Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:1467

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-03-2020
Datum publicatie
12-03-2020
Zaaknummer
C/01/354930 / KG ZA 20-42
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontruiming kraker na terechte opzegging bruikleenovereenkomst. Terecht alleen bewindvoerder gedagvaard. Beroep op huisrecht art. 8 lid 1 EVRM faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/354930 / KG ZA 20-42

Vonnis in kort geding van 9 maart 2020

in de zaak van

de naamloze vennootschap

BRABANT WATER N.V.,

gevestigd te 's‑Hertogenbosch,

eiseres,

advocaat mr. L. Opsteen te Uden,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ZEKER FINANCIËLE ZORGVERLENING B.V. Q.Q., gevestigd te Almere, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de heer [X], wonende te Veghel, gemeente Meijerijstad,

gedaagde,

advocaat mr. M.F. van Hulst te Utrecht.

Eiseres zal hierna “Brabant Water N.V.” genoemd worden.

Gedaagde zal “de bewindvoerder” worden genoemd. De heer [X] zal “ [X] ” genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 12 februari 2020 met 20 producties

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van mr. Van Hulst.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Brabant Water N.V. is eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] (hierna aangeduid met “de woning”). De woning werd in het verleden door Brabant Water N.V. gebruikt als dienstwoning.

2.2.

Op of omstreeks 8 februari 2019 heeft [X] samen met de heer [kraker 1] en de heer [kraker 2] (hierna gezamenlijk aangeduid met “de krakers”) de woning gekraakt.

2.3.

In een brief van 8 februari 2019 hebben de krakers aan Brabant Water N.V. bericht dat zij de woning in gebruik hebben genomen. In de brief geven de krakers aan dat zij graag met Brabant Water N.V. willen samenwerken.

2.4.

Brabant Water N.V. heeft op 12 februari 2019 bij de politie aangifte gedaan van het kraken van de woning.

2.5.

Brabant Water N.V. heeft op 22 februari 2019 met de krakers een bruikleenovereenkomst gesloten voor de woning.

2.6.

De bruikleenovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd met ingang van 12 februari 2019.

2.7.

In de bruikleenovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

Artikel 15 Opzeggen van de overeenkomst

Partijen kunnen de overeenkomst beëindigen door opzegging tegen ieder tijdstip, met inachtneming van een opzegtermijn van 1 maand.

Opzegging dient schriftelijk te geschieden.

Bruikleengever kan de overeenkomst per direct opzeggen, indien:

  • -

    Het geleende verhuurd of verkocht is.

  • -

    Het geleende grondig zal worden verbouwd, gerenoveerd of bewoonbaar gemaakt zal worden.

  • -

    Het geleende voor een ander doel gebruikt wordt dan waarvoor het bestemd is;

Het geleende of enig deel daarvan als hennepkwekerij gebruikt wordt, ongeacht of dit geschiedt uit winstoogmerk of voor eigen gebruik, of voor de fabricage en/of handel in (andere) verdovende middelen is evenmin toegestaan;

- De bruiklener komt te overlijden.

Artikel 16 Einde bruikleenovereenkomst en oplevering

Bruikleengever zal het geleende bij het einde van de bruikleenovereenkomst aan bruikleengever opleveren in de staat zoals beschreven in het proces-verbaal van oplevering, waarbij rekening wordt gehouden met slijtage en veroudering.

Bij het einde van de bruikleenovereenkomst zal bruiklener het geleende leeg en ontruimd, schoongemaakt en onder afgifte van sleutels opleveren.

2.8.

Brabant Water N.V. heeft de bruikleenovereenkomst op 19 november 2019 mondeling opgezegd. De opzegging is door Brabant Water N.V. bevestigd in een brief van haar advocaat van 21 november 2019. In de brief geeft Brabant Water N.V. aan dat de krakers de woning vóór 20 december 2019 moeten hebben ontruimd.

2.9.

Reden voor de opzegging is dat Brabant Water N.V. de woning aan een van haar medewerkers wil gaan verhuren. Brabant Water N.V. heeft aan de krakers een kopie van de huurovereenkomst tussen haar en de medewerker verstrekt.

2.10.

Bij brief van haar advocaat van 11 december 2019 heeft Brabant Water N.V. de krakers gesommeerd om de woning vóór 20 december 2019 te ontruimen. De brief is uitdrukkelijk ook gericht aan anderen die in de woning verblijven.

2.11.

[kraker 1] en [kraker 2] hebben de woning inmiddels verlaten. [X] weigert tot op heden om de woning te verlaten.

2.12.

[X] heeft een advocaat ingeschakeld en heeft zich op het standpunt gesteld dat de huurovereenkomst met de medewerker enkel is opgesteld om hem uit de woning te krijgen. De huurovereenkomst is volgens [X] eigenlijk een bruikleenovereenkomst.

2.13.

Bij brief van haar advocaat van 24 december 2019 heeft Brabant Water N.V. de juistheid van het standpunt van [X] betwist. Voor de zekerheid heeft Brabant Water N.V. de bruikleenovereenkomst met [X] nogmaals opgezegd. Daarbij is [X] tot 24 januari 2020 9:00 uur de tijd gegeven om de woning te ontruimen onder de voorwaarde dat hij schriftelijk zou bevestigen daar vrijwillig uitvoering aan te zullen geven.

2.14.

Op 13 januari 2013 heeft een medewerker van Brabant Water N.V. geconstateerd dat zowel [X] als [kraker 1] in de woning aanwezig waren.

2.15.

[kraker 1] is na aanschrijving door Brabant Water N.V. wederom vertrokken.

2.16.

[X] heeft via zijn advocaat laten weten dat hij niet van plan is om de woning te verlaten.

3 Het geschil

3.1.

Brabant Water N.V. vordert samengevat – om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

  1. de bewindvoerder te veroordelen om de woning binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te laten op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag, of gedeelte van een dag;

  2. de bewindvoerder te veroordelen in de kosten van gebruik van de woning ad € 300,00 per maand vanaf 20 december 2019 tot de dag van ontruiming en in de kosten van ontruiming, de proceskosten en de nakosten;

  3. te bepalen dat dit vonnis binnen de in artikel 557a lid 3 Rv genoemde termijn van één jaar ook ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich daar ten tijde van de tenuitvoerlegging bevindt of daar binnentreedt en telkens waanneer zicht dit voordoet.

3.2.

Brabant Water N.V. legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

[X] schiet tekort in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de bruikleenovereenkomst. Brabant Water N.V. heeft de bruikleenovereenkomst opgezegd tegen 20 november 2019. [X] had de woning dus vóór die datum moeten verlaten. Dat heeft hij, ondanks sommaties door Brabant Water N.V., niet gedaan. [X] verkeert als gevolg daarvan inmiddels in verzuim.

[X] maakt daarnaast inbreuk op het eigendomsrecht van Brabant Water N.V. omdat hij sinds 20 december 2019, althans 24 januari 2020, zonder recht of titel in de woning verblijft. Daarmee pleegt [X] een onrechtmatige daad jegens Brabant Water N.V..

3.3.

De bewindvoerder voert daartegen, zakelijk weergegeven, het volgende verweer.

Brabant Water N.V. heeft onvoldoende spoedeisend belang bij ontruiming omdat de woning in dat geval nodeloos leeg komt te staan. Brabant Water N.V. kan de woning ook niet volledig ontruimen omdat er nog iemand in de woning woont en daar staat ingeschreven die niet door Brabant Water N.V. is gedagvaard.

Brabant Water N.V. heeft de bruikleenovereenkomst met [X] niet rechtsgeldig opgezegd. Het sluiten van een nieuwe bruikleenovereenkomst met een van haar werknemers is geen geldige opzeggingsgrond.

Indien Brabant Water N.V. de woning wil verhuren dan had het op haar weg gelegen om deze eerst aan [X] aan te bieden.

[X] doet daarnaast een beroep op zijn huisrecht als bedoeling artikel 8 lid 1 sub e EVRM. Een belangenafweging in dat kader dient in zijn voordeel uit te vallen. Daarbij weegt zwaar mee dat [X] dakloos zal raken als hij de woning moet verlaten.

De vordering tot ontruiming van [X] dient daarom te worden afgewezen. Subsidiair verzoekt [X] de ontruiming toe te wijzen onder de opschortende voorwaarde dat Brabant Water N.V. een omgevingsvergunning heeft verkregen.

Brabant Water N.V. heeft geen belang bij toepassing van artikel 557a lid 3 Rv.

4 De beoordeling

4.1.

Allereerst rijst de vraag of Brabant Water N.V. ontvankelijk is in haar vorderingen. Zij heeft alleen de bewindvoerder en niet [X] zelf gedagvaard. Analoge toepassing van het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:525) leidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter tot de conclusie dat Brabant Water N.V. de juiste partij heeft gedagvaard en dus ontvankelijk is in haar vorderingen. Het gebruiksrecht van [X] dat voortvloeit uit de bruikleenovereenkomst dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter net als een huurrecht te worden aangemerkt als een goed dat onder het bewind valt.

4.2.

Brabant Water N.V. heeft voldoende spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming. Zij stelt dat zij een huurovereenkomst heeft gesloten met een van haar medewerkers en dat zij de woning nodig heeft om aan haar verplichtingen uit die overeenkomst te kunnen voldoen.

4.3.

De bruikleenovereenkomst met [X] is door Brabant Water N.V. rechtsgeldig opgezegd. Op grond van artikel 15 van de bruikleenovereenkomst kan Brabant Water N.V. de overeenkomst opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van een maand. Niet in geschil is dat Brabant Water N.V. die termijn bij de opzegging in acht heeft genomen. Vast staat dat de termijn inmiddels ook ruimschoots is verstreken. Een opzeggingsgrond is niet vereist. Die is enkel nodig indien Brabant Water N.V. de overeenkomst per direct wil opzeggen zo volgt uit artikel 15 van de bruikleenovereenkomst. Daarvan is geen sprake. Of de overeenkomst van Brabant Water N.V. met haar medewerker kwalificeert als een huurovereenkomst of een bruikleenovereenkomst is daarom niet relevant.

4.4.

[X] doet een beroep op het huisrecht zoals neergelegd in artikel 8 lid 1 EVRM. Daarbij stelt de voorzieningenrechter voorop dat het hier niet gaat om een strafrechtelijke ontruiming op grond van artikel 551a Wetboek van Strafvordering maar om een civielrechtelijke ontruiming gegrond op een contractuele verplichting (artikel 15 van de bruikleenovereenkomst) en het recht van een eigenaar om zijn eigendom op te eisen (artikel 5:2 BW). Een volledige belangenafweging is daarom niet aan de orde. De proportionaliteitstoetsing die in het kader van artikel 8 lid 1 EVRM moet worden gemaakt moet in dit geval worden ingevuld door de beperkingen die in artikel 3:13 BW worden gesteld aan de uitoefening van genoemde bevoegdheden door Brabant Water N.V.. Er moet met andere woorden sprake zijn van misbruik van bevoegdheid. [X] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is. Het enkele feit dat [X] mogelijk dakloos zal raken indien hij de woning moet verlaten levert nog niet een dusdanige onevenredigheid van belangen op dat Brabant Water N.V. in redelijkheid niet tot uitoefening van haar bevoegdheid had kunnen komen. Brabant Water N.V. heeft een concreet en zwaarwegend belang om over de woning te kunnen beschikken omdat zij anders haar contractuele verplichtingen jegens haar werknemer niet kan nakomen.

4.5.

Brabant Water N.V. is ook niet verplicht om de woning eerst aan [X] aan te bieden. Het staat Brabant Water N.V. als eigenaar in beginsel vrij om te bepalen aan wie zij de woning in gebruik wil geven. Dat zij daarbij de voorkeur geeft aan één van haar medewerkers boven [X] , die de woning aanvankelijk zonder haar toestemming in gebruik heeft genomen en weigert mee te werken aan ontruiming, ligt voor de hand.

4.6.

[X] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er nog iemand anders in de woning woont die niet door Brabant Water N.V. is gedagvaard. [X] heeft zich ter zitting voor het eerst op het standpunt gesteld dat ook ene [naam] in de woning zou wonen. Zij zou ook al zes maanden op het adres staan ingeschreven in het GBA. Brabant Water N.V. heeft de juistheid van die stelling betwist. Daarbij heeft zij onweersproken gesteld dat de woning bijna wekelijks door één van haar medewerkers wordt bezocht en dat tijdens die bezoeken nooit een vrouwelijke bewoner is aangetroffen. Brabant Water N.V. heeft ook onweersproken gesteld dat [X] tijdens de laatste twee bezoeken desgevraagd uitdrukkelijk heeft bevestigd dat hij alleen in de woning woont. [X] heeft ook geen enkel stuk overgelegd waaruit blijkt dat mevrouw [naam] inderdaad op het adres staat ingeschreven in het GBA.

4.7.

Slotsom is dat de vordering tot ontruiming zal worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

4.8.

De vordering tot betaling van een maandelijkse vergoeding van € 300,00 zal worden afgewezen nu Brabant Water N.V. in dat kader onvoldoende heeft gesteld.

4.9.

De vordering om de bewindvoerder te veroordelen in de kosten van de ontruiming zal ook worden afgewezen. Het betreft een geldvordering in kort geding. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening. Aan die voorwaarden wordt niet voldaan. Op dit moment staat nog niet vast of Brabant Water N.V. kosten zal maken voor de ontruiming en ook niet wat de omvang van die kosten zal zijn.

4.10.

De vordering om toepassing te geven aan artikel 557a lid 3 Rv zal worden toegewezen. Brabant Water N.V. heeft daarbij voldoende belang. Er bestaat onder de gegeven omstandigheden aanleiding om te vrezen dat de woning door anderen dan [X] in gebruik zal worden genomen.

4.11.

De bewindvoerder zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Brabant Water N.V. worden begroot op:

- dagvaarding € 105,09

- griffierecht 656,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.741,09

4.12.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt de bewindvoerder om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis het pand aan de [adres] , te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken tenzij deze zaken van Brabant Water N.V. zijn, en ter algehele beschikking van Brabant Water N.V. te stellen,

5.2.

bepaalt dat deze veroordeling binnen de in art. 557a lid 3 Rv genoemde termijn van een jaar ook ten uitvoer zal kunnen worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging daar bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer dat zich voordoet,

5.3.

veroordeelt de bewindvoerder om aan Brabant Water N.V. een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,

5.4.

bepaalt dat geen dwangsommen zullen worden verbeurd voor zover dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding,

5.5.

veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten, aan de zijde van Brabant Water N.V. tot op heden begroot op € 1.741,09,

5.6.

veroordeelt de bewindvoerder in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de bewindvoerder niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2020.