd door de arm van de jongen. Op het moment dat zij nog aan het duwen zijn, liep ik naar achteren. Toen ik terug kwam zag ik ineens dat er een andere jongen met zwarte huidskleur aan kwam gelopen. De tweede jongen pakte de linkerarm van mijn man, terwijl de eerste jongen nog de rechterarm van mijn man vast had. Ze hadden mijn man beiden vast en probeerden hem nog steeds naar binnen te duwen. (p. 555) Mijn man bleef hard roepen, omdat hij hoopte dat er iemand zou komen helpen. Toen de eerste jongen zag dat de andere jongen weg ging, liet hij mijn man los en liep ook weg.

een proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 3 januari 2020, bron 2, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] :

Op de vraag wat ik weet van de poging overval op [cafetaria 4] in Aarle-Rixtel op 9 november 2018 zeg ik dat ik dat met [medeverdachte 3] [de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 3]] heb gedaan. [medeverdachte 3] wil altijd een overval doen. Ik heb gewoon met hem meegedaan. [medeverdachte 3] klopte op de deur, omdat hij frisdrank wilde hebben. Die man opende de deur. Die man luisterde niet. Bij deze overval hadden we geen geld, omdat die man mensen ging roepen. Alleen [medeverdachte 3] en ik waren hierbij betrokken.

Nadere bewijsoverwegingen.

De door de raadsman bepleitte vrijspraak berust op de stelling dat het bewijs voor het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening dan wel het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen tekortschiet. Daartoe is aangevoerd dat de feitelijke handelingen van verdachte en zijn medeverdachte niet zonder meer duiden op een poging diefstal/afpersing, temeer nu zij bij die feitelijke handelingen niets hebben gezegd. De dreiging en de mishandeling van de cafetariahouder zouden ook een andere reden kunnen hebben gehad, aldus de raadsman.

Het door de raadsman gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weerlegd door de inhoud van het procesdossier, meer in het bijzonder door de hiervoor opgenomen verklaring van verdachte. Ook naar de uiterlijke verschijningsvorm bezien kunnen de gedragingen van de verdachten bezwaarlijk anders uitgelegd worden dan dat dit gericht is geweest op de voltooiing van de voorgenomen overval. De rechtbank verwerpt het verweer en komt tot een bewezenverklaring als na te melden.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte/opgesomde bewijsmiddelen – bezien in het licht van hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen – komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. op 9 februari 2019 te Helmond, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (494,70 euro) en een pakje sigaretten (merk Marlboro red XXL), toebehorende aan [naam supermarkt 2] , welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte,

- naar de servicebalie van de [naam supermarkt 2] is gelopen en

- (vervolgens) tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd: "Ik heb een pistool" en - (dreigend) zijn, verdachtes, hand in zijn, verdachtes, tas heeft gehouden en

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd: "Geld" en "geld hierin doen of ik schiet" en "ik wil Marlboro", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking.

2. op 2 november 2018 te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (ongeveer 200 euro), toebehorende aan [cafetaria 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij, verdachte, en zijn mededader

- die cafetaria zijn binnengegaan en

- (vervolgens) die [slachtoffer 3] hebben vastgepakt en

- achter de toonbank naar de kassa zijn gelopen en

- meermalen tegen die [slachtoffer 3] heeft/hebben gezegd: "Kassa open maken" en - (daarbij) dreigend zijn, verdachtes, hand voor zijn, verdachtes, broeksband en/of buik heeft gehouden.

3. op 9 november 2018 te Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander,

A.

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [cafetaria 2] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

B.

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] te dwingen tot afgifte van een hoeveelheid geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [cafetaria 2] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , met dat oogmerk tezamen en in vereniging met zijn, verdachtes, mededader

- (met kracht) de deur van die cafetaria heeft opengeduwd en

- die [slachtoffer 5] hebben vastgegrepen en/of vastgepakt en

- (vervolgens) met een vuurwapen, met (aanzienlijke) kracht tegen het (voor)hoofd van die [slachtoffer 5] heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4. op 17 december 2018 te Valkenswaard, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 800 euro), toebehorende aan [naam supermarkt 1] , welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte,

- naar de servicebalie van die [naam supermarkt 1] is gelopen en

- (vervolgens) tegen die [slachtoffer 6] heeft gezegd: "La open en geld" en "Geef mij het kastje" en "Meer, nog meer" en

- (daarbij) een pistool aan die [slachtoffer 6] heeft getoond.

5. op 19 december 2018 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (ongeveer 200 euro), toebehorende aan [cafetaria 3] en/of [slachtoffer 7] , welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 8] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij, verdachte, en/of zijn mededader

- met bedekte gezichten die cafetaria zijn binnengegaan en

- vervolgens een mes aan die [slachtoffer 8] hebben voorgehouden en/of getoond en met dit voorwerp zwaaiende bewegingen naar en/of in de richting van die [slachtoffer 8] heeft gemaakt en

- tegen die [slachtoffer 8] heeft geroepen: "Kassa, kassa" en

- (vervolgens) over de kassabalie is gesprongen en

- tegen die [slachtoffer 8] heeft geroepen: "Kassa" en "Geweer".

6. op 8 januari 2019 te Helmond, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 9] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag en pakjes sigaretten, toebehorende aan [naam tankstation] , hebbende/is hij, verdachte en/of zijn mededader,

- dat tankstation binnengegaan en

- tegen die [slachtoffer 9] gezegd: "Geld, geld" en "sigaretten, sigaretten" en

- een pistool aan die [slachtoffer 9] voorgehouden en/of getoond en

- een mes aan die [slachtoffer 9] voorgehouden en/of getoond.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregelen.

De eis van de officier van justitie.

De vordering van de officier van justitie strekt tot veroordeling van verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de vordering van de officier van justitie niet in verhouding staat tot de jeugdige leeftijd van verdachte, de bij hem vastgestelde gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, de mate waarin dit heeft doorgewerkt bij het begaan van de hem verweten strafbare feiten en de uitgebrachte adviezen van de psycholoog en de reclassering.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemene overwegingen.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Feiten waarop de straf is gebaseerd.

Verdachte heeft (met zijn medeverdachten, in wisselende samenstelling) in een periode van drie maanden een reeks gewapende overvallen gepleegd op twee supermarkten, drie cafetaria’s en een tankstation. In één geval is het bij een poging gebleven. Niet omdat verdachte het kwade van zijn handelen inzag, maar door het kordate optreden van de betreffende cafetariahouder. De door verdachte gepleegde feiten zijn voor de betrokken slachtoffers vaak zeer beangstigend. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke overvallen veelal langdurige en ernstige psychische gevolgen daarvan ondervinden en ook in onderhavige zaken is daarvan gebleken. Verdachte en zijn medeverdachten hebben hun eigen financiële motieven telkens voorop laten staan en hebben geen enkel oog gehad voor de ellende die zij bij de slachtoffers aanrichtten. Naast het persoonlijke leed dat de directe slachtoffers is aangedaan, veroorzaken dergelijke gewelddadige feiten in de samenleving gevoelens van onrust en onveiligheid. De rechtbank acht het zorgwekkend dat verdachte is overgegaan tot het plegen van deze ernstige feiten. Gelet op de brutaliteit en gemak waarmee te werk is gegaan, lijkt het erop alsof het voor verdachte de normaalste zaak van de wereld is om dit soort feiten te plegen.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 10 januari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten als hetgeen thans is bewezenverklaard. Dit heeft daarom geen strafverzwarende invloed.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebrachte rapport van psycholoog drs. N.A. Schoenmaker van 3 mei 2019, waaruit volgt dat bij verdachte thans, maar ook ten tijde van de bewezenverklaarde feiten, sprake is van een licht verstandelijke beperking, een posttraumatische stressstoornis, acculturatieproblematiek, een stoornis in cannabisgebruik en antisociale trekken in de persoonlijkheid. Ten gevolge daarvan zijn de bewezenverklaarde feiten hem in verminderde mate toe te rekenen. Door de psycholoog wordt onder meer een klinische behandeling geadviseerd bij een deels voorwaardelijke straf.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het advies van de reclasseringswerker van 30 januari 2020, waarin onder meer de problematische leefgebieden van verdachte in kaart worden gebracht. In navolging van de psycholoog wordt geadviseerd om ten behoeve van de voor ogen gehouden klinische behandeling aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij de in het rapport neergelegde bijzondere voorwaarden.

Omstandigheden ten voordele van de verdachte.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij in zijn jeugd ernstig is getraumatiseerd vanwege de gebeurtenissen die hij soms ook aan den lijve heeft moeten ondervinden in zijn land van herkomst, dat al jaren door oorlog wordt geteisterd. Deze gebeurtenissen zijn op de ontwikkeling van verdachte van invloed geweest en hebben hem uiteindelijk ook gevormd tot de persoon die hij nu is. Dat verdachte hier niet zelf voor heeft gekozen, staat wat de rechtbank betreft buiten kijf.

Ook de jeugdige leeftijd van verdachte (ten tijde van de ten laste gelegde feiten 19/20 jaar) en het feit dat hij – zij het op een laat moment – een open proceshouding heeft ingenomen over zijn aandeel bij de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht en verantwoordelijkheid daarvoor neemt, zijn omstandigheden die de rechtbank in het voordeel van verdachte zal meewegen bij de straf die aan hem zal worden opgelegd.

De aan verdachte op te leggen straf.

De ernst van de door verdachte begane feiten rechtvaardigen zonder meer de oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf en geven als uitgangspunt voor een voltooide overval op één winkel (dan wel benzinestation) met licht geweld en/of bedreiging met geweld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 jaar. Voor een poging tot overval dient het oriëntatiepunt indachtig het wettelijk strafmaximum met een derde verminderd te worden, zodat het uitgangspunt in zo’n geval op een gevangenisstraf van 16 maanden neerkomt.

De rechtbank zal voor één van de ten laste van verdachte bewezenverklaarde overvallen als startpunt het hiervoor bedoelde uitgangspunt van 2 jaar gevangenisstraf hanteren. Voor iedere extra bewezenverklaarde overval zal de rechtbank dit met één jaar gevangenisstraf verhogen. Het vorenstaande maakt dat de rechtbank als uitgangspunt op een gevangenisstraf komt van 7 jaar.

De rechtbank houdt verder in het voordeel van verdachte rekening met de strafmatigende omstandigheden die zij hiervoor heeft beschreven, in het bijzonder met de omstandigheid dat de bewezenverklaarde feiten verdachte in verminderde mate toe te rekenen zijn. De rechtbank houdt ook rekening met de omstandigheid dat het geweld of de bedreiging daarmee bij de door verdachte begane strafbare feiten beperkt en de buit gering is gebleven.

Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is.

De rechtbank zal de psycholoog en de reclasseringswerker niet volgen in het advies om verdachte tot een deels voorwaardelijke straf te veroordelen met het oog op het zo snel mogelijk starten van een behandeling van verdachte. De rechtbank weegt bij haar oordeel mee dat ingeval de rechtbank de adviezen van de deskundigen zou volgen, zij aan verdachte slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan opleggen die de duur van vier jaren niet te boven gaat. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke afdoening geen recht zou doen aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank onderkent de problematiek van verdachte en onderschrijft het belang van de door de deskundigen voor ogen gehouden behandeling, maar is van oordeel dat een dergelijke behandeling eventueel in de fase van de voorwaardelijke invrijheidsstelling geëffectueerd kan worden.

De rechtbank zal hiermee een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank is van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt, maar vooral acht de rechtbank voor deze nog zeer jonge verdachte toch nog enig perspectief noodzakelijk.

De vorderingen van de benadeelde partijen

Algemeen inleidende opmerkingen.

De rechtbank zal hierna over gaan tot de bespreking van de vorderingen van de benadeelde partijen. Voordat de rechtbank daartoe overgaat, acht zij het van belang om in algemene zin enkele opmerkingen te maken over vorderingen van de benadeelde partijen in het strafproces. Daarna zal de rechtbank per vordering van de benadeelde partij een beslissing nemen.

Uitgangspunten beoordeling vorderingen benadeelde partij in het strafprocesrecht.

Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit kan zich als benadeelde partij voegen in het strafproces met een vordering tot vergoeding van die schade. Op die vordering van de benadeelde partij is het materiële burgerlijk recht van toepassing. Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze schade kan bestaan uit vermogensschade en ander nadeel (immateriële schade). Op de benadeelde partij die een vordering indient, rust daarom in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden.

In het geval de verdediging de vordering van de benadeelde partij betwist, zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.

In het geval de verdediging de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

Indien de omvang van de schade, zonder nader onderzoek dat een onevenredige vertraging van het strafgeding zou opleveren, niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, kan die omvang in veel gevallen worden geschat. De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval.

Met de mogelijkheid tot het indienen van een vordering door benadeelde partijen heeft de wetgever beoogd binnen het strafproces te voorzien in – kort gezegd – een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. Indien echter de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechter een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechter bepalen dat die vordering in het geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De bespreking van de vorderingen van de benadeelde partijen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de vordering van de benadeelde partij integraal zal toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de rechtbank een bedrag van € 500,00 zal toewijzen en de benadeelde partij voor het meer of anders verzochte niet-ontvankelijk zal verklaren.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het ten laste van verdachte bewezen verklaarde onder feit 1 rechtstreekse schade heeft geleden. Het gevorderde bedrag komt de rechtbank echter bovenmatig voor. De aangehaalde uitspraak door de benadeelde partij die aan de vordering ten grondslag ligt, is een casus die niet vergelijkbaar is met onderhavige zaak. Alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, zoals gebleken uit het procesdossier en de toelichting op de vordering van de benadeelde partij, acht de rechtbank naar billijkheid een bedrag van € 1.000,00 toewijsbaar. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
9 februari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De benadeelde partij zal voor het overige gedeelte van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard en kan dit deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

Verder zal verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] .

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 104,93 aan materiële schadevergoeding en

€ 1.250,00 aan immateriële schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De door de benadeelde partij gevorderde materiële schadevergoeding bestaat uit een bedrag van € 89,99 voor de kosten van de aanschaf van een beveiligingssysteem, € 4,94 voor de gemaakte reiskosten en
€ 10,00 voor de gemaakte parkeerkosten.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de vordering van de benadeelde partij integraal zal toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de rechtbank een bedrag van € 14,94 aan materiële schadevergoeding en € 500,00 aan immateriële schadevergoeding zal toewijzen en de benadeelde partij voor het meer of anders verzochte niet-ontvankelijk zal verklaren.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het ten laste van verdachte bewezen verklaarde onder feit 3 rechtstreekse schade heeft geleden. Alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, zoals gebleken uit het procesdossier (met name het geweld dat de benadeelde partij heeft moeten incasseren) en de toelichting op de vordering van de benadeelde partij, is de rechtbank van oordeel dat het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding billijk is.

Hetzelfde geldt voor het gevorderde bedrag aan materiële schadevergoeding, met uitzondering van het bedrag van € 89,99 voor de aanschaf van een beveiligingssysteem. Deze kostenpost is naar het oordeel van de rechtbank geen rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit.

De vordering zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 14,94 als materiële schadevergoeding en een bedrag van € 1.250,00 als immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 november 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De benadeelde partij zal voor het overige gedeelte van zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard en kan dit deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

Verder zal verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 november 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] .

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 34,75 aan materiële schadevergoeding en

€ 1.000,00 aan immateriële schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De door de benadeelde partij gevorderde materiële schadevergoeding bestaat uit een bedrag van € 24,75 voor de ten behoeve van het bijwonen van de zitting gemaakte reiskosten en € 10,00 voor de gemaakte parkeerkosten.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de vordering van de benadeelde partij integraal zal toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de rechtbank een bedrag van € 500,00 aan immateriële schadevergoeding zal toewijzen en de benadeelde partij voor het meer of anders verzochte niet-ontvankelijk zal verklaren.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het ten laste van verdachte bewezen verklaarde onder feit 3 rechtstreekse schade heeft geleden. Het door de benadeelde partij gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding komt haar echter bovenmatig voor. Alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, zoals gebleken uit het procesdossier (met name het beperkt gebleven geweld jegens de benadeelde partij) en de toelichting op de vordering van de benadeelde partij, acht de rechtbank naar billijkheid een bedrag van € 500,00 toewijsbaar.

De door de benadeelde partij gevorderde bedrag aan materiële schadevergoeding is eveneens voor toewijzing vatbaar, met dien verstande dat deze kosten zijn gemaakt in het kader van het bijwonen van de zitting. Daarom merkt de rechtbank deze kosten aan als proceskosten en zal deze in dat kader toewijzen. Aangezien verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd, zal de rechtbank het gevorderde dan ook evenredig verdelen.

Het vorenstaande maakt dat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van

€ 500,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 november 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De benadeelde partij zal voor het overige gedeelte van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard en kan dit deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 17,38 bestaande uit een bedrag van (€ 24,75 / 2 =) € 12,38 voor de ten behoeve van het bijwonen van de zitting gemaakte reiskosten en (€ 10,00 / 2 =) € 5,00 voor de gemaakte parkeerkosten.

Verder zal verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
9 november 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor wat betreft de immateriële schade.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] .

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 104,75 aan materiële schadevergoeding en

€ 1.000,00 aan immateriële schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De door de benadeelde partij gevorderde materiële schadevergoeding bestaat uit de kosten die gemaakt zijn voor het opvragen van medische informatie.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de vordering van de benadeelde partij integraal zal toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de rechtbank een bedrag van € 104,75 aan materiële schadevergoeding zal toewijzen en de benadeelde partij voor het meer of anders verzochte niet-ontvankelijk zal verklaren.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het ten laste van verdachte bewezen verklaarde onder feit 3 rechtstreekse schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 104,75 aan materiële schadevergoeding een redelijk bedrag is dat ook is onderbouwd. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 januari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Dat geldt echter niet voor het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding. De behandeling van de vordering op dit punt levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de opgevoerde posten naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zijn onderbouwd. Met name ontbreekt onderbouwing dat de meervoudige pathologie bij de benadeelde partij het rechtstreekse gevolg is geweest van het ten laste van verdachte bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij zal voor dit gedeelte van zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard en kan dit deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

Verder zal verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor wat betreft de materiële schade.

De vordering van de benadeelde partij [cafetaria 3] .

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 972,07 aan materiële schadevergoeding

gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De door de benadeelde partij gevorderde materiële schadevergoeding bestaat uit een bedrag van € 83,94 voor een kassalade, € 187,00 voor een camera, € 70,18 voor een afstortkluis,

€ 260,00 aan ontvreemd geld, € 120,95 voor een magneetslot en € 250,00 aan eigen risico.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de vordering van de benadeelde partij deels zal toewijzen, waarbij voor wat betreft de hoogte gerefereerd is aan het oordeel van de rechtbank, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de rechtbank een bedrag van € 180,00 zal toewijzen en de benadeelde partij voor het meer of anders verzochte niet-ontvankelijk zal verklaren.

Het oordeel van de rechtbank.

De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de opgevoerde kosten voor een kassalade, een camera, een afstortkluis en een magneetslot niet uit het dossier volgen en onvoldoende zijn onderbouwd. Hoewel de opgevoerde kosten voor het ontvreemde geld en het eigen risico de rechtbank aannemelijk zijn geworden, kan aan de benadeelde partij geen vergoeding toekomen nu uit de nadere toelichting van de benadeelde partij op de terechtzitting gebleken is dat aan hem reeds een bedrag van ruim € 400,00 door de verzekeringsmaatschappij is uitgekeerd.

De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering en kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [naam tankstation]

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 566,98 aan materiële schadevergoeding

gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De door de benadeelde partij gevorderde materiële schadevergoeding bestaat uit een bedrag van € 507,48 aan ontvreemd geld en € 59,50 aan ontvreemde sigaretten.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de vordering van de benadeelde partij integraal zal toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de rechtbank een bedrag van € 200,00 zal toewijzen en de benadeelde partij voor het meer of anders verzochte niet-ontvankelijk zal verklaren.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het ten laste van verdachte bewezen verklaarde onder feit 6 rechtstreekse schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 566,98 aan materiële schadevergoeding een redelijk bedrag is, dat ook is onderbouwd. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

Verder zal verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Het beslag.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de rechtbank zal bepalen dat de onder verdachte in beslag genomen mobiele telefoon aan hem terug wordt gegeven.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich daartegen niet verzet.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan verdachte van de nader te noemen mobiele telefoon, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van het in beslag genomen goed.

De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 60a, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde onder feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5 en feit 6 bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

ten aanzien van feit 1:afpersing ten aanzien van feit 2:diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen ten aanzien van feit 3:poging tot

diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en/of afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen ten aanzien van feit 4: afpersing ten aanzien van feit 5: diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen ten aanzien van feit 6: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf en maatregelen.

ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6:

 een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

ten aanzien van feit 1:

maatregel van schadevergoeding van EUR 1.000,00 subsidiair 20 dagen gijzeling.

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van EUR 1.000,00 (zegge: éénduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van EUR 1.000,00 (zegge: éénduizend euro). Het bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

ten aanzien van feit 3:

maatregel van schadevergoeding van EUR 1.264,94 subsidiair 22 dagen gijzeling.

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] van een bedrag van EUR 1.264,94 (zegge: éénduizendtweehonderdvierenzestig euro en vierennegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 1.250,00 aan immateriële schadevergoeding en uit een bedrag van EUR 14,94 aan materiële schadevergoeding.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 november 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] van een bedrag van EUR 1.264,94 (zegge: éénduizendtweehonderdvierenzestig euro en vierennegentig eurocent). Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 1.250,00 aan immateriële schadevergoeding en uit een bedrag van EUR 14,94 aan materiële schadevergoeding.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 november 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

ten aanzien van feit 3:

maatregel van schadevergoeding van EUR 500,00 subsidiair 10 dagen gijzeling.

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] van een bedrag van EUR 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 november 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] van een bedrag van EUR 500,00 (zegge: vijfhonderd euro). Het bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 november 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op EUR 17,38 bestaande uit een bedrag van (EUR 24,75 / 2 =) EUR 12,38 voor de ten behoeve van het bijwonen van de zitting gemaakte reiskosten en (EUR 10,00 / 2 =) EUR 5,00 voor de gemaakte parkeerkosten.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

ten aanzien van feit 3:

maatregel van schadevergoeding van EUR 104,75 subsidiair 2 dagen gijzeling.

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] van een bedrag van EUR 104,75 (zegge: éénhonderdvier euro en vijfenzeventig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] van een bedrag van EUR 104,75 (zegge: éénhonderdvier euro en vijfenzeventig eurocent). Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

ten aanzien van feit 5:

niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [cafetaria 3] in de vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte, tot op heden begroot op nihil.

ten aanzien van feit 6:

maatregel van schadevergoeding van EUR 566,98 subsidiair 11 dagen gijzeling.

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [naam tankstation] van een bedrag van EUR 566,98 (zegge: vijfhonderdzesenzestig euro en achtennegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [naam tankstation] van een bedrag van EUR 566,98 (zegge: vijfhonderdzesenzestig euro en achtennegentig eurocent). Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

ten aanzien van het beslag:

teruggave in beslag genomen goed, te weten: een mobiele telefoon (Samsung SM-G965F/DS, ibn-nummer [nummer] ).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J. Bokhorst, voorzitter,

mr. C.J. Sangers-de Jong en mr. N. Flikkenschild, leden,

in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier,

en is uitgesproken op 17 maart 2020.