Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:1275

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-03-2020
Datum publicatie
02-03-2020
Zaaknummer
01/995052-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontnemingsvordering.

Veroordeelde is samen met medeveroordeelde veroordeeld voor onder meer overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6.2, eerste lid, Wet Dieren [artikel 2.4b, eerste lid, onder b Regeling dierlijke producten], begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. Veroordeelde heeft samen met medeveroordeelde van dit strafbare feit geprofiteerd.

Medeveroordeelde is bij vonnis van heden eveneens een ontnemingsmaatregel opgelegd ten bedrage van € 243.500,-. Tot voormeld bedrag van € 243.500,- zal de betalingsverplichting ter zake van wederrechtelijke verkregen voordeel tegen veroordeelde dan ook hoofdelijk met medeveroordeelde worden opgelegd.

Dit betekent dat voor zover medeveroordeelde dit bedrag voldoet, veroordeelde van dit gedeelte van zijn betalingsverplichting zal zijn bevrijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie ’s-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01/995052-18 Datum uitspraak: 2 maart 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

Het procesverloop.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 mei 2019 en 20 januari 2020.

Op 11 september 2019 heeft de officier van justitie een vordering ingediend tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 473.500,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De ontnemingsvordering is gelijktijdig ter terechtzitting behandeld met de ontnemingsvordering tegen [medeveroordeelde] , bekend onder parketnummer: 01/995072-18.

Standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft toewijzing van de ontnemingsvordering gevorderd. De omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de officier van justitie gebaseerd op de nettowinst van [medeveroordeelde] over 2012 en 2013, vermeerderd met de brutobeloning van de directie, saldo rekening courant en dotaties pensioenvoorziening en stamrechtverplichting.

Standpunt van de verdediging.

Onder verwijzing naar het door de verdediging ingebrachte rapport van [deskundige] van 26 augustus 2019 verzoekt de raadsman om het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil vast te stellen. Volgens de verdediging gaat de berekening van de officier van justitie ten onrechte uit van de gehele winst van [medeveroordeelde] Bij het bepalen van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden uitgegaan van de meeropbrengst door het gebruik van paardenvlees, met aftrek van de kosten in verband met de vernietiging van het inbeslaggenomen vlees en de opgelegde boetes.

Beoordeling van de rechtbank.

Vaststellingen in de hoofdzaak.

De verplichting tot terugbetaling van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit of andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan. Zoals gebruikelijk gaat de rechtbank uit van de feiten zoals die in de hoofdzaak zijn vastgesteld.

In de hoofdzaak is vastgesteld dat door [medeveroordeelde] in de periode van 1 januari 2012 tot en met 25 maart 2014 geproduceerd vlees ‘ [soort vlees] ’- in strijd met de daarop ziende verplichtingen - niet in ieder stadium van de productie, verwerking en distributie traceerbaar was. Deze conclusie berust op na te melden vaststellingen.

In de eerste plaats is gebleken dat in partijen [soort vlees] afsnijdsels van zowel buitenlands als Nederlands rundvlees werden verwerkt, maar dat alle afsnijdsels werden geboekt op landcode -03 (Nederland) omdat de grootste partij afsnijdsels steeds afkomstig was van Nederlandse runderen. Daarmee werd ten onrechte de suggestie gewekt dat alle afsnijdsels die in partijen [soort vlees] werden verwerkt afkomstig waren uit Nederland.

In de tweede plaats is gebleken dat door [medeveroordeelde] in de periode van 1 september 2012 tot en met februari 2013 paarden werden geslacht die niet in de administratie van [medeveroordeelde] werden geregistreerd en dus evenmin traceerbaar waren. Daarnaast bleek dat een gedeelte van dit paardenvlees, zonder dat dit kenbaar was, in partijen [soort vlees] is verwerkt.

In de derde plaats is gebleken dat door of namens [medeveroordeelde] met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) onderling documenten zijn uitgewisseld waarin door vermelding van verschillende productbenamingen voor het product [soort vlees] ten onrechte de suggestie werd gewekt dat in het product [soort vlees] geen paardenvlees was verwerkt, dan wel rundvlees alleen afkomstig uit Nederland.

Voorgaande vaststellingen raken naar het oordeel van de rechtbank de registratie en administratie, en daarmee de productie van [medeveroordeelde] in de volle breedte over de jaren 2012 en 2013, nu sprake was van een stelselmatige, in de gehele bedrijfsvoering vervatte praktijk gedurende beide jaren. Door het handelen van [medeveroordeelde] werd de keten van de voedselveiligheid doorbroken en was een afdoende controle daarop niet goed (meer) mogelijk. Dit kon nadelige gevolgen hebben voor de voedselveiligheid, terwijl een herstel achteraf niet meer mogelijk was, anders dan door het terughalen van de volledige productie.

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. 1

De rechtbank zal bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van de in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e lid 2 Sr gehanteerde berekeningsmethode. Die berekeningsmethode houdt in dat de nettowinst (voor belastingen) vermeerderd met de bruto beloning van de directie over de periode van 1 januari 2012 t/m 31 december 2013 bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot uitgangspunt wordt genomen.

De rechtbank merkt de door de verdediging voorgestelde benadering van vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel als te beperkt en ontoereikend aan en stelt deze terzijde. De benadering houdt ten onrechte geen rekening met het gegeven dat het geproduceerde rundvlees over beide jaren niet traceerbaar was. Tevens miskent het dat met het bijmengen van paardenvlees grote partijen rundvlees zijn ‘aangetast’ en als beweerdelijk ‘100% vrij van paard’ zijn verkocht, terwijl dat vlees niet meer vrij van paardenvlees kon worden gemaakt. Het met die partijen behaalde voordeel is steeds behaald met de gehele partij ‘aangetast’ rundvlees, waarin het paardenvlees was gemengd.

[betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) ontving van [medeveroordeelde] jaarlijks een managementvergoeding voor de werkzaamheden van veroordeelde als directeur van [medeveroordeelde] . Veroordeelde ontving een loon vanuit [betrokkene 3] . Tevens bestond er een rekening courant verhouding tussen veroordeelde en [betrokkene 3] en zijn er vanuit [betrokkene 3] dotaties gedaan ten behoeve van een opgebouwde pensioenvoorziening en een stamrechtverplichting. Nu veroordeelde feitelijk de zeggenschap had over de gehele bedrijvenstructuur waarvan [betrokkene 3] en [medeveroordeelde] deel uitmaakten, en in feite de financiering van loon, rekening courant, pensioen en stamrechtverplichting vanuit [medeveroordeelde] plaatsvond, zijn genoemde beloningselementen naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als aan veroordeelde toekomend voordeel uit de als wederrechtelijk aan te merken activiteiten van [medeveroordeelde] , waaraan veroordeelde feitelijke leiding heeft gegeven. Derhalve kunnen de onttrekkingen aan [betrokkene 3] worden meegenomen bij de vaststelling van het wederrechtelijk door veroordeelde genoten voordeel.

Winst 2012 en 2013.

De rechtbank stelt vast dat de volledige winst van [medeveroordeelde] over 2012 en 2013 wederrechtelijk is behaald, omdat - zoals hiervoor overwogen - niet al het vlees dat in 2012 en 2013 in geproduceerde partijen [soort vlees] is verwerkt traceerbaar is gebleken.

De rechtbank stelt vast dat bij de berekening van de door [medeveroordeelde] gerealiseerde winst over 20122 en 20133 reeds de gemaakte kosten in verband met de inkoop, productie, verkoop, transport en opslag van partijen vlees zijn verwerkt en verdisconteerd. Derhalve ziet de rechtbank geen aanleiding om op de winstcijfers 2012 en 2013 inkoopkosten en/of andere kosten in mindering te brengen.

De rechtbank gaat hierbij uit van een bedrag van € 248.500,-.

Onttrekkingen uit [betrokkene 3]

Brutoloon 2012.

De rechtbank stelt op basis van de verzamelloonstaten van [betrokkene 3] over 20124 ten behoeve van veroordeelde vast dat veroordeelde over 2012 € 99.508,60, aan brutoloon heeft ontvangen (67% van het totaal ontvangen brutoloon over 2012). Daarvan uitgaand heeft veroordeelde na afronding in zijn voordeel € 99.500,- in 2012 aan brutoloon ontvangen.

Brutoloon 2013.

De rechtbank stelt op basis van de digitale auditfile van [betrokkene 3] vast dat in de eerste drie kwartalen van 2013 in totaal € 101.063,15 aan brutolonen zijn overgemaakt.

Omdat in 2012 67% van het brutoloon aan veroordeelde was uitgekeerd, is ditzelfde percentage ook toegepast over het totaal ontvangen brutoloon in 2013.

Daarvan uitgaand heeft veroordeelde na afronding in zijn voordeel € 67.000,- in 2013 aan brutoloon ontvangen.

Rekening courant-verhouding.

De toename van de rekening-courantverhouding over 2012 en 2013 betrof rente over de schuld die veroordeelde al aan [medeveroordeelde] had (€ 7.261,70), een betaling van de Inkomstenbelasting 2011 (€ 1.097) en een creditboeking voor de uitbetaling door de Dienst Regelingen (thans: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) van de bedrijfstoeslag 2013 (€ 5.775,70) per saldo in het voordeel van veroordeelde afgerond op: € 2.500,-.

Pensioenvoorziening.

Veroordeelde heeft een pensioenvoorziening opgebouwd bij [betrokkene 3] .

In 2012 heeft een dotatie van (in het voordeel van veroordeelde) afgerond: € 53.000,- heeft plaatsgevonden.5

Dotatie stamrechtverplichting.

De stamrechtverplichting van [betrokkene 3] is over 2012 en 2013 opgeboekt door dotaties van in totaal € 3.000,- (afgerond in het voordeel van veroordeelde).6

Conclusie.

De rechtbank stelt de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op de totaal verkregen winst van [medeveroordeelde] alsmede de via [betrokkene 3] aan [medeveroordeelde] onttrokken bedragen, namelijk:

€ 473.500,-. (248.500,- + 99.500,- + 67.000,- + 2.500,- + 53.000,- + 3.000,- =)

Toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan veroordeelde.

De rechtbank is van oordeel dat het door [medeveroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel (de winst over 2012 en 2013) aan veroordeelde kan worden toegerekend, nu veroordeelde in de hoofdzaak is veroordeeld wegens feitelijk leidinggeven aan overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6.2, eerste lid, Wet Dieren [artikel 2.4b, eerste lid, onder b Regeling dierlijke producten], begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. Kort gezegd houdt het voorgaande in dat veroordeelde betrokken is geweest bij het niet in ieder stadium van de productie en verwerking en distributie waarborgen van de traceerbaarheid van de herkomst van het geproduceerde vlees. Veroordeelde heeft aan het voorgaande feitelijke leiding gegeven. Hij was in zijn positie als enig aandeelhouder, bestuurder en directeur binnen de structuur van de [medeveroordeelde] bedrijven alles en alleen bepalend ten aanzien van zaken als inkoop, productie, verkoop, financiële stromen tussen de verschillende rechtspersonen. Tevens had hij de zeggenschap over de aan hem zelf of zijn echtgenote toekomende vergoedingen, in welke omvang of onder welke noemer die ook plaatsvonden. Derhalve kan naar het oordeel van de rechtbank zowel de winst van de onderneming van [medeveroordeelde] als de aan hemzelf toegekende vergoedingen als wederrechtelijk voordeel worden toegerekend.

Ambtshalve is de rechtbank overigens niet gebleken van feiten en omstandigheden waaruit zou blijken dat veroordeelde geen voordeel zou hebben gehad van (een deel van) het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank heeft voorts geconstateerd dat in de onderhavige ontnemingszaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. De redelijke termijn in ontnemingszaken begint te lopen zodra vanwege de overheid jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Ten aanzien van de behandeling van de ontnemingszaak in eerste aanleg geldt als uitgangspunt dat deze binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn met een eindvonnis dient te zijn afgerond, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn in deze ontnemingszaak op 18 april 2014 is gaan lopen. Op die datum is conservatoir beslag gelegd op de woning en de percelen van veroordeelde.7

De uitspraakdatum in deze ontnemingszaak is 2 maart 2020. In totaal zijn dus 5 jaar en 10 maanden verstreken sinds het moment dat veroordeelde redelijkerwijs moest vermoeden dat tegen hem een vordering tot ontneming aanhangig zou worden gemaakt, zodat sprake is van een termijnoverschrijding van 3 jaar en 10 maanden.

De rechtbank stelt echter ook vast dat namens de verdediging tijdens de regiezitting van 16 mei 2019 drie getuigenverzoeken zijn ingediend en dat door de verdediging is verzocht dhr. [deskundige] als deskundige te laten rapporteren.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn voor wat betreft de periode tussen het indienen van de drie getuigenverzoeken en het verzoek dhr. [deskundige] als deskundige te laten rapporteren op 16 mei 2019 tot de datum van oplevering van het rapport [deskundige] op 26 augustus 2019 voor rekening van veroordeelde komt, zodat 3 maanden en 11 dagen is toe te rekenen aan de verdediging, en dat deel in mindering wordt gebracht op de termijnoverschrijding. Dit betekent dat de te compenseren termijnoverschrijding 3 jaar en 7 maanden bedraagt.

Volgens vaste rechtspraak bedraagt de totale vermindering van de betalingsverplichting in beginsel niet meer dan € 5.000,-. Daarvan kan slechts in uitzonderingsgevallen worden afgeweken, zoals in het geval in de (nagenoeg) gelijktijdig behandelde strafzaak de overschrijding van de redelijke termijn al door strafvermindering is gecompenseerd.

Een dergelijke situatie is in deze ontnemingszaak niet aan de orde, omdat de uitspraak in de strafzaak in eerste aanleg gerekend vanaf de datum van de uitspraak in deze ontnemingszaak inmiddels meer dan een jaar geleden is gedaan.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de termijnoverschrijding compenseren door de betalingsverplichting met € 5.000,- te verminderen.

Gedeeltelijk hoofdelijke aansprakelijkheid.

Veroordeelde is samen met [medeveroordeelde] veroordeeld voor onder meer overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6.2, eerste lid, Wet Dieren [artikel 2.4b, eerste lid, onder b Regeling dierlijke producten], begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. Veroordeelde heeft samen met [medeveroordeelde] van dit strafbare feit geprofiteerd.

[medeveroordeelde] is bij vonnis van heden een ontnemingsmaatregel opgelegd ten bedrage van € 243.500,-. Tot voormeld bedrag van € 243.500,- zal de betalingsverplichting ter zake van wederrechtelijke verkregen voordeel tegen veroordeelde dan ook hoofdelijk met medeveroordeelde worden opgelegd.

Dit betekent dat voor zover medeveroordeelde dit bedrag voldoet, veroordeelde van dit gedeelte van zijn betalingsverplichting zal zijn bevrijd.

Toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

De rechtbank:

Stelt het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 468.500,-;

Legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling van € 468.500,- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van of uit de baten van de feiten ter zake waarvan hij is veroordeeld, heeft verkregen;

Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen;

Bepaalt dat de veroordeelde voor een gedeelte van het ontnemingsbedrag, namelijk

€ 243.500,-, hoofdelijk aansprakelijk is met [medeveroordeelde] , in die zin dat en indien en voor zover medeveroordeelde betaalt, veroordeelde van dit gedeelte van zijn betalingsverplichting zal zijn bevrijd;

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.H.J.J. van de Wetering, voorzitter,

mr. J.O.Y. Elagab en mr. S.C. van Bergen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Klaar, griffier,

en is uitgesproken op 2 maart 2020.

1 Voor zover hierna wordt verwezen naar processen-verbaal wordt verwezen naar een zaaksdossier van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), genummerd, [proces-verbaalnummer] , aantal pagina’s: 1 tot en met 2337 en een Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel met [proces-verbaalnummer] , d.d. 1 december 2015 met als bijlagen diverse ambtshandelingen [AMB] en documenten [DOC].

2 AMB-176.

3 AMB-173.

4 DOC-04735 t/m DOC-04736.

5 DOC-04965 (p. 23 conceptjaarrekening 2012).

6 DOC-05543.

7 DOC-05538 t/m DOC-05541.