Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:1582

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
01/993317-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor de invoer van twee partijen cocaïne. De partijen waren verstopt in ladingen fruitpulp en ananassen, afkomstig uit Zuid-Amerika en deze zijn via de Noordzee en de Westerschelde Nederland ingebracht (invoer) en uitgebracht (uitvoer). De ladingen waren vervolgens bestemd om te worden vervoerd naar Nederland (invoer).

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren en 6 maanden met aftrek van voorarrest. Het ging naar schatting om in totaal 291 kilo cocaïne.

De schorsing van de voorlopige hechtenis wordt met ingang van heden opgeheven.

De PGP-telefoon van verdachte wordt onttrokken aan het verkeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummers: 01/993317-18 en 01/993239-19 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 17 maart 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1958] ,

wonende te [postcode] , [straatnaam 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 januari 2019 (enkel wat betreft de zaak met parketnummer 01/993317-18), 16 april 2019 en 3 maart 2020.

Op de zitting van 3 maart 2020 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 20 december 2018 respectievelijk

4 april 2019.

Aan verdachte is in de tenlastelegging onder parketnummer 01/993317-18 ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2018 tot en met 15 oktober 2018 te Lelystad en/of Almere en/of elders in Nederland en/of Antwerpen (België),

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk,

via de Noordzee en de Westerschelde, binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht een grote hoeveelheid, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2018 tot en met 15 oktober 2018 te Lelystad en/of Almere en/of elders in Nederland en/of Antwerpen (België),

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door hem en/of zijn medeverdachten voorgenomen misdrijf om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen en/of vervoeren van een grote hoeveelheid, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal, bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

immers heeft/hebben verdachte en/zijn medeverdachte(n),

- vanuit Columbia een container met een grote hoeveelheid (althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende) cocaïne op een boot naar de haven van Antwerpen laten vervoeren met als bestemming Nederland,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2018 tot en met 15 oktober 2018 te Lelystad en/of Almere en/of elders in Nederland en/of Antwerpen en/of elders in België,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een grote hoeveelheid, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

(telkens) een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

(telkens) zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of

(telkens) voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden, dat die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

hebbende hij en/of zijn medeverdachte(n):

(meermalen) telefonische contacten en/of (een) ontmoeting(en) gehad en/of (een) bespreking(en) gevoerd en/of (een) afspra(a)ken met één of meer (mogelijke) producenten, leverancier(s), transporteur(s), financier(s), afnemer(s) tussenpers(o)n(en), verlener(s) van hand- en spandiensten en/of ander(en) met betrekking tot de hoeveelheid, prijs, kwaliteit, levering, betaling, verpakking, opslag en/of het vervoer en/of het verdere vervoer in Nederland en/of België van (een) (grote) hoeveelheid cocaïne;

en/of

de opslag/overslag van de container met cocaïne in Nederland en/of belgië geregeld en/of betaald en/of betalingen voor het (verdere) vervoer van de container met cocaïne verricht.

Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01/993239-19 ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2018 tot en met 29 maart 2018 in

Nederland en/of Antwerpen en/of elders in België,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk,

al dan niet via de Noordzee en de Westerschelde, binnen het grondgebied van

Nederland (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 OW) heeft gebracht

83,50 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende

cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst I,

EN/OF

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2018 tot en met 29 maart 2018 in

Nederland en/of Antwerpen en/of elders in België,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk,

al dan niet via de Noordzee en de Westerschelde, buiten het grondgebied van

Nederland (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 OW) heeft gebracht

83,50 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende

cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst I.

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2018

tot en met 17 april 2018 te Lelystad en/of Almere en/of elders in Nederland

en/of Antwerpen en/of elders in België,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door hem en/of zijn medeverdachten voorgenomen misdrijf

om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland (al dan niet als bedoeld

in artikel 1 lid 4 Opiumwet) te brengen en/of vervoeren van 83,50 kilogram,

in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

immers heeft/hebben verdachte en/zijn medeverdachte(n),

- vanuit Costa Rica een container met 83,50 kilogram (althans een hoeveelheid

van een materiaal bevattende) cocaïne op een boot naar de haven van Antwerpen

laten vervoeren met als bestemming Nederland,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2018

tot en met 17 april 2018 te Lelystad en/of Almere en/of elders in Nederland

en/of Antwerpen en/of elders in België,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van

Nederland brengen van 83,50 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, van een

materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

(telkens) een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die

feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om

daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of

inlichtingen te verschaffen en/of

(telkens) zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of

inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te

verschaffen en/of

(telkens) voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij, verdachte en/of

zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden, dat die

bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

hebbende hij en/of zijn medeverdachte(n):

(meermalen) telefonische contacten en/of (een) ontmoeting(en) gehad en/of

(een) bespreking(en) gevoerd en/of (een) afspra(a)ken met één of meer

(mogelijke) producenten, leverancier(s), transporteur(s), financier(s),

afnemer(s) tussenpers(o)n(en), verlener(s) van hand- en spandiensten en/of

ander(en) met betrekking tot de hoeveelheid, prijs, kwaliteit, levering,

betaling, verpakking, opslag en/of het vervoer en/of het verdere vervoer in

Nederland en/of België van (een) (grote) hoeveelheid cocaïne,

en/of

de opslag/overslag van de container met cocaïne in Nederland en/of België

geregeld en/of betaald en/of betalingen voor het (verdere) vervoer van de

container met cocaïne verricht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Inleiding.

Verdachte wordt verweten dat hij strafrechtelijke betrokkenheid heeft bij de in- en uitvoer van cocaïne via een partij ananassen uit Costa Rica die in de haven van Antwerpen op 29 maart 2018 is gecontroleerd en bij de in- en uitvoer van cocaïne via een partij fruitpulp uit Colombia die eveneens in de haven van Antwerpen op 10 oktober 2018 is gecontroleerd.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte beide feiten als medepleger heeft gepleegd. De overwegingen van de officier van justitie zijn vervat in haar schriftelijk requisitoir.

Het standpunt van de verdediging.

Namens verdachte is aangevoerd dat opzet niet bewezen kan worden verklaard, ook niet in voorwaardelijke zin. Verdachte heeft een legaal bedrijf in geïmporteerd fruit en dat hij zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de kans dat in de ladingen cocaïne was verborgen is niet wettig en overtuigend bewezen.

Wat betreft de overtredingsvariant heeft de verdediging verzocht om ontslag van alle rechtsvervolging, omdat alle schuld van de zijde van verdachte ontbreekt.

De verdediging heeft voorts gewezen op de aannemelijke verklaring van verdachte, te weten dat alles wat hij gedaan heeft past binnen de werkzaamheden van zijn bedrijf.

Ter terechtzitting van 3 maart 2020 heeft verdachte over de contante stortingen verklaard dat deze afkomstig waren van de erfenis van zijn overleden moeder.

Verdachte heeft op die zitting tevens verklaard dat hij een PGP-telefoon in bezit had in verband met heimelijke contacten met zijn minnares.

Daarnaast heeft hij ter zitting verklaard dat met betrekking tot de partij ananassen aanvankelijk het plan was om daaruit de maten 5, 6 en 7 op de [straatnaam 2] in Lelystad te laten lossen, maar dat uiteindelijk met [bedrijf 1] is gecommuniceerd dat alleen maat 6 daarheen gebracht zou worden vanwege de slechte kwaliteit van dat deel van de lading en dat de maten 5 en 7 bij nader inzien toch door [bedrijf 2] zouden worden afgenomen. Deze maten 5 en 7 waren aanvankelijk bestemd voor een Poolse afnemer, maar deze had zich teruggetrokken.

De verdediging heeft, resumerend, vrijspraak bepleit voor beide feiten in alle varianten.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsmiddelen.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn opgenomen en uitgewerkt in een bewijsmiddelenbijlage (bijlage 1). Deze bewijsmiddelenbijlage maakt integraal onderdeel uit van dit vonnis.

Bewijsoverwegingen.

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast en overweegt de rechtbank met betrekking tot het bewijs als volgt.

Verdachte is enig aandeelhouder en bestuurder van het bedrijf [bedrijf 3]

Dit bedrijf importeert fruit uit Zuid-Amerika.

Verdachte maakt onder meer gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer] .

Op 12 oktober 2018 hebben de Belgische autoriteiten in Antwerpen een container met 120 vaten bevroren ananas- en aardbeienpulp (hierna te noemen: pulp) gecontroleerd. Zowel de Belgische autoriteiten als ook het Nederlands Forensisch Instituut (hierna te noemen NFI) hebben vastgesteld dat zich in 8 van de 120 vaten cocaïne bevond. In een aanvullend rapport heeft het NFI gemotiveerd dat de acht vaten met in totaal 1600 kilogram pulp circa 208 kilogram cocaïne hebben bevat. De rechtbank neemt deze conclusie over.

Met betrekking tot deze zending uit Colombia zijn onder verdachte diverse documenten in beslag genomen, op grond waarvan de rechtbank vaststelt dat de zending bestemd was voor het bedrijf van verdachte, dat het bedrijf van verdachte de zending heeft betaald en dat door verdachte het verdere vervoer (via [bedrijf 4] ) en de opslag (bij [bedrijf 5] in Beverwijk) was geregeld.

Op 13 oktober 2018 wordt verdachte op de telefoon met nummer [telefoonnummer] gebeld door een Belgisch telefoonnummer waarmee een man belt met een Marokkaans/Vlaams accent.

Uit de inhoud van dat gesprek, de latere SMS-berichten en Whatsapp-chats stelt de rechtbank vast dat deze persoon (hierna: de man) belangrijke informatie heeft voor verdachte over de zending pulp maar dat hij daarover niet kan praten over de telefoon. De man zegt te werken bij “ [bedrijf 6] ”. De rechtbank gaat ervan uit dat hiermee bedoeld is [bedrijf 6] : het [bedrijf 6] in België, kantoor houdend in de haven van Antwerpen.

De man stuurt ook een SMS-bericht waarin hij schrijft, zakelijk weergegeven, dat verdachte zelf weet waarmee hij (verdachte) bezig is en hij (de man) dat niet via hier hoeft te vertellen in verband met de bak die verdachte heeft opgestuurd.

Kort na het telefoontje wordt verdachte gebeld door medeverdachte [naam medeverdachte] en in dat telefoongesprek refereert verdachte aan het gesprek met de man, waarbij verdachte zegt “op de bedrijfstelefoon te zijn gebeld door een Belgisch nummer (….), dat hij die morgen ziet (….), maar hij (de rechtbank begrijpt de Belg) heeft wel alle toeters en bellen af laten gaan”.

Uit documenten die tijdens het strafrechtelijke onderzoek naar aanleiding van de onderschepping van de lading pulp met cocaïne in oktober 2018 in beslag zijn genomen, is gebleken dat het bedrijf van verdachte ook in maart 2018 een container fruit uit Zuid-Amerika heeft laten overkomen. Het ging toen om een container met ananassen uit Costa Rica.

De Belgische autoriteiten in Antwerpen hebben op 29 maart 2018 een hoeveelheid cocaïne verstopt in ananassen aangetroffen en wel in een pallet met nummering “6”.

Deze partij is bemonsterd en zowel de Belgische autoriteiten als het NFI hebben vastgesteld dat het gaat om 83,5 kilogram cocaïne.

Met betrekking tot deze zending uit Costa Rica zijn onder verdachte dan wel de medeverdachte [naam medeverdachte] diverse documenten/mailberichten in beslag genomen op grond waarvan de rechtbank vaststelt dat de zending bestemd was voor het bedrijf van verdachte, het bedrijf van verdachte de zending heeft betaald en dat door verdachte (al dan niet via tussenkomst van medeverdachte [naam medeverdachte] ) het verdere vervoer (via [bedrijf 1] , de opslag (via [bedrijf 7] ) was geregeld en de uiteindelijke klant ( [bedrijf 2] ) was gecontacteerd.

De rechtbank heeft vastgesteld dat namens verdachte met de transporteur nadrukkelijk is gecommuniceerd over “maat 6”. Deze “maat” moest als eerste vervoerd worden naar het bedrijf van verdachte aan de [straatnaam 2] in Lelystad en moest dus als laatste worden geladen.

De rechtbank herhaalt in dat verband met nadruk dat de Belgische autoriteiten in een pallet met nummering “6” de cocaïne hebben aangetroffen.

Op de laptop van verdachte is een Word-bestand met datum 12 april 2018 aangetroffen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het een brief van zijn hand is, gericht aan [betrokkene] en dat deze [betrokkene] de persoon [betrokkene] betreft van wie zich een foto in het dossier bevindt. De rechtbank stelt vast dat de brief is geschreven enkele weken nadat de lading ananassen eind maart 2018 in Antwerpen was onderschept. Verdachte spreekt in de brief onder meer over een puinzooi en later ook over “pulp” die nog moet komen waarna hij zijn ding kan gaan doen.

De rechtbank overweegt dat uit de tekst van de brief naar voren komt dat verdachte kennelijk onder druk staat van deze [betrokkene] en dat hij, verdachte, er na de “pulp” mee wil stoppen. Over de brief in relatie tot deze zaak heeft verdachte niet willen verklaren.

Onder verdachte is een PGP-telefoon in beslag genomen. Dergelijke telefoons bieden de mogelijkheid om veilig te communiceren door versleuteling van de uitgewisselde berichten.

Verdachte heeft op geen enkel moment tijdens het onderzoek, ook niet ter zitting van 3 maart 2020, de inloggegevens van deze telefoon willen verschaffen.

Verdachte heeft in de periode van 1 januari 2017 tot en met 17 januari 2019 contante stortingen gedaan op de ABN-AMRO-rekening van zijn bedrijf, voor een totaalbedrag van

€ 56.270,- en in de periode van 2 januari 2017 tot en met 9 januari 2019 een totaalbedrag van € 200.920,- op de bedrijfsrekeningen die liepen bij de ING-bank.

Deze stortingen zijn niet in overeenstemming met de bij de Belastingdienst opgegeven omzet in 2018 van € 34.686,-.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich tijdens de verhoren bij de politie op zijn zwijgrecht heeft beroepen waar het de inhoud van de ten laste gelegde feiten betreft.

Verdachte heeft eerst ter terechtzitting van 3 maart 2020 over de meest in het oog springende bewijsmiddelen een verklaring afgelegd, zakelijk weergegeven inhoudende:

  • -

    dat de contante stortingen die hij op rekeningen van zijn bedrijf heeft gedaan als bron hebben de erfenis van zijn moeder. Zijn moeder die rond 2001 met pensioen is gegaan en die een tweetal zaken in Amsterdam heeft gehad, had op diverse plekken in haar woning voor een totaalbedrag van € 170.000,- aan contanten verstopt. De valuta van deze contanten waren euro’s; -

  • -

    dat hij de aangetroffen PGP-telefoon heeft gekregen van zijn minnares, omdat zij hem geregeld pikante foto’s en filmpjes wilde sturen die hij op zijn eigen mobiele telefoon niet wilde ontvangen;

  • -

    dat hij het fruit verpakt in “maat 6” zelf wilde controleren, omdat hem al kenbaar was gemaakt dat de kwaliteit ervan heel slecht was;

  • -

    dat hij de brief gericht aan [betrokkene] niet heeft verstuurd, omdat hij deze [betrokkene] nog in levende lijve heeft gesproken.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte, waarin hij een alternatief scenario geeft voor deze diverse onderzoeksbevindingen, op al deze punten ongeloofwaardig en gaat daaraan voorbij. Zijn verklaring kan naar het oordeel van de rechtbank niet dienen als een verklaring die hem vrijpleit van bewuste betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten.
De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte geen enkel concreet en verifieerbaar gegeven heeft verstrekt, dat zijn verklaring op deze verschillende punten onderbouwt.

Gelet op voormelde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en het ontbreken van een ook maar enigszins aannemelijke verklaring van de verdachte en indachtig voormelde bewijsoverwegingen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte met de zendingen fruit via de Antwerpse haven opzettelijk cocaïne heeft ingevoerd in Nederland en met betrekking tot de zaak met parketnummer 01/993239-19, zoals daar ten laste gelegd, ook opzettelijk cocaïne heeft uitgevoerd vanuit Nederland naar België.
Het bewijsverweer dat de enkele betrokkenheid van verdachte bij de beide zendingen een legale was, namelijk dat hij slechts bezig was met de import van fruit uit Zuid-Amerika en geen enkele betrokkenheid had bij de in- en uitvoer van cocaïne, behoeft voorts geen bespreking nu dit verweer door de bewijsmiddelen wordt weerlegd.

Het is een feit van algemene bekendheid dat de haven van Antwerpen voor een containerschip slechts bereikbaar is via het binnen de grenzen van Nederland gelegen deel van de Westerschelde. Zoals in beide zaken is ten laste gelegd is aldus sprake van invoer in Nederland op het moment dat het schip door de Westerschelde voer en zoals in de zaak met parketnummer 01/993239-19 tevens is ten laste gelegd, is daarnaast sprake van uitvoer vanuit Nederland op het moment dat het schip de grens met België passeerde.

Met betrekking tot beide ten laste gelegde feiten is naar het oordeel van de rechtbank tevens sprake van verlengde invoer.

Uit de tekst van artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet in verbinding met artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet volgt dat als strafbare vorm van het invoeren van verdovende middelen niet alleen het binnen het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen zelf wordt begrepen, maar ook het verrichten van handelingen die zijn gericht op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, de ontvangst of de overdracht van verdovende middelen na de feitelijke invoer.

Hiervan is in onderhavige zaken eveneens sprake, nu verdachte handelingen heeft verricht gericht op verder vervoer en opslag.


De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het medeplegen, nu de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat medeverdachte [naam medeverdachte] de feiten heeft medegepleegd en wettig en overtuigend bewijs voor betrokkenheid van andere mededaders ontbreekt.

De rechtbank wijst het herhaalde verzoek van de verdediging om de administratie van het bedrijf van verdachte over het eerste kwartaal van 2018 aan het dossier toe te voegen af, nu de noodzaak daarvan niet is gebleken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

(parketnummer 01/993317-18)

in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 15 oktober 2018 in Nederland en Antwerpen (België),

opzettelijk,

via de Noordzee en de Westerschelde, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

(parketnummer 01/993239-19)

in de periode van 1 februari 2018 tot en met 29 maart 2018 in Nederland en Antwerpen (België),

opzettelijk,

via de Noordzee en de Westerschelde, binnen het grondgebied van Nederland (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 OW) heeft gebracht 83,50 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst I,

EN

in de periode van 1 februari 2018 tot en met 29 maart 2018 in Nederland en Antwerpen (België),

opzettelijk,

via de Noordzee en de Westerschelde, buiten het grondgebied van Nederland (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 OW) heeft gebracht 83,50 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de oplegging gevorderd van een gevangenisstraf voor de duur van 8,5 jaren met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 30.000,- subsidiair 185 dagen hechtenis.

Daarnaast heeft de officier van justitie onttrekking aan het verkeer gevorderd van de PGP-telefoon (Aquaris).

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht (bijlage 2).

Het standpunt van de verdediging.

Namens verdachte is verzocht rekening te houden met zijn persoonlijke omstandigheden, die tevens aanleiding waren voor de schorsing van de voorlopige hechtenis, onder meer inhoudende dat verdachte zijn vrouw ondersteunt die doof is en die aan de longziekte COPD lijdt.

De verdediging acht de eis van de officier van justitie niet passend. Deze strookt bovendien niet met de Richtlijn van het Openbaar Ministerie.

Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat er geen juridische grondslag is voor onttrekking aan het verkeer van de PGP-telefoon en verzoekt teruggave aan verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de in- en uitvoer van cocaïne door via de Noordzee en Westerschelde de verdovende middelen ons land in te brengen en deze volgens het land weer uit te brengen door deze naar de haven van Antwerpen te laten vervoeren. In totaal ging het volgens een onderbouwde schatting door het NFI om een hoeveelheid van bij benadering 291 kilo.

De cocaïne is in Antwerpen onderschept.

Het is algemeen bekend dat cocaïne schade toebrengt aan de gezondheid van de gebruikers van dit middel. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen.

Verdachte heeft via zijn bedrijf in import van fruit een bijdrage geleverd aan grootschalige internationale handel in cocaïne en was een onmisbare schakel in de instandhouding van het illegale circuit van de handel in harddrugs.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Het uitgangspunt bij de in- en uitvoer van harddrugs bij een gewicht van meer dan 20 kilo is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tenminste 60 maanden.

Gelet op de (grote) hoeveelheid cocaïne die door de verdachte is in- en uitgevoerd, is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar en 6 maanden.

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, oplegging van een geldboete naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur in de onderhavige zaak niet passend.

Voorlopige hechtenis.

De rechtbank zal de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van heden opheffen, nu gelet op de uitspraak de strafvorderlijke belangen zwaarder wegen dan de persoonlijke belangen van verdachte.

Beslag.De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerp vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit een voorwerp is:

- dat tot het begaan van het misdrijf is vervaardigd of bestemd

- en van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

27, 36b, 36c, 57, 63 van het Wetboek van Strafrecht;

2, 10 van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

(ten aanzien van het primaire feit onder parketnummer 01/993317-18:)

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod; (ten aanzien van het primaire feit onder parketnummer 01/993239-19:)

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf en maatregel:

* een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar en 6 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

* onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen goed, te weten: een PGP-telefoon (Aquaris X).

Heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L.G.J.M. van Ekert, voorzitter,

mr. M.T. van Vliet en mr. C.J. Sangers-de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. van der Sluijs, griffier,

en is uitgesproken op 17 maart 2020.