Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:1553

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-03-2020
Datum publicatie
16-03-2020
Zaaknummer
C/01/350734 / EX RK 19-157
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deelgeschil letselschade. Partijen zijn het erover eens dat er een medische expertise moet plaatsvinden. Tussen partijen is in geschil of verzoeker eerst verdere medische informatie beschikbaar moet stellen, waaronder het volledige huisartsenjournaal. De rechtbank toetst, in navolging van beide partijen, aan de proportionaliteitscriteria uit de Medische Paragraaf bij de GBL. De rechtbank concludeert dat verzoeker meer gegevens moet aanleveren aan de medisch adviseur van verweerder. Het verzoek om verdere voorschotten wordt afgewezen. In dit deelgeschil kan de rechtbank niet concluderen dat verzoeker een hogere schadevergoeding toekomt dan het bedrag dat hij al als voorschot van verweerder heeft ontvangen. Ten slotte is geen sprake van secundaire victimisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0190
RAV 2020/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rekestnummer: C/01/350734 / EX RK 19-157

Beschikking in een deelgeschil letselschade van 9 maart 2020

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

woonplaats kiezende te Hilversum,

verzoeker,

advocaat mr. Y.B. Boendermaker te Hilversum,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

EURO INSURANCE LTD.,

gevestigd te Dublin, Ierland,

in deze zaak vertegenwoordigd door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ACCIDENT MANAGEMENT SERVICES B.V.,

gevestigd te Almere,

verweerster,

advocaat mr. E.P. Ceulen te Arnhem.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en Euro Insurance worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van [verzoeker] van 17 september 2019;

  • -

    het verweerschrift van Euro Insurance, ingekomen ter griffie op 7 januari 2020, tevens houdende een zelfstandig tegenverzoek;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 13 januari 2020;

  • -

    de brief van 16 januari 2020 van Euro Insurance met daarin haar reactie op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is de datum van de beschikking bepaald op heden.

2 Het geschil en de verzoeken van partijen

2.1.

In deze zaak speelt - kort samengevat - het volgende.

Op 7 juni 2014 is [verzoeker] betrokken geraakt bij een ongeval in [woonplaats 2] . [verzoeker] zat als bijrijder voor in de auto van zijn partner. Die auto werd toen aangereden door een verzekerde van Euro Insurance. Volgens [verzoeker] heeft hij als gevolg van het ongeval de volgende klachten opgelopen: opstartproblemen (vanwege stijfheid in de rug en nek), hoofdpijnklachten, nek- en (onder-)rugklachten, tintelende handen, duizeligheidsklachten, concentratieklachten, geheugenproblemen, schouderklachten, beperkingen bij langdurig zitten (bijvoorbeeld met autorijden) en een gestoorde nachtrust in verband met pijnklachten, nachtmerries en herbelevingen. [verzoeker] stelt dat deze klachten tot op heden ongewijzigd zijn, maar dat de intensiteit over de loop van de jaren heeft gefluctueerd.

Euro Insurance heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend, waarna partijen in overleg met elkaar zijn getreden over de schadeafwikkeling. Tot overeenstemming is het nog niet gekomen. Een wezenlijk punt van discussie tussen partijen is de vraag naar het causale verband tussen het ongeval en de door [verzoeker] gestelde klachten, beperkingen en arbeidsongeschiktheid. Euro Insurance stelt zich daarbij onder meer op het standpunt dat er bij [verzoeker] sprake is van relevante pre-existente klachten op lichamelijk en geestelijk terrein.

Partijen zijn het er wel over eens dat er nu eerst een medische expertise moet plaatsvinden door een neuroloog, eventueel gevolgd door een neuropsychologische en/of een psychiatrische expertise. Zij zijn het eens over de vragen en de te benoemen persoon van de deskundige. Het onderzoek is nog niet gestart, omdat partijen verdeeld zijn over de vraag in hoeverre [verzoeker] voorafgaand aan het onderzoek nog aanvullende medische gegevens beschikbaar moet stellen. [verzoeker] stelt dat hij voldoende medische informatie heeft overgelegd en dat het verder aan de deskundige moet worden overgelaten of hij bij [verzoeker] nadere medische informatie opvraagt. Euro Insurance wil echter op voorhand aanvullende medische informatie, onder meer bestaande uit het volledige huisartsenjournaal van [verzoeker] . Op dit punt heeft [verzoeker] een verzoek en heeft Euro Insurance haar tegenverzoek geformuleerd.

Verder speelt tussen partijen de vraag of Euro Insurance nadere voorschotten op de schadevergoeding en op de buitengerechtelijke kosten aan [verzoeker] moet uitkeren. Euro Insurance heeft gedurende het onderhandelingstraject al een aantal voorschotten aan [verzoeker] betaald. In totaal gaat het om een bedrag van € 101.500,-. Ook heeft Euro Insurance wegens buitengerechtelijke kosten aan [verzoeker] betaald een bedrag van € 25.890,39 voor de werkzaamheden van de vorige advocaat van [verzoeker] en een bedrag van € 32.179,37 voor de werkzaamheden van zijn huidige advocaat. [verzoeker] acht dit onvoldoende, maar Euro Insurance weigert verdere voorschotten uit te keren.

Ten slotte stelt [verzoeker] dat sprake is van secundaire victimisatie door de onzorgvuldige handelwijze van Euro Insurance in het schadeafhandelingstraject. Euro Insurance heeft de stellingen van [verzoeker] op dit punt betwist.

2.2.

[verzoeker] verzoekt daarom in dit deelgeschil:

I. een verklaring voor recht dat hij voldoende medische informatie heeft overgelegd en dat hij niet is gehouden aanvullende informatie te overleggen, anders dan op verzoek van de deskundige;

II. veroordeling van Euro Insurance tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 1.250,- per maand, althans veroordeling tot betaling van een aanvullend voorschot onder algemene titel van € 15.000,-;

III. een verklaring voor recht dat Euro Insurance onrechtmatig heeft gehandeld met veroordeling van Euro Insurance tot betaling van een smartengeldvergoeding wegens secundaire victimisatie van € 10.000,-;

IV. veroordeling van Euro Insurance tot betaling van € 1.944,39 wegens openstaande buitengerechtelijke incassokosten;

V. begroting van de kosten van dit deelgeschil op € 6.893,98 met veroordeling van Euro Insurance tot betaling van dat bedrag aan [verzoeker] .

2.3.

Euro Insurance heeft het volgende tegenverzoek ingediend:

primair: veroordeling van [verzoeker] om inzage te geven aan Euro Insurance (althans aan haar medisch adviseur) in:

  1. de ongecensureerde en volledige patiëntenkaart (inclusief specialistenbrieven) van de huisarts van voor en na het ongeval;

  2. het ongecensureerde en volledige UWV-dossier dat betrekking heeft op de periode van arbeidsongeschiktheid van 8 oktober 2012 t/m 31 januari 2013;

  3. de ontbrekende medische informatie van na het ongeval, zoals in het verweerschrift genoemd in randnummers 116 t/m 120;

subsidiair: dat de rechtbank in goede justitie bepaalt welke medische informatie [verzoeker] nog beschikbaar moet stellen.

2.4.

De standpunten van partijen zullen hierna nader aan de orde worden gesteld bij de bespreking van de verschillende verzoeken van partijen.

3 De beoordeling van het verzoek en het tegenverzoek

Is de rechtbank internationaal bevoegd?

3.1.

Euro Insurance is gevestigd in Ierland. Dit maakt dat het geschil een internationaal karakter heeft. De rechtbank constateert dat op het voorliggende geschil van toepassing is de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Vo II). Uit artikel 12 EEX-Vo II volgt dat een verzekeraar kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, indien het geschil een aansprakelijkheidsverzekering betreft.

Dit deelgeschil houdt verband met een ongeval dat in Nederland - in Oirschot - heeft plaatsgevonden en Euro Insurance wordt aangesproken in haar hoedanigheid van aansprakelijkheidsverzekeraar van de veroorzaker van dat ongeval. De rechtbank acht zich daarom op grond van artikel 12 EEX-Vo II bevoegd om van dit geschil kennis te nemen.

Is het tegenverzoek van Euro Insurance ontvankelijk?

3.2.

Volgens [verzoeker] is het zeer laat aanleveren van het zeer omvangrijke verweerschrift, met producties en een zelfstandig tegenverzoek, in strijd met de goede procesorde. Euro Insurance legt een nieuw en zeer uitgebreid medisch advies van haar medisch adviseur over, dat de kern van de zaak raakt. [verzoeker] heeft op zo korte termijn niet meer om een reactie van zijn eigen medisch adviseur kunnen vragen. [verzoeker] stelt daarom dat [verzoeker] niet ontvankelijk is in haar tegenverzoek.

Euro Insurance stelt in haar verweer dat het tegenverzoek voortvloeit uit de partijdiscussie voorafgaand aan deze procedure. Euro Insurance heeft geen nieuwe argumenten naar voren gebracht. Euro Insurance betwist dat de medisch adviseur van [verzoeker] niet tijdig heeft kunnen reageren op het nieuwe medisch advies van de medisch adviseur van Euro Insurance. Dat kan altijd ook op korte termijn. Bovendien is de discussie tussen partijen op dit punt al uitgekristalliseerd.

3.3.

De rechtbank stelt voorop dat het tegenverzoek als onderdeel van het verweerschrift aan de rechtbank en gelijktijdig, in afschrift, aan [verzoeker] is verzonden. Het verweerschrift is op 6 januari 2020, dat is een week voor de zitting, bij de rechtbank binnengekomen. Er is gesteld noch gebleken dat [verzoeker] dit pas later heeft ontvangen. Euro Insurance heeft hiermee niet gehandeld in strijd met een procesreglement van de rechtbank. [verzoeker] heeft naar het oordeel van de rechtbank dan voldoende tijd gehad om kennis te nemen van het tegenverzoek en de onderbouwing ervan en om zich daartegen te verweren. [verzoeker] heeft dat op de zitting ook gedaan. Hierbij acht de rechtbank van belang dat - zoals Euro Insurance stelt - het tegenverzoek voortvloeit uit een discussie die partijen al voor deze deelgeschilprocedure met elkaar voerden. Het tegenverzoek heeft bovendien betrekking op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek van [verzoeker] onder 1 (vgl. artikel 282 lid 4 Rv).

De omstandigheid dat Euro Insurance onder meer een recente medische rapportage aan haar tegenverzoek ten grondslag legt, maakt het voorgaande niet anders. Voor zover de rechtbank de inhoud van die rapportage betrekt bij de beoordeling van het tegenverzoek, zal zij er rekening mee houden dat [verzoeker] een periode van één week heeft gehad om daarop te reageren.

Het tegenverzoek is hiermee ontvankelijk. In verband met de samenhang zal de rechtbank het verzoek van [verzoeker] onder 1 en het tegenverzoek van Euro Insurance hierna gezamenlijk bespreken.

Heeft [verzoeker] voldoende medische informatie verstrekt?

3.4.

[verzoeker] voert ter onderbouwing van zijn verzoek onder 1 het volgende aan.

De Medische Paragraaf van de Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL) biedt een duidelijk richtsnoer voor het opvragen van medische informatie uit de voorgeschiedenis.

Euro Insurance wil een volledige huisartsenjournaal/patiëntenkaart van [verzoeker] , niet gelimiteerd in tijd, dus kennelijk vanaf zijn geboorte. Daarmee overschrijdt Euro Insurance de grenzen van redelijkheid, proportionaliteit en het recht van [verzoeker] op privacy. [verzoeker] heeft zijn huisartsenjournaal vanaf 11 jaar voor het ongeval aan Euro Insurance beschikbaar gesteld en hij heeft dus volledig open kaart gespeeld. Er is veel informatie overgelegd en dat is meer dan voldoende om de vraagstelling te kunnen beantwoorden. Mocht dat niet zo zijn, dan is het aan de deskundige om aanvullende informatie op te vragen.

3.5.

Euro Insurance stelt ter onderbouwing van haar tegenverzoek in het algemeen dat het huisartsenjournaal van essentieel belang kan zijn voor een juiste beoordeling van de omvang van de schadeclaim van de benadeelde. Om de situatie met ongeval in kaart te brengen, is in beginsel alle medische informatie van na het ongeval relevant. Om te kunnen inschatten hoe het de benadeelde zonder ongeval zou zijn vergaan, is relevant of het slachtoffer op enig moment geheel los van het ongeval door bepaalde kwalen of gebreken zou zijn uitgevallen. Er dient ook medisch een vergelijking te worden gemaakt tussen de situatie met ongeval en de hypothetische situatie zonder ongeval. De voor de beoordeling van het causale verband en de schade relevante informatie bevindt zich volledig in de invloedsfeer van de benadeelde. Een verzekeraar heeft belang bij inzage in deze informatie omdat van hem vergoeding van schade wordt gevraagd die de benadeelde als gevolg van het ongeval stelt te lijden. Dat belang neemt toe naarmate de schadeclaim van de benadeelde hoger is, de looptijd van de schade langer is, het letsel meer complex is, het letsel medisch niet objectiveerbaar is, er sprake is van een relevante medische voorgeschiedenis of van na het ongeval ontstane ongevalsvreemde ziekmakende omstandigheden.

Als deze omstandigheden - die zijn opgenomen in de ook door [verzoeker] genoemde Medische Paragraaf - voor de situatie van [verzoeker] worden ingevuld, is de conclusie volgens Euro Insurance dat geen sprake van een disproportioneel verzoek om nadere medische informatie.

3.6.

De rechtbank overweegt als volgt. De discussie tussen partijen op dit punt concentreert zich vooral op de vraag of [verzoeker] is gehouden zijn volledige huisartsenjournaal beschikbaar te stellen. Beide partijen verwijzen ter onderbouwing van hun standpunt naar de Medische Paragraaf bij de GBL. Uit paragraaf 3.3 van de Medische Paragraaf volgt onder meer dat zich feiten en omstandigheden kunnen voordoen op grond waarvan het proportioneel kan zijn om aanvullende medische informatie op te vragen betreffende een periode van vóór de schadeveroorzakende gebeurtenis, dus uit de medische voorgeschiedenis van de benadeelden en/of een periode van (geruime tijd) ná de schadeveroorzakende gebeurtenis. Het kan onder omstandigheden gerechtvaardigd zijn om inzage te wensen in medische informatie van de benadeelde, die niet direct ziet op de schadeveroorzakende gebeurtenis als zodanig. Dergelijke informatie kan volgens de Medische Paragraaf meestal relatief eenvoudig worden geraadpleegd met behulp van het huisartsenjournaal. De Medische Paragraaf geeft vervolgens (niet limitatief) een aantal concrete “proportionaliteitscriteria”, bestaande uit: de looptijd van de schade en de omvang van de letselschadevordering, de aard en complexiteit van het letsel, de klachten en het klachtenverloop, de relevante medische voorgeschiedenis en de opstelling van de benadeelde.

3.7.

De rechtbank volgt Euro Insurance in haar standpunt dat, uitgaande van deze proportionaliteitscriteria, [verzoeker] is gehouden om het volledige huisartsenjournaal beschikbaar te stellen. Ten aanzien van de looptijd van de schade en de omvang van de vordering heeft Euro Insurance onbetwist gesteld dat [verzoeker] een omvangrijke schade vordert, uitgaande van de stelling dat hij arbeidsongeschikt zal blijven tot aan zijn pensioen ( [verzoeker] is nu 33 jaar oud). Ten aanzien van de complexiteit van het letsel heeft Euro Insurance onbetwist aangevoerd dat medisch gezien sprake is van complex letsel. Er is immers (onder meer) sprake is van subjectieve klachten van het bewegingsapparaat. Dit betreft niet objectiveerbaar letsel. Daarnaast is bij [verzoeker] sprake van klachten van geestelijke aard.

Met betrekking tot de klachten, het klachtverloop en de opstelling van de benadeelde stelt Euro Insurance dat het verloop van de klachten en beperkingen na het ongeval bij [verzoeker] atypisch is, want erg wisselend en dus onregelmatig. Bij Euro Insurance rijst daarom de vraag of er bij [verzoeker] sprake is van aggravatie en/of simulatie. Euro Insurance motiveert dit uitgebreid met verwijzingen naar de in het geding gebrachte correspondentie en medische informatie. [verzoeker] gaat hier vervolgens niet, althans niet gemotiveerd op in. De rechtbank laat in het midden of daadwerkelijk sprake is van aggravatie en/of simulatie, maar kan de stellingen van Euro Insurance op dit punt niet als evident ongegrond ter zijde schuiven.

Ook volgt de rechtbank Euro Insurance in haar stelling dat er bij [verzoeker] sprake lijkt te zijn van een relevante medische voorgeschiedenis. Euro Insurance heeft onbetwist gesteld dat [verzoeker] bekend is met de aandacht deficiëntie-/hyperactiviteit stoornis ADHD en dat deze stoornis in het geval van [verzoeker] al op zeer jonge leeftijd is ontstaan. Met ADHD bestaat volgens Euro Insurance een verhoogde kans op andere psychische klachten, zoals depressie, angst, persoonlijkheidsproblemen en verslaving. Medische informatie met betrekking tot deze stoornis van voor en na het ongeval ontbreekt volgens Euro Insurance, terwijl de verschillende cognitieve klachten die na het ongeval zijn genoemd ook passen bij ADHD en ook de klachten van angst en somberheid zouden hiermee kunnen samenhangen, aldus - onbetwist - Euro Insurance. Ook wijst Euro Insurance op medische informatie (waaronder het deel van het huisartsenjournaal zoals dat nu beschikbaar is) waaruit blijkt dat [verzoeker] vroeger veel drugs (“in de avond een joint en in het weekend andere middelen”) gebruikte. Bij dit proportionaliteitscriterium is bovendien van belang dat er ruim een jaar na het ongeval bij [verzoeker] een PTSS is vastgesteld. Euro Insurance plaatst vraagtekens bij de diagnose, maar stelt ook de vraag in hoeverre een oorzaak van de vastgestelde PTSS mogelijk vóór het ongeval, bijvoorbeeld in de jeugd, van [verzoeker] ligt. [verzoeker] gaat hier vervolgens niet op in. Daarnaast volgt uit het huisartsenjournaal dat [verzoeker] zich al voor het ongeval, namelijk op 8 juni 2011, bij zijn huisarts heeft gemeld met rugklachten, waarvoor hij zware pijnstillers voorgeschreven heeft gekregen.

Naar het oordeel van de rechtbank komt onder deze omstandigheden aan het belang van Euro Insurance bij inzage in het volledige huisartsenjournaal meer gewicht toe dan aan het belang van [verzoeker] bij het achterhouden van de daarin opgenomen persoonlijke informatie. Het belang van Euro Insurance brengt in dit geval met zich, dat het niet - zoals [verzoeker] wenst - aan de deskundige moet worden overgelaten of hij al dan niet nadere medische informatie opvraagt. Het tegenverzoek van Euro Insurance dat ziet op het huisartsenjournaal zal worden toegewezen. De rechtbank volgt [verzoeker] niet in zijn stelling dat dit verzoek onduidelijk en/of onvoldoende concreet is. Het is duidelijk wat met het volledige huisartsenjournaal wordt bedoeld.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van [verzoeker] onder 1 moet worden afgewezen. Het tegenverzoek van Euro Insurance dat ziet op het huisartsenjournaal wordt toegewezen.

3.8.

Euro Insurance verzoekt niet alleen - kort gezegd - inzage in het volledige huisartsenjournaal, maar ook inzage in (een gedeelte van) het UWV-dossier van [verzoeker] en in een aantal overige in het lichaam van het verweerschrift genoemde medische gegevens over de situatie van [verzoeker] ná het ongeval. Bij die overige medische gegevens gaat het om:

  • -

    informatie over een neuropsychologisch onderzoek door een neuroloog van het Catharina Ziekenhuis naar aanleiding van een verwijzing door de huisarts in augustus 2016 (vgl. vrwr sub 116);

  • -

    informatie over een onderzoek van [verzoeker] dat (mogelijk) op 15 december 2016 heeft plaatsgevonden, zoals vermeld in een brief van de heer [naam 5] van 14 november 2016 (vgl. vrwr sub 116);

  • -

    de verslaglegging van een consult bij neuroloog de heer of mevrouw [naam 1] , waarvan melding is gemaakt in een verslag van een neuropsychologisch onderzoek op 22 februari 2017 (vgl. vrwr sub 117);

  • -

    het integrale behandeldossier van de behandeling van [verzoeker] door psychiater de heer [naam 2] (vgl. vrwr sub 118);

  • -

    de brief van 27 januari 2016 van de psychotherapeut van [naam 3] aan de huisarts van [verzoeker] , waarvan melding wordt gemaakt in de brief van die psychotherapeut van 30 mei 2016 (vgl. vrwr sub 119);

  • -

    de “rapportage na intake: schuldgevoelens”, waarvan melding is gemaakt in de brief van de psychotherapeut van [naam 3] van 23 augustus 2016 (vgl. vrwr sub 120).

[verzoeker] heeft geen specifiek verweer gevoerd tegen dit gedeelte van het tegenverzoek van Euro Insurance. De rechtbank zal ook dit gedeelte van het tegenverzoek daarom toewijzen.

3.9.

Aan de belangen van Euro Insurance bij kennisneming van de door haar verzochte medische informatie wordt naar het oordeel van de rechtbank voldoende tegemoet gekomen, als [verzoeker] die informatie aan de medisch adviseur van Euro Insurance beschikbaar stelt. De rechtbank zal dit onder de beslissing tot uitdrukking brengen.

Moet Euro Insurance verdere voorschotten uitkeren op de schadevergoeding?

3.10.

[verzoeker] legt aan zijn verzoek onder 2 het volgende ten grondslag. De voorschotten die Euro Insurance tot nu toe heeft uitgekeerd, dekken de verschenen schade niet. [verzoeker] beperkt zich in dit deelgeschil met zijn verzoek om een nader voorschot tot de schadepost verlies verdienvermogen. [verzoeker] acht zichzelf volledig arbeidsongeschikt als gevolg van het ongeval en hij heeft op dit moment geen enkel inkomen en geen uitkering. Het toekomstig verlies aan verdienvermogen moet nog nader in kaart worden gebracht. Vooralsnog kan volgens [verzoeker] worden aangesloten bij de rapportage van mevrouw [naam 4] (reïntegratiedeskundige, hierna: [naam 4] ) van 12 oktober 2017 (vrzk prod. 21). [naam 4] concludeert dat het minimale verlies aan verdienvermogen per maand € 2.000,- bedraagt. Dit staat tussen partijen vast, omdat het rapport van [naam 4] tot stand is gekomen op verzoek van beide partijen. Euro Insurance is dus aan de inhoud van dat rapport gebonden.

Met een periodiek voorschot van € 1.250,- per maand, zoals primair verzocht, wordt nog een zekere marge ingebouwd. Er is dan geen sprake van een reëel restitutierisico.

Subsidiair verzoekt [verzoeker] een aanvullend voorschot van € 15.000,-. Het totale expertisetraject bij de neuroloog zal ruim driekwart jaar duren. Om die periode te overbruggen, gelet op het genoemde maandelijkse bedrag aan verlies verdienvermogen, is dit voorschot redelijk.

3.11.

Euro Insurance voert hiertegen verweer. Niet kan worden vastgesteld dat de schadevergoeding waarop [verzoeker] recht heeft, de reeds betaalde voorschotten overstijgt. Het causaal verband tussen het ongeval en de door [verzoeker] gesteld klachten en beperkingen, de mate van arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] als gevolg van het ongeval en de omvang van de schade staan niet vast. Daarbij speelt dat partijen [naam 4] hebben ingeschakeld om [verzoeker] te begeleiden bij de reïntegratie en dus niet om het verlies verdienvermogen in kaart te brengen.

3.12.

De rechtbank overweegt als volgt. In essentie ligt voor de vraag of voldoende aannemelijk is dat de schade van [verzoeker] die door Euro Insurance vergoed moet worden, hoger is dan het reeds uitgekeerde bedrag aan voorschotten. De rechtbank beantwoordt die vraag binnen de kaders van dit deelgeschil ontkennend. Het (primaire en subsidiaire) verzoek van [verzoeker] is feitelijk gebaseerd op zijn stelling dat hij als gevolg van het ongeval een minimaal verlies van verdienvermogen leidt van € 2.000,- per maand. Als onderbouwing van die stelling dient in wezen enkel het genoemde rapport van [naam 4] . Aan [verzoeker] kan worden toegegeven dat [naam 4] haar werkzaamheden heeft uitgevoerd naar aanleiding van een gezamenlijke opdracht van partijen. Die opdracht hield echter niet in dat [naam 4] het verlies aan verdienvermogen in kaart zou brengen. Euro Insurance heeft onbetwist gesteld dat de werkzaamheden van [naam 4] vooral hebben bestaan uit het begeleiden van [verzoeker] bij het behouden van zijn werk en het aanvragen en behouden van zijn uitkeringen. Daarnaast heeft [naam 4] geprobeerd een start te maken met de reïntegratie van [verzoeker] . Euro Insurance stelt verder - ook onbetwist - dat [naam 4] een eenzijdige opdracht van [verzoeker] om de hypothetische situatie zonder ongeval in kaart te brengen niet heeft geaccepteerd, omdat zij van mening was dat dit niet past bij de eerder aan haar verstrekte opdracht. Ook de stelling van Euro Insurance dat [naam 4] bovendien geen eigen onderzoek heeft gedaan naar de stellingen van [verzoeker] met betrekking tot zijn inkomenssituatie voor het ongeval, maar dat zij slechts heeft opgeschreven wat hij haar daarover heeft meegedeeld, heeft [verzoeker] onbetwist gelaten. Onder deze omstandigheden is Euro Insurance niet gebonden aan de conclusie van [naam 4] met betrekking tot het verlies aan verdienvermogen, die Euro Insurance overigens betwist.

3.13.

De rechtbank volgt [verzoeker] bovendien niet in zijn stelling ter zitting dat het rapport van [naam 4] een goede basis vormt om een aanvullend voorschot op te baseren. Daarbij is van belang dat tussen partijen nog niet vaststaat het causale verband tussen het ongeval en de door [verzoeker] gestelde klachten, beperkingen en arbeidsongeschiktheid. De medische expertise (-s) die de verdere beoordeling daarvan mogelijk maken, moet (-en) nog worden uitgevoerd.

Bovendien geldt ook hier dat Euro Insurance onbetwist heeft gesteld dat [naam 4] geen eigen onderzoek heeft gedaan naar de inkomenssituatie van [verzoeker] en dat zij slechts is uitgegaan van de gegevens die [verzoeker] daarover heeft gesteld.

Ook is - zoals hiervoor al overwogen - nog onduidelijk in hoeverre de pre-existente klachten van [verzoeker] invloed hebben op de schadebegroting.

In de deelgeschilprocedure is in beginsel geen ruimte om deze vraagstukken nader uit te diepen. Op grond van het debat zoals dat tot nu toe tussen partijen is gevoerd en de in deze procedure overgelegde stukken, kan de rechtbank niet concluderen dat [verzoeker] een hogere schadevergoeding toekomt dan het bedrag van € 101.500,- dat hij al van Euro Insurance heeft ontvangen. Het verzoek onder 2 moet daarom worden afgewezen.

Is er sprake van secundaire victimisatie?

3.14.

Volgens [verzoeker] is de handelwijze van Euro Insurance bij de schadeafwikkeling onzorgvuldig. Onder verwijzing naar een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 11 december 2018 (ecli:nl:gharl:2018:10759) stelt [verzoeker] dat ook hier sprake is van een bijzonder stroperig letselschadedossier. Dat kan niet aan [verzoeker] worden toegerekend. [verzoeker] verwijt Euro Insurance dat de schaderegeling buitengewoon traag verloopt. Alleen al de vertragende tactieken met betrekking tot het laten verrichten van een afsluitende medische expertise maakt dat er onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig wordt gehandeld.

[verzoeker] is gediagnosticeerd met een PTSS en de wijze waarop Euro Insurance deze kwestie behandelt, verergeren zijn klachten. Het is dus aannemelijk dat [verzoeker] door de handelwijze van Euro Insurance immateriële schade heeft geleden. [verzoeker] maakt daarom aanspraak op een voorschot op smartengeld van € 10.000,- ten titel van secundaire victimisatie.

3.15.

Euro Insurance betwist dat sprake is van een onzorgvuldige en daardoor onrechtmatige schadeafwikkeling. Het schaderegelingstraject loopt volgens Euro Insurance naar behoren. Van het opzettelijk vertragen van het schaderegelingstraject door Euro Insurance is niet gebleken. Daarbij komt dat de opstelling van [verzoeker] heeft bijgedragen aan het ontstaan van de vertraging. Het geval van [verzoeker] is bovendien op wezenlijke punten niet vergelijkbaar met de casus die voorlag in het door [verzoeker] aangehaalde arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden.

3.16.

De rechtbank kan [verzoeker] niet volgen in zijn stelling dat Euro Insurance bij de schadeafwikkeling onzorgvuldig heeft gehandeld. Van een stroperig letselschadedossier is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Na de aansprakelijkstelling van Euro Insurance door [verzoeker] bij brief van 1 juli 2014 heeft Euro Insurance bij brief van 18 juli 2014 de aansprakelijkheid al erkend en zijn partijen met elkaar in overleg getreden over de verdere schadeafwikkeling. De rechtbank maakt uit de gedingstukken op dat partijen regelmatig met elkaar hebben gecorrespondeerd, waarbij Euro Insurance in het algemeen binnen redelijke termijnen op de brieven van [verzoeker] heeft gereageerd. Ook heeft Euro Insurance met een zekere regelmaat voorschotten op de schadevergoeding aan [verzoeker] uitgekeerd. Volgens de eigen stellingen van [verzoeker] heeft Euro Insurance het eerste voorschot al eind augustus/begin september 2014 betaald. In totaal is (tot nu toe) een aanzienlijk voorschot van € 101.500,- aan [verzoeker] betaald. Ook heeft Euro Insurance de buitengerechtelijke kosten van [verzoeker] grotendeels voldaan, waarbij het gaat om de aanzienlijke bedragen van € 25.890,39 en € 32.179,37. Verder heeft Euro Insurance meerdere huisbezoeken bij [verzoeker] afgelegd. Ook is met instemming en op kosten van Euro Insurance een arbeidsdeskundige ingeschakeld die [verzoeker] geruime tijd heeft begeleid. Daarnaast heeft [verzoeker] met instemming en op kosten van Euro Insurance een behandeltraject doorlopen bij de Letselschade Psychologen. Bovendien heeft Euro Insurance op verzoek van [verzoeker] de kosten van een bezwaarprocedure bij het UWV gedragen.

Van een uitzonderlijk langlopend schadeafhandelingstraject (voor een zaak als deze) is geen sprake. Hierbij weegt de rechtbank mee dat het hier gaat om een gecompliceerde letselschadezaak. Er is sprake van complex (want grotendeels niet objectiveerbaar en geestelijk) letsel, er zijn relevante pre-existente medische klachten en het financiële belang is groot. Dat laatste vooral omdat [verzoeker] aanspraak maakt op een aanzienlijke post verlies verdienvermogen.

De verwijzing naar het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden kan [verzoeker] niet baten. Terecht merkt Euro Insurance op dat die casus niet met het voorliggende geval kan worden vergeleken. Daar ging het immers om een schaderegelingstraject van bijna 14 jaar, waarbij betaling van voorschotten pas 11 jaar na het ongeval op gang kwam en waarbij de verzekeraar tussentijds een plotselinge koerswijziging heeft ingezet. Daarvan is hier geen sprake. Weliswaar hebben partijen pas medio 2018 het overleg gestart over een gezamenlijke medische expertise, maar Euro Insurance heeft onbetwist gesteld dat het eerder starten daarvan niet tot de mogelijkheden behoorde omdat er eerder nog geen sprake was van een medische eindsituatie en dat [verzoeker] ook niet eerder actief heeft aangestuurd op een medische expertise.

Hier komt bij dat [verzoeker] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij door de opstelling van Euro Insurance in het schadeafwikkelingstraject immateriële schade heeft opgelopen. De enkele aannemelijkheid van schade, zoals [verzoeker] stelt, acht de rechtbank onvoldoende.

Het verzoek van [verzoeker] onder 3 komt daarom in dit deelgeschil niet voor toewijzing in aanmerking.

Moet Euro Insurance verdere voorschotten uitkeren op de buitengerechtelijke kosten?

3.17.

De vordering van [verzoeker] onder 4 heeft betrekking op de nog openstaande kosten van mr. Boendermaker voor buitengerechtelijke werkzaamheden tot aan de deelgeschilprocedure. Deze kosten kunnen volgens [verzoeker] de dubbele redelijkheidstoets doorstaan.

Euro Insurance heeft dat betwist.

3.18.

De rechtbank overweegt als volgt. Als uitgangspunt geldt dat de buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen als ze voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets. Dat houdt in dat het moet gaan om redelijke kosten, die in redelijkheid zijn gemaakt. In deze zaak heeft Euro Insurance al aanzienlijk bedragen van € 25.890,39 en € 32.179,37 aan [verzoeker] uitgekeerd als vergoeding voor de kosten van buitengerechtelijke werkzaamheden van zijn belangenbehartigers. Het tweede bedrag heeft betrekking op de werkzaamheden van mr. Boendermaker. [verzoeker] licht niet toe op welke door mr. Boendermaker uitgevoerde buitengerechtelijke werkzaamheden het nu gevorderde bedrag van € 1.944,39 nog precies ziet. Zonder deze nadere informatie kan de rechtbank niet beoordelen in hoeverre de nu door mr. Boendermaker opgevoerde, nog niet door Euro Insurance vergoede kosten in redelijkheid zijn gemaakt.

Dit verzoek van [verzoeker] onder 4 wordt daarom afgewezen.

Wat zijn de kosten van dit deelgeschil?

3.19.

[verzoeker] begroot de kosten van dit deelgeschil op € 6.894,-. Hij gaat daarbij uit van 25 gedeclareerde uren van zijn advocaat tegen een uurtarief van € 275,76 (inclusief kantoorkosten en btw). Het aantal uren is als volgt opgebouwd: 12,5 uur voor het verzoekschrift, 2,5 uur voor het verweerschrift, 7,5 uur voor de mondelinge behandeling en 2,5 uur voor nawerk.

In haar verweerschrift refereert Euro Insurance zich op dit punt aan het oordeel van de rechtbank. Wel merkt zij daarbij op dat het nawerk, bestaande uit het lezen en toezenden van de beschikking, met een half uur kan worden afgewerkt en dat het niet gebruikelijk is om die kosten in rekening te brengen. Ter zitting merkt Euro Insurance nog op dat bij de begroting van de kosten van dit deelgeschil rekening moet worden gehouden met het tussen partijen vaststaande percentage eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] .

3.20.

De rechtbank zal bij het begroten van de kosten het aantal door [verzoeker] opgevoerde uren matigen tot 23. [verzoeker] heeft immers niet betwist de stelling van Euro Insurance dat het nawerk binnen een half uur kan worden afgerond, terwijl [verzoeker] daarvoor 2,5 uur heeft gerekend.

Verder heeft [verzoeker] in zijn verzoekschrift al gesteld dat hij, sinds partijen overeenstemming hebben bereikt over het percentage eigen schuld, zijn standaard uurtarief (exclusief kantoorkosten en btw) daarmee heeft aangepast van € 250,- naar € 215,-. Dat aangepaste, verlaagde uurtarief (dat inclusief kantoorkosten en btw uitkomt op € 275,76) heeft [verzoeker] ook bij de begroting van de kosten van het deelgeschil toegepast. De rechtbank ziet geen aanleiding om in verdergaande mate bij de begroting van de kosten rekening te houden met de eigen schuld van [verzoeker] .

De rechtbank ziet in hetgeen Euro Insurance heeft aangevoerd ook geen grond om het uurtarief van mr. Boendermaker te matigen door de kantoorkosten buiten beschouwing te laten. Mr. Boendermaker heeft kennelijk met [verzoeker] de afspraak gemaakt om op zijn uurtarief een verhoging wegens kantoorkosten toe te passen. Het uurtarief inclusief kantoorkosten komt op € 227,90 (€ 215,- + 6%). De rechtbank acht dat uurtarief voor deze zaak redelijk.

De rechtbank zal de kosten van dit deelgeschil daarom begroten op € 6.342,48 (23 x € 275,76). Nu Euro Insurance de aansprakelijkheid voor het ongeval heeft erkend, zal zij in de begrote kosten worden veroordeeld.

4 De beslissing

De rechtbank,

4.1.

wijst de verzoeken van [verzoeker] af;

4.2.

gelast [verzoeker] om aan de medisch adviseur van Euro Insurance inzage te geven in:

  1. de ongecensureerde en volledige patiëntenkaart (inclusief specialistenbrieven) van de huisarts van voor en na het ongeval;

  2. het ongecensureerde en volledige UWV-dossier voor zover dat ziet op de periode van arbeidsongeschiktheid van 8 oktober 2012 t/m 31 januari 2013;

  3. informatie over een neuropsychologisch onderzoek door een neuroloog van het Catharina Ziekenhuis naar aanleiding van een verwijzing door de huisarts in augustus 2016;

  4. informatie over een onderzoek van [verzoeker] dat (mogelijk) op 15 december 2016 heeft plaatsgevonden, zoals vermeld in een brief van de heer [naam 5] van 14 november 2016;

  5. de verslaglegging van een consult bij neuroloog de heer of mevrouw [naam 1] , waarvan melding is gemaakt in een verslag van een neuropsychologisch onderzoek op 22 februari 2017;

  6. het integrale behandeldossier van de behandeling van [verzoeker] door psychiater de heer [naam 2] ;

  7. de brief van 27 januari 2016 van de psychotherapeut van [naam 3] aan de huisarts van [verzoeker] , waarvan melding wordt gemaakt in de brief van die psychotherapeut van 30 mei 2016;

  8. de “rapportage na intake: schuldgevoelens”, waarvan melding is gemaakt in de brief van de psychotherapeut van [naam 3] van 23 augustus 2016;

4.3.

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 6.342,48 en veroordeelt Euro Insurance tot betaling van dat bedrag aan [verzoeker] ;

4.4.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

wijst het door Euro Insurance meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. van den Brink en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2020.